Uitleg van de drie fundamentele grondbeginselen

 Inleiding

Bismillahir rahmanir rahiem.

Hierna volgt het boek "Sharh' Thalaathatoe l-Oesool" van Sheikh Ibn al-'Oethaymien,wat een uitleg is van het boek "Thalaathatoel-Oesool" (de drie fundamentele grondbeginselen) van Sheikh Ibn Abdoel-Wahhaab.

De "drie fundamentele grondbeginselen" zijn in feite gebasseerd op de drie vragen die aan ons gesteld zullen worden in het graf, zie "De laatste momenten van het leven van de gelovigen en ongelovigen" hieronder. Deze hadieth is overgeleverd door Ah'med, Aboe Daawoed, Ibn Khozaymah, Al-H'aakim en authentiek verklaard door Al-Albaanie.

Het boek is digitaal gemaakt en geplaatst op deze website (Sincerehearts.nl), omdat dit boek essentiële informatie bevat voor iedere moslim. Het boek is vertaald en uitgegeven door uitgeverij Momtazah. De stukken in het boek mogen worden overgenomen zonder aanpassingen of toevoegingen, mits deze niet voor financiële doeleinden worden gebruikt.

De schuingedrukte woorden die niet worden uitgelegd in de tekst, kun je achterin dit boek opzoeken in de woordenlijst. Moge Allaah ons behoeden voor fouten en ons vergeven indien we deze hebben gemaakt. De laatste momenten van het leven van de gelovigen

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft deze laatste momenten van het leven van de gelovigen en ongelovigen beschreven. Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: "Als een gelovige op het punt staat om deze wereld te verlaten om over te gaan naar de volgende wereld, dan dalen engelen uit de hemelen neer met witte gezichten die stralen alsof hun gezichten de zon zijn, met een doodskleed uit het Paradijs en H'anoot [1] uit het Paradijs en zitten om hem heen in een menigte zover het oog reikt. Dan komt de Engel des Doods totdat hij zit bij zijn hoofd en zegt: "O goede ziel, kom naar buiten naar de vergeving en de tevredenheid van Allaah! En de ziel komt eruit en vloeit zoals een druppel water uit een waterzak stroomt en de Engel pakt het vast. Als hij het gepakt heeft, laten de engelen het geen moment in zijn hand. Zij nemen het en plaatsen het in het doodskleed [2] waarin H'anoot is. De geuren die daarvan zullen komen lijken op de lekkerste geur van musk [3] die op aarde gevonden kan worden.

Dan dragen zij hem naar boven en telkens als zij langs een groep engelen komen, vragen die: "Wie is deze goede ziel?" De engelen met de ziel antwoorden: "Die en die, de zoon van die en die," en zij gebruiken de mooiste namen waarmee de mensen hem in de wereld hebben genoemd. Zij brengen hem naar de laagste hemel en vragen of er een poort voor hem geopend kan worden. Die wordt voor hem geopend en de engelen van elke hemel, die dicht bij Allaah staan, begeleiden hem naar de volgende hemel tot hij de zevende hemel bereikt. Dan zegt Allaah de Almachtige: "Schrijf het boek van Mijn dienaar in 'iellieyien [4] en breng hem terug naar de aarde. Ik heb hen daaruit geschapen en Ik breng hen daar weer naar toe en Ik breng hen daar weer uit voort."

Zijn ziel wordt dan weer naar zijn lichaam toegebracht en twee engelen komen naar hem toe. Zij laten hem zitten en vragen hem: "Wie is jouw Rabb (Heer)?" Hij antwoordt: "Mijn Heer is Allaah." Zij vragen hem: "Wat is jouw godsdienst?" Hij antwoordt: "Mijn godsdienst is de Islaam." Zij vragen hem: "Wie is deze man die naar jullie was gestuurd?" Hij antwoordt: "De boodschapper van Allaah." Zij vragen hem: "Wat is jouw kennis?" Hij antwoordt: "Ik las het Boek van Allaah, geloofde erin en verklaarde dat het waar was."

Een oproeper uit de hemel zal dan roepen: "Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken!! Voorzie hem daarom met de tapijten (kleden waarop men zit) uit het Paradijs, kleed hem met de kleding van het Paradijs en open een poort voor hem naar het Paradijs!" Hij ontvangt wat van de frisse lucht en aangename geur ervan en zijn graf breidt zich uit zover het oog reikt. Een man met prachtige kleding en een lekkere geur komt naar hem toe en zegt: "Verheug je in dat wat je pleziert, want dit is de dag die je beloofd is." Hij vraagt: "Wie ben je? Je hebt een uiterlijk dat veel goeds voorspelt." Hij antwoordt: "Ik ben je goede daden." Dan zegt hij: "Mijn Rabb, laat het Uur [5] spoedig komen. Mijn Rabb, laat het Uur spoedig slaan, zodat ik naar mijn familie en mijn bezittingen kan terugkeren!"

------

[1] H'anoot: een geparfumeerde medische substantie dat gebruikt wordt voor het lichaam voordat het begraven wordt.

[2] En parfumeren het met die H'anoot

[3] Musk is de fijnste en beste substantie gebruikt als een parfum.

[4] 'iellieyien: de hemelen en het Paradijs

[5] De Dag des Oordeels en het Uur van de Wederopstanding. De laatste momenten van het leven van de ongelovigen

Als een ongelovige dienaar op het punt staat om deze wereld te verlaten om naar de volgende wereld over te gaan, komen engelen met zwarte gezichten uit de hemel naar beneden en zij hebben Al-Masooh' [1] bij zich en zitten dan om hem heen in een menigte zover het oog reikt. Dan komt de Engel des Doods en gaat bij zijn hoofd zitten en zegt: "Slechte ziel, kom naar buiten naar de vervloeking en de woede van Allaah!" De ziel verdeelt zich over het hele lichaam en wordt uit het lichaam getrokken zoals As-Saffood [2] uit natte wol wordt getrokken. Dan neemt de engel hem over. Als hij hem te pakken heeft, laten de andere engelen het geen moment in zijn handen. Zij nemen hem en wikkelen hem in Al-Masooh' waar een stank vanaf komt, zoals de ergste stank van een lichaam in de wereld.

Dan nemen zij hem naar boven en telkens als zij voorbij een groep engelen komen, vragen deze: "Wie is deze smerige ziel?" De engelen met de ziel antwoorden: "Die en die, de zoon van die en die," en zij gebruiken de ergste benamingen die de mensen hem op deze wereld hebben gegeven. Dan brengen zij hem naar de laagste hemel en vragen of de poort voor hem geopend kan worden. Deze gaat niet open.

De boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) reciteerde toen: "..de poorten van de hemel zullen niet worden geopend.." [3]

Dan zegt Allaah (‘Azza wa Djal [4]): "Schrijf zijn boek in Sidjien [5]." Daarna wordt de ziel naar beneden gegooid. Daarna reciteerde de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): "En wie iets met Allaah vereenzelvigt, het is alsof hij van een hoogte valt en de vogels hem wegrukken of de wind hem wegblaast naar een afgelegen plek." [6]

Dan keert zijn ziel naar zijn lichaam terug en twee engelen komen naar hem toe en vragen hem: "Wie is jouw Heer?" Hij antwoordt: "Ha [7], ha, ik weet het niet!" Zij vragen hem: "Wat is jouw religie?" Hij zegt: "Ha, ha, ik weet het niet." Zij vragen hem: "Wie is die man die naar jullie is toegezonden?" Hij zegt: "Ha, ha, ik weet het niet." Dan roept een Roeper uit de hemel: "Mijn dienaar heeft gelogen, spreidt dus de tapijten (kleden waarop men zit) van het Vuur voor hem uit en open de poort van het Vuur voor hem!" Daarna komt er een hete wind naar hem toe, zijn graf wordt zo nauw voor hem, dat zijn ribben samengeperst worden. Een man met een afschuwelijke uiterlijk, gekleed in vodden en een vieze lucht komt naar hem toe en zegt: "Wees tevreden met het slechte nieuws dat ik voor je heb. Dit is de dag die je beloofd werd." Hij vraagt: "Wie ben jij? Je hebt een uiterlijk dat kwaad voorspelt." Hij antwoordt: "Ik ben je slechte daden."Dan zegt hij: "O Rabb (Heer), laat het laatste Uur niet komen!"

------

[1] Al-Masooh': de lelijkste, meest stinkende, vieze en rottende vodden.

[2] As-Saffood: een voorwerp met meerdere koppen die overvloedig in de woestijn aanwezig zijn, in het bijzonder bekend bij de herders omdat ze verstrikt raken in de wol van de schapen.

[3] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 40.

[4] "De Almachtige en Majesteitelijke."

[5] Sidjien: in de laagste aarde.

[6] Soerat Al-H'adj (22), aayah 31.

[7] Deze reactie geeft aan hoe ver een ongelovige afgedwaald was in het leven, tot het punt dat hij zich niet kan concentreren of herinneren. Maar hoe kan hij zich herinneren aangezien zijn leven totaal afweek van het Rechte Pad, As-Siraat Al-Moestaqiem, het Pad waar de gelovige in elk gebed om vraagt: "Leid ons op het Rechte Pad." (Soerat Al-Faatih'ah (1), aayah 6.)


 De tekst van de drie fundamentele grondbeginselen

“Thalaathoel-Oesoel”

In de naam van Allaah, de Meest Barmhartige (Ar-Rah'maan), de Genadevolle (Ar-Rah'iem).

Weet, moge Allaah u genadig zijn, dat het voor u verplicht is om kennis te hebben over vier zaken:

(1)   Kennis (al-'Ilm), wat kennis over en bewustzijn van Allaah is, en kennis over Zijn profeet, en kennis over de religie van Islaam met de bewijzen.

(2)   Er naar handelen.

(3)   Er naar uitnodigen.

(4)   Het geduldig volharden en verdragen van het eventuele kwaad dat men op die weg tegenkomt.

Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “Bij de tijd. ●Voorwaar, de mens lijdt zeker verlies. ● Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en elkaar aansporen tot de Waarheid en elkaar aansporen tot geduld.” [37]

Ash-Shaafi'ie (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: “Als Allaah geen ander bewijs dan alleen deze Soerat aan Zijn schepping geopenbaard zou hebben, dan zou dat voldoende voor hen zijn geweest.” Al-Boekhaarie (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: “Hoofdstuk: 'Kennis gaat vóór spraak en handeling' en het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Weet dat er geen god is dan Allaah en vraag om vergeving voor jouw zonden...” [38]

Dus Hij begon met het noemen van kennis, vóór spraak en handeling.”

Weet, moge Allaah u genadig zijn, dat het voor elke moslim, man en vrouw, verplicht is om te leren en te handelen naar drie zaken:

n  Dat Allaah ons geschapen heeft en voorzien heeft van allerlei voorzieningen en Hij heeft ons niet zonder doel gelaten. Integendeel, Hij heeft boodschappers naar ons gezonden.

n   Degene die hem gehoorzaamt, zal het Paradijs betreden en degene die hem ongehoorzaam is zal het Hellevuur betreden. Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “Voorwaar, Wij hebben een boodschapper tot jullie gezonden als getuige over jullie, zoals Wij tot Fir'awn [39] een boodschapper zonden. ● Toen was Fir'awn de boodschapper ongehoorzaam, waarop Wij hem grepen met een verschrikkelijke greep.” [40]

n  Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) wil niet dat iemand een deelgenoot in de aanbidding naast Hem neemt, noch een engel die een dichtstbijzijnde positie bij Allaah heeft, noch enig profeet die als boodschapper gezonden is. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En voorwaar, de moskeeën behoren aan Allaah toe: roept dan naast Allaah niet één aan.” [41]

n  Dat het niet toegestaan is voor een ieder die de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gehoorzaamt en alleen Allaah aanbid, volgens de zuivere tawh'ied, om loyaal te zijn aan degenen die Alaah en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) bestrijden, ook al is het een naast familielid van hem. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Jij vindt geen volk dat in Allaah en in de Laatste Dag gelooft dat degenen die Allaah en Zijn boodschapper tegenstreven bevriend, ook al zijn het hun vaders, of hun zonen of hun broeders of hun stamgenoten. Zij zijn degenen bij wie Hij het geloof in hun harten heeft geschreven en Hij versterkt hen met hulp van Hem, en Hij doet hen Tuinen binnengaan waar de rivieren onder door stromen. Zij zijn daarin eeuwig levenden. Allaah heeft welbehagen aan hen en zij hebben welbehagen aan Hem. Zij zijn degenen die van de groep van Allaah zijn. Weet: voorwaar, de groep van Allaah is de winnaar.” [42]

Weet, moge Allaah u leiden (Arshadaka llaah)  naar gehoorzaamheid (taa'atieh) tegenover Hem, dat de ware en pure religie (Al-H'aniefieyyah) de weg (Al-Millah) van Ibraahiem (Abraham) (‘Alayhie s-Salaam) is. Dit betekent dat men alleen Allaah aanbidt en de religie zuiver en oprecht voor Hem houdt.

Dit is wat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) alle mensen bevolen heeft en om deze reden heeft Hij hen geschapen zoals Allaah de Verhevene, heeft gezegd: “En Ik heb de djinn en de mens slechts geschapen om Mij te aanbidden.” [43]

De betekenis van aanbidding ('ibaadah) hier, is het aanbidden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) (tawh'ied).

Het grootste bevel dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) bevolen heeft is de tawh'ied: dit is de toewijding van aanbidding aan Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) alleen, met volledige overgave.

De grootste zaak die Hij verboden heeft is shirk, wat het aanbidden of aanroepen van iemand of iets anders naast Hem inhoudt (afgoderij). Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa), waarbij Hij zegt: “En aanbidt Allaah en kent Hem in niets een deelgenoot toe...” [44]

Als u gevraagd wordt: wat zijn de drie grondbeginselen (fundamenten) die ieder mens dient te weten?

Geef dan als antwoord dat de dienaar zijn Rabb (Heer), Dien (religie) en de profeet Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) moet kennen.

[37] Soerat Al-'Asr (103).

[38] Soerat Moeh'ammad (47), aayah 19.

[39] Fir'wan: farao. De farao ten tijde van de profeet Moesa (Mozes) (‘Alayhie s-Salaam).

[40] Soerat Al-Moezzammil (73), aayah 15-16.

[41] Soerat Al-Djinn (72), aayah 18.

[42] Soerat Al-Moedjaadalah (58), aayah 22.

[43] Soerat Ad-Dzaariyaat (51), aayah 56.

[44] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 36. Het eerste grondbeginsel: het kennen van de Heer (Rabb).

Als u de vraag gesteld krijgt: "Wie is uw Rabb?" Geef dan als antwoord: "Mijn Rabb is Allaah, Die mij en al het geschapene gevoed heeft met Zijn Gunsten, Hij is Degene Die ik aanbid en er is niemand of niets dat ik naast Hem aanbid." Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Alle lof zij Allaah, de Heer der Werelden." [45]

Alles buiten Allaah behoort tot de werelden en ik ben één deel van de wereld.

Als u de vraag gesteld krijgt: "Hoe bent u erachter gekomen dat uw Heer bestaat?" Zeg dan: "Door Zijn tekenen en schepselen; en tot Zijn tekenen behoren de nacht en de dag, de zon en de maan. Wat ook tot Zijn schepping behoort, zijn de zeven hemelen en de zeven aarden en alls wat erin is en wat er tussen ligt."

Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "En tot Zijn Tekenen behoren de nacht en de dag, en de zon en de maan. Knielt jullie niet neer voor de zon en niet voor de maan, maar knielt jullie neer voor Allaah, Degene Die hen heeft geschapen, als jullie alleen Hem aanbidden." [46]

En Zijn Woorden, Verheven is Hij: "Voorwaar, jullie Heer is Allaah, Degene Die de hemelen en de aarde in zes dagen (perioden) heeft geschapen. Vervolgens zetelde Hij zich op de Troon. Hij doet de nacht de dag bedekken, die hem haastig najaagt: en de zon, de maan en de sterren zijn aan Zijn bevel onderworpen. Weet, dat scheppen en bevelen aan Hem is voorbehouden. Gezegend zij Allaah, de Heer der werelden." [47]

De Heer is Degene Die aanbeden wordt en het bewijs hiervoor is dat de Verhevene zegt: "O mensen, aanbidt jullie Heer (Rabb), Degene Die jullie en degenen vóór jullie heeft geschapen. Hopelijk zullen jullie (Allaah) vrezen. Degene Die de aarde voor jullie heeft gemaakt tot een rustplaats en de hemel tot een gewelf en Hij zendt water uit de hemel neer, waarmee Hij vervolgens vruchten voortbrengt als voorziening voor jullie. Kent daarom geen deelgenoten toe aan Allaah, terwijl jullie (het) weten." [48]

Ibn Kathier (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: "De Schepper van deze schepselen is Degene Die het recht heeft om aanbeden te worden."

Alle vormen van aanbidding die Allaah bevolen heeft - zoals Islaam (overgave en gehoorzaamheid tegenover Allaah), Imaan (waar geloof, bestaande uit geloof in het hart, spraak met de tong en handelingen met de ledematen) en Ih'saan (perfectie van aanbidding); en hieruit komt voort: doe'aa-e (smeekedes), khawf (eerbiedige angst), radjaa-e (hoop en verlangen naar Hem), tawakkoel (vertrouwen in Hem), raghbah (brandend verlangen naar het Paradijs), rahbah (angst voor de Hel), khoeshoo' (eerbied en nederigheid), khashyah (vrees), inaabah (je berouwvol naar Hem keren), isti'aanah (smeken om hulp en bijstand), isti'aadzah (toevlucht zoeken bij Hem), istighaathah (verlossing en redding zoeken bij Hem), dzabh' (offeren, het slachten van dieren namens Hem), nedzr (het afleggen van eden) en de overige vormen van aanbidding die Allaah bevolen heeft. Alle aanbiddingen behoren alleen voor de Verhevene verricht te worden.

Het bewijs hiervoor is dat de Verhevene zegt: "En voorwaar, de moskeeën (masaadjid) behoren aan Allaah toe: roept dan naast Allaah niet één aan." [49]

Een ieder die een deel van deze aanbidding aan iemand anders richt naast Allaah, wordt hierdoor een moeshrik (polytheïst, afgodenaanbidder), een kaafir (ongelovige). Het bewijs hiervoor is dat de Verhevene zegt: "En wie een andere god aanroept naast Allaah, waarvoor hij geen bewijs heeft: voorwaar, zijn afrekening is bij zijn Heer. Voorwaar, de ongelovigen zullen niet welslagen." [50]

En uit de overlevering van de boodschapper van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): "Doe'aa-e is de kern van aanbidding."

Het bewijs hiervoor is dat de Verhevene heeft gezegd: "En jullie Heer zei: "Roept Mij aan, Ik zal jullie verhoren. Voorwaar, degenen die te hoogmoedig zijn om Mij (alleen) te aanbidden zullen de Hel binnengaan als vernederden." [51]

Het bewijs voor angst (khawf) is dat Allaah de Verhevene heeft gezegd: "Wees daarom niet bang voor hen, wees bang voor Mij, indien jullie gelovigen zijn." [52]

Het bewijs voor hoop en verlangen (ar-radjaa-e) is dat de Verhevene zegt: "Wie dan hoopt op de ontmoeting met zijn Heer: laat hem goede daden verrichten en laat hem bij de aanbidding van zijn Heer niet één deelgenoot toekennen." [53]

Het bewijs voor het vertrouwen in Allaah (at-tawakkoel), is dat de Verhevene zegt: "En stelt jullie vertrouwen op Allaah, indien jullie gelovigen zijn." [54]

En Hij zegt: "En (voor) wie op Allaah vertrouwt, is Hij voldoende." [55]

Het bewijs voor het brandende verlangen (ar-raghbah), angst (ar-rahbah) en eerbied en nederigheid (al-khoeshoo'), is dat de Verhevene zegt: "Voorwaar, zij wedijverden in goede daden en riepen ons aan, verlangend (naar Onze Genade) en vol ontzag (voor Onze bestraffing). En zij waren nederig tegenover Ons." [56]

Het bewijs voor vrees (al-khashyah) is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "...en vrees daarom niet hen, maar vrees Mij..." [57]

Het bewijs voor dat je je berouwvol naar Hem moet keren (al-inaabah), is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "En keer (berouwvol en gehoorzaam) terug tot jullie Heer, en geeft jullie over aan Hem..." [58]

Het bewijs voor het vragen om hulp en bijstand (al-isti'aanah), is de Uitspraak van de Verhevene: "ﷻ‬ alleen aanbidden wij en ﷻ‬ alleen vragen wij om hulp." [59]

En in een h'adieth staat: "Als je hulp zoekt, zoek dan de hulp van Allaah." [60]

Het bewijs voor het zoeken van toevlucht bij Hem (al-isti'aadzah), is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa)  zegt: "Zeg: "Ik zoek bescherming bij de Heer der dageraad." [61]

En ook: "Zeg: "Ik zoek bescherming bij de Heer van de mensen." [62]

Het bewijs voor het vragen van verlossing en redding (al-istighaathah) is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa)  zegt: "Toen jullie je Heer om hulp vroegen en Hij jullie verhoorde..." [63]

Het bewijs voor het offeren van dieren (ad-dzabh') is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Zeg: "Voorwaar, mijn gebeden, mijn offers, mijn leven en mijn sterven zijn opgedragen aan Allaah, Heer der Werelden. Hij heeft geen deelgenoten..." [64]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: "Allaah vervloekt degene die voor iemand anders dan Allaah (een dier) offert." [65]

Het bewijs voor het afleggen van eden (an-nedzr) is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Zij vervulden hun geloften. En zij vreesden een Dag waarvan het kwaad verschrikkelijk is." [66]

[45] Soerat Al-Faatih'ah (1), aayah 2.

[46] Soerat Foessilat (41), aayah 37.

[47] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 54.

[48] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 21-22.

[49] Soerat Al-Djinn (72), aayah 18.

[50] Soerat Al-Moe-eminoen (23), aayah 117.

[51] Soerat Ghaafir (40), aayah 60.

[52] Soerat Aal-'Imraan (3), aayah 175.

[53] Soerat Al-Kahf (18), aayah 110.

[54] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 23.

[55] Soerat At-Talaaq (65), aayah 3.

[56] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 90.

[57] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 150 en Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 3.

[58] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 54.

[59] Soerat Al-Faatih'ah (1), aayah 5.

[60] Overgeleverd door Al-Imaam Ah'mad 1/293 en At-Tirmidzie 4/575.

[61] Soerat Al-Falaq (113), aayah 1.

[62] Soerat An-Naas (114), aayah 1.

[63] Soerat Al-Anfaal (8), aayah 9.

[64] Soerat Al-An'aam (6), aayah 162-163.

[65] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe Al-Adhaah'ie: hoofdstuk, teh'riemoe d-Dzabh'ie lie ghayrie llaahie ta'aala wa la'noe faa'ielieh.

[66] Soerat Al-Insaan (76), aayah 7.


Het tweede grondbeginsel: het kennen van de religie (Dien).

Kennis van de religie Islaam met de bewijzen. Dit is overgave aan Allaah met taw'hied, door Zijn Eenheid te erkennen, en gehoorzaamheid aan Hem, en jezelf behoeden tegen en afstand nemen van Shirk (polytheïsme) en haar aanhangers.

Islaam bestaat uit drie niveau's: Islaam (overgave en gehoorzaamheid tegenover Allaah), Imaan (waar geloof, bestaande uit geloof in het hart, spraak met de tong en handelingen met de ledematen) en Ih'saan (perfectie van aanbidding), en ieder niveau heeft zijn zuilen.

Er zijn vijf zuilen in de Islaam, namelijk:

   de geloofsgetuigenis dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah en dat Moh’ammed de boodschapper is van Allaah

   het verrichten van het gebed

   het betalen van de zakaat

   het vasten in Ramadhaan

   en het verrichten van de h’adj naar het Heilige Huis van Allaah (de bedevaart).

Het bewijs voor de geloofsgetuigenis (shahaadah) is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Allaah getuigt dat er geen god is dan Hij en (ook) de engelen en de bezitters van kennis; Hij Die zorgt voor gerechtigheid. Er is geen god dan Hij, de Almachtige, de Alwijze." [67]

De betekenis hiervan is dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah: "laa ilaaha" betekent "er is geen god" en dit is een ontkenning van al hetgeen wat naast Allaah aanbeden wordt, en "illa llaah" betekent "dan Allaah", en dit is een erkenning dat de aanbidding alleen aan Allaah toebehoort en dat er aan niemand een aandeel in Zijn Macht en Heerschappij gegeven dient te worden.

De uitleg die dit zal verduidelijken zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa), Die zegt: "En (gedenkt) toen Ibraahiem tot zijn vader en zijn volk zei: "Voorwaar, ik ben niet verantwoordelijk voor wat jullie aanbidden. Behalve Degene Die mij heeft geschapen: voorwaar, Hij zal mij leiden. En hij maakte het (getuigen van de eenheid van Allaah) tot een blijvend woord onder zijn nakomelingen. Hopelijk zullen zij terugkeren." [68]

En ook: "Zeg: "O lieden van de Schrift, komt tot een gelijkluidend woord tussen ons en jullie: dat wij niemand dan Allaah aanbidden en dat wij niets naast Hem tot deelgenoot maken en dat wij elkaar niet als heren naast Allaah plaatsen." Als zij zich dan afwenden, zegt dan: "Getuig dat wij ons (aan Allaah) overgegeven hebben (dat wij moslims zijn en niets anders aanbidden naast Hem)." [69]

Het bewijs voor de getuigenis dat Moh'ammed de boodschapper is van Allaah, is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Voorzeker, er is een boodschapper tot jullie gekomen uit jullie eigen midden. Zwaar voor hem is jullie lijden, vurig wenst hij het goede voor jullie, voor de gelovigen is hij liefdevol en barmhartig." [70]

De betekenis van de getuigenis dat Moh'ammed de boodschapper is van Allaah, is dat hij gehoorzaamt dient te worden in al hetgeen dat hij bevolen heeft en te geloven in al hetgeen wat hij bekend gemaakt heeft en de waarheid hiervan te bevestigen, alles wat hij verboden heeft verklaard te vermijden en dat Allaah alleen aanbeden wordt zoals hij dat opgesteld heeft.

Het bewijs voor het gebed (as-salaat) en de zakaat, en de uitleg van de taw'hied is o.a. dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Zij werden niets anders bevolen dan Allaah met zuivere aanbidding te aanbidden, als h'oenafaa-e. En (ook) de salaat te verrichten en de zakaat te geven en dat is de rechte godsdienst." [71]

Het bewijs vor het vasten (siyaam) is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "O jullie die geloven, het vasten is jullie verplicht, zoals het ook verplicht was voor hen vóór jullie, hopelijk zullen jullie (Allaah) vrezen." [72]

Het bewijs voor de bedevaart (h'adj) is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "... En Allaah heeft voor de mensen de bedevaart verplicht gesteld, (voor hen) die in staat zijn daarheen op weg te gaan. En wie ongelovig is: Allaah heeft geen behoefte aan de werelden." [73]

Het tweede niveau: Al-Imaan. Dit bevat iets meer dan zeventig onderdelen. De belangrijkste van hen is het zeggen dat "niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah" (laa ilaaha illa llaah) en de laagste van hen is het weghalen van dat wat schadelijk is van de weg. Een gevoel van schaamte (al-h'ayaa-e) is een onderdeel van Imaan.

Het aantal zuilen van Imaan is zes, namelijk:

   dat je gelooft in Allaah

   Zijn engelen

   Zijn boeken

   Zijn boodschappers

   de Laatste Dag

   en het geloven in het lot (al-qadar) het goede en het slechte ervan.

Het bewijs voor deze zes zuilen is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Het is geen vroomheid dat jullie je gezichten naar het oosten en het westen wenden, maar vroom is wie gelooft in Allaah en het Hiernamaals en de engelen en de Schriften en de profeten..." [74]

Het bewijs voor het lot is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Voorwaar, Wij hebben alle zaken volgens een bepaalde maatgeving geschapen." [75]

Het derde niveau: Ih'saan.

Ih'saan bevat maar één zuil en deze is "dat u Allaah aanbidt alsof u Hem ziet en hoewel u Hem niet ziet, weet dan dat Hij u zeker wel ziet." Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Voorwaar, Allaah is met degenen die (Hem) vrezen en met degenen die weldoeners zijn (moeh'sinoen)." [76]

En Zijn Uitspraak: "En vertrouw op de Almachtige, de Meest Barmhartige. Degene Die jou ziet als jij staat (te bidden). En jou bewegingen (ziet) onder de knielenden. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende." [77]

En Zijn Uitspraak: "En jij houdt je niet met een zaak bezig, en niets draag jij daarover van de Qor-aan voor, en jullie verrichten geen werk, of Wij zijn over jullie Getuigen wanneer jullie daarin verdiept zijn..." [78]

[67] Soerat Aal-'Imraan (3), aayah 18.

[68] Soerat Az-Zoekhroef (43), aayah 26-28.

[69] Soerat Aal-'Imraan (3), aayah 64.

[70] Soerat At-Tawbah (9), aayah 128.

[71] Soerat Al-Bayyinah (98), aayah 5.

[72] Soerat Al Baqarah (2), aayah 183.

[73] Soerat Aal-'Imraan (3), aayah 97.

[74] Soerat Al Baqarah (2), aayah 177.

[75] Soerat Al-Qamar (54), aayah 49.

[76] Soerat An-Nah'l (16), aayah 128.

[77] Soerat Ash-Shooraa-e (26), aayah 217-220.

[78] Soerat Yoenoes (10), aayah 61. Het derde grondbeginsel: het kennen van de profeet Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam)

Hij is Moh'ammed ibn (zoon van) 'Abdoellah ibn 'Abdoel-Moettalib ibn Haashim. Haashim behoorde tot de stam van Qoeraysh en Qoeraysh behoorde tot de Arabieren. De Arabieren zijn de afstammelingen van Ismaa'iel (‘Alayhie s-Salaam), de zoon van Ibraahiem (‘Alayhie s-Salaam) - de gekozen persoon die geliefd is (khaliel) bij Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa). Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) leefde 63 jaar, waarvan 40 jaar vóór de periode van zijn profeetschap en 23 jaar heeft hij als profeet en boodshapper geleefd. Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) werd als profeet aangesteld door de openbaaring van "iqraa-e": "lees" (Soerat al-'Alaq (96)), en als boodschapper door (Soerat) Al-Moeddathir (74). Hij werd geboren te Mekkah en emigreerde (hidjrah) naar Al-Madinah. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft hem gestuurd om tegen Shirk (afgoderij) te waarschuwen en om tot taw'hied (monotheïsme) uit te nodigen.

Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "O jij ommantelde. Sta op en waarschuw. En prijs de grootheid van jouw Heer. En reinig jouw kleding. En vermijd de zondigheid. En geef niet om meer te ontvangen. En wees geduldig omwille van jouw Heer." [79]

De betekenis van "Sta op en waarschuw" is het waarschuwen tegen shirk en het oproepen tot tawh'ied. "En prijs de grootheid van jouw Heer" betekent Hem prijzen en aanbidden door tawh'ied toe te passen. "En reinig jouw kleding" betekent je daden reinigen van shirk (shirk vermijden). "En vermijd de zondigheid wa ﷺ‬-roedjza fahdjoer", ar-roedjz betekent de standbeelden (afgoden) en hadjr van hen betekent hen mijden en er afstand van nemen en van degenen die ze aanbidden.

Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) bleef 10 jaar uitnodigen naar tawh'ied. Na het 10de jaar maakte hij de reis naar de hemelen (de mi'raadj), waarbij de vijf gebeden verplicht werden gesteld. Hij heeft het gebed drie jaar lang in Mekkah verricht en werd daarna bevolen om te migreren naar Al-Madinah (de hidjrah).

Hidjrah is de migratie uit het land van shirk naar het land van Islaam. Hidjrah van het land van shirk naar het land van Islaam is een plicht voor deze oemmah en deze zal blijven bestaan tot aan het Laatste Uur. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Voorwaar, (tot) degenen waarvan de zielen door de engelen worden meegenomen, en die onrechtvaardig tegenover zichzelf waren, zeggen zij: "In wat voor toestand waren jullie (toen jullie stierven)?" Zij zeggen: "Wij waren de onderdrukten op aarde." Zij (de engelen) zeggen: "Was de aarde van Allaah niet (zo) uitgestrekt dat jullie daarop hadden kunnen uitwijken?" Zij zijn degenen wiens verblijfplaats de Hel is. En het is de slechtste bestemming! Behalve de onderdrukten van de mannen en de vrouwen en de kinderen die niet tot macht in staat zijn, en die geen weg kunnen vinden. Zij zijn het van wie Allaah hopelijk (de fouten) zal uitwissen. En Allaah is Vergevend, Vergevensgezind." [80]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt ook: "O Mijn dienaren die geloven: voorwaar, Mijn aarde is wijd, aanbidt daarom slechts Mij." [81]

Al-Baghawie (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: "Deze aayah werd geopenbaard betreffende de moslims die in Mekkah waren en niet migreerden; Allaah riep hen aan namens de Imaan (geloof)."

Het bewijs uit de Soennah voor de hidjrah, is dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: "De hidjrah zal niet ophouden totdat berouw tonen ophoudt, en berouw zal niet ophouden totdat de zon opkomt vanuit zijn plaats van ondergang (d.w.z. het westen)." [82]

Nadat hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zich gevestigd had in Al-Madinah, beval hij de rest van de voorgeschreven verplichtingen van de Islaam, zoals de zakaat, het vasten, de h'adj, djihaad, de adzaan (oproep tot het gebed), het goede bevelen en het slechte verbieden en de andere Islamitische plichten en regels.

Dit nam in totaal tien jaar in beslag, waarna hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) overleed en zijn religie bestaat tot de dag van vandaag nog steeds.

En dit is zijn religie: hij heeft zijn Oemmah naar al het goede geleid, en heeft hen gewaarschuwd voor al het slechte. Het goede waar hij ze naar opgeroepen heeft, is de taw'hied en al hetgeen waarvan Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) houdt en tevreden over is. En het slechte waar hij tegen gewaarschuwd heeft is ash-shirk en al hetgeen dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) afkeurt en verafschuwt. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft hem als boodschapper gezonden naar de gehele mensheid en Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa)  maakte het verplicht voor iedereen van de djinn en de mensheid om hem te gehoorzamen. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa)  zegt: "Zeg: "O mensen, voorwaar, ik ben de boodschapper van Allaah voor jullie allen..." [83]

Door middel van hem heeft Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) de religie vervolmaakt en het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "...Vandaag heb Ik jullie godsdienst voor jullie vervolmaakt en heb Ik Mijn gunst voor jullie volledig gemaakt en heb ik de Islaam voor jullie als godsdienst gekozen..." [84]

Het bewijs dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) overleden is, is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Voorwaar, jij zult sterven en voorwaar, zij zullen sterven. Daarna zullen jullie op de Dag der Opstanding bij jullie Heer met elkaar redetwisten." [85]

Na de dood zullen de mensen opgewekt worden en het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Uit haar (de aarde) hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie terug doen keren en daaruit zullen Wij jullie een andere keer opwekken." [86]

En Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt ook: "En Allaah heeft jullie als schepselen voortgebracht uit de aarde. (a)  Daarna keer Hij jullie in haar terug (b)  en brengt Hij jullie er tevoorschijn (c) ." [87]

Na de Opstanding zullen zij ter verantwoording worden geroepen en worden zij beloond of bestraft voor hun daden. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "...opdat Hij degenen die kwaad verrichtten zal vergelden voor wat zij deden en opdat Hij degenen die goed deden zal belonen met het beste (het Paradijs)." [88]

Bovendien is iedereen die de wederopstanding ontkent een ongelovige. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Degenen die ongelovig zijn veronderstellen dat zij niet opgewekt zullen worden. Zeg: "Welzeker, bij mijn Heer! Jullie zullen zeker opgewekt worden en vervolgens zullen jullie op de hoogte gebracht worden van wat jullie bedreven hebben. En dat is voor Allaah gemakkelijk." [89]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft alle boodschappers gestuurd als brengers van goede tijdingen en als waarschuwers. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "(Wij zonden) boodschappers als brengers van verheugende tijdingen en als waarschuwers opdat de mens geen excuus tegenover Allaah zou hebben na de boodschappers..." [90]

De eerste van hen was Noeh' (Noah) (‘Alayhie s-Salaam) en de laatste was Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Het bewijs dat Noeh' (‘Alayhie s-Salaam) de eerste was, is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Voorwaar, Wij hebben aan jou geopenbaard zoals Wij aan Noeh' en de profeten na hem openbaarden..." [91]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft naar ieder volk een boodschapper gestuurd, van Noeh' (‘Alayhie s-Salaam) tot aan Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), die hen bevolen om alleen Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) te aanbidden en hen verboden om at-taaghoot te aanbidden. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "En voorzeker, Wij hebben aan iedere gemeenschap een boodschapper gezonden (die zei): "Aanbidt Allaah en houdt afstand van de taaghoot..." [92]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft al Zijn dienaren verplicht gesteld om at-taaghoot te verwerpen en er niet in te geloven en om in Allaah te geloven. Ibn Al-Qayyiem (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: "At-taaghoot is alles waarmee de dienaar zijn grenzen overschrijdt, hetzij door het te aanbidden, te volgen of te gehoorzamen."

Er zijn veel tawaaghiet en er zijn vijf leiders:

1) Iblies, de duivel (moge Allaah hem vervloeken).

2) Iedereen die aanbeden wordt en die daarover tevreden is.

3) Iedereen die de mensen oproept om hem te aanbidden.

4) Iedereen die beweert iets te kennen van het onwaarneembare (al-Ghayb).

5) Iedereen die regeert of oordeelt met iets anders dan wat Allaah geopenbaard heeft.

Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Er is geen dwang in de godsdienst. Waarlijk, de rechte leiding is duidelijk onderscheiden van de dwaling, en hij die de taaghoot verwerpt en in (alleen) Allaah gelooft: hij heeft zeker het stevigste houvast gegrepen, dat niet breken kan" [93]

Dit is de betekenis van "laa ilaaha illa llaah" (niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve Allaah).

In een overlevering staat het volgende: "Het hoofd van de zaak is al-Islaam, en de steunpilaar is het gebed en het hoogste deel daarvan is de djihaad voor de zaak van Allaah." [94]

En Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) weet het best en moge Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegeningen en vrede neerzenden op Moh'ammed, zijn ware volgelingen en metgezellen.

[79] Soerat Al-Moedaththier (74), aayah 1-7.

[80] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 97-99.

[81] Soerat Al'Ankaboot (29), aayah 56.

[82] Overgeleverd door Aboe Daawoed, Kietaaboe l-Djihaad: hoofdstuk, fie l-hidjratie heli nqata'at, Ah'mad boek 1/blz. 192, Ad-Daariemie, Kietaaboe s-Siyer: hoofdstuk anna l-hidjrata laa tenqate', Al-Haythamie in "moedjma' z-zawaa-ied" boek 5, blz. 250 en hij zei: "Aboe Daawoed en an-Nasaa-ie hebben een aantal ah'adieth van Moe'aawiyah overgeleverd - en het is overgeleverd door Ah'mad en At-Tabaraanie in Al-Awsati en as-Saghier uit een andere h'adieth dan die van Ibn As-Sa'die - de overleveraars van Al-Imaam Ah'med zijn betrouwbaar.

[83] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 158.

[84] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 3.

[85] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 30-31.

[86] Soerat Taa-Haa (20), aayah 55.

[87] Soerat Nooh' (71), aayah 17-18.

[88] Soerat An-Nadjm (53), aayah 31.

[89] Soerat At-Taghaaboen (64), aayah 7.

[90] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 165.

[91] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 163.

[92] Soerat An-Nah'l (16), aayah 36.

[93] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 256.

[94] Vertaler: Overgeleverd door Ah'mad, at-Tirmidzie en Ibn Maadjah, en Sah'ieh' verklaard door sheikh Moeh'ammad Naasiroeddien al-Albaani in Sah'ieh' Soenan At-Tirmidzie (nr. 2110).


 Uitleg van de drie fundamentele grondbeginselen

“Thalaathoel-Oesool”

In de naam  *¹...

~~~~

*¹  De auteur, moge Allaah hem genadig zijn, begint zijn boek met de Basmalah (In de naam van Allaah) en volgt hiermee het voorbeeld van de Qor-aan, het Boek van Allaah, de Almachtige, de Majesteitelijke, dat hiermee begint. En ook volgens de h’adieth: “ Elke belangrijke zaak die niet begint met ‘In de naam van Allaah’ wordt onthouden van het goede.” [95]

Het is ook volgens het voorbeeld van de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), aangezien hij zijn brieven hiermee begon. Deze zin heeft een onuitgesproken deel dat essentieel is om de betekenis compleet te maken; de volledige betekenis is: ‘In de naam van Allaah schrijf ik.’ Het onuitgesproken deel dient een werkwoord te zijn (d.w.z. in dit geval ‘schrijf ik’), aangezien werkwoorden staan voor handelingen en hieruit maken we op dat dit dient te komen na ‘In de naam van Allaah’ en niet er vóór, dit vanwege twee redenen: om zegeningen te zoeken door te beginnen met de naam van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa), en dat dit een manier is om het feit uit te drukken dat dit de enige oorzaak is van het schrijven.

Door naar de werkelijke betekenis van deze zin te kijken, zien we dat het volledig zinnig is. Als u bijvoorbeeld een boek wilt gaan lezen en slechts zou zeggen: “In de naam van Allaah begin ik,” is het niet duidelijk waarmee u begint. Maar “In de naam van Allaah begin ik met lezen” laat geen ruimte over voor twijfel. Wat we hier uit opmaken is dat de onuitgesproken woorden het volledig zinnig maken.

[95]As-Soyooti heeft hem naar Ar-Rahaawie genoemd in Al-Djaami’ As-Saghier (4/147), Al-Khaateb heeft hem genoemd in Al-Djaami’ (2/69). Deze h’adieth is door verschillende overleveraars en versies vermeld. Onze Sheikh, de geleerde Moh’ammed ibn Saalih’ Al-‘Oethaymien (moge Allaah hem genadig zijn), werd gevraagd over deze h’adieth en zei: “Over de authenticiteit van deze h’adieth zijn de geleerden het niet volledig met elkaar eens, An-Nawawie heeft hem wel goedgekeurd en er zijn anderen die het als zwak hebben geclassificeerd, maar het feit dat deze geleerden het accepteren en het in hun boeken vermelden duidt op het feit dat het een grondbeginsel heeft.” (Einde citaat uit het boek Kietaaboe Al-‘ilm van onze Sheikh.)


...van Allaah *², de Meest Barmhartige (Ar-Rah’maan) *³, de Genadevolle (Ar-Rah’iem) *4.

~~~

*² Allaah is de naam van de Enige Heer, Die alles geschapen en gevormd heeft, Hij is de Majesteitelijke en Meest Verhevene. Dit is Zijn naam waar al Zijn andere namen uit voortkomen.

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Alif, Laam, Raa [96]. (Dit is) een Boek dat Wij aan jou (O Moh’ammed) neergezonden hebben, opdat jij de mensen uit de duisternissen naar het licht zult voeren, met verlof van hun Heer, naar het Pad van de Almachtige, de Geprezene. Allaah is Degene aan Wie wat er in de hemelen en op de aarde is behoort...”[97]

In deze woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) is het zelfstandig naamwoord, wat de naam is van de Majesteitelijke Heer (Allaah), geen beschrijvende eigenschap, eerder een woord dat het voorafgaande uitlegt en verduidelijkt.

*³ Ar-Rah’maan (de Meest Barmhartige) is één van de namen die specifiek voor Allaah, de Almachtige en Majesteitelijke, zijn en kan niet op een ander dan Hem van toepassing zijn. Ar-Rah’maan betekent Degene Die een zeer grote en veelomvattende Barmhartigheid als Eigenschap heeft.

*4 Ar-Rah’iem (de Erbarmer, de Genadevolle, de Schenker van Genade) is een naam die van toepassing is op Allaah, de Almachtige en Majesteitelijke, en de uitdrukking kan ook beperkt op anderen toegepast worden. De betekenis is: degene die genadevol (barmhartig) is voor anderen. Ar-Rah’maan is Degene Die een zeer grote en veelomvattende Barmhartigheid bezit, en Ar-Rah’iem is degene die dat aan de mensen schenkt (d.w.z. Hij is genadevol jegens hen). Wanneer deze twee namen van Allaah samenkomen, dan wordt er met Ar-Rah’iem Degene bedoeld Die genade heeft met wie Hij wil van Zijn dienaren. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Hij bestraft wie Hij wil en Hij begenadigt wie Hij wil, en tot Hem zullen jullie teruggekeerd worden.” [98]

[96] De Qor-aan-geleerden zijn m.b.t. de losse letters van mening dat de kennis daarvan slechts bij Allaah(Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) is.

[97] Soerat Ibraahiem (14), aayah 1-2.

[98] Soerat Al-‘Ankaboot (29), aayah 21.


Weet *5, moge Allaah u genadig zijn *6, dat het voor u verplicht is om kennis te hebben over vier zaken: *7

~~~

*5 Kennis (‘ilm) is met zekerheid de realiteit van iets begrijpen zoals het werkelijk is. Er zijn zes niveau’s van begrip:

(I) Kennis (al-‘Ilm): met zekerheid de realiteit van iets begrijpen zoals het werkelijk is.

(II)Geringe onwetendheid (al-Djahloe l-Baseet): volledig begrip is afwezig.

(III)Verergerde/grotere onwetendheid (al-Djahloe l-Moerakkab): iets begrijpen op een manier dat tegenovergesteld is aan de werkelijkheid.

(IV)Waanidee (al-Wahm): denken dat men iets begrijpt ondanks de aanwezigheid van feiten waardoor een persoon zich zou moeten realiseren dat hij fout zit.

(V)Twijfel (ash-Shakk): denken dat men iets begrijpt, maar men is zich er van bewust dat er iets is dat tegenovergesteld is waarvan men denkt dat het dezelfde mogelijkheid heeft om waar te zijn.

(VI) Overheersend geloof (Dhjam): het begrijpen van iets, ondanks de aanwezigheid van iets  dat er tegenovergesteld aan is, maar wat minder waarschijnlijk is dat het waar is.

Er zijn twee categorieen van kennis (‘ilm): onvermijdelijk (dharoorie) en speculatief (nadhzarie). Onvermijdelijke kennis dat wat men weet zonder dat men er onderzoek voor hoeft te verrichten of zonder dat men het moet bewijzen met bewijs, zoals het kennis hebben over het feit dat vuur heet is. Terwijl speculatieve kennis onderzoek en bewijzen behoeft, bijvoorbeeld: de kennis dat het verplicht is om een intentie (niyyah) te hebben wanneer men de reiniging (woedhoo-e) verricht.

*6 “Rah’imakallaah”: moge Allaah Zijn Genade aan u schenken, waar u mee zult bereiken wat u  nastreeft en het ontsnappen aan wat u vreest. De betekenis is: moge Allaah u voorgaande zonden vergeven en u succes laten bereiken door vergeving van de voorgaande zonden en leiden naar het goede en juiste in de toekomst en u beschermen tegen zonden in het toekomst. De woorden van de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) duiden dus de zorg en betrokkenheid aan die hij heeft voor de lezer en dat hij het goede voor hem wenst.

*7 De zaken die de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) hier noemt, omvatten het geheel van de religie en men dient er vanwege hun enorme profijt heel veel aandacht aan te besteden.


(I) Kennis (al-‘Ilm), kennis over en bewustzijn van Allaah is *8, en kennis over Zijn profeet *9,...

~~~

*8 Kennis en bewustzijn van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) met het hart, met een dermate kennis en bewustzijn dat het de persoon laat accepteren wat Hij ook maar voorschrijft en oplegt, en veroorzaakt dat hij zich er aan overgeeft en oordeelt volgens de Voorgeschreven Wetten (Sharie’ah), waarmee Zijn profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) is gekomen. De dienaar krijgt meer kennis en bewustzijn van zijn Heer door na te denken over de duidelijke tekenen die betrekking hebben op de religie, die gevonden worden in het Boek van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en in de Soennah van Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). En ook door na te denken over de tekenen in de schepping. Door hier over na te denken en het te onderzoeken, krijgt de dienaar meer kennis en bewustzijn over zijn Schepper en Degene Die alleen het recht heeft op zijn volledige aanbidding. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En op aarde zijn tekens voor de overtuigden. En ook in jullie zelf, zien jullie dan niet?” [99]

*9 Kennis over Zijn boodschapper Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), dat dermate moet zijn dat een persoon alles accepteert waarmee hij is gekomen uit leiding en ware religie – en dermate dat hij alles bevestigt en getuigt van de waarheid over alles waar hij ons over geinformeerd heeft en zich schikt naar alle bevelen die hij gegeven heeft en alles vermijdt wat hij verboden heeft en oordeelt volgens de geopenbaarde wetten (Sharie’ah) waar hij mee gekomen is, en dat hij volledig tevreden is met zijn oordeel.

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Bij jouw Heer, zij geloven niet totdat zij jou (O Moh’ammed) laten oordelen over waar zij over van mening verschillen en dan in zichzelf geen weerstand vinden tegen wat jij oordeelde, en zij aanvaarden (het dan) volledig.” [100]

“De woorden van de gelovigen, wanneer zij naar Allaah en Zijn boodschapper opgeroepen worden, opdat hij onder hen oordeelt, zijn slechts dat zij zeggen: “Wij horen en gehoorzamen.” En zij zijn degenen die de welslagenden zijn.” [101]

“...Laten degenen die zijn bevel ongehoorzaam zijn opletten dat een beproeving (ongeloof, hypocrisie of ketterij) hen treft of een pijnlijke bestraffing hen treft.” [102]

Imaam Ah’mad (moge Allaah hem genadig zijn) zei: “Weten jullie wat de beproeving is? De beproeving is shirk (polytheisme), aangezien iemand ook maar iets van zijn (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) woorden verwerpt, dan kan er enige vorm van ketterij (afwijking van de officiele leer) in zijn hart worden geworpen en dit veroorzaakt dat hij vernietigd wordt.”

[99] Soerat Ad-Dzaariyaat (51), aayah 20-21.

[100] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 65.

[101] Soerat An-Noer (24), aayah 51.

[102] Soerat An-Noer (24), aayah 63.


…en kennis over de religie van Islaam *10 met de bewijzen.*11

~~~

*10 “Kennis over de religie van Islaam” – De algemene betekenis van Islaam is de aanbidding van Allaah op de manier zoals Hij dat voorgeschreven heeft vanaf het tijdperk dat Hij boodschappers gezonden heeft totdat het Uur zal slaan, zoals Hij (Azza wa Djal) in vele Aayaat [103] genoemd heeft, wat aantoont dat alle voorgaande geopenbaarde wetten overgave (Islaam) aan Allaah (Azza wa Djal) met zich mee brachten. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over Ibraahiem (Alayhie s-Salaam): “Onze Heer, maak ons beide tot moeslimien [104] (die zich overgeven aan ﷻ‬) en (maak) onze nakomelingen tot een volk dat zich overgeeft aan ﷻ‬...”[105]

De specifieke betekenis van Islaam, na het zenden van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezonden is. Dit is omdat hetgeen waarmee de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezonden is, alle voorgaande religies afschaft. Dus iedereen die hem volgt is een moslim en iedereen die weigert hem te volgen is geen moslim. Dus de volgelingen van de profeten in de tijd van die profeten waren moslims; de joden waren in de tijd van Moesa (Mozes) (Alayhie s-Salaam) moslims en de christenen waren in de tijd van ‘Iesa (Jezus) (Alayhie s-Salaam) moslims. Maar omdat zij niet geloven in de profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), nadat hij gezonden was, zijn zij geen moslims meer. Bovendien is deze religie van Islaam de enige religie die geaccepteerd wordt door Allaah en de enige die een persoon voordeel zal geven. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, de (enige) godsdienst bij Allaah is de Islaam...”[106]

“En wie er een andere godsdienst dan de Islaam zoekt: het zal niet van hem aanvaard worden en hij behoort in het Hiernamaals tot de verliezers.”[107]

“...Vandaag heb Ik jullie godsdienst voor jullie vervolmaakt en heb Ik Mijn gunst voor jullie volledig gemaakt en heb Ik de Islaam voor jullie als godsdienst gekozen...”[108]

*11 Zijn uitspraak: met de bewijzen, dit is het meervoud van bewijs, en dit is wat leidt naar hetgeen wat gezocht wordt; en de bewijzen voor deze zaak zijn zowel tekstueel als intellectueel. Tekstueel bewijs is al dat wat bevestigd wordt door Openbaring (wah’y), wat het Boek (de Qor-aan) en de Soennah is.


Intellectueel bewijs is dat wat vastgesteld wordt door observatie en overweging. Allaah (Azza wa Djal) heeft vaak dit soort bewijs genoemd in Zijn boek en er zijn vele Aayaat waar Allaah ons zegt dat “tot Zijn tekenen behoren” dit en dit. Zo zijn vele intellectuele bewijzen die op Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) duiden.

Wat betreft het kennis hebben van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) door middel van enkele tekstuele bewijzen, is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Moh’ammed is de boodschapper van Allaah...”[109]

“En Moh’ammed is niet meer dan een boodschapper, voor hem zijn de boodschappers reeds heengegaan...”[110]

De intellectuele bewijzen worden verkregen door het onderzoeken en na te denken over de duidelijke tekenen waarmee hij gekomen is: het grootste teken is het Boek van Allaah ((Azza wa Djal), dat ware profijtvolle verhalen van gebeurtenissen bevat, alsook rechtvaardige regels die garanderen dat welzijn wordt bereikt, naast de wonderen die hij verricht heeft en zaken betreffende het verborgene en onzichtbare waarover hij ons geinformeerd heeft of die hij voorspeld heeft, die alleen door Openbaring bekend konden zijn, en die precies gebeuren zoals hij ze voorspeld heeft.

[103] Aayaat is de meervoudsvorm van aayah wat een vers uit de Qor-aan betekent.

[104] Moeslimien: meervoudsvorm van moslim.

[105] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 128.

[106] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 19.

[107] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 85.

[108] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 3.

[109] Soerat Al-Fat-h’ (48), aayah 29.

[110] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 144. (II) Er naar handelen.*12 (III) Er naar uitnodigen. *13

*12 Dit betekent handelen in overeenstemming met wat deze kennis voorschrijft, betreffende Imaan in Allaah [111], Hem gehoorzamen door te doen wat Hij bevolen heeft en door die dingen te vermijden die Hij verboden heeft, door die handelingen van aanbidding te verrichten die voordelig zijn voor elk individu, zoals het gebed, vasten en de bedevaart, en de handelingen van aanbidding die voordelig zijn voor de gehele gemeenschap, zoals het goede bevelen en het slechte verbieden en djihaad op de weg van Allaah, etc. In feite zijn handelingen de vruchten van kennis. Dus eenieder die handelt zonder kennis lijkt op de christenen, en eenieder die weet maar er niet naar handelt lijkt op de joden.

*13 Uitnodigen naar de door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) voorgeschreven weg waarmee de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gekomen is, en dit bevat vier fases, waarvan Allaah (Azza wa Djal) er drie noemt in de volgende aayah: “Nodig uit tot de Weg van jouw Heer, met wijsheid en goed onderricht, en wissel met hen van gedachten op de beste wijze...”[112]

En de volgende aayah bevat de vierde: “En redetwist niet anders dan op de beste wijze met de leiden van de Schrift, behalve met de onrechtplegers onder hen...” [113]

Een vereiste voorwaarde voor deze oproep is kennis van de door Allaah (Azza wa Djal) voorgeschreven Weg, zodat de uitnodiging is gebaseerd op kennis en duidelijk bewijs, zoals Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zeg: “Dit (de oproep tot tawh’ied (de Eenheid) van Allaah en dat alle aanbidding puur en alleen voor Hem moet zijn) is mijn Weg (godsdienst), ik en degenen die mij volgen roepen op tot Allaah (alleen, zonder deelgenoot aan Hem toe te schrijven), op grond van een duidelijk bewijs (basierah). Heilig is Allaah (Hij is vrij van gebrekkigheid), en ik behoor niet tot de veelgodenaanbidders.”[114]

Het duidelijke bewijs (basierah) betreft dat waar hij naar oproept en dit betekent dat degene die oproept kennis heeft van de regels van de Sharie’ah en hoe de uitnodiging verricht dient te worden en hij heeft kennis over de omstandigheden van degenen die uitgenodigd worden.

Er zijn vele vormen van da’wah: het uitnodigen tot Allaah (Azza wa Djal) door preken en lezingen, het uitnodigen tot Allaah door het schrijven van artikelen, het uitnodigen tot Allaah door het organiseren van bijeenkomsten waar kennis vergaard wordt, het uitnodigen tot Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) door het verspreiden van kennis door middel van boeken. Als een persoon uitgenodigd wordt om te komen eten, bijvoorbeeld, dan is dit een goede gelegenheid om uit te nodigen tot Allaah (Azza wa Djal). Het dient echter wel op een manier gedaan te worden waardoor het de mensen niet verveelt of irriteert. Dit kan bereikt worden door op voorhand al wat kennis en informatie te verspreiden onder de aanwezigen, zodat er een discussie kan ontstaan. Het is welbekend dat discussies en vragen en antwoorden van groot nut zijn voor het begrijpen wat Allaah heeft neergezonden naar Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en om anderen het te laten begrijpen. Het is misschien nog effectiever dan het geven van een ononderbroken preek of lezing.

Het uitnodigen tot Allaah (Azza wa Djal) was de plicht van de boodschappers en het was de weg van degenen die hen volgden. Dus als een persoon Degene kent Die hij dient te aanbidden en hij kent Zijn profeet en Zijn religie en Allaah heeft hem hiermee begunstigd en hem hier naar toe geleid, dan dient hij te streven om zijn broeders te redden door hen uit te nodigen naar Allaah (Azza wa Djal) en hij dient verheugd te zijn met de goede tijdingen die hem zullen bereiken. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei tegen ‘Aliy ibn Abie Taalib (Radhya llaahoe ‘anhoe) op de dag van Khaybar: “Ga zonder je te haasten totdat je hun gebied bereikt. Nodig hen dan uit naar Islaam en informeer hen over de rechten die Allaah de Verhevene op hen heeft; bij Allaah, het is beter voor jou dat Allaah één enkele persoon leidt door jou, dan tien rode kamelen (een uitdrukking die een behoorlijke beloning aantoont).” [115]

Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei in een h’adieth overgeleverd door Moeslim: “Een ieder die tot leiding oproept, voor hem is er een beloning als de beloning voor degenen die hem volgen en dat zal niets verminderen van hun beloningen. En een ieder die tot dwaling oproept zal de zonde op hem hebben als de zonden van degenen die hem volgen en dat zal niets verminderen van hun zonden.” [116]

De boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam)  zei ook in een andere overlevering die ook door Moeslim is overgeleverd: “Een ieder die leidt naar een goede daad, ontvangt dan een beloning zoals die van de verrichter ervan.”[117]

[111] Oprecht Islamitische geloof, dat onberispelijk geloof in het hart, spraak met de tong en handelingen met de ledematen omvat.

[112] Soerat An-Nah’l (16), aayah 125.

[113] Soerat Al-‘Ankaboot (29), aayah 46.

[114] Soerat Yoesoef (12), aayah 108.

[115] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe Al-Djihaad, hoofdstuk: doe’aa-e An-Nabiy (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) iela l-islaam wa n-Noeboewwah. En Moesliem, Kietaaboe Fadhaa-iel As-Sah’aabah, hoofdstuk: Fadhaa-iel ‘Aliy Ibnoe Abie Taalib (Radhya llaahoe ‘anhoe)

[116] Moeslim, Kietaaboe Al-‘Ielm, hoofdstuk: Men senna soennatan h’asaneh aw sayyie-eh.

[117] Moeslim, Kietaaboe Al-Imaarah, hoofdstuk: Fadhloe i’aanatie l-Ghaazie fie sabielie llaah bie markoebien wa ghayrieh. (IV) Het geduldig volharden en verdragen van het eventuele kwaad dat men op die weg tegenkomt.[14]

[14] As-Sabr (geduldig volharden) is jezelf beperken tot gehoorzaamheid aan Allaah; en jezelf onthouden van ongehoorzaamheid aan Allaah en het vertoornd worden over de lotbestemming van Allaah. Men dient zijn ziel dus te onthouden van ergenis, verontwaardiging en wrok. Men dient liever altijd vurig en actief te zijn in het oproepen tot Allaah’s religie, zelfs als men slecht behandeld wordt. Dit is omdat het veroorzaken van kwaad tot degenen die tot het goede uitnodigen een eigenschap is van de mensheid, behalve voor degenen die Allaah geleid heeft.

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt tegen Zijn profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “En voorzeker, de boodschappers van voor jou werden geloochend en zij waren geduldig met de leugens waarvan zij beschuldigd werden en de kwelling, totdat Onze hulp tot hen kwam...”[118]

Des te heviger het kwaad wordt, hoe dichter de overwinning en hulp van Allaah nabij is. Het is niet zo dat Allaah’s hulp en overwinning voor een persoon alleen in dit leven is en dat hij de positieve resultaten van zijn da’wah ziet, maar het is mogelijk dat deze overwinning na zijn dood pas komt, bijvoorbeeld dat de harten van de mensen accepteren waar hij naar uitnodigde waardoor zij het volgen en zich er aan vasthouden. Dit wordt ook beschouwd als een overwinning en hulp van Allaah voor de prediker, zelfs al is het na zijn dood. De oproeper dient dus geduldig te volharden in zijn oproep en er mee door te gaan; geduldig volharden in de religie van Allaah (Azza wa Djal) waar hij naar oproept en geduld hebben met datgene wat zijn oproep tegenkomt. De boodschappers (vrede zij met hen) zagen kwaad en pijn onder ogen door de woorden en daden van de mensen.

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zo kwam er tot degenen voor hen geen boodschapper, of zij zeiden:(Hij is) een tovenaar, of een bezetene.” [119]

En Hij (Azza wa Djal) zegt: “En zo hebben Wij voor iedere profeet een vijand gemaakt onder de misdadigers...” [120]

Maar de oproeper dient dit met geduld te verdragen. Kijk naar wat Allaah (Azza wa Djal) zegt tegen Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “Voorwaar, Wij zijn het Die de Qor-aan in fasen tot jou neergezonden hebben.” [121]

Men kan verwachten dat er na deze aayah een bevel komt om dank te betuigen voor de gunsten van jouw Heer, maar Allaah (Azza wa Djal) zegt integendeel hierna. “Wees dan geduldig met de wetten van jouw Heer...” [122]

Dit omvat een aanwijzing dat iedereen die staat voor deze Qor-aan, moet zeker datgene onder ogen zien wat geduld en volharding van hem vereist.

Neem ook het voorbeeld van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) in beschouwing, toen de mensen van zijn stam hem sloegen totdat hij bloedde. Terwijl hij het bloed van zijn gezicht veegde, zei hij: “O Allaah, vergeef mijn mensen, want zij weten niet.” [123]

De oproeper dient geduld en volharding te hebben, hopend op Allaah’s beloning.

Geduld (sabr) is er in drie vormen:

1.  Geduld in het gehoorzamen van Allaah.

2. Geduld in het vermijden van wat Allaah verboden heeft.

3. Geduld met betrekking tot de lotsbestemming van Allaah die Hij teweegbrengt; zowel degenen waarover de dienaar absoluut geen controle over heeft, alsook degenen die betrekking hebben op het kwaad en aanvallen welke Allaah laat gebeuren door de handen van sommige mensen.

[118] Soerat Al-An’aam (6), aayah 34.

[119] Soerat Al-Dzaariyaat (51), aayah 52.

[120] Soerat Al-Foerqaan (25), aayah 31.

[121] Soerat Al-Insaaan (76), aayah 23.

[122] Soerat Al-Insaan (76), aayah 24.

[123] Overgeleverd door al-Boekhaarie, hoofdstuk istietaabatoe l-moertaddiena wa l-moe’aaniedien en Moeslim, hoofdstuk Al-Djihaad, hoofdstuk: Ghazwatoe oeh’oed.


Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Bij de tijd. Voorwaar, de mens lijdt zeker verlies. Behalve degenen die geloven en goede daden verrichten en elkaar aansporen tot de Waarheid en elkaar aansporen tot geduld.” [124] [15]

[15] Zijn woorden “Het bewijs hiervoor...” betekent het bewijs voor deze vier zaken. Betreft de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), Hij zweert in deze Soerat bij de tijd; de tijd waarin de gebeurtenissen, zowel de goede als de slechte plaatsvinden. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zweert hierbij dat alle mensen in verlies verkeren, behalve degenen die beschikken over deze vier eigenschappen:

n  Waar geloof (Imaan)

n  Rechtschapen daden.

n  Elkaar aansporen tot de Waarheid dat door Allaah is bevolen.

n  Elkaar aansporen tot geduldig volharden.

Ibn al-Qayyim (moge Allaah de Verhevene hem genadig zijn) zei: “Het vechten tegen jezelf, tegen je eigen begeerten (Djihaadoe n-Nefs), bestaat uit vier niveau’s.

n  Dat hij streeft naar het leren van de leiding en de ware religie, wat inhoudt dat er geen succes of gelukzaligheid voor de ziel in dit leven of in het Hiernamaals is, dan hierdoor.

n  Dat hij streeft om te handelen volgens de kennis die hij opgedaan heeft.

n  Dat hij streeft om er naar uit te nodigen en het degenen leert die het niet weten.

n  Dat hij zijn ziel laat wennen om geduld en volharding te hebben met de tegenspoed als gevolg van het oproepen naar Allaah en het kwaad dat veroorzaakt wordt door de mensen en dat hij dit geduldig verdraagt voor Allaah. Als een persoon deze vier niveau’s voltooit, dan wordt hij 1 van de rechtgeleide en wijze geleerden en onderwijzers.

Allaah (Azza wa Djal) zweert in deze Soerat bij de tijd dat iedereen van de mensheid in verlies verkeert, ongeacht hoe groot zijn rijkdom is of hoe talrijk zijn nakomelingen zijn, ongeacht zijn positie en status, behalve degenen die de volgende vier eigenschappen bezitten:

Waar geloof, dat alles omvat wat een persoon dichter bij Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) brengt, zowel de juiste geloofsovertuiging en geloofsleer als profijtvolle kennis. Rechtschapen daden, alle uitspraken of daden die iemand dichter bij Allaah brengen, d.w.z. dat wat alleen en oprecht voor Allaah gedaan wordt en dat wat volgens de manier van de profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gedaan wordt. Elkaar aansporen tot goede daden. Elkaar aansporen tot geduldig volharden en om geduld te hebben en om door te zetten met het verrichten van al hetgeen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) bevolen heeft en met het vermijden van al hetgeen Allaah verboden heeft en om geduld te hebben met al hetgeen Allaah bepaald heeft.

Het onderling elkaar aansporen tot het goede en geduld, omvat het goede bevelen en het slechte verbieden, en dit is de steunpilaar van deze Oemmah waarvan zijn welzijn, overwinning en het verwerven van eer en voortreffelijkheid afhangt. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Jullie zijn de beste gemeenschap die uit de mensen is voortgebracht, (zolang [125]) jullie tot het goede oproepen (tot Allaah en Zijn boodschapper en handelen volgens dat wat Allaah voorgeschreven heeft) en jullie het verwerpelijke verbieden en jullie in Allaah geloven...”[126]


[124] Soerat Al-‘Asr

[125] Vertaler: “Zolang” duidt op voorwaarden die er zijn om de beste gemeenschap van de mensheid te zijn. Als de moslims voldoen aan de voorwaarden die in deze aayah genoemd worden, dan zijn zij de beste gemeenschap.

[126] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 110. Ash-Shaafi’ie [16] (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: “Als Allaah geen ander bewijs dan alleen deze Soerat aan Zijn schepping geopenbaard zou hebben, dan zou dat voldoende voor hen zijn geweest.” [17] Al-Boekhaarie [18] (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: “Hoofdstuk: ‘Kennis gaat voor spraak en handeling’ en het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Weet dat er geen god is dan Allaah en vraag om vergeving voor jouw zonden...” [127]

[16] Ash-Shaafi’ie: hij is Aboe ‘Abdoellaah, Moh’ammed ibn Idries ibn al-‘Abbaas ibn ‘Oethmaan ibn Shaafi’ al-Haashimie, al-Qoerashie. Hij werd geboren in Ghaza in het jaar 150 H. en hij stierf in Egypte in het jaar 204 H. en hij was 1 van de “vier a-iemmah”, moge Allaah hen genadig zijn.

[17] Wat hij (moge Allaah hem genadig zijn) bedoelt is dat deze Soerat voldoende is voor de schepping als een stimulans om zich vast te houden aan de religie van Allaah door waar geloof (Imaan), rechtschapen daden, het uitnodigen tot Allaah en hier geduldig in volharden. Hij bedoelt niet dat deze Soerat voldoende is voor de schepping met betrekking tot alle aangelegenheden betreffende de religie en voorschriften. Hij zei dit, omdat een verstandige en wijze persoon die deze Soerat hoort of reciteert, zich onvermijdelijk moet haasten om zich vrij te maken van het verlies en om deze vier eigenschappen te verkrijgen: waar geloof (Imaan), rechtschapen daden, elkaar aansporen tot de waarheid en tot geduldig volharden.

[18] Al-Boekhaarie: hij is Aboe ‘Abdoellaah, Moh’ammed ibn Ismaa’iel ibn Ibraahiem ibn al-Moeghierah al-Boekhaarie. Hij werd geboren in Boekhaaraa (in het huidige Oezbekistan) in de maand Shawwaal van het jaar 194 H. Hij groeide op als wees onder de zorg van zijn moeder. Hij stierf (moge Allaah hem genadig zijn) in de stad Khartank, vlakbij Samarkand (Oezbekistan), tijdens de nacht voorafgaande aan ‘Iedoe l-Fitr [128], in het jaar 256 H.

Dus Hij begon met het noemen van kennis, voor spraak en handeling.”[19]

[19] Al-Boekhaarie (moge Allaah hem genadig zijn) heeft deze aayah gebruikt als bewijs voor de verplichting van het beginnen met het opdoen van kennis, voordat men dingen gaat uitspreken en praktiseren. Dit is een tekstueel bewijs voor het feit dat een persoon eerst kennis moet hebben en dan pas dient te handelen. Er is een intellectueel bewijs om aan te tonen dat kennis voor spreken en handelingen moet komen, en dat woorden en handelingen niet correct en acceptabel zijn tenzij ze overeenstemmen met de Sharie’ah. En een persoon kan alleen door kennis er zeker van zijn dat zijn daden in overeenstemming zijn met de Sharie’ah. Hoewel er ook enkele dingen zijn die een persoon kan weten door zijn natuurlijke aanleg, zoals de kennis dat Allaah 1 enkele God is, omdat dit feit ingeworteld is in de menselijke natuur (fitrah [129]). Het heeft daarom geen grote inspanning nodig om dit te onderwijzen. Maar betreft andere en meer gedetailleerde zaken, deze vereisen studie en inspanning.

[127] Soerat Moeh’ammad (47), aayah 19.

[128] ‘Iedoe l-Fitr: de feestdag na de Ramadhaan.

[129] Fitrah: natuurlijke aanleg. De aangeboren zuiverheid die Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) in elk mens heeft gecreeerd, het verstand, de Sharie’ah (Islamitische wetgeving) en de zintuigen. Weet, moge Allaah u genadig zijn, dat het voor elke moslim, man en vrouw, verplicht is om te leren en te handelen naar drie zaken:

1.Dat Allaah ons geschapen heeft...[20]

[20] De bewijzen hiervoor, d.w.z. dat Allaah ons geschapen heeft, zijn tekstueel en intellectueel. Betreft de tekstuele bewijzen, die zijn er veel, waaronder de Woorden van Allaah (Azza wa Djal). “Hij is Degene Die jullie uit klei schiep (d.w.z. Hij schiep Aadam uit klei en schiep zijn nakomelingen uit hem) en Hij heeft vervolgens een bepaalde tijd (voor de doden) vastgelegd. En een bepaalde tijd is er bij Hem (voor de opwekking). Toch twijfelen jullie.” [130]

“En voorzeker, Wij hebben jullie geschapen, vervolgens hebben Wij jullie vormgegeven...”[131]

“En voorzeker, Wij hebben de mens (Aadam) geschapen uit klei, van zwart slijk gevormd.”[132]

“En het behoort tot Zijn tekenen dat Hij jullie uit aarde heeft geschapen, waarna jullie je toen als mensen verspreiden.” [133]

“Hij heeft de mens geschapen van droge klei, als aardewerk.”[134]

“Allaah is de Schepper van alle dingen...”[135]

“Terwijl Allaah jullie geschapen heeft en wat jullie maken.”[136]

“En Ik heb de djinn [137] en de mensen slechts geschapen om Mij te aanbidden.”[138]

En andere aayaat die dit aanduiden. Wat het intellectuele bewijs betreft, dat Allaah ons geschapen heeft, hiernaar wordt verwezen door de Woorden van Allaah de Verhevene: “Of zijn zij uit niets geschapen, of zijn zij (zelf) de scheppers?”[139]

De mens creëerde zichzelf niet, omdat hij niet bestond vóórdat hij in deze wereld tot leven kwam; en datgene wat niet bestaat is niets, en dat wat niets is, kan totaal niet scheppen. Noch is het het geval dat zijn vader of moeder of iemand anders hem geschapen heeft. Noch is hij per toeval ontstaan zonder een Schepper Die hem tot bestaan heeft gebracht, aangezien alles wat tot bestaan komt of zich voordoet, dat alleen kan als er iemand aanwezig is die dat tot bestaan brengt of veroorzaakt dat het gebeurt.

De aanwezigheid van alles wat bestaat in deze schepping en de verbazingwekkende orde die er in wordt aangetroffen en de harmonieuze structuren, dit alles maakt het onmogelijk dat het per toeval is ontstaan. [140] Dit is omdat alles wat per ‘toeval’ ontstaat, bijvoorbeeld de ravage na een explosie, in principe niet iets goed geordend is, hoe zal het geordend zijn wanneer deze zal voortblijven en ontwikkelen. Hieruit kunnen we opmaken dat Allaah de Schepper is, de Enige, en er is geen schepper of iemand die beveelt dan Allaah. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...Weet, dat scheppen en bevelen aan Hem is voorbehouden...” [141]

Het was niet bekend dat enig schepsel de Heerschappij van Allaah, Degene Die vrij is van onvolmaaktheden en de Meest Verhevene, ontkende, behalve uit hoogmoedigheid, zoals het geval was met de Farao (Fir’awn). Dit was ook het geval met Djoebayr ibn Moet’im, die toen nog een moeshrik [142] was, en hij hoorde de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) Soerat at-Toor (52) reciteren.

Toen hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) bij de volgende Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) kwam: “Of zijn zij uit niets geschapen, of zijn zij (zelf) de scheppers? Of hebben zij de hemelen en de aarde geschapen? Zelfs zij zijn er niet van overtuigd. Of bevinden zich bij hen de schatten van jouw Heer, of hebben zij de heerschappij?” [143], zei Djoebayr hierop: “Mijn hart vloog bijna, en dit was het moment dat de Imaan zich voor het eerst in mijn hart nestelde.” [144]

[130] Soerat Al-An’aam (6), aayah 2.

[131] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 11.

[132] Soerat Al-H’idjr (15), aayah 26.

[133] Soerat Ar-Roem (30), aayah 20.

[134] Soerat Ar-Rah’maan (55), aayah 14.

[135] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 62.

[136] Soerat As-Saaffaat (37), aayah 96.

[137] Schepselen die van rookloosvuur zijn geschapen; de geesten.

[138] Soerat Ad-Dzaariyaat (51), aayah 56.

[139] Soerat At-Toor (52), aayah 35.

[140] In het boek “De Fakkel”, ook van Uitgeverij Momtazah, wordt hier zeer uitgebreid op ingegaan. In dit boek is o.a te lezen, dat de kans dat een gemiddeld proteinemolecuul, die nodig is om levende cellen te vormen, “1” op de 10950 is. We kunnen dit getal schrijven door 950 nullen achter de “1” te zetten, terwijl in de wiskunde een mogelijkheid kleiner dan 1 op 1050 al gezien wordt als “onmogelijk”.

[141] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 54.

[142] Moeshrik: een afgodaanbidder, iemand die deelgenoten naast Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) plaats, iemand die zich schuldig maakt aan shirk.

[143] Soerat At-Toor (52), aayah 35-37.

[144] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe at-Tefsier. …en voorzien heeft van allerlei voorzieningen…[21] en Hij heeft ons niet zonder een doel gelaten. [22] Integendeel, Hij heeft boodschappers naar ons gezonden.[23]

[21] Er zijn hiervoor vele bewijzen uit het Boek, de Soennah en het intellect. Betreffende het Boek: Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt o.a.: “Voorwaar, Allaah is de Voorziener, de Bezitter van sterke kracht.” [145]

“Zeg: “Wie schenkt jullie voorzieningen uit de hemelen (door het neerzenden van b.v. regen) en de aarde (door het voortbrengen van b.v. gewassen)?” Zeg: “Allaah!...” [146]

“Zeg: “Wie schenkt jullie voorzieningen uit de hemel en de aarde?” Of: “Wie heeft macht over (het scheppen van ) het horen en het zien en wie brengt het levende voort uit het dode en wie brengt het dode voort uit het levende en wie verordent het bestuur?” Zij zullen zeggen: “Allaah.”...” [147]

Er zijn vele Aayaat die dit verduidelijken. In de Soennah vinden we de woorden van de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), die gezegd heeft over de foetus dat er een engel naar hem wordt gezonden om vier dingen over hem op te schrijven: zijn voorzieningen, zijn leeftijd, zijn daden en of hij behoort tot de triesten of gelukkigen (in het Hiernamaals). [148]

Betreffende het intellectuele bewijs dat Allaah (Azza wa Djal) ons voorziet van levensvoorzieningen; we kunnen niet leven zonder eten en drinken en beide zijn geschapen door Allaah (Azza wa Djal), zoals Hij zegt: “Hoe denken jullie dan over wat jullie zaaien? Zijn jullie het die het doen groeien of zijn Wij het Die doen groeien? Als Wij zouden willen, dan zouden Wij het laten verdorren, zodat jullie het zouden blijven betreuren. (En zeggen:) “Voorwaar, wij zijn zeker met schuld beladen. Wij zijn zelfs beroofd.” Hoe denken jullie dan over het water dat jullie drinken? Zijn het jullie het die het uit de wolken doen neerkomen of zijn Wij de neerzenders? Als Wij zouden willen, dan zouden Wij het tot zout water maken. Waren jullie maar dankbaar!” [149]

Deze Aayaat laten duidelijk zien dat onze voorzieningen, zowel ons voedsel als ons drinken, van Allaah  (Azza wa Djal) zijn.

[22] Dit is de realiteit die bewezen wordt door zowel tekstuele als intellectuele bewijzen. Tot de tekstuele bewijzen, horen de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Dachten jullie dat Wij jullie zo maar geschapen hebben? En dat jullie niet tot Ons terugkeren?” Verheven is Allaah, de Ware Koning, er is geen god dan Hij.” [150]

“Denkt de mens dat hij ongemoeid zal worden gelaten? Was hij niet eerst een druppel van uitgestort sperma? En vervolgens een bloedklonter waarna Hij (hem) schiep en nauwkeurig vormde? Zo maakte Hij daarvan de twee geslachten, de man en de vrouw. Is Degene met zo’n macht niet in staat de doden tot leven te brengen?” [151]

Betreffende het intellectuele; het idee dat de mensheid slechts tot leven is gebracht om te eten, drinken en de tijd door te komen als vee en dat ze niet opgewekt worden in het Hiernamaals en tot verantwoording worden geroepen voor hun daden, is niet iets dat bij de Wijsheid van Allaah (Azza wa Djal) past. Het is eerder totaal doelloos en zonder nut. Het is onmogelijk dat Allaah Zijn schepping schept, vervolgens boodschappers naar hen stuurt en dan het laten vloeien van bloed van degenen die de boodschappers verwerpen en bestrijden toegestaan maakt en uiteindelijk is het resultaat niks. Dit is onmogelijk door de Wijsheid van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa).

[23] Allaah (Azza wa Djal) heeft naar ons, de mensen van deze Oemmah van Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), een boodschapper gestuurd, om ons te berichten over de tekenen en Aayaat van onze Heer, om ons te zuiveren en om ons het Boek en de wijsheid te onderwijzen. Net zoals Hij boodschappers gestuurd heeft naar degenen voor ons.

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...En er was geen volk, of er verkeerde onder hen een waarschuwer.” [152]

Zonder twijfel heeft Allaah de boodschappers naar Zijn schepping gestuurd om bij hen het excuus te ontnemen en dat zij Allaah dienen te aanbidden zoals Hij dat wil en er tevreden mee is. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, Wij hebben aan jou geopenbaard zoals Wij aan Noeh’ en de profeten na hem openbaarden. En Wij openbaarden aan Ibraahiem en Ismaa’iel en Ish’aaq en Ya’qoob en de kinderen (van Ya’qoob) en ‘Iesa en Yoonoes en Haaroon en Soelaymaan. En Wij gaven Daawood de Zaboor (Psalmen). En (Wij zonden) boodschappers over wie Wij jou waarlijk reeds verhaald hebben en (Wij zonden) boodschappers over wie Wij jou niet verhaald hebben. En Allaah sprak Moesa aan. (Wij zonden) boodschappers als brengers van verheugende tijdingen en als waarschuwers opdat de mens geen excuus tegenover Allaah zou hebben na de boodschappers. En Allaah is Almachtige, Alwijs.” [153]

Het is voor ons onmogelijk om Allaah te aanbidden op de manier die Hem behaagt, behalve door middel van de boodschappers, aangezien zij degenen zijn die ons uitgelegd hebben waar Allaah van houdt en tevreden mee is en waarmee we dichter bij Hem (Azza wa Djal) kunnen komen.

Het is door de Wijsheid van Allaah dat Hij de boodschappers gestuurd heeft naar Zijn schepping als verkondigers van verheugende tijdingen en als waarschuwers. Het bewijs hiervoor is dat Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, Wij hebben een boodschapper tot jullie gezonden als getuige over jullie, zoals Wij tot Fir’aun een boodschapper zonden. Toen was Fir’aun de boodschapper ongehoorzaam, waarop Wij hem grepen met een verschrikkelijke greep.” [154]

[145] Soerat Ad-Dzaariyaat (51), aayah 58.

[146] Soerat Sabaa-e (34), aayah 24.

[147] Soerat Yoenoes (10), aayah 31.

[148] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe al-Qadar en Moeslim, Kietaaboe Al-Qadar.

[149] Soerat Al-Waaqi’ah (56), aayah 63-70.

[150] Soerat Al-Moe-eminoen (23), aayah 115-116.

[151] Soerat Al-Qiyaamah (75), aayah 36-40.

[152] Soerat Faatir (35), aayah 24.

[153] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 163-165.

[154] Soerat Al-Moezzammil (73), aayah 15-16.


Degene die hem gehoorzaamt, zal het Paradijs betreden [24], en degene die hem ongehoorzaam is zal het Hellevuur betreden. [25] Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Voorwaar, Wij hebben een boodschapper tot jullie gezonden als getuige over jullie, zoals Wij tot Fir’awn [162] een boodschapper zonden. Toen was Fir’awn de boodschapper ongehoorzaam, waarop Wij hem grepen met een verschrikkelijke-greep.”[163]

[24] Dit is een feit dat bewezen wordt door de volgende Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “En gehoorzaamt Allaah en de boodschapper, hopelijk zullen jullie begenadigd worden. En haast jullie naar vergeving van jullie Heer en (naar het) Paradijs, dat net zo wijd is als de hemelen en de aarde, gereedgemaakt voor de moettaqoen [155].” [156]

En Zijn Uitspraak: “...en hij die Allaah en Zijn boodschapper gehoorzaamt: Hij (Allaah) zal hem het Paradijs binnenleiden, waar onder door de rivieren stromen. Zijn zijn eeuwig levenden daarin. En dat is de geweldige overwinning.” [157]

En Zijn Uitspraak: “En wie Allaah en Zijn boodschapper gehoorzaamt en bang voor Allaah is en Hem vreest: zij zijn degenen die de overwinnaars zijn.” [158]

En Zijn Uitspraak: “En wie Allaah en de boodschapper gehoorzaamt: zij zijn met degenen van de profeten en de waarachtigen en de martelaren en de oprechten die Allaah begunstigd heeft. Zij zijn de beste metgezellen!” [159]

En Zijn Uitspraak: “...En wie Allaah en Zijn boodschapper gehoorzaamt: waarlijk, die heeft een geweldige triomf behaald.” [160]

De aayaat hierover zijn talrijk. Dit feit wordt ook bewezen door de woorden van de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “Iedereen van mijn Oemmah zal het Paradijs binnengaan, behalve degenen die weigeren.” Er werd gezegd: “En wie zal weigeren, O boodschapper van Allaah?” Hij zei: “Een ieder die mij gehoorzaamt zal het Paradijs binnengaan en een ieder die mij ongehoorzaam is zal het Vuur binnengaan.” [161]

[25] Dit is ook een feit dat wordt bewezen door de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “En hij die Allaah en Zijn boodschapper ongehoorzaam is en Zijn bepalingen overtreedt, Hij (Allaah) zal hem de Hel binnenleiden. Zij zijn eeuwig levenden daarin. En voor hem is er een vernederende bestraffing.” [164]

En Zijn Uitspraak: “...En wie Allaah en Zijn boodschapper niet gehoorzaamt: waarlijk, hij verkeert in duidelijke dwaling.” [165]

En Zijn Uitspraak: “...En wie opstaat tegen Allaah en Zijn boodschapper: voor hen is er het vuur van de Hel. Zij zijn daarin eeuwig levenden, voor altijd.” [166]

De boodschapper van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft gezegd (zie voorgaande h’adieth): “...Een ieder die mij gehoorzaamt zal het Paradijs binnengaan en een ieder die mij ongehoorzaam is zal het Vuur binnengaan.”


[155] De Moettaqoen zijn de rechtschapen mensen die beschikken over Taqwaa, d.w.z. het vrezen van Allaah’s toorn en het zich daartegen beschermen door te doen wat Hij heeft bevolen, en door zich verre te houden van wat Hij verboden heeft verklaard.

[156] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 132-133.

[157] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 13.

[158] Soerat An-Noer (24), aayah 52.

[159] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 69.

[160] Soerat Al-Ah’zaab (33), aayah 71.

[161] Overgeleverd door al-Boekaahrie, Kietaaboe al-i’tisaam bie l-kitaabie wa soennah, hoofdstuk: Al-Iqtiedaa-e bie soenanie rasoelie llaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

[162] Fir’awn: farao. De farao ten tijde van de profeet Moesa (Mozes) (Alayhie s-Salaam).

[163] Soerat Al-Moezzammil (73), aayah 15-16.

[164] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 14.

[165] Soerat Al-Ah’zaab (33), aayah 36.

[166] Soerat Al-Djinn (72), aayah 23. 2. [26]  Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) wil niet dat iemand een deelgenoot in de aanbidding naast Hem neemt, noch een engel die een dichtbijzijnde positie bij Allaah heeft, noch enig profeet die als boodschapper gezonden is. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En voorwaar, de moskeeën behoren aan Allaah toe: roept dan naast Allaah niet één aan.” [167]

[26]  De tweede kwestie die voor ons verplicht is om te weten, is dat Allaah, Degene Die vrij is van onvolmaaktheden en de Meest Verhevene, niet tevreden is als er een deel van aanbidding aan iemand anders gericht wordt naast Hem. Integendeel, Hij is de Enige Die de volledige aanbidding verdient en hier recht op heeft. Het bewijs hiervoor zijn de door de auteur, moge Allaah hem genadig zijn, genoemde Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “En voorwaar, de moskeeën behoren aan Allaah toe: roept dan naast Allaah niet één aan.” [168]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) verbiedt dat een persoon iemand naast Hem aanroept en Hij de Verhevene verbiedt niets behalve dat waar Hij niet tevreden mee is. Hij (Azza wa Djal) zegt: “Als jullie niet geloven: voorwaar, Allaah heeft jullie niet nodig. En de ondankbaarheid van Zijn dienaren behaagt Hem niet; maar wanneer jullie dankbaar zijn, dan heeft Hij behagen in jullie...” [169]

En Hij, de Verhevene, zei ook: “...en als jullie welbehagen aan hen hebben: voorwaar, Allaah heeft geen welbehagen aan het zwaar zondige volk.” [170]

Allaah is niet tevreden met ongeloof (koefr) en het richten van aanbidding naar iemand naast Hem (shirk). Integendeel, Hij zond zelfs de boodschappers en openbaarde de Boeken om te strijden tegen koefr en shirk en om het uit te roeien.

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En bevecht hen totdat er geen Fitnah [171] meer is en de godsdienst geheel voor Allaah is...” [172]

Aangezien Allaah niet tevreden is met koefr en shirk, is het voor de gelovige verplicht om er ook niet tevreden mee te zijn. Dit is omdat hetgeen waarvan een gelovige houdt en wat hij haat in overeenstemming moet zijn met hetgeen waarvan Allaah houdt en wat Hij haat; dus dient hij boos te zijn over datgene waar Allaah ook boos over is en dient hij verheugd te zijn met datgene waarover Allaah (Azza wa Djal) ook verheugd is. Aangezien Allaah niet tevreden is met koefr en shirk, past het een moslim niet om er tevreden mee te zijn. Shirk is een gevaarlijke zaak, want Allaah (Azza wa Djal) zegt: “Voorwaar, Allaah vergeeft niet dat aan Hem deelgenoten toegekend worden, maar Hij vergeeft daarnaast alles, aan wie Hij wil...” [173]

En Hij, de Verhevene, zei: “...Voorwaar, hij die deelgenoten aan Allaah toekent: Allaah heeft hem waarlijk het Paradijs verboden. En zijn bestemming zal de Hel zijn. En voor de onrechtvaardigen zijn er geen helpers.” [174]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Een ieder die Allaah ontmoet zonder dat hij iets naast Hem heeft aanbeden, zal het Paradijs binnengaan, en een ieder die Hem ontmoet terwijl hij anderen naast Hem heeft aanbeden, zal het Vuur binnengaan.” [175]

[167] Soerat Al-Djinn (72), aayah 18.

[168] Soerat Al-Djinn (72), aayah 18.

[169] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 7.

[170] Soerat At-Tawbah (9), aayah 96.

[171] Fitnah: Het woord Fitnah komt meer dan veertig maal voor in de Qor-aan en het betekent in de meeste gevallen “beproeving”. In dit vers betekent het echter “shirk”.

[172] Soerat Al-Anfaal (8), aayah 39.

[173] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 48.

[174] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 72.

[175] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe Al-‘ilm, hoofdstuk men khassa bie l-‘ilmie qawman doena qawmien karaahiyatan an yafhamoe en Moesliem, Kietaaboe Al-Imaan, hoofdstuk: men maata laa yoshrik biellaahie shay-an dakhala l-djannah.


3. [27] Dat het niet toegestaan is voor een ieder die de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gehoorzaamd en alleen Allaah aanbid, volgens de zuivere tawh’ied, om loyaal te zijn aan degenen die Allaah en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) bestrijden, ook al is het een naast familielid van hem. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Jij vindt geen volk dat in Allaah en in de Laatste Dag gelooft dat degenen die Allaah en Zijn boodschapper tegenstreven bevriend, ook al zijn het hun vaders, of hun zonen of hun broeders of hun stamgenoten. Zij zijn degenen bij wie Hij het geloof in hun harten heeft geschreven en Hij versterkt hen met hulp van Hem, en Hij doet hen Tuinen binnengaan waar de rivieren onder door stromen. Zij zijn daarin eeuwig levenden. Allaah heeft welbehagen aan hen en zij hebben welbehagen aan Hem. Zij zijn degenen die van de groep van Allaah zijn. Weet: voorwaar, de groep van Allaah is de winnaar.” [176]

[27] De derde kwestie die voor ons verplicht is om te weten, is die van “loyaliteit en vijandigheid” (al-Walaa-e wa l-Baraa-e). [177] al-Walaa-e wa l-Baraa-e is een zeer belangrijk grondbeginsel dat in vele teksten wordt benadrukt. Allaah (Azza wa Djal) zegt o.a.: “O jullie die geloven, neemt geen boezemvrienden van buiten jullie kring: zij zullen jullie voortdurend schade berokkenen...” [178]

En de Verhevene zei: “O jullie die geloven! Neemt niet de joden en de christenen als beschermers, zij beschermen elkaar. En wie van jullie hen als beschermers neemt: voorwaar, hij behoort tot hen. Voorwaar. Allaah leidt het onrechtvaardige volk niet.” [179]

En de Verhevene zei: “O jullie die geloven! Neemt niet degenen die jullie godsdienst tot een (onderwerp van) bespotting en scherts maken van degenen die de Schrift voor jullie gegeven waren en (ook niet) de ongelovigen als beschermers. En vreest Allaah, indien jullie gelovig zijn.” [180]

En Hij (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zei: “O jullie die geloven, neemt jullie vaders en jullie broeders niet als leiders wanneer zij het ongeloof verkiezen boven het geloof. En wie van jullie hen tot leiders maakt: zij zijn degenen die de onrechtplegers zijn. Zeg: “Als jullie vaders en jullie zonen en jullie broeders en jullie echtgenotes en jullie familie en de bezittingen die jullie verworven hebben en de handel waarvan jullie verlies vrezen en de huizen die jullie behagen, jullie dierbaarder zijn dan Allaah en Zijn boodschapper en het strijden op Zijn Weg, wacht tot Allaah met Zijn beschikkingen komt. En Allaah leidt het zwaar zondig volk niet.” [181]

En de Verhevene zei: “Waarlijk, er was voor jullie een goed voorbeeld in Ibraahiem en degenen die met hem waren, toen zij tot hun volk zeiden: “Wij zijn niet verantwoordelijk voor jullie en voor wat jullie naast Allaah aanbidden. Wij geloven jullie niet en er is tussen ons en jullie vijandschap en haat ontstaan, voor altijd, tot jullie in Allaah de Enige geloven...” [182]

Dit is omdat het loyaal zijn aan degenen die Allaah bestrijden en het trachten om hen tevreden te stellen, aanduidt dat zijn geloof in Allaah en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) in zijn hart zwak is. Dat een persoon liefde voor iets kan hebben dat een vijand is van degenen waarvan hij werkelijk houdt, is iets dat tegen elke redelijkheid in gaat. Loyaliteit aan de ongelovigen betekent hen helpen en steunen in het ongeloof en de dwaling waar zij in verkeren; en men toont liefde voor hen door die dingen te doen die hun liefde en vriendschap verwerven op alle mogelijke manieren . Dit laat zonder twijfel zien dat waar geloof (Imaan) ofwel totaal afwezig is, of gebrekkig.

De gelovige dient vijandschap te koesteren tegenover hen die Allaah en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam)  bestrijden, zelfs al behoort een persoon tot zijn naaste familie. Hij moet een afkeer hebben jegens hem en afstand nemen van hem. Dit betekent echter niet dat hij hem niet mag adviseren en hem uitnodigen tot de waarheid.

[176] Soerat Al-Moedjaadalah (58), aayah 22.

[177] D.w.z. loyaliteit met de gelovigen die Allaah en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gehoorzaam zijn, en vijandschap jegens en afstand nemen van de ongelovigen die Allaah en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) ongehoorzaam zijn en bestrijden.

[178] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 118.

[179] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 51.

[180] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 57.

[181] Soerat At-Tawbah (9), aayah 23-24.

[182] Soerat Al-Moemtah’inah (60), aayah 4.  Weet [28], moge Allaah u leiden (Arshadaka llaah) [29] naar gehoorzaamheid (taa’atieh) [30] tegenover Hem, dat de ware en pure religie (Al-H’aniefieyyah) [31] de weg (Al-Millah) [32] van Ibraahiem [33] (Abraham) (Alayhie s-Salaam) is. Dit betekent dat men alleen Allaah aabidt [34] en de religie zuiver en oprecht voor Hem houdt.

[28] Uitleg betreffende kennis (‘Ilm) hebben we al gegeven, er is geen reden om dit hier te herhalen.

[29] Ar-Roeshd wil zeggen, moge Allaah u leiden naar oprechtheid op de weg van de waarheid.

[30] Taa’ah (gehoorzaamheid): overeenstemming met wat vereist is, door te doen wat bevolen is en te vermijden wat verboden is.

[31] Al-H’aniefiyyah: de weg van Ibraahiem (Alayhie s-Salaam). Dit is de religie die vrij is van shirk en gebaseerd is op zuiverheid en oprechtheid in aanbidding van Allaah (Azza wa Djal).

[32] Al-Millah d.w.z. de weg die Ibraahiem (Alayhie s-Salaam) volgde in religie.

[33] Ibraahiem (Alayhie s-Salaam) is de uitverkorene en de Khaliel van de Meest Genadevolle. Allaah (Azza wa Djal) zegt: “...En Allaah nam Ibraahiem als khaliel [183].” [184]

Hij is de vader van de profeten en zijn weg is herhaaldelijk genoemd zodat men zich er aan vast houdt.

[34] Zijn uitspraak: “dat men alleen Allaah aanbidt” is de verduidelijking van het woord Al-H’aniefieyyah. De algemene betekenis van aanbidding (‘ibaadah) is: overgave aan Allaah met liefde en ontzag, door te doen wat Hij opgedragen heeft en te vermijden wat Hij verboden heeft, op de manier waarop Hij het bepaald en voorgeschreven heeft. De specifieke betekenis van aanbidding heeft Sheikh-oe l-Islaam Ibn Taymiyyah (Moge Allaah hem genadig zijn) uitgelegd en zei: “ ’Ibaadah (aanbidding) is een veelomvattende term dat alles bevat waar Allaah van houdt en tevreden mee is, zowel uit woorden als daden, het zichtbare en het verborgene, zoals het vrezen, eerbied hebben, vertrouwen, het gebed, de zakaat, het vasten en andere praktijken, voorgeschreven door Islaam.”

[35] Al-Ikhlaas: betekent het zuiveren. Wat hiermee bedoeld wordt, is dat een persoon door zijn aanbidding doelt op het Aangezicht van Allaah (Azza wa Djal) en dit begeert en tracht de plaats te bereiken waar Hij eer en gunsten (d.w.z. het Paradijs) schenkt. Dus een persoon aanbidt niets naast Allaah, noch een engel die nabij is gebracht, noch een profeet die als boodschapper gezonden is.

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Daarop openbaarden Wij aan jou (O Moh’ammed): “Volg de godsdienst van Ibraahiem, H’anief, en hij behoorde niet tot de veelgodenaanbidders.” [185]

“En wie keert zich af van de godsdienst van Ibraahiem, anders dan wie zichzelf voor de gek houdt? En voorzeker hebben Wij hem uitverkoren in de wereld, en voorwaar, hij behoort in het Hiernamaals tot de oprechten. En (gedenkt) toen zijn Heer tot hem zei: “Onderwerp jezelf (aan Mij).” Hij zei: “Ik onderwerp mij aan de Heer der werelden.” En Ibraahiem droeg aan zijn kinderen en aan Ya’qoob op: “O mijn kinderen, voorwaar, Allaah heeft de godsdienst voor jullie gekozen, sterft daarom niet, behalve als jullie overgegevenen (moeslimoen, moslims) zijn.” [186]

[183] Vertaler: degene die Allaah verschillende bijzonderheden heeft gegeven.

[184] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 125.

[185] Soerat An-Nah’l (16), aayah 123.

[186] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 130-132. Dit is [36] wat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) alle mensen bevolen heeft en om deze reden heeft Hij hen geschapen zoals Allaah de Verhevene, heeft gezegd: “En Ik heb de djinn en de mens slechts geschapen om Mij te aanbidden.” [187]

[36] D.w.z. met de ware religie (Al-H’aniefieyyah), wat het aanbidden van Allaah is, de totale religie voor Hem makend. Dit is wat Allaah de gehele schepping bevolen heeft en hiervoor heeft Hij hen geschapen zoals Allaah de Verhevene heeft gezegd: “En Wij stuurden niet één van de Boodschappers vóór jou, of Wij openbaarden aan hem dat er geen andere god is dan Ik, aanbidt Mij daarom.” [188]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) maakte het in Zijn Boek duidelijk dat de mensheid en de djinn slechts hiervoor geschapen zijn. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En Ik heb de djinn en de mens slechts geschapen om Mij te aanbidden.” [189]

[187] Soerat Ad-Dzaariyaat (51), aayah 56.

[188] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 25.

[189] Soerat Ad-Dzaariyaat (51), aayah 56. De betekenis van aanbidding (‘ibaadah) hier, is het aanbidden van alleen Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa)(tawh’ied).[37]

[37] Bedoeld wordt dat tawh’ied de betekenis is van ‘ibaadah (d.w.z. oprechte aanbidding, wat betekent dat men het puur en alleen voor Allaah doet). De betekenis van ‘ibaadah is reeds uitgelegd en ook waar het betrekking op heeft en dat het algemener is dan tawh’ied zelf. Weet dat de ‘ibaadah bestaat uit twee typen:

(1)   De onderworpenheid van de schepping (‘Ibaadah Kawniyyah), wat overgave aan wat Allaah de Verhevene in de schepping bevolen en bepaald heeft inhoudt, en dit is overgave die algemeen is voor de gehele schepping, niemand kan er aan ontsnappen. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft gezegd: “Er is niemand in de hemelen (engelen) of (op) de aarde (mensen en djinn) of hij zal (op de Dag des Oordeels) als een dienaar naar de Barmhartige komen.” [190]

Deze onderworpenheid geldt zowel voor gelovigen als ongelovigen, de rechtschapenen en de zondaars.

(2)   Aanbidding en onderworpenheid zoals het omschreven is door de Sharie’ah, en dat is het gehoorzamen van en overgeven aan de wetten en de bevelen van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) en dit is in het bijzonder voor diegenen die Allaah gehoorzaam zijn en die zich schikken naar hetgeen waarmee de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gekomen is, zoals de Uitspraak van de Verhevene: “En de dienaren van de Erbarmer zijn degenen die bescheiden op aarde rondgaan...” [191]

Het eerste type van onderworpenheid is niet iets waarvoor de mensen geprezen kunnen worden, aangezien het niet iets is dat door middel van zijn eigen handelingen geschiedt, hoewel hij geprezen kan worden door de dankbaarheid (aan Allaah) die hij uit ten tijde van welbehagen en geduld die hij heeft ten tijde van beproevingen. Dit is tegenovergesteld aan het tweede type van onderworpenheid, waarvoor een persoon altijd geprezen wordt.

[190] Soerat Maryam (19), aayah 93.

[191] Soerat Al-Foerqaan (25), aayah 63. Het grootste bevel dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) bevolen heeft is de taw'hied: dit is de toewijding van aanbidding aan Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) alleen, met volledige overgave.[38]

[38] Taalkundig is tawh'ied een zelfstandig naamwoord van het werkwoord wahh'ada (w.w. in de verleden tijd), yoewah'h'idoe (w.w. in de tegenwoordige tijd), wat betekent dat men iets verenigt en het tot één geheel maakt. Tawh'ied kan niet gerealiseerd worden behalve door ontkenning (nafy) en bevestiging (ithbaat). Ontkenning van het oordeel voor iets anders dan waar het voor bedoeld is, en het bevestigen voor Allaah. Men zegt bijvoorbeeld: de tawh'ied van een persoon is niet compleet behalve als hij getuigt dat er niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah, dus hij ontkent het recht om aanbeden te worden voor alles naast Allaah de Verhevene, en hij bevestigt dat het voor Allaah alleen is.

In de formele strekking heeft de auteur het gedefinieerd door te zeggen: "Dit is de toewijding van aanbidding aan alleen Allaah" wat betekent dat men alleen Allaah aanbidt en niets naast Hem: geen profeet die met de boodschap is gezonden of een engel die een dichtsbijzijnde positie heeft, geen leider, geen koning en geen ander schepsel. Integendeel dient u alle aanbidding te richten aan Allaah, uit liefde en ontzag, verlangen en vrees. Waar de sheikh (moge Allaah hem genadig zijn) naar verwijst, is de tawh'ied waar de boodschappers voor gezonden zijn om het te bewerkstelligen en dit was hetgeen dat door hun mensen werd overtreden.

Er is een meer algemene betekenis van taw'hied, en dat is: "Het aanbidden van alleen Allaah de Verhevene met alles wat specifiek voor Hem is." Tawh'ied (Eenheid) bestaat hierdoor uit drie soorten:

1.   Taw’hied van Allaah’s Heerschappij (Tawh’ied ar-Roeboobiyyah): dit houdt in; het erkennen dat alleen Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) schept, heerst en controleert. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Allaah is de Schepper van alles.” [192]

 ”... Is er een andere schepper dan Allaah, Die jullie uit de hemelen en de aarde voorzieningen schenkt? Geen god is er dan Hij...” [193]

       ”Gezegend is Degene in Wiens Hand de heerschappij is. En Hij is Almachtig over alle zaken.” [194]

 ”... Weet, dat scheppen en bevelen aan Hem is voorbehouden. Gezegend zij Allaah, de Heer der werelden.” [195]

2.   Tawh’ied van aanbidding (Tawh’ied al-Oeloohiyyah):  dit houdt in dat alleen Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) aanbeden dient te worden, zodat een persoon niemand of niets anders naast Allaah neemt en hem aanbidt en handelingen van toewijding voor hem verricht zoals hij Allaah aanbidt en handelingen van toewijding voor Hem verricht.

3.   Tawh’ied van Allaah’s Namen en Eigenschappen (Tawh’ied al-Asmaa-e wa s-Sifaat): dit houdt in dat alleen Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) de Namen en Eigenschappen heeft die Hij voor Zichzelf bevestigd heeft in Zijn boek of door de woorden van Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam);  dit brengt met zich mee dat men alles dient te bevestigen wat Hij over Zichzelf bevestigd heeft en men dient alles te ontkennen wat Hij over Zichzelf ontkend heeft, zonder de betekenissen ervan te veranderen of te verdraaien, zonder het ontkennen of Allaah te ontdoen van Zijn eigenschappen, zonder het speuren naar hoe zij zijn en zonder te verklaren dat Allaah zoals de schepping is.

Waar de auteur hier naar verwijst, is de tawh'ied van aanbidding en het was betreffende dit waar de moeshrikien [196] afdwaalden, degenen waartegen de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) vocht en hun levens, welvaart en plaatsen toegestaan had verklaard; en wiens vrouwen en kinderen hij nam als gevangenen. De meeste inspanning die de boodschappers verrichtten tegenover hun mensen was met betrekking tot deze categorie van tawh'ied.

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "En voorzeker, Wij hebben aan iedere gemeenschap een boodschapper gezonden (die zei): "Aanbidt (alleen Allaah..." [197]

Aanbidding is dus alleen correct, als het voor Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) is. Een ieder die deze tawh'ied schendt is een moeshrik, een ongelovige, zelfs al bevestigd hij de tawh'ied van Allaah's Heerschappij en de tawh'ied van Allaah's Namen en Eigenschappen. Dus als een man volledig overtuigt is van de tawh'ied van Allaah's Heerschappij en Zijn Namen en Eigenschappen, maar vervolgens gaat hij naar een graf en verricht handelingen van aanbidding voor degene in dat graf, of hij offert (nadzr) een offer voor die overleden persoon, dan wordt hij een moeshrik, een ongelovige, een eeuwige inwoner van het Hellevuur. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "...Voorwaar, hij die deelgenoten aan Allaah toekent: Allaah heeft hem waarlijk het Paradijs verboden. En zijn bestemming zal de Hel zijn. En voor de onrechtvaardigen zijn er geen helpers." [198]

Tawh'ied is het grootste en belangrijkste bevel dat door Allaah gegeven is, aangezien het gehele fundament van de religie hierop gebasseerd is. Daarom begon de profeet zijn oproep tot Allaah met het verkondigen van tawh'ied en beval hij degenen die als oproepers gestuurd werden er mee te beginnen.

[192] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 62.

[193] Soerat Faatir (35), aayah 3.

[194] Soerat Al-Moelk (67), aayah 1.

[195] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 54.

[196] Moeshrikien: polytheïsten.

[197] Soerat An-Nah'l (16), aayah 36.

[198] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 72. De grootste zaak die Hij verboden heeft is shirk, wat het aanbidden of aanroepen van iemand anders naast Hem inhoudt (afgoderij). Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa), waarbij Jij zegt: "En aanbidt Allaah en kent Hem in niets een deelgenoot toe..." [199] [39]

[39] Het meest ernstige van alles wat Allaah verboden heeft is shirk. Dit is omdat de grootste rechten van alle rechten, de rechten van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zijn. Dus als een persoon de rechten van Allaah schendt, schendt hij de grootste rechten van alle rechten, en dat is de tawh'ied van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa). Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "... het toekennen van deelgenoten (aan Allaah) is zeker een geweldig onrecht." [200]

"... En wie aan Allaah deelgenoten toekent: die heeft waarlijk een geweldige zonde verzonnen." [201]

"... En wie deelgenoten aan Allaah toekent, waarlijk, hij heeft ver gedwaald." [202]

"... Voorwaar, hij die deelgenoten aan Allaah toekent: Allaah heeft hem waarlijk het Paradijs verboden. En zijn bestemming zal de Hel zijn. En voor de onrechtvaardigen zijn er geen helpers." [203]

"Voorwaar, Allaah vergeeft niet dat aan Hem deelgenoten toegekend worden, maar Hij vergeeft daarnaast alles, aan wie Hij wil..." [204]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: "De grootste zonde is het tokennen van een deelgenoot naast Allaah, terwijl Hij je geschapen heeft." [205]

Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei ook in een h'adieth die overgeleverd is door Moeslim van Djaabir (Radhya llaahoe ‘anhoe): "Een ieder die Allaah ontmoet zonder dat hij iets naast Hem een deelgenoot neemt, zal het Paradijs binnengaan, en een ieder die Hem ontmoet terwijl hij een deelgenoot naast Hem neemt, zal het Vuur binnengaan." [206]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft ook gezegd: "Een ieder die sterft terwijl hij nog steeds een deelgenoot naast Allaah aanroept, zal het Vuur binnengaan." [207]

Als bewijs hiervoor het bevel van Allaah de Verhevene dat Hij alleen aanbeden dient te worden en voor zijn verbod op shirk, heeft de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) gebruikt: "En aanbidt Allaah en kent Hem in niets een deelgenoot toe..." [208]

Dus Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) beveelt dat Hij alleen aanbeden dient te worden en Hij verbood shirk. Dit bevel verklaart dat aanbidding alleen voor Hem is. Degene die Allaah niet aanbidt is een hooghartige en koppige ongelovige (kaafir); en degene die Allaah aanbidt en tevens anderen naast Hem aanbidt, is een ongelovige (kaafir) en een afgodenaanbidder (moeshrik); en degene die alleen Allaah aanbidt is een pure moslim.


Er zijn twee soorten shirks: grote shirk (shirkoen akbar) en kleine shirk (shirkoen asghar).

De eerste soort (grote shirk), dit is elke vorm van shirk, waarbij degene die het begaat door de Sharie'ah buiten de oevers van de Islaam wordt gezet.

De tweede soort (kleine shirk) is elke handeling of gezegde dat door de Sharie'ah als shirk wordt gedefinieerd, maar welke een persoon niet buiten de religie plaatst.

Een persoon dient op zijn hoede te zijn voor shirk, zowel de grote als de kleine, aangezien Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Voorwaar, Allaah vergeeft niet dat aan Hem deelgenoten toegekend worden..." [209]

[199] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 36.

[200] Soerat Loeqmaan (31), aayah 13.

[201] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 48.

[202] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 116.

[203] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 72

[204] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 48.

[205] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe At-Tawh'ied: hoofdstuk, de Uitspraak van de Verhevene: "O boodschapper! Verkondig wat jou van jouw Heer neergezonden is." En Moesliem, Kietaaboe Al-Imaan, hoofdstuk: Kawnoe shirkie aqbah'o d-dzoenoeb.

[206] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe Al-Imaan: hoofdstuk, men maata laa yoeshrik biellahie shay-an dakhala l-djannah

[207] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe At-Tefsier, Soerat Al-Baqarah, hoofdstuk; de Uitspraak van de Verhevene: "En er zijn onder de mensen die naast Allaah deelgenoten toekennen." (Soerat Al-Baqarah (2), aayah 165).

[208] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 36.

[209] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 48. Als u gevraagd wordt: wat zijn de drie grondbeginselen (fundamenten) [40] die ieder mens dient te weten?[41]

[40] Grondbeginselen of fundamenten (oesool) is datgene waarop andere zaken zijn gebouwd, bijvoorbeeld het fundament van een muur (asloe l-djidaar) en de wortels van een boom (asloe s-shadjarah) waaruit de takken uiteindelijk ontspringen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zie jij niet hoe Allaah een vergelijking maakt met een goede uitspraak (d.w.z. de getuigenis dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah), die als een goede boom is, waarvan de wortel stevig staat (d.w.z. de getuigenis is stevig geworteld in het hart van een gelovige) en de takken naar de hemel reiken (de handelingen van de gelovige worden hierdoor verheven naar de hemel)?” [210]

De auteur (moge Allaah hem genadig zijn) verwijst door het opnoemen van deze drie grondbeginselen naar de grondbeginselen waarnaar de mensen in het graf ondervraagd zullen worden: Wie is jouw Rabb? Wat is jouw godsdienst? En wie is jouw profeet?

[41] De auteur (moge Allaah hem genadig zijn) leidt deze kwestie in de vorm van een vraag in, om de oplettendheid ernaar duidelijk te maken, aangezien het uiterst belangrijk is en dat wat hij bespreekt zijn zeer belangrijke fundamentele grondbeginselen. Hij verklaart dat het verplicht is voor iedere persoon om kennis te hebben over deze drie grondbeginselen, aangezien dit de grondbeginselen zijn waarover een persoon wordt ondervraagd wanneer hij begraven is in zijn graf. Nadat hij begraven is en iedereen is weggegaan, komen er twee engelen naar hem toe en laten hem zitten en vragen hem: “Wie is jouw Rabb?” “Wat is jouw religie?” “Wie is jouw profeet?” De gelovige zal dan antwoorden: “Mijn Rabb is Allaah, mijn religie is Islaam en mijn profeet is Moh’ammed.” Maar de twijfelaar en hypocriet zullen antwoorden: “Haah, haah, ik weet het niet. Ik hoorde de mensen iets zeggen, dus zei ik het ook.” [211]

[210] Soerat Ibraahiem (14), aayah 24.

[211] Zie o.a. de h’adieth van Anas (Radhya llaahoe ‘anhoe) overgeleverd door al-Boekhaarie. Geef dan als antwoord dat de dienaar zijn Rabb (Heer), [42] Dien (religie) [43] en de profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) [44] moet kennen.

[42] Kennis en bewustzijn van Allaah (Azza wa Djal) komt voort uit verschillende middelen: bijvoorbeeld het overdenken en aanschouwen van wat Hij geschapen heeft, aangezien dat leidt tot bewustzijn van Hem en Zijn absolute Heerschappij en perfecte Macht en Wijsheid en ook Zijn Genade. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En kijken zij niet naar het Koninkrijk van de hemelen en de aarde en naar alle dingen die Allaah heeft geschapen?...” [212]

“Zeg: “Voorwaar, ik vermaan jullie slechts één ding: dat jullie je getweeën of alleen voor Allaah opstellen en dan nadenken...” [213]

“Voorwaar, in de schepping van de hemelen en de aarde en in het afwisselen van de nacht en de dag zijn zeker Tekenen voor bezitters van begrip.” [214]

“Voorwaar, in de afwisseling van de nacht en de dag en (in) wat Allaah heeft geschapen in de hemelen en op de aarde zijn zeker Tekenen voor een volk dat (Allaah) vreest.” [215]

“Voorwaar, in de schepping van de hemelen en de aarde en de afwisseling van de nacht en de dag en de schepen die over de zee varen met wat de mensen voordeel geeft, en het water dat Allaah uit de hemel neerzendt, waarmee Hij de aarde tot leven brengt na haar dood, en dat hij daarop allerlei dieren verspreidde, en de besturing van de winden en de wolken die tussen de hemel en de aarde dienstbaar zijn gemaakt, zijn zeker Tekenen voor een volk dat verstandig is.” [216]

Tot de zaken waardoor een dienaar zijn Heer kan leren kennen, behoort het nadenken over de tekenen in Zijn Sharie’ah (Al-Aayaat As-Shar’ieyyah), wat de Openbaring is waarmee Zijn boodschappers (vrede zij met hen) gekomen zijn en de immense voordelen die er in aanwezig zijn, welke dermate zijn dat het leven van een persoon in deze wereld en in het Hiernamaals niet behouden kan worden behalve hierdoor. Als een persoon dit in aanschouwing neemt en hier over nadenkt en ziet hoe het kennis wijsheid bevat en ziet hoe het perfect geordend is en in volledige harmonie met de behoeften van de mensen, dan zal dit hem leiden naar kennis en bewustzijn van zijn Heer (Azza wa Djal), zoals Hij (Azza wa Djal) zegt: “Denken zij dan niet na over de Qor-aan? En wanneer (die) anders dan van Allaah geweest was, dan zouden zij daarin veel tegenstrijdigs vinden.” [217]

Tot deze middelen behoort ook de kennis en het bewustzijn van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) welke Hij plaats in het hart van een gelovige, dermate dat het lijkt alsof hij zijn Heer ziet. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd, toen Djibriel (Alayhie s-Salaam) hem vroeg over ih’saan: “Dit is dat je Allaah aanbidt alsof je hem ziet en hoewel je hem niet ziet, Hij ziet jou zeker wel.” [218]

[43] D.w.z. kennis over het tweede grondbeginsel; de religie, waar hij verplicht is om ermee in overeenstemming te handelen. Dit omvat wijsheid, genade en zorg dragen voor hetgeen noodzakelijk en voordelig is voor de schepping en het beschermen tegen alle vormen van verderf en kwaad. Dan zal iedereen die oprecht nadenkt over de religie van Islaam en zorgvuldig nadenkt over het Boek en de Soennah, zeker weten dat het de religie van de waarheid is en dat het welzijn van de dienaren niet verkregen kan worden behalve hierdoor. Het is niet juist dat we de Islaam beoordelen volgens de positie van de moslims tegenwoordig, aangezien de moslims vele zaken hebben verwaarloosd en enorme kwaadaardigheden hebben begaan, dermate dat als een persoon in bepaalde Islamitische landen woont, net of hij totaal niet leeft in een Islamitische omgeving.

Hoe dan ook, de religie van Islaam, alle lof en dank is voor Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) omvat alle voordelige zaken die in de voorgaande godsdiensten aanwezig waren en overtreft hen in toepasselijkheid voor elke tijd, elke plaats en elk volk. De betekenis dat het toepasselijk is voor elke tijd, plaats en volk, is dat wanneer men zich er aan vasthoudt het in geen enkel geval strijdig is met het welzijn en voordeel voor het volk in elke tijd of plaats. De Islaam beveelt elke zaak die voor voordeel en welzijn zorgt en verbiedt elke slechte daad: het beveelt elke nobele eigenschap en verbiedt elke verachtelijke eigenschap.

[44] Dit is de derde grondbeginsel, wat inhoudt dat een persoon kennis dient te hebben over zijn profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Dit wordt bereikt door het bestuderen van de biografie van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en zijn toestand van aanbidding, zijn karakter en manieren, hoe hij uitnodigde tot Allaah  (Azza wa Djal) en hoe hij de djihaad verrichte voor Zijn zaak, en alle overige aspecten van zijn leven. Daarom dient iedereen die zijn kennis over Zijn profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) wenst te vergroten en die zijn Imaan (oprecht geloof) in hem wenst te vermeerderen, alles wat voor hem mogelijk is te lezen over zijn leven in de tijd van oorlog en vrede, in de tijd van moeilijkheden en gemak en onder alle omstandigheden. We vragen vervolgens Allaah (Azza wa Djal) om ons te laten behoren tot degenen die Zijn boodschapper volgen en gehoorzamen in zaken die verborgen zijn en die zichtbaar zijn, en dat Hij ons laat sterven terwijl we hier naar handelen. Voorwaar, Hij is Degene Die recht heeft om hier naar gevraagd te worden en Degene Die de macht heeft om dat te schenken.

[212] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 185.

[213] Soerat Sabaa-e (34), aayah 46.

[214] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 190.

[215] Soerat Yoenoes (10), aayah 6.

[216] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 164.

[217] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 82.

[218] Overgeleverd door Moelsim, Kietaaboe Al-Imaan: Hoofdstuk, bayaanoe arkaanie l-Imaan wa l-Islaam. Het eerste grondbeginsel: het kennen van de Heer (Rabb).

Als u de vraag gesteld krijgt: "Wie is uw Rabb?" [45] Geef dan als antwoord: "Mijn Rabb is Allaah, Die mij en al het geschapene gevoed [46] heeft met Zijn Gunsten, Hij is Degene Die ik aanbid en er is niemand of niets dat ik naast Hem aanbid." [47] Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Alle lof zij Allaah, de Heer der Werelden."[219] [48]

[45] D.w.z. Wie is uw Heer die u geschapen heeft en u leven gegeven heeft en gevormd heeft en voorzien heeft in uw behoeftes.

[46] "Tarbiyah", wat betekent het zorgdragen voor datgene wat nodig is voor de ontwikkeling van degene die opgevoed wordt. De woorden van de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) duiden aan dat het woord ar-Rabb voortkomt uit het woord tarbiyah (het voeden), aangezien hij zei: "... Die mij en al het geschapene gevoed heeft met Zijn Gunsten." Dus Allaah heeft de gehele schepping gevoed met Zijn Gunsten en heeft hen gereed gemaakt voor datgene waar zij voor geschapen zijn en Hij voorzag hen in al hun behoeftes.

Allaah (Gezegend en Verheven is Hij) zegt betreffende het gesprek tussen Moesa (‘Alayhie s-Salaam) en de Farao: "Hij (Fir'awn) zei: "Wie is jullie Heer, O Moesa?" Hij (Moesa) zei: "Onze Heer is Degene Die aan ieder ding van Zijn schepping vorm gegeven heeft en (het) daarna geleid heeft (naar alles wat zij nodig hebben betreffende voortplanting, voedsel, drinken en bewoning)." [220]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft de gehele schepping dus gevormd en voorzien met Zijn Gunsten. De Gunsten van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) voor Zijn dienaren zijn zo talrijk dat zij niet te tellen zijn. Allaah (Gezegend en Verheven is Hij) zegt: "... En als jullie de gunsten van Allaah op willen sommen, dan kunnen jullie ze niet tellen..." [221]

Het is Allaah Die u geschapen heeft, gevormd heeft, gesteund en voorzien heeft in al uw behoeftes. Dus Hij alleen verdient het recht op uw aanbidding.

[47] Hij is Degene Die ik aanbid, aan Wie ik mij onderdanig maak en overgeef, in liefde en eerbied. Ik doe al wat Hij beveelt en verlaat al wat Hij verbiedt. Er is niemand anders die ik naast Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) aanbid. Allaah (Gezegend en Verheven is Hij) zegt: "En Wij stuurden niet één van de boodschappers vóór jou (o Moh'ammed), of Wij openbaarden aan hem dat er geen andere god dan Ik is, aanbidt Mij daarom." [222]

"Zij werden niets anders bevolen dan Allaah met zuivere aanbidding te aanbidden (vrij van shirk), als Hoenafaa'. En (ook) het gebed te verrichten en de zakaat te geven en dat is de rechte godsdienst." [223]

[48] De auteur (moge Allaah hem genadig zijn) geeft voor het feit dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) Degene is Die de gehele schepping vormt en steunt, het bewijs dat Allaah de Meest Verhevene zegt: "Alle lof zij Allaah,...", wat betekent dat alle beschrijvingen met de eigenschappen van perfectie, majesteit en grootheid, alleen voor Allaah, de Meest Verhevene, zijn.

"...de Heer der Werelden" betekent dat Hij Degene is Die hen vormt en steunt met Zijn Gunsten en dat Hij hun Schepper is en hun Eigenaar. Hij is Degene Die hun zaken bestuurt zoals Hij, de Almachtige en Majesteitelijke, dat wenst.

[219] Soerat Al-Faatih'ah (1), aayah 2.

[220] Soerat Taa Haa (20), aayah 49-50.

[221] Soerat Ibraahiem (14), aayah 34.

[222] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 25.

[223] Soerat Al-Bayyinah (98), aayah 5.

Alles buiten Allaah behoort tot de werelden en ik ben één deel van de wereld. [49]

Als u de vraag gesteld krijgt: "Hoe bent u erachter gekomen dat uw Heer bestaat?" Zeg dan: "Door Zijn tekenen en schepselen [50]; en tot Zijn tekenen behoren de nacht en de dag, de zon en de maan. Wat ook tot Zijn schepping behoort, zijn de zeven hemelen en de zeven aarden en alles wat erin is en wat er tussen ligt."[51]

[49] De wereld (Al-'Aalam) is alles behalve Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa). Dit wordt zo genoemd omdat zij een teken zijn van hun Schepper, de Oppermachtige Heer en Degene Die hun zaken bestuurt. Alles bevat een teken dat Allaah één is en ik ben een deel van de schepping en mijn Heer heeft het mij verplicht dat ik alleen Hem aanbid.

[50] Tekenen (Aayaat [m.v.], Aayah [e.v.]) zijn zaken die iets aanduiden en duidelijk maken. De tekenen van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) bestaan uit twee soorten: tekenen in de schepping (Kawnieyyah) en tekenen in Zijn Geopenbaarde Weg (Shar'ieyyah). De tekenen in de schepping zijn Zijn schepselen en de tekenen in Zijn Geopenbaarde Weg is dat wat gevonden wordt in Zijn Openbaring, welke Allaah naar Zijn boodschappers neerzond. Kennis over en bewustzijn van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) kunnen dus verkregen worden door zowel Zijn tekenen in de schepping, de ontzagwekkende dingen die zich erin bevinden, die wonderbaarlijke scheppingen en bovenmachtige wijsheid, alsook door de tekenen in Zijn Geopenbaarde Weg en de rechtvaardigheid die men erin aantreft en dat het alle voordelige zaken omvat en alle schadelijke zaken verwerpt.

'En in alles is een teken van Hem - Dat bewijst dat Hij Eén is.'

[51] Dit alles behoort tot de tekenen van Allaah, die zijn complete en perfecte Macht en complete en perfecte Wijsheid en Barmhartigheid bewijzen. De zon is één van de tekenen van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa), die in zijn fantastische en goed geordende baan loopt, die deze volgt sinds Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) het geschapen heeft en deze blijft volgen totdat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) besluit het universum te vernietigen. De zon loopt in een vaste baan zoals de Verhevene heeft gezegd: "En de zon loopt in haar vaste baan. Dat is de verordening van de Almachtige, de Alwijze." [224]

Zijn maat en zijn invloeden behoren tot de tekenen van Allaah. Betreft zijn maat, hij is ontzagwekkend groot; en betreft zijn invloeden, hij produceert voordelen voor onze lichamen, voor de bomen, de rivieren, de oceanen en andere dingen. Ondanks de grote afstand die er is tussen ons en het grote teken, de zon, voelen we toch zijn enorme hitte. Denk vervolgens na over het licht dat het produceert wat de mensen enorme rijkdommen bespaart tijdens de dag, aangezien zij hierdoor geen behoefte hebben aan andere bronnen van licht. Het is inderdaad een zeer groot teken en de meeste mensen beseffen maar een paar tekenen ervan. Evenzo behoort de maan ook tot de tekenen van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) en Hij verordende voor de maan bepaalde standen. Elke nacht heeft het zijn nauwkeurige positie.

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "En Wij hebben voor de maan standen bepaald, zodat zij terugkeert als een oud sikkeltje van een dadeltros." [225]

De maan verschijnt eerst zeer dun en neemt vervolgens stap voor stap toe tot hij helemaal vol is, dan neemt het weer af en wordt het zoals het was. Het lijkt op de mens die begon als iets zwaks en daarna nam zijn kracht geleidelijk toe en uiteindelijk keert hij terug naar iets zwaks. Gezegend is Allaah, de beste der scheppers.

[224] Soerat Yaa Sien (36), aayah 38.

[225] Soerat Yaa Sien (36), aayah 39. Het bewijs [52] hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En tot Zijn Tekenen behoren de nacht en de dag, en de zon en de maan. Knielt jullie niet neer voor de zon en niet voor de maan, maar knielt jullie neer voor Allaah, Degene Die hen heeft geschapen, als jullie alleen Hem aanbidden.” [226]

En Zijn Woorden [53], Verheven is Hij: “Voorwaar, jullie Heer is Allaah, Degene Die de hemelen en de aarde in zes dagen (perioden) heeft geschapen. Vervolgens zetelde Hij zich op de Troon. Hij doet de nacht de dag bedekken, die hem haastig najaagt: en de zon, de maan en de sterren zijn aan Zijn bevel onderworpen. Weet, dat scheppen en bevelen aan Hem is voorbehouden. Gezegend zij Allaah, de Heer der werelden.” [227]

[52] D.w.z. het bewijs dat de dag en de nacht, de zon en de maan behoren tot de tekenen van Allaah (Azza wa Djal), zijn de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “En tot Zijn Tekenen behoren de nacht en de dag...” Dit betekent dat de dag en de nacht behoren tot de zeer duidelijke tekenen en bewijzen van Allaah, zowel op zichzelf als hoe zij elkaar afwisselen. Ook betreft de voordelen waarmee Allaah hen voorzien heeft voor de dienaren en betreft hun veranderende staat. Evenzo geldt dit betreffende de zon en de maan, welke beide zowel tekenen op zichzelf zijn als ook de banen die zij volgen en de voordelen die zij geven aan de dienaren en het kwaad dat zij van hen weg houden. Vervolgens verbood Allaah de Verhevene de dienaren zich neer te werpen in soedjoed voor de zon en de maan, ook al zijn zij zeer groot. Toch verdienen zij dit niet en hebben het recht niet om aanbeden te worden, aangezien zij twee geschapen objecten zijn en Degene Die alleen het recht heeft op aanbidding is Allaah de Verhevene Die hen geschapen heeft.

[53] Dit betekent dat deze Woorden van Allaah behoren tot de bewijzen dat Allaah de hemelen en de aarde geschapen heeft. Deze woorden bevatten de volgende tekenen van Allaah:

(I)                Dat Allaah deze ontzagwekkende schepselen geschapen heeft in zes dagen (perioden) en als Hij zou willen dan zou Hij hen in 1 ogenblik kunnen scheppen, maar door Zijn Wijsheid heeft Hij de gevolgen gekoppeld aan hun oorzaken.

(II)             Dat Hij verheven is boven de Troon, d.w.z. dat Hij op een bepaalde manier Zich erop zetelde zoals dat passend is voor Zijn Majesteitelijkheid en Verhevenheid. Dit duidt op de perfectie van Zijn Koningschap en Soevereiniteit.

(III)          Dat Hij veroorzaakt dat de nacht en de dag omhult en bedekt, zodat het lijkt op een kledingstuk waarop het daglicht valt en het bedekt.

(IV)          Dat Hij de zon, de maan en de sterren onderworpen heeft aan Zijn bevel. Hij beveelt hen als Hij wil voor het voordeel van Zijn dienaren.

(V)             Dat Zijn Soevereiniteit alles omvat en dat Zijn Koningschap perfect is, dermate dat het scheppen en bevelen voor Hem alleen zijn en voor niemand anders.

(VI)          Dat Zijn Heerschappij de gehele schepping omvat.

[226] Soerat Foessilat (41), aayah 37.

[227] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 54.


De Heer is Degene Die aanbeden wordt [54] en het bewijs [55] hiervoor, is dat de Verhevene zegt: “O mensen [56], aanbidt jullie Heer (Rabb), Degene Die jullie en degenen voor jullie heeft geschapen.[57] Hopelijk zullen jullie (Allaah) vrezen [58]. Degene Die de aarde voor jullie heeft gemaakt tot een rustplaats [59] en de hemel tot een gewelf [60] en Hij zendt water uit de hemel neer [61], waarmee Hij vervolgens vruchten voortbrengt als voorziening voor jullie [62].

[54] De auteur (moge Allaah de Verhevene hem genadig zijn) verwijst naar de aayah: “Voorwaar, jullie Heer is Allaah, Degene Die de hemelen en de aarde in zes dagen (perioden) heeft geschapen. Vervolgens zetelde Hij Zich op de Troon. Hij doet de nacht de dag bedekken, die hem haastig najaagt: en de zon, de maan en de sterren zijn aan Zijn bevel onderworpen. Weet, dat scheppen en bevelen aan Hem zijn voorbehouden. Gezegend zij Allaah, de Heer der werelden.” [228]

Dus de Heer is Degene Die aanbeden wordt, wat betekent dat Hij Degene is Die alleen het recht heeft om aanbeden te worden, en dat Hij Degene is Die gerechtvaardigd en waardig aanbeden wordt. Het betekent niet dat alles wat aanbeden wordt een heer is, omdat deze afgoden welke aanbeden worden naast Allaah en welke als heren worden genomen door degenen die ze aanbidden, geen heren zijn. De Heer (ar-Rabb) is de Schepper, de Eigenaar en Degene met bestuur en gezag over alle zaken.

[55] D.w.z. het bewijs dat de Heer Degene is Die het recht heeft om aanbeden te worden.

[56] Hiermee worden alle mensen van onder de afstammelingen van Aadam (Alayhie s-Salaam) aangesproken: Allaah (Azza wa Djal) beveelt hen om Hem alleen te aanbidden, Hij heeft geen deelgenoot, dus dienen zij geen deelgenoten toe te kennen in hun aanbidding naast Allaah. Hij maakt het duidelijk dat Hij alleen verdient om aanbeden te worden, aangezien Hij de Enige Schepper is, Die geen deelgenoot heeft.

[57] Zijn Woorden (d.w.z. Degene Die jullie geschapen heeft) zijn een omschrijving die de reden van het voorgaande uitleggen, wat betekent: aanbid Hem omdat Hij jullie Heer is Die jullie geschapen heeft.Omdat Hij de Heer en de Schepper is, is het een noodzakelijke plicht voor jullie dat jullie Hem aanbidden. Daarom zeggen we dat het een onvermijdelijke verplichting is voor eenieder die de Heerschappij van Allaah bevestigt, dat hij Hem alleen dient te aanbidden, anders verkeert deze persoon in tegenspraak met zichzelf.

[58] Dit betekent dat men taqwa dient te verwerven en taqwa is bescherming zoeken tegen de bestraffing van Allaah (Azza wa Djal) door alles te doen wat Hij bevolen heeft en weg te blijven van alles wat Hij verbiedt.

[59] Dit betekent dat Hij het als een uitgespreide rustplaats voor ons gemaakt heeft, waarvan wij mogen genieten zonder enige moeilijkheid en tegenspoed, net zoals een persoon slaapt op zijn bed.

[60] D.w.z. boven ons, dus de hemel (lucht) is een gewelf voor de mensen op de aarde en het is een veilig en beschermend dak, zoals Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En Wij maakten de hemel als een beschermende kap, maar zij (de ongelovigen) wenden zich af van Zijn tekenen.” [229]

[61] D.w.z. Hij zendt neer van boven, van de wolken, reinigend water voor jullie, zoals de Verhevene heeft gezegd: “Waarvan een deel voor jullie om te drinken is, en een deel voor de gewassen waarop jullie (vee) weiden.” [230]

[62] D.w.z. als een gift voor jullie, zoals verklaard is in een andere aayah: “Als een voorziening voor jullie en voor jullie vee.” [231]

[228] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 54.

[229] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 32.

[230] Soerat an-Nah’l (16), aayah 10.

[231] Soerat ‘Abasa (80), aayah 32. Kent daarom geen deelgenoten toe aan Allaah [63], terwijl jullie (het) weten [64]." [232]

[63] Dit betekent dat jullie geen deelgenoten dienen te plaatsen naast Degene Die jullie geschapen heeft en degenen vóór jullie en Die de aarde tot een rustplaats heeft gemaakt en de hemel tot een gewelf en Die voor jullie regen uit de hemel neerzendt en daarmee jullie met vruchten voorzien heeft. Dus neem geen deelgenoten naast Hem die jullie aanbidden zoals jullie Allaah aanbidden, of van wie jullie houden zoals jullie van Allaah houden, aangezien dat niet passend is voor jullie, noch volgens het gezonde verstand, noch volgens de Openbaring.

[64] D.w.z. als jullie weten dat Hij geen deelgenoot heeft en dat scheppen, het voorzien en bestuur van de zaken slechts in Zijn Hand zijn, neem dan geen deelgenoot in aanbidding naast Hem.

[232] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 21-22.


Ibn Kathier (moge Allaah hem genadig zijn) [65] heeft gezegd: "De Schepper van deze schepselen is Degene Die het recht heeft om aanbeden te worden."

Alle vormen van aanbidding die Allaah bevolen heeft [66] - zoals Islaam (overgave en gehoorzaamheid tegenover Allaah), Imaan (waar geloof, bestaande uit geloof in het hart, spraak met de tong en handelingen met de ledematen) en Ih'saan (perfectie van aanbidding); en hieruit komt voort: doe'aa-e (smeekbedes), khawf (eerbiedige angst), radjaa-e (hoop en verlangen naar Hem), tawakkoel (vertrouwen in Hem), raghbah (brandend verlangen naar het Paradijs), rahbah (angst voor de Hel), khoeshoo' (eerbied en nederigheid), khashyah (vrees), inaabah (je berouwvol naar Hem keren), isti'aanah (smeken om hulp en bijstand), isti'aadzah (toevlucht zoeken bij Hem), istighaathah (verlossing en redding zoeken bij Hem), dzabh' (offeren, het slachten van dieren namens Hem), nedzr (het afleggen van eden) en de overige vormen van aanbidding die Allaah bevolen heeft. Alle aanbiddingen behoren alleen voor de Verhevene verricht te worden.

[65] Hij is 'Imaadoe Ad-dien Aboe Al-Fidaa-e Ismaa'iel ibn 'Oemar al-Qoerashiey, al-H'aafidh, de bekende auteur van de Tefsier en Taariekh [233]. Hij was één van de studenten van sheikhoe l-Islaam Ibn Taymiyyah, en stierf in het jaar 774 H.

[66] Nadat de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) duidelijk heeft gemaakt dat het voor ons verplicht is om alleen Allaah te aanbidden, zonder deelgenoten naast Hem te plaatsen, gaat hij verder met het uitleggen van enkele vormen van aanbidding. Daarom zei hij: "Alle vormen van aanbidding...zoals Islaam, Imaan en Ih'saan."

Deze drie: Islaam, Imaan en ih'saan, zijn de religie (Dien) zoals het voorkomt in de h'adieth die door Moesliem is overgeleverd, verhaald door 'Oemar ibn Al-Khattaab (Radhya llaahoe ‘anhoe) die zei: "Toen wij op een dag bij de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zaten, verscheen er een man voor ons in stralend witte kleren en met gitzwarte haren, op wie geen sporen van een reis te zien waren. Niemand van ons kende hem. Hij ging voor de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zitten, met zijn knieën tegen die van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), en hij plaatste zijn handen op zijn dijen en zei: "O Moeh'ammed, vertel me wat Islaam is." De boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) antwoordde: "De Islaam houdt in dat je getuigt dat er niets of niemand het recht heeft om aanbeden te worden buiten Allaah, en dat Moeh'ammed de boodschapper van Allaah is, en dat je de salaat verricht, de zakaat betaalt, vast gedurende de Ramadhaan en de H'adj naar het Huis verricht, als je daartoe in staat bent." Daarop zei hij: "ﷻ‬ heeft juist gesproken." Wij waren erg verbaasd dat hij hem eerst iets had gevraagd en daarna het antwoord bevestigde. Daarna zei hij: "Vertel mij wat imaan is." Hij antwoordde: "Het houdt in dat je gelooft in Allaah, Zijn engelen, in Zijn boeken, in Zijn profeten en in de Laatste Dag, en dat je gelooft in de voorbeschikking ("Al-Qadr"), zowel het goede als het slechte." Hij zei: "ﷻ‬ heeft juist gesproken". Daarna zei hij: "Vertel mij wat ih'saan is."Hij antwoordde: "(Het houdt in) dat je Allaah aanbidt alsof je Hem ziet, en als je Hem niet ziet, besef dat Hij jou wel ziet." Toen zei hij: "Vertel me over het Uur." Hij antwoordde: "Daarover weet de ondervraagde niet meer dan de vrager." Hij zei: "Vertel me dan over de tekenen ervan." Hij antwoordde: "Dat de slavin haar meester zal baren en dat je ziet dat op blote voeten lopende, naakte en behoeftige schaapherders met elkaar wedijveren in het bouwen van hoge huizen." Hierna ging hij (de vreemdeling) weg en ik bleef daar enige tijd zitten, totdat hij (de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam)) me vroeg: "O 'Oemar, weet jij wie de vragensteller was?" Ik antwoordde: "Allaah en Zijn boodschapper weten het het beste."Hij zei: "Het was Djibriel, die kwam om jullie je godsdienst te onderwijzen." [234]


De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) verklaarde deze zaken als de religie en dat is omdat zij de gehele religie omvatten.

[233] Taariekh: geschiedenis

[234] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, Al-Imaanoe wa l-Islaam. Het merendeel van deze h'adieth is al uitgelegd in dit boek en we hebben een uitleg ervan gegeven in "Madjmoo'oe l-Fataawaa wa ﷺ‬-Rasaa-il" (d.w.z. van Sheikh Ibn Saalih' al-'Oethaymien) 3/143.


Het bewijs hiervoor is dat de Verhevene zegt: [67] "En voorwaar, de moskeeën (masaadjid) behoren Allaah toe: roept dan naast Allaah niet één aan." [235]

Een ieder die een deel van deze aanbidding aan iemand anders richt naast Allaah, wordt hierdoor een moeshrik (polytheïst, afgodenaanbidder), een kaafir (ongelovige). Het bewijs hiervoor is dat de Verhevene zegt: "En wie een andere god aanroept naast Allaah, waarvoor hij geen bewijs heeft: voorwaar, zijn afrekening is bij zijn Heer. Voorwaar, de ongelovigen zullen niet welslagen." [236] [68]

[67] Dit betekent dat alle vormen van aanbidding, zowel de vormen die door de auteur genoemd zijn als ook alle andere vormen, exclusief voor Allaah zijn en er is geen deelgenoot naast Hem. Het is dus niet toegestaan om ze te verrichten voor iemand anders dan Allaah de Verhevene.

[68] De auteur (moge Allaah de Verhevene hem genadig zijn) noemt een aantal vormen van aanbidding en zegt dat een ieder die enige vorm verricht voor iemand anders dan Allaah, een  moeshrik en een ongelovige wordt, en hij bewijst dit met de Woorden van de Verhevene: "En voorwaar, de moskeeën (masaadjid) behoren Allaah toe: roept dan niemand naast Allaah aan." [237]

"En wie een andere god aanroept naast Allaah, waarvoor hij geen bewijs heeft: voorwaar, zijn afrekening is bij zijn Heer. Voorwaar, de ongelovigen zullen niet welslagen." [238]

De eerste aayah is een bewijs, aangezien Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) meedeelt dat de masaadjid, welke de plaatsen zijn waar soedjood (het neerknielen met het voorhoofd op de grond) wordt gedaan (d.w.z. waar gebeden wordt) of de ledematen waarop de soedjood plaats vindt, voor Allaah alleen zijn. Dan verklaart Hij als een gevolg hiervan: "... roept dan niemand naast Allaah aan": aanbidt en verricht de soedjood daarom voor niets anders naast Hem.

De tweede aayah is een bewijs, aangezien Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) verklaart dat een ieder die iets anders naast Hem smeekt en aanroept een ongelovige (kaafir) is, omdat Hij zegt: "... Voorwaar, de ongelovigen zullen niet welslagen."

Bovendien duiden Zijn Woorden "... waarvoor hij geen bewijs heeft.." aan, dat er geen enkel bewijs is dat het aanbidden van andere goden ondersteunt. Dit is dus een beschrijving om de zaak kenbaar en duidelijk te maken en het is geen beschrijving dat zich beperkt tot datgene wat niet door bewijs wordt ondersteund, aangezien er geen enkel bewijs is dat toestaat om iets naast Allah te aanbidden.

[235] Soerat Al-Djinn (72), aayah 18.

[236] Soerat Al-Moe-eminoen (23), aayah 117.

[237] Soerat Al-Djinn (72), aayah 18.

[238] Soerat Al-Moe-eminoen (23), aayah 117. En uit de overlevering van de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “Doe’aa-e is de kern van aanbidding.”

Het bewijs hiervoor is dat de Verhevene heeft gezegd: “En jullie Heer zei: “Roep Mij aan, Ik zal jullie verhoren. Voorwaar, degenen die te hoogmoedig zijn om Mij (alleen) te aanbidden zullen de Hel binnengaan als vernederden.” [239] [69]

[69] Hier begint de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) bewijzen te citeren voor de soorten van aanbidding die hij noemde toen hij zei: “En de vormen van aanbidding welke Allaah bevolen heeft, zoals Islaam, Imaan en ih’saan, en hieruit komt voort: doe’aa-e...” Hij (moge Allaah hem genadig zijn) begon met het noemen van de bewijzen voor het aanroepen/smeken (doe’aa-e), en de bewijzen voor Islaam, Imaan en ih’saan zullen tot in detail volgen, als Allaah wil. De auteur (moge Allaah hem genadig zijn) gebruikte als bewijs wat overgeleverd is van de profeet  (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “Doe’aa-e is de kern van aanbidding” [240]

En hij gebruikte de Woorden van de Verhevene als bewijs: “En jullie Heer zei: “Roep Mij aan, Ik zal jullie verhoren. Voorwaar, degenen die te hoogmoedig zijn om Mij (alleen) te aanbidden zullen de Hel binnengaan als vernederden.” [241]

De Edele aayah bewijst dat aanroepen/smeken (doe’aa-e) aanbidding is, en als dat niet het geval zou zijn dan zou er niet gezegd zijn: “...degenen die te hoogmoedig zijn om Mij (alleen) te aanbidden...”

Dus een ieder die iemand anders dan Allaah (Azza wa Djal) aanroept en iets vraagt waarover alleen Allaah macht heeft, wordt dan een moeshrik (iemand die anderen naast Allaah aanbid) en een ongelovige (kaafir), ongeacht of degene die aangeroepen wordt levend of dood is. Een ieder die een levende persoon iets vraagt waarover hij macht heeft, bijvoorbeeld door te zeggen: “O die en die, geef me iets te eten”, of “O die en die, geef me iets te drinken”, dan is hier niets mis mee. Maar een ieder die dit vraag aan een overleden of een afwezige persoon, is dan een moeshrik, aangezien de overleden of afwezige persoon dit onmogelijk kan doen. In zo’n geval laat zijn smeekbede zien dat hij gelooft dat zij enige macht over de schepping hebben en is daarom een moeshrik.

Weet dat doe’aa-e uit twee vormen bestaat: -1- smeekbede, wanneer er een verzoek gedaan wordt (doe’aa-oe mas-alah) en -2- aanroeping door aanbidding (doe’aa-oe ‘ibaadah).

Doe’aa-oe mas-alah is een smeekbede waarbij wordt verzocht om iemands behoeften te vervullen en dit is een vorm van aanbidding als de dienaar het vraag aan zijn Heer. Dit is omdat het betekent dat men zijn behoeftigheid aan Allaah laat zien en dat het noodzakkelijk is om zich tot Allaah te keren en het geloof van een persoon dat Hij Degene is Die de volledige macht heeft, de Meest Gulle, Degene Die overvloedig geeft en Meest Barmhartig is.

Het zoeken van hulp voor iemands behoeften bij iemand anders van de schepping is toegestaan, mits degene die verzocht wordt in staat is om hem te horen en te begrijpen en de macht heeft om te antwoorden, bijvoorbeeld: “O die en die, geef me iets te eten.”

Wat betreft doe’aa-oe l’ibaadah, het aanroepen door aanbidding, dit vindt plaats wanneer een persoon een handeling van aanbidding verricht om beloning te zoeken en de bestraffing vreest, en dit is niet correct mits het alleen voor Allaah verricht wordt. Dit verrichten voor iemand naast Allaah is grote shirk, wat een persoon buiten de religie plaatst en waardoor hij onder de dreiging van Allaah de Verhevene valt: “Voorwaar, degenen die te hoogmoedig zijn om Mij (alleen) te aanbidden zullen de Hel binnengaan als vernederden.” [242]

[239] Soerat Ghaafir (40), aayah 60.

[240] Overgeleverd door At-Tiermiedzie, Kietaaboe Ad-Da’awaat: hoofdstuk fadhloe d-Doe’aa-e. At-Tiermidzie heeft gezegd dat het een h’adieth gharieb is. Deze h’adieth die met deze woorden is overgeleverd door At-Tiermiedzie is zwak (dha’ief) verklaard voor sheikh Moh’ammed Naasiroeddien al-Albaanie in “al-Mishkaat” (nr.2331) door de zwakheid van 1 van de overleveraars, Ibn Lahie’ah. Imaam Ah’mad en de vier Soenan leverden een authentieke h’adieth over, met de woorden: “Doe’aa-e is aanbidding.” (Authentiek (sah’ieh’) verklaard voor sheikh al-Albaanie in “Sah’ieh’oe l-Djaami” [nr.3407]

[241] Soerat Ghaafir (40), aayah 60.

[242] Soerat Ghaafir (40), aayah 60.

Het bewijs voor angst (khawf) is dat Allaah de Verhevene heeft gezegd: “Wees daarom niet bang voor hen, wees bang voor Mij indien jullie gelovig zijn.” [243] [70]

[70] Angst is het bang zijn en is het gevolg van het verwachten van iets dat vernietiging, kwaad of schade veroorzaakt. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) verbiedt het hebben van angst voor de bondgenoten van de shaytaan en beveelt angst voor Hem alleen. Angst is er in drie vormen.

(I)                Natuurlijke angst: zoals de angst van een persoon voor roofdieren, vuur of verdrinking. Dit is iets wat een persoon niet verweten wordt. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over Moesa (Alayhie s-Salaam): “Toen werd hij bang in de stad en was op zijn hoede...” [244]

Maar als deze angst, zoals genoemd is door de sheikh (moge Allaah hem genadig zijn), de oorzaak is van het nalaten van een verplichting (waadjib) of het verrichten van iets dat verboden (h’araam) is, dan is dat verboden, omdat alles wat de oorzaak is dat een verplichting wordt verzuimd of veroorzaakt dat een verbod wordt overtreden, is op zichzelf verboden (h’araam). Het bewijs is hiervoor dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Wees daarom niet bang voor hen, wees bang voor Mij, indien jullie gelovigen zijn.” [245]

Angst voor Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) is soms iets prijzenswaardigs, maar soms ook niet. Het is prijzenswaardig als het een persoon ervan weerhoudt om Allaah ongehoorzaam te zijn en er voor zorgt dat hij zijn verplichtingen nakomt en dat wat verboden is vermijdt. Als dit wordt bereikt dan komt het hart tot rust en wordt het gedomineerd door de vreugde van de zegeningen van Allaah en hoop op Zijn beloning.

Het is niet prijzenswaardig wanneer het veroorzaakt dat een persoon wanhoopt aan de Genade van Allaah en volledig de hoop opgeeft. In zo’n geval gooit een persoon het bijltje er bij neer en zou in zonden kunnen blijven leven door het feit dat hij de hoop volledig opgeeft.

(II)             Eerbiedige angst: dat iemand ergens bang voor is en dat dan neemt als zijn religie. Dit is voor alleen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa). Het hebben van zulke angst voor iemand anders dan Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) is grote shirk.

(III)          Verborgen bovennatuurlijke angst: zoals het bang zijn van iemand die begraven is, of een persoon van wie men denkt dat hij vroom is, maar hij is ver weg en kan hem niet beinvloeden, maar toch heeft hij een verborgen angst voor hem. Dit is ook door de geleerden genoemd als een geval van shirk.

[243] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 175.

[244] Soerat Al-Qasas (28), aayah 18.

[245] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 175. Het bewijs voor hoop en verlangen (ar-radjaa-e) is dat de Verhevene zegt: "Wie dan hoopt op de ontmoeting met zijn Heer: laat hem goede daden verrichten en laat hem bij de aanbidding van zijn Heer niet één deelgenoot toekennen." [246] [71]

Het bewijs voor het vertrouwen in Allaah (at-tawakkoel) , is dat de Verhevene zegt: "En stelt jullie vertrouwen op Allaah, indien jullie gelovigen zijn." [247]

En Hij zegt: "En (voor) wie op Allaah vertrouwt, is Hij voldoende."[248] [72]

[71] Hoop en verlangen (ar-radjaa-e) is dat een persoon iets wenst dat mogelijk verkregen kan worden en dichtbij is, en het kan iets zijn dat ver weg is maar het wordt gezien als iets dichtbij. Hoop, welke nederigheid en overgave omvat, kan alleen naar Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) gericht worden. Als het naar iemand anders dan Allaah gericht wordt, dan zal het shirk zijn. Deze shirk is ofwel kleine shirk of grote shirk, afhankelijk van de toestand van het hart van de persoon in kwestie. De auteur gebruikte de volgende Woorden van de Verhevene als bewijs: "Wie dan hoopt op de ontmoeting met zijn Heer: laat hem goede daden verrichten en laat hem bij de aanbidding van zijn Heer niet één deelgenoot toekennen." [249]

Weet dat de prijzenswaardige hoop alleen voor een persoon kan zijn die handelt in gehoorzaamheid aan Allaah en hoopt op Zijn beloning, of een persoon die berouw toont voor een zonde en hoopt dat zijn berouw wordt geaccepteerd. Wat betreft hoop zonder praktijk, dit is dan een waanidee en niets dan valse hoop dat afkeurenswaardig is.

[72] Het vertrouwen in iets stellen betekent er van afhankelijk zijn; en vertrouwen in Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) stellen betekent van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) afhankelijk zijn en Hem accepteren als Degene Die voldoende is om dat te brengen wat voor u voordelig is en Die u beschermt tegen al wat schadelijk is. Dit komt vanuit de voltooiing van het ware geloof (imaan) en is er een teken van, zoals de Verhevene zegt: "En stelt jullie vertrouwen op Allaah, indien jullie gelovigen zijn." [250]

Als een persoon oprecht is in zijn vertrouwen in Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa), dan zal Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zorg dragen voor alles wat hem overkomt, zoals de Verhevene zegt: "En (voor) wie op Allaah vertrouwt, is Hij voldoende." [251]

Dit betekent dat Hij voldoende voor hem zal zijn en Hij stelt degene die op Hem vertrouwt gerust, door te zeggen: "... Voorwaar, Allaah voert Zijn zaak uit..."[252]

Dus niets kan Hem er van weerhouden om te doen wat Hij wil.

Weet dat het vertrouwen stellen in verschillende soorten is:

1.   Vertrouwen in Allaah de Verhevene, dat voortkomt uit de voltooiing van Imaan en één van de tekenen van de oprechtheid er van. Dit is verplicht aangezien Imaan niet compleet kan zijn zonder dit en het bewijs is hier al voor gegeven.

2.   Vertrouwen op een overledene dat hij hem voordeel kan brengen of iets schadelijks van hem kan weghouden. Dit is grote shirk; omdat niemand dit doet behalve degene die gelooft dat de overledene een vorm van controle over de schepping heeft. Er is geen verschil of de overledene nu een profeet is, of een vroom iemand, of een vijand van Allaah die aanbeden wordt door de mensen.

3.   Het vertrouwen op anderen in iets waar anderen beheer over hebben met het gevoel dat de andere van een hogere status is en hierdoor zichzelf ziet als van een lagere status. Bijvoorbeeld dat hij van hem verwacht dat hij voedsel en dergelijke brengt.

 Dit is een vorm van kleine shirk door de sterke binding die hij in zijn hart heeft voor deze persoon en de afhankelijkheid van hem. Maar als men zich van hem afhankelijk maakt en zeker is dat hij slechts een middel is en dat alleen Allaah de Verhevene Degene is Die de macht heeft om dat te verwezenlijken, dan is er niets mis mee, omdat degene waarop hij vertrouwt een middel is om het te laten gebeuren.

  1. Het vertrouwen op anderen in iets waar zij beheer over hebben waarbij de ander in zijn plaats handelt in een zaak waarbij het de andere toegestaan is om als plaatsvervanger op te treden. Dit is iets waar geen kwaad in zit, wat aangetoond wordt door bewijs uit het Boek, de Soennah en de overeenstemming onder de geleerden (idjmaa’). Ya’qoob (‘Alayhie s-Salaam) zei tegen zijn zoons: “O mijn zonen, gaat heen om nieuws in te winnen over Yoosoef en zijn broeder...” [253]
  2.  De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) stelde ook afgevaardigen aan voor het inzamelen en zorgdragen voor de zakaat; hij delegeerde mensen om de voorgeschreven bestraffing uit te voeren, en delegeerde ‘Aliy ibnoe Abie Taalib (Radhya llaahoe ‘anhoe) om te zorgen voor zijn offerdieren tijdens de afscheidsbedevaart en om hun huiden en bedekkingkleden als liefdadigheid weg te geven, en om het overgebleven deel van de honderd kamelen te offeren nadat hij er met zijn eigen hand 63 geofferd had.
  3.  Betreft de overeenstemming (idjmaa’) over de toelaarbaarheid van dit, het is dan iets algemeen bekend.

[246] Soerat Al-Kahf (18), aayah 110.

[247] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 23.

[248] Soerat At-Talaaq (65), aayah 3.

[249] Soerat Al-Kahf (18), aayah 110.

[250] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 23.

[251] Soerat At-Talaaq (65), aayah 3.

[252] Soerat At-Talaaq (65), aayah 3.

[253] Soerat Yoesoef (12), aayah 87.


Het bewijs voor het brandende verlangen (ar-raghbah) [73], angst (ar-rahbah) [74] en eerbied en nederigheid (al-khoeshoo') [75] , is dat de Verhevene zegt: "Voorwaar, zij wedijverden in goede daden en riepen ons aan, verlangend (naar Onze Genade) en vol ontzag (voor Onze bestraffing). En zij waren nederig tegenover Ons." [254] [76]

 [73] Ar-Raghbah is de liefde en het verlangen om dat te bereiken waarnaar men verlangt.

[74] Ar-Rahbah is angst wat tot gevolg heeft dat iemand wegvlucht van hetgeen die angst veroorzaakt. Dus het is een angst die gepaard gaat met een handeling.

[75] Al-Khoeshoo' is nederigheid en onderdanigheid jegens de Grootheid van Allaah, dermate dat een persoon zich onderwerpt aan de bepaling van Allaah in de schepping en dat wat Hij bepaald en bevolen heeft.

[76] In deze edele aayah omschrijft Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) de meest loyale en oprechte van Zijn dienaren, die Hem aanbidden volgens ar-raghbah en ar-rahbah, terwijl ze nederig en onderdanig zijn aan Hem. De doe'aa-e (het aanroepen) hier, slaat zowel op het aanroepen van Allaah door daden van aanbidding en smeekbedes. Zij roepen Allaah dus aan vanuit een gemeend verlangen naar wat bij Hem is en zij hopen op Zijn beloning, terwijl zij ook Zijn bestraffing als gevolg van hun zonden vrezen. De gelovige dient zich te wenden naar Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) met angst en een oprecht verlangen. Betreft zijn daden van gehoorzaamheid, zijn hoop en oprecht verlangen dienen dan overheersend te zijn zodat hij ijverig is in het verrichten ervan en hopen dat ze worden geaccepteerd. Betreft de momenten dat hij denkt om een zonde te begaan, dan dient angst de overhand te hebben zodat hij ervan wegvlucht en gered wordt van de bestraffing die er uit voort vloeit.

Enkele geleerden hebben gezegd dat het aspect betreffende hoop overheersend dient te zijn wanneer een persoon ziek is, en het aspect van angst wanneer hij gezond is. Zij zeggen dit aangezien een persoon die ziek is, zich verzwakt en beperkt voelt en het kan zijn dat zijn vastgestelde tijd dichtbij is, waarbij hij dan zal sterven. Hij dient dit ook te doen terwijl hij vertrouwen op Allaah heeft. Maar wanneer hij gezond is, is hij energiek en heeft hoop om zo voor een lange tijd te blijven.

Dit kan leiden tot uitbundigheid en onbekommerdheid, dus dient angst overheersend te zijn om veilig voor deze gevoelens te zijn. Er werd ook gezegd dat hoop en angst gelijk dienen te zijn, zodat zijn hoop hem niet leidt tot het zich veilig voelen van Allaah en zijn angst zorgt ervoor dat hij niet wanhoopt aan de Genade van Allaah, aangezien beide slecht zijn en de vernietiging van een persoon veroorzaakt.

[254] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 90. Het bewijs voor vrees (al-khashyah) is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “...en vrees daarom niet hen, maar vrees Mij...” [255] [77] Het bewijs voor dat je je berouwvol naar Hem moet keren (al-inaabah), is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En keer (berouwvol en gehoorzaam) terug tot jullie Heer, en geeft jullie over aan Hem...” [256] [78]

[77] Vrees (al-khashyah) is angst gebaseerd op kennis van de Grootheid van Degene Die men vreest en van Zijn complete en perfecte Soevereiniteit en Heerschappij, aangezien de Verhevene zegt: “...Voorwaar, het zijn slechts de bezitters van kennis onder Zijn dienaren die Allaah vrezen...” [257]

Dit duidt op degenen die kennis hebben over Zijn Grootheid en perfecte Soevereiniteit. Het is iets specifieker dan angst en het verschil tussen vrees en angst wordt duidelijk door het volgende voorbeeld: als u angst voor iemand heeft, maar u weet niet of hij u te pakken kan krijgen of niet, dan is dat angst (khawf). Maar wanneer u angst voor iemand heeft en u weet dat hij volledig in staat is om u te grijpen, dan is dat vrees (al-khashyah). Betreft de opmerkingen over de regels van elke vorm van vrees, die zijn hetzelfde en al genoemd betreffende angst (khawf).

[78] Al-Inaabah is het keren naar Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) in gehoorzaamheid en het vermijden van ongehoorzaamheid jegens Hem en de betekenis ervan is bijna hetzelfde als die van berouw (tawbah), behalve dat het subtieler is in betekenis en duidt op het gevoel van afhankelijkheid van Allaah en het vluchten naar bescherming bij Hem en het kan alleen voor Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zijn.

Het bewijs is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En keer (berouwvol en gehoorzaam) terug tot jullie Heer, en geeft jullie over aan Hem...” [258]

Wat er bedoeld wordt met de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa), “...en geeft jullie over aan Hem...”, is: Islaam zoals het voorgeschreven is (as-Shar’ie), dit is het zich overgeven aan de wetten en bevelen van Allaah (Azza wa Djal). Dit omdat de Islaam (overgave) aan Allaah er in twee vormen is:

(1)   Islaam Kawnie (overgave van de gehele schepping), wat overgave is aan al hetgeen Hij besloten heeft en wat geldt voor de gehele schepping en waarbij de schepping er geen keus over heeft. Dit is dus algemeen en geldt voor alles en iedereen in de hemelen en op de aarde, de gelovigen en de ongelovigen, de rechtschapene en de slechte: niemand kan er aan ontsnappen. Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “...terwijl degenen die er in de hemelen en op de aarde zijn zich gewillig en ongewillig aan Hem hebben overgegeven?...” [259]

(2)   Islaam Shar’ie (overgave aan de wetten en voorschriften van Islaam), en dit is overgave in gehoorzaamheid. Dit is specifiek voor degenen die Allaah gehoorzaam zijn, de boodschappers en degenen die hen in het goede volgen. In de Qor-aan zijn vele bewijzen hiervoor, bijvoorbeeld de door de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) genoemde aayah. (Soerat Az-Zoemar (39), aayah 54).


[255] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 150 en Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 3.

[256] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 54.

[257] Soerat Faatir (35), aayah 28.

[258] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 54.

[259] Soerat Aal ‘Imraan (3), aayah 83. Het bewijs voor het vragen om hulp en bijstand (al-isti’aanah), is de Uitspraak van de Verhevene: “ﷻ‬ alleen aanbidden wij en ﷻ‬ alleen vragen wij om hulp.” [260] En in een h’adieth staat: “Als je hulp zoekt, zoek dan de hulp van Allaah.” [261] [79]

[79] Al-Isti’aanah is het vragen om hulp en het bestaat uit verschillende vormen:

(I)                Het vragen om hulp en bijstand van Allaah – dit is een verzoek om hulp en bijstand dat volledige nederigheid van de dienaar tegenover zijn Heer omvat en dat hij de zaak aan Hem overgeeft en toevertrouwt en dat hij zeker weet dat Hij volledig voldoende is voor hem. Dit is voor niemand behalve Allaah de Verhevene. Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van de Verhevene: “ﷻ‬ alleen aanbidden wij en ﷻ‬ alleen vragen wij om hulp.” [262]

Het feit dat dit alleen voor Allaah is, wordt aangetoond door het feit dat Hij het woord waarop het werkwoord handelt, voor het werkwoord zelf noemt, en volgens de principes van de grammatica van de Arabische taal, waarin de Qor-aan is geopenbaard, betekent dit dat wat normaal gesproken achteraan komt, duidt op beperking en specificatie. Dus het verrichten van deze vorm aan iemand anders dan Allaah is shirk, wat de persoon buiten de religie plaatst.

(II)             Het zoeken van hulp bij een schepsel die hier toe in staat is om het te verrichten. Dit is dan in overeenstemming met de handeling waarin hulp wordt gezocht. Als het een goede handeling betreft, dan is het toegestaan voor een persoon om hierin hulp te vragen en een ander persoon wordt bevolen om hiermee te helpen, omdat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “...steun elkaar bij het goede (rechtschapen daden) en Taqwa (het vermijden van zonden)...” [263]

Als het een zonde betreft, dan is het verboden voor een persoon om het te verrichten en ook voor de persoon die helpt, omdat de Verhevene zegt: “...En steun elkaar niet bij zonde en overtreding...” [264]

Als het gaat om iets wat toegestaan is, dan is het toegestaan voor een persoon om hulp en bijstand te vragen en degene die helpt zou beloond kunnen worden voor goed gedrag, waardoor het iets wordt wat voor hem voorgeschreven is, omdat de Verhevene zegt: “O jullie die geloven, zoekt hulp door middel van geduld en de salaat...” [265]

(III)          Het zoeken van hulp bij een schepsel die leeft maar die hier niet toe in staat is; dit is dan vergeefs en nutteloos. Bijvoorbeeld dat hij hulp vraag aan een zwakke persoon om iets zeer zwaars te tillen.

(IV)          Het zoeken van hulp bij overledenen of levenden op iets dat verborgen en ongezien is welke zij niet kunnen bereiken. Dit is shirk aangezien het alleen verricht wordt door een persoon die denkt dat degene waaraan hij hulp vraagt enige controle heeft over de schepping.

(V)             Het zoeken van hulp door het verrichten van daden waarvan Allaah (Soebh'anahoe wa Ta’aalaa) houdt. Dit is iets dat voorgeschreven is, vanwege de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “En vraagt (Allaah) om hulp door middel van geduld en gebed...” [266]

De auteur (moge Allaah hem genadig zijn) gebruikt als bewijs voor de eerste vorm de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “ﷻ‬ alleen aanbidden wij en ﷻ‬ alleen vragen wij om hulp.” [267]

En de woorden van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), die zei: “Als je hulp zoekt, zoek dan de hulp van Allaah.”

[260] Soerat Al-Faatih’ah (1), aayah 5.

[261] Overgeleverd door Al-Imaam Ah’mad 1/293 en At-Tirmidzie 4/575.

[262] Soerat Al-Faatih’ah (1), aayah 5.

[263] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 2.

[264] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 2.

[265] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 153.

[266] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 45.

[267] Soerat Al-Faatih’ah (1), aayah 5. Het bewijs voor het zoeken van toevlucht bij Hem (al-isti'aadzah) , is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Zeg: "Ik zoek bescherming bij de Heer der dageraad." [268] En ook: "Zeg: "Ik zoek bescherming bij de Heer van de mensen." [269] [80]

[80] Al-Isti'aadzah is het zoeken van toevlucht, wat het zoeken van bescherming is tegen datgene wat men haat, en het heeft betrekking op het zoeken van bescherming tegen iemand. Er zijn verschillende vormen:

1.   Toevlucht zoeken bij Allaah de Verhevene, en dit heeft betrekking op iemands volledige behoefte aan Hem, gehechtheid aan Hem en iemands zekere geloof dat Hij voldoende is en in Zijn volmaakte bescherming tegen alles, zowel nu als in de toekomst, klein of groot, menselijk of niet. Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “Zeg: “Ik zoek bescherming bij de Heer der dageraad. Tegen het kwaad dat Hij geschapen heeft.” [270]

      “Zeg: “Ik zoek bescherming bij de Heer van de mensen. De Koning van de mensen. De God van de mensen. Tegen het kwaad van de wegsluipende influisteraar (Satan).” [271]

2.   Toevlucht zoeken bij één van de Eigenschappen van Allaah, zoals Zijn Spraak, Zijn Grootheid, Zijn Macht enz. Het bewijs hiervoor is dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Ik zoek toevlucht in de perfecte Woorden van Allaah tegen het kwaad dat Hij geschapen heeft.” [272]

 Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei ook: “Ik zoek toevlucht in Uw Macht dat ik niet van onder zal worden aangevallen.”[273]

Ook zijn woorden in de smeekbede die gereciteerd wordt wanneer men pijn lijdt: “Ik zoek toevlucht bij Allaah en bij Zijn Kracht tegen het kwaad van wat ik ondervind en waar ik mezelf tegen bescherm.”[274]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Ik zoek toevlucht in Uw Genoegen tegen Uw vervloeking.”[275]

En de woorden van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) toen Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) het volgende openbaarde: “Zeg: “Hij is de Machthebber Die jullie bestraffingen zendt, van boven jullie vandaan of van onder jullie voeten...” [276]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei toen: “Ik zoek toevlucht in Uw Aangezicht.” [277]

3.   Toevlucht zoeken bij zowel de doden als bij de levenden die niet aanwezig zijn of niet in staat zijn om toevlucht te verlenen: dit is shirk. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt hierover: “En dat er mannen onder de mensen waren die hulp zochten bij mannen van de djinn, wat hun zondigheid vermeerderde.”[278]

  1. Toevlucht zoeken bij bepaalde mensen of een bepaalde plaats, zo lang het iets is dat bescherming kan bieden. Dit is dan toegestaan en het bewijs hiervoor is dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd, sprekende over beproevingen: “Een ieder die zichzelf er aan blootstelt zal door hen vernietigd worden, en een ieder die een plaats van bescherming of toevlucht tegen hen vindt, laat hem er dan bescherming in nemen.” [279]
  1. Hij heeft deze plaats van bescherming of toevlucht ook uitgelegd toen hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: “Dus een ieder die kamelen heeft, dient bij zijn kamelen te blijven...”[280]
  1. Er staat ook in Sah’ieh’ Moeslim van Djaabir (Radhya llaahoe ‘anhoe) dat een vrouw van de stam van Banoe Makhzoom iets gestolen had, waardoor ze naar de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) werd gebracht en zij zocht toevlucht bij Oem Salamah [281] (moge Allaah tevreden met haar zijn). Hij levert van Oem Salamah (moge Allaah tevreden met haar zijn) ook over in zijn Sah’ieh, dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Een man zal toevlucht zoeken in het Huis en een legereenheid zal tegen hem gezonden worden...”[282]
  1. Als de situatie zich voordoet dat iemand toevlucht zoekt tegen het kwaad van een onderdrukker, dan is het verplicht om hem te beschermen en toevlucht te verlenen, zo veel als mogelijk is. Maar als hij toevlucht zoekt voor hulp om een zonde te begaan of het nalaten van een verplichting, dan is het verboden om hem te beschermen.

[268] Soerat Al-Falaq (113), aayah 1.

[269] Soerat An-Naas (114), aayah 1.

[270] Soerat Al-Falaq (113), aayah 1-2.

[271] Soerat An-Naas (114), aayah 1-4.

[272] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe Ad-Dzikr wa d-Doe'aa-e: hoofdstuk at-Ta'awwoedz miena k-qadhaa-ie wa derki as-Shaqaa-ie wa ghayrieh.

[273] Overgeleverd door Al-Imaam Ah'mad 2/25 en An-Nasaa-ie 8/677.

[274] Overgeleverd door Al-Imaam Ah'mad 4/217, Aboe Daawoed 3891 en Ibn Maadjah 2522.

[275] Overgeleverd door Moesliem, Kietaaboe as-Salaat: hoofdstuk, maa yoqaaloe fie ﷺ‬-Rokoo'ie wa s-Soedjoed.

[276] Soerat Al-An'aam (6), aayah 65.

[277] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe Al-l'itisaam.

[278] Soerat Al-Djinn (72), aayah 6.

[279] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe Al-Fieten: hoofdstuk, Takoenoe l-Fietnatoe Al-Qaa'iedoe fieha khayroen miena l-Qaa-iem; en Moesliem, Kietaaboe Al-Fieten: hoofdstuk, Noezoeloe l-Fietanie kamawaaqie'ie l-Qitr.

[280] Overgeleverd door Moeslim.

[281] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe Al-H'oedoed: hoofdstuk, Qat'oe s-Saarieqie s-Sharief wa ghayrieh.

[282] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe Al-Fieten: hoofdstuk, Al-Khasfoe bie l-Djayshie l-ladzie ya-oemmoe l-bayt.


Het bewijs voor het vragen van verlossing en redding (al-istighaathah) is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Toen jullie je Heer om hulp vroegen en Hij jullie verhoorde...” [283] [81] Het bewijs voor het offeren van dieren (ad-dzabh’) is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zeg: “Voorwaar, mijn gebeden, mijn offers, mijn leven en mijn sterven zijn opgedragen aan Allaah, Heer der Werelden. Hij heeft geen deelgenoten...” [284]

De Profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Allaah vervloekt degene die voor iemand anders dan Allaah (een dier) offert.” [285] [82]

[81] Al-Istighaathah is het zoeken van redding en verlossing van ernstige moeilijkheden en vernietiging. Het bestaat uit verschillende vormen:

(I)                Het zoeken van redding en verlossing bij Allaah (Azza wa Djal) is 1 van de meest uitstekende en meest perfecte daden en het was de voortdurende praktijk van de boodschappers en hun volgelingen. Het bewijs hiervoor is wat de sheikh (moge Allaah hem genadig zijn) genoemd heeft: “Toen jullie je Heer om hulp vroegen en Hij jullie verhoorde...” [286] Dit vond plaats tijden de slag van Badr, toen de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zag dat de moeshrikien met duizend mannen waren, terwijl zijn metgezellen maar iets meer dan driehonderd en tien telden. Hij ging het palmbos binnen en smeekte zijn Heer (Azza wa Djal) met zijn handen opgeheven en richting de qiblah [287], en zei: “O Allaah, vervul dat wat ﷻ‬ mij beloofd heeft. O Allaah, als deze kleine groep, die de mensen van Islaam zijn, vernietigd worden, zult ﷻ‬ niet aanbeden worden op aarde.” [288] Hij ging door met het aanroepen van zijn Heer, met zijn handen dermate opgeheven dat zijn mantel van zijn schouders viel. Aboe Bakr ( Radhya llaahoe ‘anhoe) raapte zijn mantel op en legde het terug op zijn schouders en omhelsde hem van achter en zei: “O profeet van Allaah, u hebt uw Heer genoeg gesmeekt, Hij zal vervullen wat Hij u beloofd heeft.” Vervolgens werd deze aayah geopenbaard.

(II)             Het zoeken van redding en verlossing bij zowel de doden als bij de levenden dieniet aanwezig zijn of niet in staat zijn om redding en verlossing te verlenen. Dit is dan shirk. Dit wordt uitgevoerd door een persoon die denkt dat deze mensen enige controle hebben over de schepping en heeft daarom een deel van het Heerschap dat voor Allaah is aan hen toegekend. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Of wie heeft de in nood verkerende verhoord, wanneer hij Hem aanroept, en het onheil weggenomen en jullie gevolmachtigden gemaakt op de aarde? Is er een god naast Allaah? Weinig is het dat jullie je laten vermanen!” [289]

(III)          Het zoeken van redding en verlossing bij degenen die leven, bewust zijn van de situatie en die in staat zijn om bijstand en verlossing te verlenen. Het is toegestaan om hulp en verlossing aan hen te vragen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt in het verhaal van Moesa (Alayhie s-Salaam): “...Daarop vroeg degene van zijn groep hem om hulp tegen degene van zijn vijand. Toen sloeg Moesa hem met zijn vuist en doodde hem (per ongeluk)...” [290]

(IV)          Het zoeken van redding en verlossing bij een levende persoon die niet capabel is om hem te assisteren, zonder te geloven dat hij enige vorm van geheime macht heeft. Bijvoorbeeld dat een persoon die aan het verdrinken is roept om redding van iemand die verlamd is. Dit is zinloos en een bespotting van degene aan wie hij redding vraagt en is daarom verboden. Een andere reden waarom het verboden is, is dat een ieder die ziet dat hij de verlamde persoon om redding vraag, misleid kan worden en kan denken dat de verlamde man enige vorm van geheime macht heeft wat hem in staat stelt om mensen te redden.

[82] Offeren is het doden door het bloed van een dier op een bepaalde manier te laten vloeien en wordt gedaan om verschillende redenen:

(I)                Dat het gedaan wordt als een daad van aanbidding, waarbij hij de intentie heeft om degene te aanbidden waarvoor hij offert en het bedoeld als daad van onderwerping aan hem en het ziet als een middel om dichter bij hem te komen. Dit mag niet gedaan worden behalve voor Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en dient te gebeuren zoals Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dat voorgeschreven heeft. Dit verrichten voor iemand anders dan Allaah is grote shirk en het bewijs hiervoor zoals genoemd is door de Sheikh (moge Allaah hem genadig zijn) zijn de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Zeg (O Moh’ammed): “Voorwaar, mijn gebeden, mijn offers, mijn leven en mijn sterven zijn opgedragen aan Allaah, Heer der Werelden. Hij heeft geen deelgenoten...” [291]

(II)             Dat het gedaan wordt uit gastvrijheid voor de gast, of als trouwfeest (waliemah) en dergelijke. Dit is dan een verplichte (waadjib) of aanbevolen (nafilah) daad. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Een ieder die werkelijk gelooft in Allaah en in de Laatste Dag, laat hem dan zijn gast eerzaam behandelen.” [292]

(III)          De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei tegen ‘Abdoer-Rah’maan ibn ‘Awf: “Organiseer een trouwfeest (waliemah), ook al is het met maar 1 schaap.” [293]

(IV)          Dat het gedaan wordt om te voorzien van voedsel als liefdadigheid, of om het vlees te verkopen enz. Dit alles valt onder dat wat toegestaan is en is in principe volgens de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Zien zij dan niet dat onder wat Onze Handen voor hen hebben geschapen het vee is, zodat zij daarvan bezitters zijn? En Wij hebben het (vee) voor hen onderworpen, sommige berijden zij ervan en sommige eten zij.” [294]

[283] Soerat Al-Anfaal (8), aayah 9.

[284] Soerat Al-An’aam (6), aayah 162-163.

[285] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe Al-Adhaah’ie: hoofdstuk, teh’riemoe d-Dzabh’ie lie ghayrie llaahie ta’aala wa la’noe faa’ielieh.

[286] Soerat Al-Anfaal (8), aayah 9.

[287] Qiblah: de gebedsrichting naar Mekkah in Saoedie-Arabie.

[288] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe Al-Djihaad: hoofdstuk, Al-Imdeedoe bie l-Malaa-iekatie fie ghazwatie bedr.

[289] Soerat An-Naml (27), aayah 62.

[290] Soerat Al-Qasas (28), aayah 15.

[291] Soerat Al-An’aam (6), aayah 162-163.

[292] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Adeb: hoofdstuk, men kaana yoe-eminoe bie llaahie wa l-yawmie l-aakhirie falaa yoe-edzie djaarah; en Moeslim, Kietaaboe Al-Loeqatah: hoofdstuk, Ad-Dhieyaafatoe wa nah’woeha.

[293] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Boeyoo’: hoofdstuk, Maa djaa-a fie qawliehie ta’aala en Moesliem, Kietaaboe n-Niekaah’: hoofdstuk, As-Sadaaqoe wa djawaazoe kawniehie ta’liemoe l-Qiraan wa khaatamoe h’adieth.

[294] Soerat Yaa Sien (36), aayah 71-72. Het bewijs voor het afleggen van eden (an-nedzr) [83] is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Zij vervulden hun geloften. En zij vreesden een Dag waarvan het kwaad verschrikkelijk is." [295] [84]

[83] D.w.z. het bewijs dat eden een vorm van aanbidding zijn, is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Zij vervulden hun geloften. En zij vreesden een Dag waarvan het kwaad verschrikkelijk is." [296]

[84] Deze aayah is een bewijs aangezien Allaah hen prees voor het vervullen van hun eden, wat aantoont dat Allaah hiervan houdt en elke daad waar Allaah van houdt is aanbidding. Dit wordt verder ondersteund door de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): "...zij vreesden een Dag waarvan het kwaad verschrikkelijk is." [297]

Het nakomen van eden, wat Allaah de Verhevene heeft geprezen, zijn daden van aanbidding welke Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft verplicht. Dit is omdat wanneer een persoon met enige verplichte daden van aanbidding begint, hij dan verplicht wordt om ze uit te voeren en hen te voltooien. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Dan moeten zij hun verplichtingen van hun h'addj voltooien en hun geloften vervullen (d.w.z. het offeren) en een rondgang (tawaaf of ifaadhah) maken om het Aloude Huis [298]." [299]

Eden waarbij een persoon een gelofte maakt en dus zichzelf verplicht om iets te doen of een daad van gehoorzaamheid jegens Allaah verricht die niet verplicht is, zichzelf er aan bindend, worden afgekeurd en sommige geleerden verklaarden het als verboden. Dit is omdat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: "Het brengt niet het goede, het veroorzaakt alleen dat de vrekkige persoon verkwist." [300]

Als een persoon toch doorgaat en belooft om daden van gehoorzaamheid tegenover Allaah te verrichten, dan wordt het verplicht voor hem om het uit te voeren, zoals de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd heeft: "Een ieder die belooft te handelen in gehoorzaamheid tegenover Allaah, laat hem dan Hem gehoorzamen." [301]

Samenvattend zijn eden (an-nedzr) over het algemeen van toepassing op de verplichte daden van aanbidding, en specifiek op het maken van beloftes waardoor een persoon zichzelf verplicht iets te doen omwille van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa). De geleerden delen de eden in verschillende categorieën in en deze worden uitgelegd in de boeken van fiqh (de islamitische jurisprudentie).

[295] Soerat Al-Insaan (76), aayah 7.

[296] Soerat Al-Insaan (76), aayah 7.

[297] Soerat Al-Insaan (76), aayah 7.

[298] Het Aloude Huis of "Baitoe l-'Atieq" is de Ka'bah in Mekkah.

[299] Soerat Al-H'adj (22), aayah 29.

[300] Overgeleverd door al-Boekhaarie, kietaaboe Al-Qadar: hoofdstuk, ielgaa-oe l-'abdie n-Nedzra iela l-qadar; en Moesliem, kietaaboe n-Nadz: hoofdstuk, An-Nahyou 'anie n-Nedzrie wa annahoe laa yoeraddoe shar-an.

[301] Overgeleverd door al-Boekhaarie, kietaaboe l-Imaan wa n-noedzoer: hoofdstuk, An-nedzroe fiemaa laa yamliekoe wa fie ma'seyah. Het tweede grondbeginsel [85]: het kennen van de religie (Dien).

Kennis van de religie Islaam met de bewijzen. Dit is overgave [86] aan Allaah met taw'hied [87], door Zijn Eenheid te erkennen, en gehoorzaamheid [88] aan Hem, en jezelf behoeden tegen en afstand nemen van Shirk  (polytheïsme) en haar aanhangers. [89]

[85] Dit is de tweede van de drie grondbeginselen, wat het verkrijgen van kennis over de religie van Islaam is, en de religie van Islaam te kennen door de bewijzen uit het Boek (de Qor-aan) en de Soennah.

[86] De Religie (Dien) van Islaam is "overgave aan Allaah met tawh'ied, door Zijn Eenheid te erkennen, en gehoorzaamheid aan Hem, en afstand nemen van Shirk (polytheïsme) en haar aanhangers." Het omvat dus drie zaken.

[87] Dit is dat een persoon zich over moet geven aan zijn Heer op de manier zoals is voorgeschreven in de Sharie'ah en dit is overgave aan Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) met tawh'ied door Hem alleen te aanbidden. Dit is de vorm van overgave waarbij de dienaar geprezen en beloond wordt. Wat de overgave aan de voorbeschikking betreft en wat Allaah bepaald heeft met betrekking tot de wetten van de schepping, daar krijgt men geen beloning voor aangezien een persoon geen keus en mogelijkheid heeft om er aan te ontsnappen. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt betreffende dit: "... terwijl degenen die er in de hemelen en op de aarde zijn zich gewillig en ongewillig aan Hem hebben overgegeven? En tot Hem worden zij teruggekeerd." [302]

[88] Dat is door het doen van wat Hij bevolen heeft en alles vermijden wat Hij verboden heeft, aangezien gehoorzaamheid betekent; het uitvoeren van Zijn bevel en het vermijden wat Hij verbiedt.

[89] Jezelf behoeden van shirk en er zich van distantiëren, betekent jezelf er van te vrijwaren en er volledig van af te keren en dit vereist afscheiding en distantiëring van de mensen die zich er schuldig aan maken. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Waarlijk, er was voor jullie een goed voorbeeld in Ibraahiem en degenen die met hem waren, toen zij tot hun volk zeiden: "Wij zijn niet verantwoordelijk voor jullie en voor wat jullie naast Allaah aanbidden. Wij geloven jullie niet en er is tussen ons en jullie vijandschap en haat ontstaan, voor altijd, tot jullie in Allaah de Enige geloven..." [303]

[302] Soerat Aal 'Imraan (3), aayah 83.

[303] Soerat Al-Moemtah'inah (6), aayah 4. Islaam bestaat uit drie niveau's [90]: Islaam (overgave en gehoorzaamheid tegenover Allaah), Imaan (waar geloof, bestaande uit geloof in het hart, spraak met de tong en handelingen met de ledematen) en Ih'saan (perfectie van aanbidding), en ieder niveau heeft zijn zuilen. [91]

Er zijn vijf zuilen in de Islaam [92], ...

[90] De auteur (moge Allaah hem genadig zijn) legt uit dat de religie van Islaam bestaat uit drie niveau's, de één boven de ander, en zij zijn: Islaam, Imaan en Ih'saan.

[91] Het bewijs hiervoor is dat de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd heeft in de h'adieth verhaald door de leider der gelovigen, 'Oemar ibn al-Khattaab (Radhya llaahoe ‘anhoe), betreffende de gebeurtenis toen Djibriel (‘Alayhie s-Salaam) kwam en de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) vroeg over Islaam, Imaan, Ih'saan, en hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) legde dit uit en zei: "... Dat was Djiebriel, hij kwam naar jullie om jullie je godsdienst (Dien) te onderrichten." [304]

[92] Het bewijs hiervoor is de h'adieth van Ibn 'Oemar (Radhya llaahoe ‘anhoe) die zei dat de profeet gezegd heeft: "Islaam is gebouwd op vijf: de getuigenis dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah en dat Moh'ammed de boodschapper is van Allaah, het verrichten van het gebed, het betalen van de zakaat, vasten tijdens Ramadhaan, en h'adj naar het Gewijde Huis van Allaah." [305]

[304] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, Al-Imaanoe wa l-Islaam. Het merendeel van deze h'adieth is al uitgelegd in dit boek en we hebben een uitleg ervan gegeven in "Madjmoo'oe l-Fataawaa wa ﷺ‬-Rasaa-il" (d.w.z. van sheikh Ibn Saalih' al-'Oethaymien) 3/143.

[305] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, qawloe n-Nabiyyie (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): "boeniya l-Islaamoe 'ala khams..."; en Moeslim, Kietaaboe Al-Imaan: hoofdstuk, Bayaanoe arkaanie l-Islaam wa da'aa-iemoehoe l-'Edhzaam. …namelijk: de geloofsgetuigenis dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah en dat Moh’ammed de boodschapper is van Allaah [93] het verrichten van het gebed het betalen van de zakaat het vasten in de Ramadhaan en het verrichten van de h’adj naar het Heilige Huis van Allaah (de bedevaart). Het bewijs voor de geloofsgetuigenis (shahaadah) is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Allaah getuigt dat er geen god is dan Hij en (ook) de engelen en de bezitters van kennis; Hij Die zorgt voor gerechtigheid. Er is geen god dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.” [306] [94]

De betekenis hiervan is dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah: “laa ilaaha” betekent “er is geen god” en dit is een ontkenning van al hetgeen wat naast Allaah aanbeden wordt, en “illa llaah” betekent “dan Allaah”, en dit is een erkenning dat de aanbidding alleen aan Allaah toebehoort en dat er aan niemand een aandeel in Zijn Macht en Heerschappij gegeven dient te worden. [95]

[93] De getuigenis dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah en dat Moh’ammed de boodschapper is van Allaah, is 1 zuil ook al bestaat het uit twee aanvullende delen, aangezien alle daden van aanbidding afhankelijk zijn van het toepassen van deze twee samen. Er wordt geen aanbidding geaccepteerd zonder: (1) oprechtheid en zuiverheid van iemands intentie om het voor Allaah (Azza wa Djal) alleen te verrichten, en de getuigenis dat ‘niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah’ omvat dit, en (2) het volgen en vasthouden aan de weg (het voorbeeld, as-Soennah) van de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), en de getuigenis dat ‘Moh’ammed de boodschapper is van Allaah’ omvat dit.

[94] In deze edele aayah getuigt Allaah dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Hij, en evenzo getuigen de engelen en de mensen met kennis dit, en dat Hij, de Meest Verhevene, gerechtigheid onderhoudt, en Hij bevestigt dit met Zijn Woorden: “Er is geen god dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.” [307]

De aayah bevat ook een eervolle vermelding voor de mensen met kennis, aangezien Hij informeert dat zij gezamenlijk getuigen met Zijn getuigenis en die van de engelen. Met de mensen met kennis worden degenen bedoeld die kennis hebben van de Sharie’ah van Allaah en aan het front van de mensen met kennis zijn Zijn edele boodschappers. Deze getuigenis is de grootste getuigenis door de verhevenheid van Degene Die getuigt en waarvan getuigd wordt, aangezien de getuige Allaah is en Zijn engelen en de mensen met kennis, en dat het de tawh’ied van aanbidding voor Allaah is waarvan getuigd wordt. De bevestiging hiervan is “Er is geen god dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.” [308]

[95] “De betekenis hiervan (de betekenis van laa ilaaha illa llaah) is dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah” – de getuigenis laa ilaaha illa llaah houdt in dat een persoon met zijn tong en met zijn hart bevestigd dat er niemand rechtmatig aanbeden wordt behalve Allaah (Azza wa Djal), aangezien ilaah betekent: dat wat aanbeden wordt (ma’bood). De zin laa ilaaha illa llaah bevat dus een ontkenning en een bevestiging. De ontkenning is laa ilaaha (niemand heeft het recht aanbeden te worden) en de bevestiging is illallaah (behalve Allaah). Er is dus in deze zin een woord wat men begrijpt uit de betekenis van de zin, maar wat niet als woord voorkomt in de zin. Dit woord is nodig om de volledige betekenis te begrijpen en dit woord is h’aqq (rechtmatig). Als dit begrepen wordt dan verduidelijkt dit het antwoord op de volgende vraag die zou kunnen ontstaan: hoe is het mogelijk te zeggen dat er geen ilaah is behalve Allaah (laa ilaaha illa llaah), ondanks het feit dat er valse goden aanbeden worden naast Allaah? Bovendien noemt Allaah en goden/objecten van aanbidding (aalihah) en degenen die ze aanbidden noemen hen als goden.

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “...En hun goden die zij naast Allaah aanriepen, baatten hen niets toen het bevel van jouw Heer kwam.” [309]

Hoe kunnen we het recht tot aanbidding van andere goden naast Allaah (Azza wa Djal) bevestigen, terwijl alle boodschappers tegen hun mensen zeiden: “...aanbidt Allaah, er is voor jullie geen god dan Hij...” [310]?

Het antwoord op deze vraag zal duidelijk worden als we weten wat het onuitgesproken woord is, of wat de onuitgesproken woorden zijn, dat/die nodig is/zijn om de betekenis van laa ilaaha illa llaah compleet te maken. Dus zeggen we: de goden (aalihah) die aanbeden worden naast Allaah zijn goden, maar zij zijn valse en nutteloze goden, zij zijn geen echte goden en bevatten niet enig aspect van goddelijkheid, noch verdienen zij enige vorm van aanbidding.

Het bewijs hiervoor zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “Dat is omdat Allaah de Waarheid is en omdat wat zij (de moeshrikien) naast Hem aanroepen vals is en omdat Allaah de Verhevene, de Grootste is.” [311]

Het wordt ook bewezen door de volgende Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “Zien jullie (afgodenaanbidders) dan al-Laat en al-‘Oezzaa? En al-Manaat, de andere, de derde? Zijn voor jullie de mannen en voor Hem de vrouwen? Dat zou een oneerlijke verdeling zijn. Het zijn alleen maar namen die jullie (de moeshrikien) hebben verzonnen, jullie en jullie vaderen. Allaah heeft daarover geen bewijs neergezonden. Zij volgen niet dan vermoedens en wat de zielen begeren...” [312]

De Woorden van Allaah, de Meest Verhevene, betreffende Yoesoef (Alayhie s-Salaam) zijn ook bewijs hiervoor: “Wat jullie naast Hem (Allaah) aanbidden zijn slechts namen die jullie en jullie vaderen hebben gegeven. Allaah heeft hiervoor geen bewijs neergezonden...” [313]

Dus de betekenis van laa ilaaha illa llaah is dus: niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve Allaah. Betreft de zaken die naast Hem aanbeden worden, de goddelijkheid die hun aanbidders voor hen claimen is geen realiteit, maar verkeerd en nutteloos.

[306] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 18.

[307] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 18.

[308] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 18.

[309] Soerat Hood (11), aayah 101.

[310] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 59.

[311] Soerat Al-H’adj (22), aayah 62.

[312] Soerat An-Nadjm (53), aayah 19-23.

[313] Soerat Yoesoef (12), aayah 40. De uitleg die dit zal verduidelijken zijn de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa), Die zegt: "En (gedenkt) toen Ibraahiem [96] tot zijn vader en zijn volk zei: "Voorwaar, ik ben niet verantwoordelijk [97] voor wat jullie aanbidden. Behalve Degene Die mij heeft geschapen [98]: voorwaar, Hij zal mij leiden [99]. En hij maakte het (getuigen van de eenheid van Allaah) [100] tot een blijvend woord onder zijn nakomelingen. Hopelijk zullen zij terugkeren [101]." [314]

En ook: "Zeg: [102] "O lieden van de Schrift, komt tot een gelijkluidend woord [103] tussen ons en jullie: dat wij niemand dan Allaah aanbidden en dat wij niets naast Hem tot deelgenoot maken en dat wij elkaar niet als heren naast Allaah plaatsen [104]." Als zij zich dan afwenden [105], zegt dan: "Getuig dat wij ons (aan Allaah) overgegeven hebben (dat wij moslims zijn en niets anders aanbidden naast Hem) [106]." [315]

[96] Ibraahiem (‘Alayhie s-Salaam): degene die door Allaah uitverkoren was om door Hem te worden bemind; de imaam (leider) van degenen op het rechte pad en van de ware religie en vrij van shirk; en de meest voortreffelijke van de boodschappers na Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Zijn vader was Aazar.

[97] Volledig vrij hiervan. De Woorden van Allaah: "... ik ben niet verantwoordelijk voor wat jullie aanbidden" zijn synoniem aan laa ilaaha (niemand heeft het recht aanbeden te worden).

[98] Hij creëerde mij volgens Zijn Wil. De woorden van Allaah: "...behalve Degene Die mij heeft geschapen", zijn synoniem aan illa llaah (behalve Allaah). Dus men dient aan Hem (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) geen deelgenoten in aanbidding toe te kennen, zoals Hij ook geen deelgenoten heeft in Zijn Soevereiniteit.

Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "...Weet, dat scheppen en bevelen aan Hem zijn voorbehouden. Gezegend zij Allaah, de Heer der werelden." [316]

Deze aayah beperkt het scheppen en bevelen tot Allaah alleen, de Heer van de gehele schepping. Dus de gehele schepping is van Hem en het scheppen en het universele en wetgevende bevel zijn van Hem.

[99] D.w.z. dat Hij mij zal leiden en instrueren naar de waarheid en mij zal toestaan het te bereiken.

[100] De verklaring van het volledig vrij zijn en afscheiden van alles dat naast Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) aanbeden wordt.

[101] D.w.z. het terugkeren vanuit shirk.

[102] Dit is een bevel voor de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) om te discussiëren met de mensen van het Boek: de joden en de christenen.

[103] Dit woord is "we zullen alleen Allaah aanbidden en we zullen niets in aanbidding naast Hem plaatsen en we zullen niemand anders als heren nemen naast Allaah."

"We zullen niets naast Allaah aanbidden" is de betekenis van laa ilaaha illa llaah en de betekenis van "...een gelijkluidend woord tussen ons en jullie..." is dat jullie en wij hier hetzelfde in dienen te zijn.

[104] Dat is dat sommige van ons niemand anders als heren zullen nemen naast Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) en elkaar niet vereren zoals we Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) vereren, noch elkaar aanbidden zoals we Allaah aanbidden en niet oordelen en rechtspreken voor iemand anders dan Hem.

[105] D.w.z. als zij zich afwenden van waar zij naar uitgenodigd worden.

[106] Verklaar dan aan hen en nodig hen uit te getuigen van het feit dat jullie moslims zijn, jullie overgevend aan Allaah en vrij van waar zij zich op bevinden betreffende hun halsstarrige afwijzing en verwerping van dit grote woord laa ilaaha illa llaah (niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve Allaah).

[314] Soerat Az-Zoekhroef (43), aayah 26-28.

[315] Soerat Aal-'Imraan (3), aayah 64.

[316] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 54.


Het bewijs voor de getuigenis dat Moh'ammed de boodschapper is van Allaah, is dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: "Voorzeker, er is een boodschapper tot jullie gekomen uit jullie eigen midden [107]. Zwaar voor hem is jullie lijden [108], vurig wenst hij [109] het goede voor jullie, voor de gelovigen is hij liefdevol en barmhartig [110]." [317]

De betekenis van de getuigenis dat Moh'ammed de boodschapper is van Allaah, is dat hij gehoorzaamt dient te worden in al hetgeen dat hij bevolen heeft, en te geloven in al hetgeen wat hij bekend gemaakt heeft en de waarheid hiervan te bevestigen, alles wat hij verboden heeft verklaard te vermijden, en dat Allaah alleen aanbeden wordt zoals hij dat opgesteld heeft.[111]

[107] D.w.z. van jullie volk en inderdaad van onder jullie zelf, precies zoals Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa)  zegt: "Hij is Degene Die bij de ongeletterden een boodschapper uit hun midden zond, die hen Zijn Verzen (Aayat) voordroeg, en die hen reinigde, en die hen het Boek en de Wijsheid (al-H'ikmah) onderwees, terwijl zij daarvoor in duidelijke dwaling verkeerden." [318]

[108] D.w.z. dat wat jullie laat lijden, laat hem ook lijden.

[109] D.w.z. dat jullie dat dienen te verkrijgen wat voordeel voor jullie brengt en dat het kwaad van jullie afgeweerd zal worden.

[110] Liefdevol en barmhartig jegens de gelovigen, en dat is in het bijzonder voor de gelovigen, aangezien de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) bevolen was de djihaad te voeren tegen de ongelovigen en de hypocrieten, en streng tegenover hen te zijn. Dus deze eigenschappen van de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) bewijzen dat hij een ware boodschapper van Allaah was, zoals duidelijk aangetoond is door de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): “Moh'ammed is de boodschapper van Allaah.” [319]

En de Woorden van de Verhevene:  “Zeg (O Moh'ammed): “O mensen, voorwaar, ik ben de boodschapper van Allaah voor jullie allen...” [320]

Er zijn vele aayaat die bewijzen dat Moh'ammed  (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) waarlijk de boodschapper van Allaah  (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) is.

[111] De betekenis van de getuigenis dat Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) de boodschapper is van Allaah, is om dit te bevestigen met de tong en werkelijk met het hart te geloven dat Moh'ammed ibn 'Abdoellah al-Qoerashiey, al-Haashimiey, de boodschapper is van Allaah (‘Azza wa Djal ), voor de gehele schepping, voor de djinn en de mensheid. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt:  “En Ik heb de djinn en de mens slechts geschapen om Mij te aanbidden.” [321]

Er kan geen enkele aanbidding van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zijn, behalve op de manier zoals aan Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) geopenbaard is. Zoals Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Gezegend is Degene Die de Foerqaan [322] (de Qor-aan) heeft neergezonden naar Zijn dienaar, opdat hij een waarschuwer voor de werelden (mensen en djinn) zal zijn.” [323] Deze getuigenis vereist dat een persoon gelooft in al hetgeen de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd heeft, dat hij hem gehoorzaamt in al hetgeen hij bevolen heeft, en wegblijft van al hetgeen hij verboden heeft, en dat hij Allaah niet aanbidt behalve met dat wat hij voorgeschreven heeft. Deze getuigenis vereist ook dat een persoon niet gelooft dat de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) enig aandeel heeft in of recht heeft op de Heerschappij of controle over de schepping, noch enig recht heeft om aanbeden te worden, hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) is slechts een dienaar; en hij is een boodschapper die niet verloochend mag worden. Hij bezit niet de macht om schade of voordeel te brengen, niet voor zichzelf of voor iemand anders, behalve als Allaah dat wil. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Zeg (O Moh'ammed): “Ik zeg jullie niet dat de schatten van Allaah bij mij zijn en niet dat ik het verborgene ken, en ik zeg jullie niet dat ik een engel ben: ik volg slechts wat aan mij geopenbaard wordt...” [324]

Hij is een dienaar die handelt zoals hij bevolen wordt en de bevelen volgt die hem gegeven worden. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Zeg: “Ik heb geen macht om voor jullie schade te voorkomen en niet om Leiding te geven.” Zeg (O Moh'ammed): “Niemand zal mij ooit tegen Allaah kunnen redden en ik zal nooit naast Hem een toevluchtsoord vinden.” [325]

En de Glorieuze zegt: “Zeg (O Moh'ammed): “Ik heb geen macht om voor mijzelf iets van nut te verwerven of schade af te wenden, behalve wat Allaah wil. En als ik het onwaarneembare kende, dan zou ik het goede vermeerderd hebben en zou het kwade mij niet hebben getroffen. Ik ben niets dan een waarschuwer en een verkondiger van verheugende tijdingen voor een gelovig volk.” [326]

Hieruit blijkt dat niets van de schepping het verdient of het recht heeft om aanbeden te worden; niet de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), noch iemand anders van de schepping, en dat de aanbidding alleen voor Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) mag zijn.

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt:  “Zeg (O Moh'ammed): “Voorwaar, mijn gebeden, mijn offers, mijn leven en mijn sterven zijn opgedragen aan Allaah, Heer der Werelden. Hij heeft geen deelgenoten...” [327]

Het recht van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) is dat men hem de positie en status geeft die Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) hem gegeven heeft, wat inhoudt dat hij de dienaar van Allaah is en Zijn boodschapper. Moge de vredesgroeten en de prijzingen van Allaah met hem zijn.

[317] Soerat At-Tawbah (9), aayah 128.

[318] Soerat Al-Djoemoe'ah (62), aayah 2.

[319] Soerat Al-Fat'h (48), aayah 29.

[320] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 158.

[321] Soerat ad-Dzaariyaat (51), aayah 56.

[322] Foerqaan: kennis waarmee de Waarheid van de valsheid kan worden onderscheiden. Dit is een andere naam voor de Qor-aan, wat dan de “de Onderscheider” betekent.

[323] Soerat Al-Foerqaan (25), aayah 1.

[324] Soerat Al-An'aam (6), aayah 50.

[325] Soerat Al-Djinn (72), aayah 21-22.

[326] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 188.

[327] Soerat Al-An'aam (6), aayah 162-163.

Het bewijs voor het gebed (as-salaat) en de zakaat [112], en de uitleg van de tawh’ied is o.a. dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zij werden niet anders bevolen dan Allaah met zuivere aanbidding te aanbidden, als h’oenafaa-e. En (ook) de salaat te verrichten en de zakaat te geven [113] en dat [114] is de rechte godsdienst. [115] [328]

[112] D.w.z. het bewijs dat het gebed en de zakaat tot de religie behoren, en dit bewijs zijn de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Zij werden niets anders bevolen dan Allaah met zuivere aanbidding te aanbidden, als h’oenafaa-e. En (ook) de salaat te verrichten en de zakaat te geven en dat is de rechte godsdienst.” [329]

Deze aayah is algemeen en omvat alle vormen van aanbidding, dus een persoon dient ze allen te verrichten alleen en oprecht voor Allaah (Azza wa Djal), zodat hij de rechte en ware religie volgt en de door Hem voorgeschreven weg volgt.

[113] Dit is een voorbeeld van iets specifieks dat genoemd wordt na het algemene. Dus het verrichten van het gebed en het betalen van de zakaat zijn vormen van aanbidding. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) noemt het in het bijzonder, vanwege hun grote belang. Het gebed is een lichamelijke aanbidding en de zakaat is een aanbidding waarbij rijkdom wordt weggegeven, en zij worden gezamenlijk genoemd in het Boek van Allaah (Azza wa Djal).

[114] D.w.z. de aanbidding van Allaah, het belijden van de religie alleen voor Hem, zich afzijdig houden van shirk, en het gebed verrichten en de zakaat betalen.

[115] De ware en rechte religie, die geen afwijkingen bevat, aangezien het de religie is die door Allaah (Azza wa Djal) is opgelegd en Allaah’s religie is recht en oprecht. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En dat dit Mijn Pad is, een recht Pad, volg het dan, en volg geen (andere) paden, want die zullen jullie doen afsplitsen van Zijn Pad...” [330]

Deze edele aayah noemt de vormen van aanbidding en het gebed en het bevat ook de werkelijkheid van tawh’ied en dat het alleen voor Allaah (Azza wa Djal) verricht dient te worden, zonder neiging naar shirk. Dus een ieder die zijn aanbidding niet puur en alleen voor Allaah verricht, is niet een moewahh’ied (een persoon die de tawh’ied toepast), en een ieder die zijn aanbidding verricht voor iets of iemand anders dan Allaah is niet een persoon met tawh’ied.

[328] Soerat Al-Bayyinah (98), aayah 5.

[329] Soerat Al-Bayyinah (98), aayah 5.

[330] Soerat Al-An’aam (6), aayah 153.


Het bewijs voor het vasten (siyaam) [116] is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “O jullie die geloven, het vasten is jullie verplicht, zoals het ook verplicht was voor hen voor jullie, hopelijk zullen jullie (Allaah) vrezen.” [331] [117]

Het bewijs voor de bedevaart (h’adj) [118] is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...En Allaah heeft voor de mensen de bedevaart verplicht gesteld, (voor hen) die in staat zijn daarheen op weg te gaan. En wie ongelovig is: Allaah heeft geen behoefte aan de werelden.” [332] [119]

[116] Het bewijs dat het verplicht is, zijn de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “O jullie die geloven, het vasten is jullie verplicht, zoals het ook verplicht was voor hen voor jullie...” [333] En Zijn Woorden “...zoals het ook verplicht was voor hen voor jullie...”, bevatten een aantal nuttige lessen:

  1. Het belang van het vasten, aangezien Allaah (Azza wa Djal) het vasten ook verplicht stelde voor de volken vóór ons. Dit toont aan dat het iets is waarvan Allaah (Azza wa Djal) houdt en dat het verplicht was voor elk volk.
  2. Een geruststelling voor deze oemmah [334], aangezien het niet alleen is in het dragen van deze verplichting om te vasten, een verplichting die moeilijk kan zijn voor de zielen en de lichamen.
  3. Een aanwijzing dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) de religie vervolmaakt heeft voor deze oemmah en het volledig heeft gemaakt met de deugdzaamheden welke gegeven waren aan de vroegere volken.

[117] In deze aayah maakt Allaah (Azza wa Djal) de wijsheid achter het vasten duidelijk, met Zijn Woorden “...hopelijk zullen jullie (Allaah) vrezen”, d.w.z. dat men Allaah dient te vrezen door te vasten en de eigenschappen van taqwaa dient te verkrijgen als resultaat hiervan. Dit voordeel is aangegeven door de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), toen hij zei: “Een ieder die valsheid en slechte daden niet verlaat, Allaah heeft dan geen behoefte dat hij zijn eten en drinken verlaat.” [335]

[118] Het bewijs dat het verplicht is, zijn de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “...En Allaah heeft voor de mensen de bedevaart verplicht gesteld, (voor hen) die in staat zijn daarheen op weg te gaan. En wie ongelovig is: Allaah heeft geen behoefte aan de werelden.” [336]

Deze aayah werd geopenbaard in het negende jaar na de hidjrah, toen werd de h’adj verplicht gesteld. Maar Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...(voor hen) die in staat zijn daarheen op weg te gaan...”

Dit geeft aan dat de h’adj niet verplicht is voor degene die niet in staat is het te verrichten (b.v. financieeel of lichamelijk).

[119] In de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Allaah heeft geen behoefte aan de werelden” is een bewijs dat een ieder die de h’adj niet verricht terwijl men er wel toe in staat is, schuldig is aan koefr (ongeloof). Maar volgens de meerderheid van de geleerden is het koefr wat een persoon niet buiten de religie plaats, vanwege de woorden van ‘Abdoellah ibn Shaqieq: “De metgezellen van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) beschouwden het in de steek laten van enige handeling niet als ongeloof, behalve voor (het in de steek laten van) het gebed.” [337]

[331] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 183.

[332] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 97.

[333] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 183.

[334] Oemmah: gemeenschap.

[335] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe As-Sawm: hoofdstuk, men lem yede’ qawla z-Zoerie wa l-‘amala biehie fie s-Sawm.

[336] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 97.

[337] Overgeleverd door at-Tirmidzie, Kietaaboe Al-Imaan: hoofdstuk, maa djaa-a fiemen taraka s-Salaat. Het tweede niveau [120]: Al-Imaan [121]. Dit bevat iets meer [122] dan zeventig onderdelen [123]. De belangrijkste van hen is het zeggen dat "niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah" (laa ilaaha illa llaah) en de laagste van hen is het weghalen van dat wat schadelijk is [124] van de weg. Een gevoel van schaamte (al-h'ayaa-e) [125] is een onderdeel van Imaan.

[120] D.w.z. het tweede niveau van de religie.

[121] Imaan in de Arabische taal betekent: geloof/getuigen van (at-tasdheeq), en in de Sharie'ah betekent het: bepaald geloof in het hart, spraak met de tong en handelingen met de lichaamsdelen. Het bevat iets meer dan zeventig onderdelen.

[122] 'Iets meer' (bid'oen) betekent: een niet aangegeven getal tussen de drie en negen.

[123] D.w.z. delen.

[124] D.w.z. het verwijderen van bijvoorbeeld stenen, doornen, afval en dat wat een walgelijke geur geeft, en alles wat schade kan veroorzaken aan degenen die er langs komen.

[125] Een gevoel van schaamte (al-h'ayaa-e) is iets dat ervaren wordt als iemand in verlegenheid gebracht wordt en het voorkomt dat een persoon iets doet dat tegengesteld is aan goede manieren.

Betreft de woorden van de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) dat Imaan bestaat uit iets meer dan zeventig onderdelen, harmonieert met het feit dat Imaan zes zuilen heeft door te zeggen: Imaan, wat iemands overtuiging en geloof ('aqiedah) is, heeft zes fundamenten. Deze zijn genoemd in de h'adieth van Djibriel (‘Alayhie s-Salaam), toen hij de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) vroeg over Imaan, en hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) antwoordde: “Imaan is dat je oprecht gelooft in Allaah, Zijn engelen, Zijn Boeken, Zijn boodschappers, de Laatste Dag, en dat je oprecht gelooft in het lot (al-qadr), het goede en het slechte ervan.” [338]

Betreft de Imaan die de handelingen en de uiteenlopende vormen en verschillende soorten omvat, dit heeft iets meer dan zeventig onderdelen. Daarom noemde Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) het gebed (Salaat) in Zijn Woorden als Imaan: “...En Allaah is niet zo dat Hij jullie Imaan (d.w.z. jullie salaat) verloren zou doen gaan...” [339]

De geleerden van tefsier [340] zeggen dat dit betekent: jullie gebeden richting Jeruzalem, aangezien de metgezellen in eerste instantie bevolen waren zich te richten naar Baytoe l-Maqdies [341], vóórdat de Qiblah veranderd werd richting de Ka'bah in Mekkah.

[338] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, Al-Imaanoe wa l-Islaam. Het merendeel van deze h'adieth is al uitgelegd in dit boek en we hebben een uitleg ervan gegeven in “Madjmoo'oe l-Fataawaa wa ﷺ‬-Rasaa-il” (d.w.z. van sheikh Ibn Saalih' al-'Oethaymien) 3/143.

[339] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 143.

[340] Tefsier: uitleg van de Qor-aan.

[341] Baytoe l-Maqdies: De Aqsa moskee in Jeruzalem.


Het aantal zuilen van Imaan is zes, namelijk: dat je gelooft in Allaah[126]...

[126] Imaan in Allaah omvat vier zaken:

(I) Geloof in het bestaan van Allaah de Meest Verhevene. Het bestaan van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) wordt bewezen door:

  1. de natuurlijke aanleg
  2. het intellect
  3. de Openbaring
  4. wat wordt ervaren en waargenomen

(1) De natuurlijke aanleg.

Betreft het bewijs voor het aangeboren besef van Zijn bestaan: elk gecreëerd schepsel is gecreëerd met de natuurlijke aanleg van het geloof in zijn Schepper, zonder enig voorafgaand denken of opleiding. Niemand keert zich af van deze natuurlijke aanleg behalve als zijn hart overgenomen wordt door dat wat het doet afkeren. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Elk kind wordt geboren met de natuurlijke aanleg (al-fetrah), zijn ouders veranderen hem dan in een jood, of een christen, of een vuuraanbidder.” [342]


(2) Het intellect.

Betreft het bewijs voor het intellect (al-'aql) voor het bestaan van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): dit is door het feit dat alle schepsels, de vroegere en de latere, een Schepper dienen te hebben Die hen tot bestaan heeft gebracht, aangezien het voor elk schepsel onmogelijk is om zichzelf te creëren, noch dat het per toeval ontstaat zonder een reden. Het is niet mogelijk voor geen enkel object om zichzelf tot bestaan te brengen, aangezien niets zichzelf kan scheppen; dit is omdat het vóór dat het bestond, niet bestond. Dus hoe kan het dan een schepper zijn?!

Noch is het mogelijk dat het per toeval verschijnt, zonder een reden, omdat alles wat tot bestaan komt iemand moet hebben die het tot bestaan heeft gebracht. Bovendien maakt deze verbazingwekkende rangschikking en harmonieuze orde en samenhangendheid tussen de oorzaken en hun gevolgen en tussen alles wat bestaat, het onmogelijk dat dit alles toevallig tot bestaan is gekomen en zonder een reden. Als er iets is dat toevallig ontstaat, zonder orde aan het begin van zijn bestaan, hoe kan het dan bestaan en in een staat van orde blijven en hoe kan het dan ontwikkelen in zo'n staat?!

Aangezien het niet mogelijk is dat de schepping zichzelf tot bestaan heeft gebracht, noch dat het toevallig en zonder reden tot bestaan is gekomen, dan moet het zo zijn dat het iemand heeft die het tot bestaan heeft gebracht, en Dit is Allaah, de Heer van de gehele schepping.

Allaah, de Meest Verhevene, noemt dit intellectuele bewijs en dit doorslaggevende en beslissende arguement. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Of zijn zij uit niets geschapen, of zijn zij (zelf) de scheppers?” [343] Dit betekent dat zij niet tot bestaan zijn gekomen zonder een schepper en zij schiepen niet zichzelf. Het is dus met zekerheid vastgesteld dat hun Schepper Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) is. Toen Djoebayr ibn Moet'im (Radhya llaahoe ‘anhoe) de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) Soerat at-Toor (52) hoorde reciteren tot de aayaat: “Of zijn zij uit niets geschapen, of zijn zij (zelf) de scheppers? Of hebben zij de hemelen en de aarde geschapen? Zelfs zij zijn er niet van overtuigd. Of bevinden zich bij hen de schatten van jouw Heer, of hebben zij de heerschappij?” [344]

Djoebayr, die toen nog een moeshrik was, zei hierop: “Mijn hart vloog bijna, en dit was het moment dat Imaan zich voor het eerst in mijn hart nestelde.” [345]

Laat ons nog een voorbeeld geven die dit verduidelijkt: als een persoon u zou vertellen over een versierd paleis, omgeven door tuinen waardoor rivieren stromen, en dat dit paleis gevuld was met tapijten en rustbanken, en verfraaid met allerlei soorten versieringen en schatten. Vervolgens zegt hij tegen u dat dit paleis met alles wat erin is, zichzelf tot bestaan heeft gebracht, of dat het plotseling verscheen zonder enige reden of schepper. ﷻ‬ zult dit onmiddellijk ontkennen en verklaren dat hij liegt en u zult zijn woorden als dwaasheid beschouwen. Is het dan geoorloofd te zeggen dat deze geweldige schepping, die de aarde en zijn hemelen bevat, zijn sterren en alles wat erin is, en zijn verbazingwekkende orde, zichzelf tot bestaan heeft gebracht of dat het zo maar verscheen zonder dat iemand het geschapen heeft?!

(3) De Openbaring.

Betreft het bewijs uit de Openbaring voor het bestaan van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa): alle geopenbaarde Boeken verklaren dit. Ook de regels en wetten die neergezonden zijn in de Openbaring, die het welzijn van de schepping garanderen, zijn een bewijs dat zij van een Wijze Heer zijn Die alles wat Zijn schepping ten goede komt kent. Ook de informatie die voorkomt in de Openbaring over de schepping, welke bewezen zijn realiteit te zijn, bewijst dat dit komt van een Heer Die volledig in staat is om te scheppen en dat voort te brengen waarover Hij geïnformeerd heeft.

(4) Wat wordt ervaren en waargenomen.

Betreft het bewijs voor wat wordt ervaren en waargenomen dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) bestaat: dit bestaat uit twee aspecten:

[a] We horen en zien dat degenen die smeken worden verhoord en dat degenen in nood die Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) aanroepen worden geholpen, dermate dat het een vorm van bewijs is voor Zijn bestaan. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt:  “En (gedenkt) Noeh', toen hij Ons vroeger aanriep en Wij hem daarop verhoorden: Wij redden hem en zijn familie van een geweldige ramp.” [346]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt ook:  “Toen jullie je Heer om hulp vroegen en Hij jullie verhoorde...” [347]

In Sah’ieh’ Al-Boekhaarie is er terug te vinden van Anes ibn Maalik (Radhya llaahoe ‘anhoe), dat een Arabische bedoeïen de moskee binnen kwam op de dag van Djoemoe’ah (vrijdag) terwijl de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) de khoetbah (preek) gaf, en zei: “O boodschapper van Allaah, het eigendom is verwoest, de kinderen verhongeren, smeek Allaah voor ons”. Hij verhief zijn handen en smeekte. Wolken als bergen verschenen en hij kwam niet van zijn minbar (preekstoel) voordat ik regen van zijn baard zag stromen. Op de volgende Djoemoe’ah stond die zelfde bedoeïen of iemand anders en zei: “O boodschapper van Allaah, de huizen storten in en bezittingen worden overspoeld, smeek Allaah voor ons.” Hij verhief zijn handen en zei: “O Allaah, rondom ons en niet op ons,” waar hij maar ook naar wees, daar klaarde het op.” [348]

Dit is iets waar altijd, tot op vandaag, van getuigd wordt, dat degenen die Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) oprecht smeken en die de voorwaarden van acceptatie van smeken in acht nemen, inderdaad verhoord worden.

[b] De duidelijke tekenen die bekend zijn als ‘wonderen’, voortgebracht door de profeten en die gezien en gehoord werden door de mensen, zijn een beslissende bewijs voor Degene Die hen zond, d.w.z. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa). Dit is vanwege het feit dat het dingen waren die voorbij het menselijke vermogen gingen en verricht werden door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), om Zijn boodschappers te ondersteunen en te helpen.

Een voorbeeld hiervan is het teken dat gegeven was aan Moesa (Alayhie s-Salaam), toen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) hem beval de zee te slaan met zijn staf. Dus sloeg hij het en twaalf van elkaar gescheiden droge paden werden hierop geopend en het water was als bergen tussen hen.

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Toen openbaarden Wij aan Moesa: “Sla de zee met jouw staf.” Toen spleet (de zee) en elk gedeelte was als een geweldige berg.”[349]

Een tweede voorbeeld was het teken dat gegeven was aan ‘Iesa (Jezus) (Alayhie s-Salaam), die hij gebruikte waarbij hij de doden deed herleven en hen uit hun graven bracht, met de toestemming van Allaah. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over hem: “...en ik doe de doden met het verlof van Allaah tot leven komen...” [350]

En Hij zei: “...En toen jij de doden deed weerkeren, met Mijn verlof...” [351]

Een derde voorbeeld: waat aan Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) was gegeven toen de Qoeraysh om een teken vroegen, hierop wees hij naar de maan en het spleet in tweeën en dit werd gezien door de mensen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Het Uur is nabij en de maan is gespleten. En wanneer zij een Teken zien, dan wenden zij zich af, en zeggen: “Voortdurende toverij.” [352]

Dit zijn dus tekenen welke gezien en waargenomen zijn, die Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) liet gebeuren als ondersteunend bewijs en bijstand voor Zijn boodschappers, en zij zijn beslissende bewijzen voor Zijn bestaan.

(2) Imaan in Zijn Heerschappij (ar-Roeboobiyyah). Dit houdt in dat Hij als Enige de Heer is, Die geen deelgenoot heeft, noch een helper. Dus de Heer (ar-Rabb) is Degene Die schept, de Onafhankelijke Heerser, en het Bevel is aan Hem. Er is dus geen schepper behalve Allaah, noch een onafhankelijke heerser behalve Hij en er is geen bevel behalve van Hem. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...Weet, dat scheppen en bevelen aan Hem zijn voorbehouden...” [353]

En Hij zei: “...Dat is Allaah, jullie Heer, aan Hem behoort de heerschappij. En degenen die jullie naast Hem aanroepen, hebben over een dadelvliesje geen macht.” [354]

Het is niet bekend dat enig schepsel de Heerschappij van Allaah ontkende, behalve uit arrogantie en niet uit overtuiging in wat hij beweert. Dit was het geval met de Farao, toen hij tegen zijn mensen zei: “...Ik ben jullie heer, de hoogste.” [355]

En Hij zei: “En Farao zei: “O vooraanstaanden, ik weet geen andere god dan ikzelf voor jullie...” [356]

Maar dit geschiede niet uit een sterke geloofsleer, de Verhevene zegt: “En zij ontkenden ze, hoewel zij zelf ervan overtuigd waren, uit onrechtvaardigheid en hoogmoed.” [357]

Moesa (Alayhie s-Salaam) zei tegen de Farao, zoals ons verteld wordt door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Hij (Moesa) zei: “Voorzeker, jij weet dat niemand anders die (Tekenen) heeft neergezonden dan de Heer van de hemelen en de aarde, als een duidelijk bewijs. En voorwaar, ik veronderstel dat jij, O Farao, ten onder gaat.” [358]


De moeshrikien (afgodenaanbidders) bevestigden de Heerschappij van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), hoewel zij anderen naast Hem aanbaden. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zeg (O Moh’ammed, tegen die moeshrikien): “Aan wie behoort de aarde en alles wat zich daarop bevindt, als jullie het weten?” Zij zullen zeggen: “Aan Allaah.” Zeg: “Waarom laten jullie je dan niet vermanen?” Zeg: “Wie is de Heer van de zeven hemelen en de Heer van de Geweldige Troon?” Zij zullen zeggen: “Aan Allaah.” Zeg: “Waarom vrezen jullie (Allaah) dan niet?” Zeg: “In Wiens handen is de heerschappij over alles? En Hij beschermt en Hij wordt niet beschermd, als jullie het weten.” Zij zullen zeggen: “Aan Allaah.” Zeg: “Waarom zijn jullie dan misleid?” [359]

En de Verhevene heeft gezegd: “En als jij (O Moh’ammed) hen vraagt wie de hemelen en de aarde heeft geschapen, dan zullen zij zeker zeggen: “De Almachtige, de Alwetende heeft hen geschapen.” [360]

En Hij heeft gezegd:  “En als jij hen vraagt wie hen geschapen heeft, dan zullen zij zeker zeggen: “Allaah.” Waarom worden zij dan belogen?” [361]

De Heerschappij van de Heer (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) omvat de universele Heerschappij en de wetgevende Heerschappij. Dus net zoals Hij de schepping ordent en controleert, en Hij verordent dat wat Hij wil volgens Zijn Wijsheid, zo ook is Hij de soevereine Rechter die de handelingen van aanbidding oplegt en voorschrijft en het oordeel voor sociale aangelegenheden en betrekkingen zijn ook volgens Zijn Wijsheid. Dus een ieder die iemand anders naast Allaah de Verhevene neemt om richtlijnen te geven en wetten te maken betreffende handelingen van aanbidding, of als een soeverein of rechter in transacties en sociale aangelegenheden, heeft zich schuldig gemaakt aan shirk en beseft niet wat Imaan is.

(3) Imaan in Allaah's exclusieve recht op aanbidding (al-Oeloohiyyah). Dit houdt in dat alleen Allaah Degene is Die het recht heeft om aanbeden te worden en geen deel van aanbidding dient verricht te worden aan iemand anders naast Hem. Al-ilaah betekent dat wat vereerd wordt met liefde en aanbidding. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En jullie God (die alleen het recht heeft om aanbeden te worden) is één God (Allaah). Geen god is er dan Hij, de Erbarmer, de Meest Barmhartige.” [362]

En de Verhevene heeft gezegd:  “Allaah getuigt dat er geen god is dan Hij en (ook) de Engelen en de bezitters van kennis; Hij Die zorgt voor gerechtigheid. Er is geen god dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.” [363]

Alles wat als een god naast Hem wordt genomen om te aanbidden is een vals en nutteloos object van aanbidding. Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt:  “Dat is omdat Allaah de Waarheid is en omdat wat zij (de moeshrikien) naast Hem aanroepen vals is en omdat Allaah de Verhevene, de Grootste is.” [364]

Bovendien, het feit dat zij goden genoemd worden (aalihah) , geeft hen op geen enkele manier het recht om aanbeden te worden. Betreffende al-Laat, al-'Oezzah en Manaat, zegt Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa)“Het zijn alleen maar namen die jullie (de moeshrikien) hebben verzonnen, jullie en jullie vaderen. Allaah heeft daarover geen bewijs neergezonden.” [365]

Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt dat de profeet Hoed (Alayhie s-Salaam) tegen zijn mensen zei: “... Willen jullie met mij redetwisten over de namen die jullie en jullie vaderen gaven (aan jullie afgoden), waarover Allaah geen bewijs heeft neergezonden?...” [366]


Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt dat de profeet Yoesoef (Alayhie s-Salaam) tegen zijn twee lotgenoten de gevangenis zei: “O mijn medegevangenen, zijn verschillende heren beter, of Allaah, de Ene, de Overweldiger? Wat jullie naast Hem aanbidden zijn slechts namen die jullie en jullie vaderen hebben gegeven. Allaah heeft hiervoor geen bewijs neergezonden...” [367]

Daarom hebben alle profeten tegen hun mensen gezegd:  “... aanbidt Allaah, er is voor jullie geen god dan Hij...” [368]

Maar de moeshrikien weigerden dit en aanbaden andere goden naast Allaah, de Enige vrij van alle gebreken en de Meest Verhevene, en zochten hulp bij hun goden en riepen hen aan om hen te verlossen en te redden.

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft de nutteloosheid van het aanbidden van deze goden door de moeshrikien aangetoond met twee intellectuele bewijzen:

a)      Deze goden, welke zij aanbidden, bezitten geen enkele eigenschap van goddelijkheid. Integendeel, zij zijn geschapen objecten die niet kunnen scheppen, noch kunnen zij enig voordeel brengen voor degenen die hen aanbidden, noch kunnen zij hen behoeden van enige schade, noch hebben zij enige macht over hun leven of dood, noch bezitten zij of hebben zij enige controle over iets in de hemelen, noch hebben zij enig aandeel daarin.

Allaah ( Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt:  “Toch namen zij naast Hem goden die niets schiepen en die niet bij machte zijn zelf kwaad (af te wenden) en goed (te doen) en geen macht hebben over leven en niet over de dood en over het opwekken.”[369]

 En de Verhevene heeft gezegd: “Zeg (O Moh'ammed tegen de moeshrikien): “Roept degenen op, die jullie beweren (als goden) naast Allaah te zijn.” Zij hebben zelfs over het gewicht van een mosterdzaadje in de hemelen en op de aarde geen macht en zij hebben daarin geen aandeel. En Hij heeft onder hen geen helper. En de voorspraak baat bij Hem niet, behalve aan wie Hij toestemming heeft gegeven...”[370]

 En Hij heeft gezegd: “Maken zij (beelden tot) deelgenoten die niets (kunnen scheppen en die (zelf) geschapen zijn? En die hen niet kunnen helpen en die zichzelf niet (kunnen) helpen?”[371]

Als dit de toestand is van deze goden, dan is het aanbidden van hen de grootste dwaasheid en compleet nutteloos

b)      Deze moeshrikien bevestigden dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) alleen de Heer en de Schepper is, dat de controle over alles in Zijn Handen is en dat Hij beschermt en niemand kan tegen Hem beschermen. Dit noodzaakt dat zij alleen Hem aanbidden, net zoals zij bevestigen dat de Heerschappij alleen Hem toebehoort. Zoals Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “O mensen, aanbidt jullie Heer (Rabb), Degene Die jullie en degenen voor jullie heeft geschapen. Hopelijk zullen julie (Allaah) vrezen. Degene Die de aarde voor jullie heeft gemaakt tot een tapijt en de hemel tot een gewelf en Hij zend water uit de hemel neer, waarmee Hij vervolgens vruchten voortbrengt als voorziening voor jullie. Kent daarom geen deelgenoten toe aan Allaah, terwijl jullie (het) weten.” [372]

            En Hij heeft gezegd: “En als jij hen vraagt wie hen geschapen heeft, dan zullen zij zeker zeggen: “Allaah”. Waarom worden zij dan belogen?” [373]

En Hij heeft gezegd: “Zeg: “Wie schenkt jullie voorzieningen uit de hemel en de aarde?” Of: “Wie heeft macht over (het scheppen van) het horen en het zien en wie brengt het levende voort uit het dode en wie brengt het dode voort uit het levende en wie verordent het bestuur?” Zij zullen zeggen: “Allaah”. Zeg dan: “Zullen jullie (Allaah) dan niet vrezen?” Dat is Allaah, jullie ware Heer. En na de Waarheid, is er niets dan de dwaling. Hoe komt het dan dat jullie worden afgeleid?” [374] [375]

(4) Geloof in de Namen en Eigenschappen van Allaah (al-Asmaa-e wa s-Sefaat). Dit houdt in het bevestigen van alle Namen en Eigenschappen die Allaah voor Zichzelf bevestigd heeft in Zijn Boek of in de Soennah van Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), op een manier dat bij Hem passend is zonder het veranderen of verdraaien van hun bewoording of betekenis (tah’rief), zonder hen te verwerpen/annuleren (ta’tiel), zonder naar het “hoe” te vragen (takyief) en zonder te verklaren dat ze zijn zoals de eigenschappen van de schepping (tamthiel).

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En aan Allaah behoren de Schone Namen, roept Hem daarmee aan en verlaat degene die misbruik van Zijn Namen maken; zij zullen worden vergolden voor wat zij plachten te doen.” [376]

En Hij heeft gezegd: “...En aan Hem behoren de meest verheven eigenschappen in de hemelen en op de aarde. Hij is de Almachtige, de Alwijze.” [377]

En Hij heeft gezegd: “...niets is aan Hem gelijk. En Hij is de Alhorende, de Alziende.” [378]

Betreffende dit onderwerp zijn er twee groepen die afgedwaald zijn:

a)      De eerste groep van zijn Al-Moe’attillah- degenen die de Namen en Eigenschappen van Allaah of enkele ervan ontkennen, bewerend dat als men ze bevestigd dat men dan genoodzaakt is om een gelijkenis te maken tussen Allaah en Zijn schepping. Dit is een onjuiste en nutteloze claim en de nutteloosheid wordt op verschillende manieren aangetoond:

●      Het dwingt tot nutteloze conclusies, zoals dat er tegenstrijdigheid zou zijn in de Woorden van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa). Dit is omdat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) de Namen en Eigenschappen voor Zichzelf bevestigd heeft en ook ontkend heeft dat er iets gelijk is aan Hem. Dus als het bevestigen van hen noodzaakt om een gelijkenis te maken tussen Allaah en Zijn schepping, dan betekent dit dat er een tegenstrijdigheid in de Woorden van Allaah (Azza wa Djal) is.

●      Als twee dingen een naam of omschrijving hebben die voor beide gemeenschappelijk zijn, hoeft dit niet te betekenen dat zij op elkaar lijken. Zo zie je bijvoorbeeld twee personen het feit delen dat ze mens zijn en beschikken over gehoor, zicht en spraak, maar dit betekent niet dat zij gelijk zijn wat betreft menselijke eigenschappen en betreft hun gehoor, zicht of hun spraak. Verder zie je ook dieren met poten, ogen en haar. Maar het feit dat zij dit gemeenschappelijk hebben, betekent niet dat hun poten, ogen en haar op elkaar lijken. Dus als het duidelijk is dat er tussen de namen en eigenschappen van schepsels die zij gemeenschappelijk hebben een groot verschil is, dan is het verschil tussen de Schepper en de schepping nog veel duidelijker en groter.


b)      De tweede groep zijn Al-Moeshabbihah - degenen die de Namen en Eigenschappen bevestigen, maar ook verklaren dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) lijkt op Zijn schepping. Zij beweren dat dit vereist wordt door en in overeenstemming is met de teksten, aangezien Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) de mensen aanspreekt met dat wat begrijpbaar is voor hen. Deze claim van hen is fout en nutteloos en dit wordt op een aantal manieren aangetoond, zoals:

● Dat de gelijkenis tussen Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) en Zijn schepping iets nutteloos en onjuist is, weerlegd door het intellect en de Openbaring. Het is onmogelijk dat de teksten van de Qor-aan en de Soennah leiden tot iets dat onjuist en nutteloos is.

●   Dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) de mensen aanspreekt met dat waarvan de kern begrijpbaar is voor hen: maar betreft de essentiële realiteit, de kennis  hierover is slechts bij Allaah. Dit geldt voor Allaah zelf en Zijn Eigenschappen. bijvoorbeeld, Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft over Zichzelf bevestigd dat Hij hoort. Het horen is iets dat voor ons begrijpbaar is en dat is de mogelijkheid om geluiden waar te nemen. Maar hoe het gehoor van Allaah in werkelijkheid is, is niet bekend bij ons. Dit is omdat het horen tussen de schepselen onderling al verschillend is, dus is het verschil tussen de Schepper en de schepsels nog groter. Ook heeft Allaah (Soebh'anahoe wa Ta’aalaa) ons geïnformeerd dat Hij Zijn Troon (‘Arsh) besteeg (istawaa-e). Het bestijgen is iets wat in wezen begrijpbaar is voor ons. Maar betreft de realiteit van het bestijgen van het bestijgen van de Troon door Allaah (Soebh'anahoe wa Ta’aalaa) en hoe dat precies gegaan is, dit is iets dat niet bekend is bij ons. Zo is het bestijgen of beklimmen van en stoel heel anders dan een wilde. Dus als het iets is wat voor de schepping al verschillende is, dan is het verschil tussen de Schepper en de schepping nog groter.

Imaan in Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zoals we dat beschreven hebben, zal zeer goede invloeden opleveren voor de gelovigen, zoals:

n  Dat hij de tawh’ied van Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) realiseert en toepast, zodat hij niet verbonden en toegewijd is aan anderen dan Hem. Dus hij stelt geen hoop in anderen, hij vreest anderen niet en hij aanbidt niemand anders naast Hem.

n  Voltooiing van iemands liefde voor Allaah  (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) en Hem te vereren met Zijn perfecte Namen en verheven Eigenschappen.

n  Aanbidding van Hem tot stand brengen door alles te doen wat Hij bevolen heeft en alles te vermijden wat Hij verboden heeft.

[342] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe Al-Djanaa-iez: hoofdstuk, idza aslama s-Sabiyyoe famaata hel yoesalla 'alayh; en Moesliem, Kietaaboe Al-Qadar: hoofdstuk, mee mien mewloedien yoeladoe iella 'ala l-fetrah .

[343] Soerat At-Toor (52), aayah 35.

[344]  Soerat At-Toor (52), aayah 35-37.

[345] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe At-Tefsier: hoofdstuk, Soerat At-Toor boek 4, blz. 1839.

[346] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 76.

[347] Soerat Al-Anfaal (8), aayah 9.

[348] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe Al-Djoemoe’ah: hoofdstuk, raf’oe l-yedaynie fie d-Doe’aa-e; en Moesliem, Kietaaboe Al-Istisqaa-e: hoofdstuk, Ad-Doe’aa-e fie l-istisqaa-e.

[349] Soerat Ash-Shoe’araa-e (26), aayah 63.

[350] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 49.

[351] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 110.

[352] Soerat Al-Qamar (54), aayah 1-2.

[353] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 54.

[354] Soerat Faatir (35), aayah 13.

[355] Soerat An-Naazi’aat (79), aayah 24.

[356] Soerat Al-Qasas (28), aayah 38.

[357] Soerat An-Naml (27), aayah 14.

[358] Soerat Al-Israa-e (17), aayah 102.

[359] Soerat Al-Moe-eminoen (23), aayah 84-89.

[360] Soerat Az-Zoekhroef (43), aayah 9.

[361] Soerat Az-Zoekhroef (43), aayah 87.

[362] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 163.

[363] Soerat Aal-'Imraan (3), aayah 18.

[364] Soerat Al-H'adj (22), aayah 62.

[365] Soerat An-Nadjm (53), aayah 23.

[366] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 71.

[367] Soerat Yoesoef (12), aayah 39-40.

[368] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 59.

[369] Soerat Al-Foerqaan (25), aayah 3.

[370] Soerat Saba (34), aayah 22-23.

[371] Soerat Al-A'raaf (7), aayah 191-192.

[372] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 21-22.

[373] Soerat Az-Zoekhroef (43), aayah 87.

[374] Soerat Yoenoes (10), aayah 31-32.

[375] Vertaler: zelfs in de Bijbel is nog te lezen dat Jezus (Alayhie s-Salaam) gezegd heeft dat men hem niet dient te aanbidden, maar alleen Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa). We lezen dit onder andere in Marcus 10:45: “...Want ook de zoon des mensen is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen...” Met andere woorden, hij was slechts een dienaar, geen heer.

[376] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 180.

[377] Soerat Ar-Room (30), aayah 27.

[376] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 180.

[377] Soerat Ar-Room (30), aayah 27.

[378] Soerat Ash-Shooraa-e (42), aayah 11. …● Zijn engelen [127]

[127] De engelen (al-malaa-ikah) zijn geschapen wezens die niet zichtbaar zijn voor ons en zij zijn verborgen voor ons. Zij aanbidden Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en hebben geen goddelijke eigenschappen, noch enig recht om aanbeden te worden. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft hen van licht geschapen en gaf hen complete overgave aan Zijn bevel en de macht om deze uit te voeren. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...En degenen die met Hem zijn (de engelen), zijn niet te hoogmoedig om Hem te dienen en zij worden er niet moe van. Zij prijzen Zijn Glorie tijdens de nacht en de dag en versagen niet.” [379]

Zij zijn zeer talrijk, zo talrijk dat alleen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) hen aantal kan weten. Het is ook vastgesteld in de Sah’ieh’ayn [380] van de h’adieth van Anes (Radhya llaahoe ‘anhoe), betreffende de nachtelijke reis en de Hemelvaart (mi’raadj) van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), dat het “Vaak bezochte Huis” (al-Baytoe l-Ma’moor) getoond werd aan de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en dat er elke dag zeventigduizend engelen in bidden en als zij dan weggaan, komen zij er nooit meer terug, maar elke dag arriveert er een andere groep. [381]

Imaan in de engelen omvat vier zaken:

n  Men dient in hun bestaan te geloven.

n  Men dient in het bijzonder te geloven in die engelen van wie we de namen kennen, zoals Djibriel (Gabriël) (Alayhie s-Salaam). Betreft de engelen van wie we de naam niet kennen, dan dienen we een algemeen en allesomvattende geloof in hen allemaal te hebben.

n  Men dient te geloven in alles wat aan ons van hun eigenschappen is omschreven. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft betreft Djibriel (Alayhie s-Salaam) gezegd, dat hij hem zag in de vorm zoals hij oorspronkelijk geschapen is, met zeshonderd vleugels die de horizon vullen. [382] Soms gebeurt het dat een engel op bevel van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) verandert in de vorm van een mens. Dit gebeurde met Djibriel (Alayhie s-Salaam), toen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) hem naar Maryam (Maria, de moeder van Jezus (Alayhie s-Salaam)) stuurde: hij nam de vorm aan van een volmaakte man.

Ook toen hij bij de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) kwam, die bij zijn metgezellen (Radhya llaahoe ‘anhoe) zat: hij kwam in de vorm van een man met witte kleding en zeer zwart haar, zonder enig teken dat hij gereisd had en niemand van de metgezellen kende hem. Hij zat vervolgens net de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en plaatste zijn knieën samen met zijn knieën en plaatste zijn handen op zijn dijen. Toen vroeg hij de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) over Islaam, Imaan en Ih’saan, het Laatste Uur en de tekenen ervan. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) antwoordde hem waarna Djibriel (Alayhie s-Salaam) vertrok. Toen zei de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “Dat was Djibriel, hij kwam naar jullie om jullie jullie godsdienst te leren.” [383] Hetzelfde geldt voor de engelen die Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zond naar Ibraahiem (Alayhie s-Salaam) en Loot (Alayhie s-Salaam), die ook in de vorm van een man waren.

n  Men dient te geloven in hun taken die bij ons bekend zijn, die ze uitvoeren op bevel van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), zoals het prijzen van Allaah en verklaren dat Hij vrij en ver verwijderd is van onvolmaaktheden, en zij aanbidden Hem dag en nacht zonder moe te worden of er genoeg van te hebben. Enkele van hen hebben specifieke taken, zoals:

·         Djibriel, die toevertrouwd was de Openbaring van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) aan de profeten en de boodschappers (384) bekend te maken.

·         Miekaa-iel, die toevertrouwd is met het zorgen voor regenval en de groei van planten.

·         Israafiel, die toevertrouwd is met het blazen op de Bazuin (as-Soor) als het Laatste Uur aanvangt en wanneer de schepping zal herrijzen.

·         De engel des doods (Melak al-Mawt), wiens taak het nemen van de zielen bij het bereiken van de dood is.

·         Maalik, die toevertrouwd is met het bewaken van het Hellevuur.

·         De engelen die toevertrouwd zijn met de embryo’s in de baarmoeders, dat wanneer het ongeboren kind de vier maanden bereikt, dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dan een engel stuurt om zijn voorzieningen, leeftijd, zijn handelingen en of het ellendig of gelukkig zal zijn op te schrijven.

·         De engelen die toevertrouwd zijn met het noteren van alle handelingen van elk persoon, en er zijn voor elk persoon twee engelen – 1 aan zijn rechterkant en 1 aan zijn linkerkant.

·         De engelen wiens taak het ondervragen van de overledenen is, wanneer zij in hun graven gelegd zijn; twee engelen komen dan naar hem toe om Hem te ondervragen over zijn Heer, zijn religie en zijn profeet.

Imaan in de engelen heeft vele invloeden, zoals:

·         Kennis van de Grootheid van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), Zijn Macht, Zijn Gezag en Zijn Heerschappij, aangezien de grootheid van elke geschapen object de grootheid van de Schepper laat zien.

·         Het besef dat we Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dankbaar moeten zijn voor Zijn zorg voor en betrokkenheid met het welzijn van de mens, aangezien Hij enkele engelen toevertrouwd heeft om hen te beschermen en om hun daden te noteren en andere handelingen die voordelig voor hen zijn.

·         Liefde voor de engelen voor hun aanbidding van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa).

Er zijn sommige afwijkende mensen die ontkennen dat de engelen fysieke wezens zijn en zij beweren daarentegen dat zij slechts een symbool zijn voor het goede die in geschapen wezens terug te vinden is. Deze bewering is een verloochening van het Boek van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), de Soennah van Zijn boodschapper  (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en de overeenstemming (idjimaa’) van de moslims. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Alle lof zij Allaah, de Schepper van de hemelen en de aarde. Hij heeft de engelen tot gezanten gemaakt, met twee of drie of vier vleugels...” [385]

En Hij heeft gezegd: “En als jij (het) zou kunnen zien, wanneer de engelen (de zielen van) degenen die ongelovig zijn wegnemen, (en hoe) zij hun gezichten en hun ruggen slaan...” [386]

En Hij heeft gezegd: “...En als jij zou kunnen zien hoe (het gaat met) de onrechtvaardigen in doodsstrijd en hoe de engelen hun handen naar hen uitstrekken (terwijl zij zeggen): “Geef jullie zielen op!...” [387]

En Hij heeft gezegd: “...Totdat, wanneer de angst van hun harten (van de engelen) is weggenomen, zij zeggen: “Wat heeft jullie Heer gezegd?” Zij zeggen: “De Waarheid.” En Hij is de Verhevene, de Grootste.” [388]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over de mensen van het Paradijs: “...En de engelen treden bij hen binnen door iedere poort. (Hen groetend:) “Salaamoen ‘alaykoem bimaa sabartoem.” (Vrede zij met jullie wegens jullie geduldig zijn.) Het is de beste eindbestemming.” [389]

In Sah’ieh’ Al-Boekhaarie is er terug te vinden van Aboe Hoerayrah  (Radhya llaahoe ‘anhoe) dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Als Allaah van een dienaar houdt, roept Hij Djibriel en zegt: “Ik hou van die-en-die, houdt daarom van hem.” Djibriel zal dan van hem houden. Daarna roept Djiebriel de bewoners van de hemel, zeggende: “Allaah houdt van die-en-die, houdt daarom van hem.” Dan zullen de bewoners van de hemel van hem houden. Daarna zal hem acceptatie (onder de gemeenschap van de gelovigen) verleend worden op aarde.” [390]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft ook gezegd: “Op de dag van Djoemoe’ah (vrijdag) zijn er engelen bij elke deur van de moskee en schrijven op wie als eerste komt en dan de mensen die daarna komen, op volgorde. Wanneer de imaam plaats neemt, worden de schriften opgerold en komen zij om de vermaning (Khoetbah, toespraak) te horen.” [391]

Deze teksten bewijzen duidelijk dat de engelen fysieke wezens zijn en geen abstracte krachten, zoals dat beweerd wordt door enkele afwijkende mensen.

[379] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 19-20.

[380] Sah’ieh’ayn: De twee authentieke verzamelingen van ah’adieth, namelijk Al-Boekhaarie en Moesliem.

[381] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe bad-oe l-Khalq:hoofdstuk, dziekroe l-Malaa-iekah; en Moesliem, Kietaaboe Al-Imaan: hoofdstuk Al-Israa-e bie rasoelie llaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) wa fardhi s-Salawaat.

[382] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe bad-ie l-khalq, 3232-3233.

[383] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, Al-Imaanoe wa l-Islaam. Het merendeel van deze h’adieth is al uitgelegd in dit boek en we hebben een uitleg ervan gegeven in “Madjmoo’oe l-Fataawa wa ﷺ‬-Rasaa-il” (d.w.z. van sheikh Ibn Saalih’ al-‘Oethaymien) 3/143.

[384] Er is een verschil tussen een profeet een een boodschapper. Een profeet (nabiyy) krijgt een bericht (door een visioen of een engel) die hij voor zichzelf moet houden, maar hij moet ernaar handelen en is zo een voorbeeld voor anderen. Een boodschapper (rasool) krijgt een bericht (door een visioen, engel of wordt rechtstreeks aangesproken door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa)) en moet dit bericht verkondigen. Een boodschapper is daarom meer bijzonder dan een profeet, want iedere boodschapper (gezant) is een profeet, maar het omgekeerde geldt niet. De eerste profeet was Aadam (Alayhie s-Salaam) en de eerste boodschapper was Nooh’ (Alayhie s-Salaam). Het gezantschap van Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) begon met het profeetschap. Vanaf “’Iqra-e” (“Lees”, Soerat Al-‘Alq (96), aayah 1) was hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) een profeet en vanaf “O jij ommantelde. Sta op en waarschuw.” (Soerat Al-Moeddathir (74), aayah 1-2) was hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) een boodschapper.

[385] Soerat Faatir (35), aayah 1.

[386] Soerat Al-Anfaal (8), aayah 50.

[387] Soerat Al-An’aam (6), aayah 93.

[388] Soerat Saba (34), aayah 23.

[389] Soerat Ar-Ra’d (13), aayah 23-24.

[390] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe bad-ie l-Khalq: hoofdstuk, dziekroe l-Malaa-iekah en Moeslim, Kietaaboe l-bierrie wa s-Selah: hoofdstuk, idza ah’abba llaahoe ‘abdan h’abbabahoe iela ‘iebaadieh.

[391] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Djoemoe’ah: hoofdstuk, Al-Istiemaa’oe iela l-Khotab en Moesliem, Kietaabie l-Djoemoe’ah: hoofdstuk, fadhloe t-Tahdjierie yawmie l-djoemoe’ah. ...● Zijn Boeken [128] ● Zijn boodschappers [129]...

[128] De Boeken (koetoeb, meervoud van kitaab) – datgene wat geschreven is. Hiermee worden die Boeken bedoeld welke Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) neer heeft doen dalen naar Zijn boodschappers als een genade voor schepsels en als leiding voor hen, om hen succes te laten behalen en geluk te verkrijgen in deze wereld en in het Hiernamaals. Imaan in de Boeken omvat vier zaken:

n  Men dient te geloven dat ze neergezonden zijn door Allaah, de Meest Verhevene.

n  Men dient te geloven in de Boeken wiens namen we kennen: onder hen zijn de Qor-aan welke is neergezonden aan Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), de Tawraat (Thora) die is neergezonden aan Moesa (Mozes) (Alayhie s-Salaam), de Indjiel (Evangelien) die is neergezonden aan ‘Iesa (Jezus) (Alayhie s-Salaam), en de Zaboer (Psalmen) die is neergezonden aan Daawoed (David) (Alayhie s-Salaam). Betreft de Boeken die we niet bij naam kennen, dan dienen we een gezamenlijk en algemeen geloof in hen allemaal te hebben.

n  We dienen alles wat in de Boeken vermeld staat te bevestigen: zoals alles wat vermeld staat in de Qor-aan en alles wat in de voorgaande Boeken staat wat niet veranderd of verdraaid is.

n  We dienen te handelen naar alles wat er in staat en wat niet is afgeschaft, en we dienen er tevreden mee te zijn en ons er volledig aan over te geven, of we de wijsheid erachter nu begrijpen of niet. Alle voorgaande Boeken zijn afgeschaft door de Edele Qor-aan. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En Wij hebben aan jou (O Moh’ammed) het Boek (de Qor-aan) met de Waarheid neergezonden, ter bevestiging van de Schrift die eraan vooraf ging en ter bescherming...” [392]

De betekenis van deze aayah is dat de Qor-aan een rechter over hen is, en het is daarom dus niet toegestaan om te handelen volgens enige regelgeving in de voorgaande Boeken, behalve wat als juist bewezen is en bevestigd en goedgekeurd is door de Qor-aan.

Imaan in de geopenbaarde Boeken geeft vele voordelen, zoals:

- De kennis dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zorgt voor Zijn dienaren en dat Hij naar elk volk een Boek heeft gezonden voor hun leiding.

- Kennis over de grote Wijsheid van Allaah(Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) betreffende Zijn

wetgeving, aangezien Hij voor elk volk bepaalde wetten heeft voorgeschreven die geschikt zijn voor hun omstandigheden. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “...Voor een ieder onder jullie hebben Wij een Wet en een manier van leven bepaald...” [393]

[129] De boodschappers (ar-Rasool, meervoud van Rasool); dit zijn degenen die gezonden zijn om boodschap te verkondigen en hiermee worden degenen van de mensheid bedoeld aan wie een Openbaring en religieuze wet is neergezonden en die bevolen waren het aan de mensen mee te delen. De eerste boodschapper was Noeh’ (Noah) (Alayhie s-Salaam) en de laatste was Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, Wij hebben aan jou (O Moh’ammed) geopenbaard zoals Wij aan Noeh’ en de profeten na hem openbaarden...” [394]

In de Sah’ieh’ van Al-Boekhaarie is er terug te vinden dat Anes ibn Maalik (Radhya llaahoe ‘anhoe) in de h’adieth over Voorspraak gezegd heeft, dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd dat er een groep mensen naar Aadam zullen komen zodat hij voor hen de voorspraak doet, maar hij biedt zijn exusen aan en dan zegt hij: “Ga naar Noeh’, want hij was de eerste van de boodschappers die Allaah gezonden heeft...” [395]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “Moh’ammed is niet de vader van 1 van jullie mannen, maar hij is de boodschapper van Allaah en de laatste van de profeten...” [396]

Er was geen enkel volk waar geen boodschapper naar toe is gestuurd door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), met een bijzonder voorgeschreven wet voor Zijn mensen, of een profeet die voorgeschreven wetten die voorheen gegeven waren opnieuw in te voeren. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En voorzeker, Wij hebben aan iedere gemeenschap een boodschapper gezonden (die zei): “Aanbidt Allaah en houdt afstand van de Taghoot [397]...” [398]

En de Verhevene heeft gezegd: “...En er was geen volk, of er verkeerde onder hen een waarschuwer.” [399]

En de Verhevene heeft gezegd: “Voorwaar, Wij hebben de Tawraat neergezonden met daarin Leiding en Licht. De profeten, die zich (aan Allaah) overgegeven hadden, oordeelden ermee over de joden...” [400]

De boodschappers zijn slechts mensen en geschapen wezens. Zij hebben totaal geen aandeel in het Heerschap, noch enig recht op een deel van de aanbidding of goddelijkheid. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over Zijn profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), en hij was de beste van alle boodschappers en hij heeft de hoogste positie bij Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Zeg (O Moh’ammed): “Ik heb geen macht om voor mijzelf iets van nut te verwerven of schade af te wenden, behalve wat Allaah wil. En als ik het onwaarneembare kende, dan zou ik het goede vermeerderd hebben en zou het kwade mij niet hebben getroffen. Ik ben niets dan een waarschuwer en een verkondiger van verheugende tijdingen voor een gelovig volk.” [401]

En de Verhevene heeft gezegd: “Zeg: “Ik heb geen macht om voor jullie schade te voorkomen niet om Leiding te geven.” Zeg (O Moh’ammed): “Niemand zal mij ooit tegen Allaah kunnen redden en ik zal nooit naast Hem een toevluchtsoord vinden.” [402]

Dus zij ervaren wat elk ander mensen ervaart, betreffende ziekt, dood, de behoefte aan eten en drinken enzovoort. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over Ibraahiem (Alayhie s-Salaam) dat hij zijn Heer omschreef, zeggende: “En Hij is Degene Die mij voedt en Die mij te drinken geeft. En wanneer ik ziek ben, is Hij Degene Die mij geneest. En (Hij is) Degene Die mij doet sterven en mij vervolgens doet leven.” [403]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Ik ben slechts een mens zoals jullie, ik vergeet zoals jullie vergeten. Dus als ik vergeet, herinner mij dan.” [404]

Bovendien heeft Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) ze omschreven als dienaren van Hem, ondanks het toppunt van hun eer en in de context van het prijzen van hen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over Noeh’ (Alayhie s-Salaam): “...voorwaar, hij (Noeh’) was een dankbare dienaar!” [405]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “Gezegend is Degene Die de Foerqaan (de Qor-aan) heeft neergezonden naar Zijn dienaar (Moh’ammed), opdat hij een waarschuwer voor de werelden (mensen en djinn) zal zijn.” [406]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt ook over Ibraahiem (Abraham), Is-h’aaq (Isaak) en Ya’qoeb (Jacob) (vrede zij met hen): “En gedenk Onze dienaren Ibraahiem, Ish’aaq en Ya’qoob, allen waren bezitters van grote kracht en inzicht. Voorwaar, Wij zuiverden hen volledig ten behoeve van (hun) gedachtenis van het Hiernamaals. En voorwaar, zij behoorden bij Ons zeker tot de beste uitgekozenen.” [407]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt betreffende ‘Iesa ibn Maryam (Alayhie s-Salaam): “Hij (‘Iesa) is slechts een dienaar aan wie Wij genietingen hebben geschonken. En Wij maakten hem tot een voorbeeld voor de Kinderen van Israa-iel [408].” [409]

Imaan in de boodschappers omvat vier zaken:

  1. Men dient te geloven dat zij werkelijk boodschappers waren die door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) gezonden waren. Een ieder die niet gelooft in het gezantschap van 1 van hen, heeft het gezantschap van hen allemaal ontkend. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Het volk van Noeh’ loochende de boodschappers.” [410]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft verklaard dat zij alle boodschappers ontkenden, hoewel er nog geen andere boodschapper gezonden was behalve Noeh’ (Alayhie s-Salaam), aangezien hij de eerste boodschapper was. Hierdoor ontkennen de christenen, die Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) ontkennen en hem niet volgen, ook de Messias ‘Iesa (Jezus) ibn Maryam (Alayhie s-Salaam)en volgen hem ook niet, vooral omdat hij hen het nieuws over de komst van Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gegeven heeft. Er is geen reden waarom hen dit nieuws over zijn komst gaf, behalve dat hij een boodschapper voor hen zal zijn, zodat Allaah hen door hem zou redden van misleiding en hen zou leiden naar het Rechte Pad.

  1. Men dient in hen allen te geloven, in het bijzonder hen wiens namen we kennen, zoals Moh’ammed, Ibraahiem, Moesa, ‘Iesa en Noeh’, vrede zij met hen; en deze vijf degenen die het meest standvastig waren in hun voornemen (oeloe l-‘azm) onder alle boodschappers. Zij zijn samen genoemd door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) op twee plaatsen in de Qor-aan: “En (gedenk) toen Wij met de profeten hun verbond aangingen en met jou (O Moh’ammed), en met Noeh’ en Ibraahiem en Moesa en ‘Iesa ibn Maryam...” [411]

En in soerat As-Shoera, in Zijn Uitspraak: “Hij heeft jullie de godsdienst uitgelegd: wat Hij ervan heeft geopenbaard aan Noeh’, en hetgeen Wij aan jou (O Moh’ammed) geopenbaard hebben en wat Wij ervan aan Ibraahiem en Moesa en ‘Iesa hebben opgedragen: dat jullie de godsdienst onderhouden en dat jullie daarover niet verdeeld raken...” [412]

Betreft degenen wiens namen we niet kennen, daar tegenover dienen we een algemeen en allesomvattend geloof in hen te hebben. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En voorzeker, Wij hebben voor jou boodschappers gezonden. Over sommige van hebben Wij jou verteld en over sommigen hebben Wij jou niet verteld...” [413]

  1. Men dient alles te bevestigen wat over hen is overgeleverd in de authentieke bronnen.
  1. Men dient te handelen volgens de Geopenbaarde Wet van de boodschappers die naaar ons is toegestuurd, en hij is de laatste van hen, Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), die naar alle mensen is gestuurd. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Bij jouw Heer, zij geloven niet totdat zij jou (O Moh’ammed) laten oordelen over waar zij over van mening verschillen en dan in zichzelf geen weerstand vinden tegen wat jij oordeelde, en zij aanvaarden (het dan) volledig.” [414]

Imaan in de boodschappers heeft verschillende invloeden, zoals:

·         Kennis over de genade van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en de grote zorg die Hij heeft voor Zijn dienaren, aangezien Hij de boodschappers gezonden heeft om hen te leiden naar Zijn Weg, en om hen duidelijk te maken hoe zij Hem dienen te aanbidden, omdat het mensenlijke verstand alleen deze kennis niet kan verwerven.

·         Het besef dat we Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dankbaar dienen te zijn vanwege deze grote zegening.

·         Liefde en respect voor de boodschappers zodat we hen op de juiste manier kunnen prijzen, aangezien zij de boodschappers van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zijn en omdat zij de aanbidding van Allaah hebben bewerkstelligd, Zijn boodschappers bekend hebben gemaakt en Zijn dienaren oprecht hebben geadviseerd.

Maar de halsstarrige verwerpers ontkenden hun boodschappers en beweerden dat de boodschappers van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) niet van de mensheid konden zijn. Deze valse bewering is genoemd en weerlegd door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), met Zijn Woorden: “En er was niets dat de mensen verhinderde te geloven toen de Leiding tot hen kwam, behalve dat zij zeiden: “Heeft Allaah een menselijke boodschapper neergezonden?” Zeg (O Moh’ammed): “Wanneer er op de aarde engelen waren die rustig rondliepen, dan zouden Wij een engel tot hen als boodschapper neergezonden hebben.” [415]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) weerlegt hun bewering, aangezien de boodschappers mensen waren en zij werden gezonden naar de volkeren op aarde die zelf ook mensen waren. Als de bewoners van de aarde engelen zouden zijn, dan zou Allaah een engel als boodschapper voor hen gestuurd hebben, zodat hij als hen zou zijn.

Evenzo heeft Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) verklaard dat degenen die de boodschappers ontkenden zeiden: “...Jullie zijn slechts mensen als wij. Jullie willen ons afhouden van wat onze voorouders aanbaden. Geef ons daarom een duidelijk bewijs!” Hun boodschappers zeiden tot hen: “Wij zijn slechts mensen als jullie, maar Allaah geeft Zijn gunsten aan wie Hij wil van Zijn dienaren. En het is niet aan ons om jullie een bewijs te brengen, tenzij met verlof van Allaah...” [416]

------

[392] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 48.

[393] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 48.

[394] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 163.

[396] Soerat Al-Ah’zaab (33), aayah 40.

[397] Taaghoot: letterlijk betekent dit “degene die overschrijdt”. Hier betekent het: dat wat aanbeden wordt naast Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en die dit toelaat en er tevreden mee is.

[398] Soerat An-Nah’l (16), aayah 36.

[399] Soerat Faatir (35), aayah 24.

[440] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 44.

[395] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe t-Tawh’ied: hoofdstuk, Kalaamoe llaahie ma’a l-Anbiyaa-ie yawma l-Qiyaamah; en Moesliem, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, adnaa ahlie l-djannatie menzielen.

[401] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 188.

[402] Soerat Al-Djinn (72), aayah 21-22.

[403] Soerat Ash-Shoe’araa (26), aayah 79-81.

[404] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe Al-Qiblah: hoofdstuk, at-Tawaddjoehoe nah’wa l-Qieblatie h’aythoe kaan; en Moeslim, Kietaaboe l-Masaadjied: hoofdstuk, As-Sahwoe fie s-Salaatie wa s-soedjoedoe lah.

[405] Soerat Al-Israa-e (17), aayah 3.

[406] Soerat Al-Foerqaan (25), aayah 1.

[407] Soerat Saad (38), aayah 45-47.

[408] Kinderen van Israa-iel: Israa-iel is een andere naam voor de profeet Ya’qoeb (Alayhie s-Salaam) en met Kinderen van Israa-iel worden zijn nakomelingen bedoeld, de stam Israa-iel.[409] Soerat Az-Zoekhroef (43), aayah 59.

[410] Soerat Ash-Shoe’araa (26), aayah 105.

[411] Soerat Al-Ah’zaab (33), aayah 7.

[412] Soerat Ash-Shooraa-e (42), aayah 13.

[413] Soerat Ghaafir (40), aayah 78.

[414] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 65.

[415] Soerat Al-Israa-e (17), aayah 94-95.

[416] Soerat Ibraahiem (14), aayah 10-11. …● de Laatste Dag [130]

[130] De Laatste Dag (al-Yamoe l-Aakhir) is de Dag der Opstanding, wanneer de mensen opgewekt zullen worden en ter verantwoording worden geroepen en beloond of bestraft worden. Het wordt de Laatste Dag genoemd aangezien er geen dag meer na komt, omdat op deze Dag de mensen van het Paradijs en de mensen van het Vuur naar hun uiteindelijke verblijfplaatsen gaan. Imaan in de Laatste Dag omvat drie zaken:

(1) Imaan in de Opstanding (al-Ba’th): dit houdt het doen herleven van de doden in, wanneer er voor de tweede keer op de Bazuin (as-Soor) wordt geblazen door de engel Israafiel (Alayhie s-Salaam). De mensen zullen dan voor de Heer van de schepping staan, blootsvoets, naakt en onbesneden. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: (Gedenk) de Dag waarop Wij de hemelen oprollen, zoals het oprollen van het perkament om op te schrijven: net zoals Wij de eerste schepping begonnen zullen Wij haar herhalen, als een belofte die Wij op Ons namen. Voorwaar, Wij zullen het doen.” [417]

De Opstanding is een realiteit die bewezen is in het Boek, de Soennah en de overeenstemming van de moslims. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Vervolgens zullen jullie zeker daarna sterven. Daarna zullen jullie op de Dag der Opstanding worden opgewekt.” [418]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: “De mensen zullen verzameld worden, blootsvoets, naakt en onbesneden.” [419]

Onder de moslims is hier overeenstemming over en men wordt er toe gedwongen door wijsheid. Het moet zo zijn dat Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) een vastgestelde tijd heeft bepaald voor de schepping om verantwoording af te leggen voor hun daden en de plichten die hen opgelegd zijn via de tongen van Zijn boodschappers. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Dachten jullie dat Wij jullie zo maar geschapen hebben? En dat jullie niet tot Ons terugkeren?” [420]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zei ook tegen zijn profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam): “Voorwaar, Degene Die de Qor-aan voor jou (O Moh’ammed) tot een verplichting heeft gemaakt, zal jou zeker terugbrengen naar de plaats van de terugkeer...” [421]

(2) Imaan in de afrekening en vergelding. De dienaar wordt ter verantwoording voor zijn daden geroepen en er voor beloond of bestraft. Dit is bewezen door het Boek, de Soennah en de overeenstemming van de moslims. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Voorwaar, tot Ons is hun terugkeer. En voorwaar: aan Ons is hun afrekening.” [422]

En Hij zei: “Wie met een goede (daad) komt; voor hem is er (een beloning) als van tien daarvan; en wie met een slechte (daad) komt, die wordt dan slechts vergolden met het gelijke, en hen zal geen onrecht worden aangedaan.” [423]

En Hij zei: “En Wij zullen betrouwbare weegschalen opstellen op de Dag der Opstanding, zodat geen ziel iets van onrecht aangedaan wordt. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen. En Wij zijn voldoende als Berekenaars.” [424]


Ibn ‘Oemar (Radhya llaahoe ‘anhoe) verhaalde dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd heeft: “Allaah zal de gelovige dichtbij brengen en hem beschermen en afschermen, en zeggen: “Heb jij die en die zonde gepleegd? Heb jij die en die zonde gepleegd?” Hij zal dan zeggen: “Ja, mijn Heer” – totdat hij zijn zonden toegegeven heeft en denkt dat hij geruineerd is. (Allaah) zal zeggen: “Ik bedekte jouw zonden in de wereld en vandaag vergeef Ik jou.” Hem zal dan zijn boek met goede daden gegeven worden. Betreft de ongelovigen en de hypocrieten, zij zullen dan voor de mensen onthuld worden en er zal gezegd worden: “Zij zijn degenen die logen tegen hun Heer, inderdaad, de Vloek van Allaah rust op de overtreders.” [425]

In een authentieke overlevering is verhaald dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Een ieder die zich voorneemt een goede daad te verrichten en dit ook doet, Allaah schrijft dit dan op voor hem als tien goede daden, of tot zevenhonderd goede daden, of veel meer; en eenieder die zich voorneemt een slechte daad te doen en dit doet, Allaah schrijft dit voor hem dan als een enkele slechte daad.” [426]

Bovendien is er overeenstemming onder de moslims over het bevestigen van de afrekening en vergelding van de daden. Dit is ook waar men toe gedwongen wordt door wijsheid, aangezien Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) de boodschappers gestuurd heeft en de mensen verplicht heeft te accepteren wat de boodschappers hebben gebracht en te handelen naar hetgeen ervan verplicht was. Hij verplichtte de moslims degenen te bevechten die Hem bestreden en Hij maakte hun bloed wettig (om te laten vloeien) en hun nakomelingen en vrouwen en rijkdommen (om ingenomen te worden). Als er geen afrekening zou zijn en geen beloning of bestraffing, dan zou dit alles vergeefs en nutteloos zijn en de Heer Die Alwijs is, is vrij hiervan.

Dit wordt aangegeven door Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) met Zijn Woorden: “Wij zullen zeker degenen aan wie (profeten) gezonden waren ondervragen, en Wij zullen zeker de gezonden vragen. Wij zullen hen dan vertellen (wat zij hebben verricht), met kennis, en Wij waren niet afwezig.” [427]

(3) Imaan in het Paradijs en het Hellevuur, en dat zij de uiteindelijke en eeuwige plaats van terugkeer zijn voor de schepping. Het Paradijs (al-Djannah) is de plaats van gelukzaligheid, welke Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) voorbereid heeft voor de oprechte en gehoorzame gelovigen – degenen die werkelijk geloofden in wat Allaah hen verplicht heeft om in te geloven, degenen die Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gehoorzaam waren en die oprecht en alleen Allaah aanbaden en die Zijn boodschapper volgden. Het Paradijs bevat alle soorten verrukkingen en voorzieningen. “dat wat geen oog heeft gezien, noch een oor heeft gehoord, noch een menselijk hart ooit heeft voorgesteld.” [428]

Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Voorwaar, degenen die geloven (in Allaah en Zijn boodschapper) en goede werken verrichten (oprecht en alleen voor Hem), zij zijn degenen die de beste schepselen zijn. Hun beloningen bij hun Heer zijn de Tuinen van ‘Adn (het Paradijs), waar de rivieren onder door stromen, zijn zijn eeuwig levenden daarin, voor altijd. Dat is voor wie zijn Heer vreest.” [429]

En de Verhevene heeft gezegd: “En geen ziel weet welke verkoeling van de ogen voor hen verborgen wordt gehouden, als beloning voor wat zij plachten te doen.” [430]

Betreft het Hellevuur, dit is de plaats van bestraffing welke Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) voorbereid heeft voor de ongelovigen, de onrechtvaardigen die Hem betwijfelden en die Zijn boodschappers ongehoorzaam waren. Het bevat zulke bestraffingen en martelingen die men zich niet kan voorstellen. [431] Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En vrees de Hel die voor de ongelovigen is gereedgemaakt.” [432]

En Hij zei: “...Voorwaar, Wij hebben voor de onrechtplegers het Vuur voorbereid, waarvan de rook hen als een tent omhult. En als zij hulp (tegen dorst) vragen worden zij geholpen met water als gesmolten koper dat hun gezichten roostert. De slechtste drank en de slechtste verblijfplaats!” [433]

En de Verhevene heeft gezegd: “Voorwaar, Allaah heeft de ongelovigen vervloekt en voor hen een laaiend vuur bereid. Eeuwig levenden zijn daarin, voor altijd. Zij zullen geen beschermers en geen helpers vinden. Op de Dag waarop hun gezichten zullen worden rondgedraaid in de Hel, zeggen zij: “Hadden wij Allaah maar gehoorzaamd en hadden wij de boodschapper maar gehoorzaamd.” [434]

Verbonden aan Imaan in de Laatste Dag, is Imaan in alles wat na de dood zal gebeuren, zoals:

a. De beproeving in het graf. Dit houdt in dat de overledene in zijn graf (al-qabr) ondervraagd zal worden door de engelen. Hij zal gevraagd worden over zijn Heer, zijn religie en zijn profeet. Wat de gelovigen betreft, Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zal hen resoluut laten antwoorden en zij zullen antwoorden: “Mijn Heer is Allaah, mijn religie is Islaam en mijn profeet is Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).” Wat de ongelovigen betreft, Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zal hen misleiden. De ongelovigen zal zeggen: “Aah [435], aah, ik weet het niet!” En de hypocriet en de twijfelaar zal zeggen: “Ik weet het niet, ik hoorde de mensen iets zeggen, dus zei ik dat ook.”

b. De bestraffing en gelukzaligheid in het graf (‘adzaaboe l-qabr wa na’iemoehoe). De overtreders, de hypocrieten en de ongelovigen zullen in hun graven gemarteld worden. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...En als jij (O Moh’ammed) zou kunnen zien hoe (het gaat met) de onrechtvaardigen in doodsstrijd en hoe de engelen hun handen naar hen uitstrekken (terwijl zij zeggen): “Geef jullie zielen op! Vandaag worden jullie beloond met de bestraffing van de schande wat jullie aan onwaarheid over Allaah plachten te zeggen en vanwege wat jullie Zijn Verzen placten te verwerpen.” [436]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt betreffende de Farao en zijn volgelingen: “Zij zullen ’s ochtends en ’s avonds voor de Hel geplaats worden. En de Dag waarop het Uur valt (zegt Allaah tegen de engelen): “Laat Fir’awn en zijn volgelingen de hardste bestraffing binnengaan!” [437]

Het is ook overgeleverd in Sah’ieh Moeslim in de h’adieth van Zayd ibn Thaabit, dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd heeft: “Ik zou Allaah gevraagd kunnen hebben om jullie te laten horen wat ik hoor van de bestraffing in het graf, maar uit vrees dat jullie elkaar hierna nooit meer zullen begraven (heb ik dit niet gedaan).” Toen draaide hij zijn gezicht naar ons en zei: “Zoek de toevlucht van Allaah tegen de marteling van het graf.” Zij zeiden: “Wij zoeken toevlucht bij Allaah tegen de marteling van het graf.” Hij zei: “Zoek de toevlucht van Allaah tegen de beproevingen en kwellingen – die duidelijk zijn en die verborgen zijn.” Zij zeiden: “Wij zoeken de toevlucht van Allaah tegen beproevingen en kwellingen – die duidelijk zijn en die verborgen zijn.” Hij zei: “Zoek de toevlucht van Allaah tegen de beproeving van de Dadjaal.” Zij zeiden: “Wij zoeken de toevlucht van Allaah tegen de beproeving van de Dadjaal (antichrist).” [438]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft betreft de gelukzaligheden die door de waarachtige gelovigen in het ervaren worden, gezegd: “Voorwaar, degenen die zeggen: “Onze Heer is Allaah,” en die vervolgens standvastig zijn (Istaqamoe, het Rechte Pad volgen en daar niet van afwijken; het volgen van tawh’ied en het niet schenden met shirk en Hem gehoorzamen in alles wat Hij beveelt en verbiedt): over hen zullen de engelen neerdalen (tijdens het sterven) (en zeggen): “Wees niet bevreesd en niet treurig, en weest verheugd met het Paradijs dat aan jullie is beloofd.” [439]

En de Verhevene heeft gezegd: “Waren jullie maar, toen (de ziel) de keel bereikte. En jullie op dat moment toezagen. En Wij dichter bij hem waren dan jullie – maar jullie zagen het niet. Waren jullie toen maar niet verantwoordelijk geweest. Dan zouden jullie haar (de ziel) terugbrengen, als jullie waarachtig geweest waren. Als hij (de ziel) tot de nabijgebrachten behoort. (Dan zijn er voor de ziel) rust en voorzieningen en de Tuinen van gelukzaligheid (het Paradijs).” [440]

Al-Baraa-e ibn ‘Aazib (Radhya llaahoe ‘anhoe) verhaalde dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd betreft de gelovige die de engelen beantwoordt in het graf. “Een Stem roept vanuit de hemel: “Mijn dienaar heeft de waarheid gesproken, spreid daarom voor hem de tapijten uit het Paradijs en kleed hem (met kleding) uit het Paradijs en open voor hem een poort van het Paradijs!” Hij zei: “De frisse lucht en aangename geur zal bij hem komen en zijn graf breidt zich uit zover het oog reikt.” [441] [442]


Imaan in de Laatste Dag geeft vele voordelen, zoals:

·         Het verlangen om handelingen te verrichten van gehoorzaamheid, ijverig zijn hierin en hopen op beloning voor deze daden op die Dag.

·         Angst voor het begaan van zonden en angst voor het tevreden zijn met zonden, door angst voor het ontvangen van de bestraffing op die Dag.

·         Vertroosting voor de gelovige voor all wereldse dingen die hij gemist heeft, en bemoediging in de gelukzaligheid en beloning van het Hiernamaals waar hij op hoopt.

Maar de ongelovigen ontkennen de Opstanding na de dood en beweren dat dit niet mogelijk is. Hun claim is onjuist en de onjuistheid is bewezen door de Openbaring, door dat waarvan men getuigd heeft en ervaren heeft en door het intellect.

Betreft de Openbaring, Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt onder andere: “Degenen die ongelovig zijn veronderstellen dat zij niet opgewekt zullen worden. Zeg (O Moh’ammed): “Welzeker, bij mijn Heer! Jullie zullen zeker opgewekt worden en vervolgens zullen jullie op de hoogte gebracht worden van wat jullie bedreven hebben. En dat is voor Allaah gemakkelijk.” [443]

Betreft dat waarvan men getuigd heeft, Allaah laat Zijn dienaren de dood zien die tot leven wordt gebracht in deze wereld. Er worden vijf voorbeelden genoemd in Soerat al-Baqarah:

Het eerste voorbeeld: de mensen van Moesa (Alayhie s-Salaam) toen zij tegen hem zeiden: “...wij zullen jou niet geloven totdat wij Allaah duidelijk (in Zijn ware gestalte) zien...” [444]

Toen veroorzaakte Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dat zij stierven en bracht hen daarna weer tot leven. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt betreffende dit, de kinderen van Israa-iel aansprekend: “En (gedenk) toen jullie zeiden: “O Moesa, wij zullen jou niet geloven totdat wij Allaah duidelijk (in Zijn ware gestalte) zien,” waarop de bliksem jullie greep, terwijl jullie toekeken. Vervolgens wekken Wij jullie op na jullie dood, hopelijk zullen jullie dankbaar zijn.” [445]


Het tweede voorbeeld: in het verhaal van de vermoorde man waarover Banie Israa-iel redetwistte. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) beval hen een koe te slachten en hem met een deel ervan te slaan, zodat hij weer tot leven gewekt zou worden om hen te informeren over wie hem vermoord had. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt hierover: “En (gedenk) (O Banie Israa-iel) toen jullie een mens doodden en met elkaar daarover redetwistten (over wie de moordenaar was), en Allaah is de Onthuller van wat jullie plachten te verbergen. Toen zeiden Wij: “Slaat hem (de dode) met een deel van haar (de koe).” Zo deed Allaah de doden herleven en toont Hij jullie Zijn Tekenen, hopelijk zullen jullie begrijpen.” [446]

Het derde voorbeeld: dit komt voor in het verhaal over degenen die hun huizen verlieten om de dood te ontvluchten – en zij waren met duizenden in aantal. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) veroorzaakte dat zij stierven en bracht hen weer tot leven. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt betreffende deze gebeurtenis: “Heb jij degenen niet gezien die uit hun huizen vluchtten terwijl zij met duizenden waren, uit angst voor de dood (door een plaag)? Allaah zei toen tot hen: “Sterf!” Daarna bracht Hij hen weer tot leven. Voorwaar, Allaah is zeker de Bezitter van Gunsten voor de mensen, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.” [447]

Het vierde voorbeeld: dit komt voor in het verhaal over degene die een dorp passeerde die geruineerd was en uitgestorven en hij kon zich niet voorstellen dat Allaah, de Meest Verhevene, het weer leven zou geven. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) liet hem toen sterven voor honderd jaar en bracht hem toen weer tot leven. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt betreffende deze gebeurtenis: “Of als degene die, toen hij langs een dorp kwam dat verlaten was en in ruïnes lag, zei: “Hoe kan Allaah het na haar dood weer doen herleven?” Toen deed Allaah hem voor honderd jaar dood zijn, en wekte hem daarop op. Hij zei: “Ik verbleef hier een dag of een gedeelte van een dag.” Hij (Allaah) zei: “Nee, jij verbleef hier honderd jaar; kijk naar je voedsel en je drank, zij zijn niet bedorven; en kijk naar je ezel, zodat Wij jou tot een Teken voor de mens maken. En kijk naar hoe Wij de beenderen in elkaar zetten en dan met vlees bedekken.” Toen hem dit duidelijk werd, zei hij: “Ik weet dat Allaah Almachtig is over alle dingen.”  [448]

Het vijfde voorbeeld: in het verhaal van Ibraahiem  (Alayhie s-Salaam) Al-Khalil, toen hij Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) vroeg om hem te laten zien hoe Hij leven geeft aan de doden. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) beval hem vier vogels te slachten en de delen te plaatsen op de bergen rond om hem. Toen moest hij hen roepen en de delen kwamen samen en vlogen vlug naar Ibraahiem (Alayhie s-Salaam). Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt hierover: “En toen Ibraahiem zei: “Mijn Heer, toon mij hoe ﷻ‬ de doden doet leven.” Hij (Allaah) zei: “Geloof jij dan niet?” Hij zei: “Jawel, maar opdat mijn hart tot rust komt.” Hij (Allaah) zei: “Neem dan vier vogels en snijd ze voor je in stukken, leg dan van hen op iedere berg stukken; roep hen dan, zij zullen haastig tot je komen, en weet dat Allaah Almachtig, Alwijs is.” [449]

Dit waren werkelijk zichtbare gebeurtenissen die bewijzen dat het mogelijk is voor de doden om weer tot leven te worden gewekt. De tekenen die door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) aan de profeet ‘Iesa (Alayhie s-Salaam) gegeven zijn, zijn al eerder genoemd: hiertoe behoren het geven van leven aan de doden en op hen op te laten staan uit hun graven met de toestemming van Allaah, de Meest Verhevene.

De bewijzen van het intellect bestaan uit twee soorten:

(I) Dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) de hemelen en de aarde en alles wat er in, heeft onstaan. Dus Degenen Die ze heeft doen ontstaan en geschapen heeft en Die de macht en mogelijkheid heeft om dat te doen, zal zeker in staat zijn om het te herscheppen. Allaah

(Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En Hij (Allaah) is Degene Die de schepping schept en haar daarna herhaalt, en dat is voor Hem nog gemakkelijker...” [450]

En de Verhevene heeft gezegd: “...net zoals Wij de eerste schepping begonnen zullen Wij haar herhalen, als een belofte die Wij op Ons namen. Voorwaar, Wij zullen het doen.” [451]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt ook, en beveelt hiermee een weerlegging van de Woorden van degenen die de opstanding van de vergane botten ontkennen: “Zeg (tot degenen die de opstanding van de botten die gruis geworden zijn ontkennen): “Hij Die ze de eerste keer heeft doen ontstaan, Die zal ze doen leven. En Hij is de Kenner van de gehele schepping.” [452]

(II) De aarde wordt levensloos en dor, en het verstoken van groen. Dan komt er regen en de aarde komt tot leven en alle soorten groene planten komen tevoorschijn. Dus Degene Die in staat is om het leven te geven nadat het dood was, is Degene Die in staat is om de doden tot leven te brengen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En het behoort tot

Zijn Tekenen dat jij de droge aarde ziet, en als Wij er dan water op doen neerdalen, dan beweegt zij en zet zij uit. Voorwaar, Degene Die haar doet leven, doet zeker ook de doden leven. Voorwaar, Hij is de Almachtige over alle zaken.” [453]

En de Verhevene zei: “En Wij hebben uit de hemel gezegend water neer doen dalen, waarna Wij daarmee tuinen deden groeien en graan van oogstbare gewassen. En rijzige dadelpalmen met boven elkaar gevoegde kolven. Als een voorziening voor de dienaren. En Wij brengen daarmee (water) het dode land tot leven. Zo zal ook de Opwekking zijn.” [454]

Enkele afwijkende mensen zijn verdwaald en ontkennen de bestraffing en gelukzaligheden van het graf, bewerend dat het onmogelijk is aangezien het strijdig is met de realiteit die we ervaren. Zij zeggen: als men de bedekking van de graven van de doden zou wegnemen, dan vindt men hen zoals ze waren, het graf is niet veranderd doordat het wijder is geworden of smaller. Deze bewering van hen is door de teksten, ervaring en intellect bewezen onjuist te zijn.

De teksten (uit de Qor-aan en Soennah) die de bestraffing en gelukzaligheden in het graf bewijzen, zijn al aangegeven in onderdeel (b) van “Imaan in de Laatste Dag”. Maar ook in Sah’ieh al-Boekhaarie vinden we onder andere een h’adieth van Ibn ‘Abbaas  (Radhya llaahoe ‘anhoe), die zei: “De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) passeerde eens een ommuurde tuin in al-Madienah toen hij het geluid hoorde van twee mensen die gemarteld werden in hun graven.” [455] Toen noemde hij de h’adieth en het bevatte: “...één van hen beschermde zichzelf niet tegen het vervuild raken met urine, en in een overlevering: van zijn urine; en betreft de andere, hij maakte zich schuldig aan lasterspraak (om vijandigheid tussen mensen te veroorzaken.)

Wat betreft hetgeen dat ervaren wordt: een persoon die slaapt kan in zijn droom zien dat hij zich in een prachtige en grote plaats bevindt waar hij in gelukzaligheid verkeert. Of dat hij in een beperkte en angstaanjagende plaats is waar hij pijn voelt, wat soms kan veroorzaken dat hij wakker wordt. Ondanks dit verblijft hij gewoon in zijn bed, in zijn kamer, in dezelfde staat als hij van te voren was. Slaap is de broer van de dood en daarom noemt Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) het wafaat (sterven – heengaan). Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Allaah neemt de zielen weg bij hun sterven en bij degenen die niet sterven in hun slaap. Dan houdt Hij degenen waarvoor Hij de dood heeft beslist achter, en stuur Hij de overigen (terug) tot een vastgestelde tijd...” [456]

Betreft het intellect: een persoon kan dingen zien in zijn droom die kloppen met de realiteit. Het is zelfs mogelijk dat hij de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) ziet in zijn ware verschijning, en wie hem ziet in zijn ware verschijning heeft hem werkelijk gezien. Maar ondanks dit blijft een persoon die slaapt in zijn kamer op zijn bed, ver weg van wat hij ziet. Als dit dan mogelijk is in het wereldse leven, hoe kan het dan niet mogelijk zijn in het leven in het Hiernamaals?!

Betreft voor het zoeken naar argumenten om hun bewering te ondersteunen, dat als men naar de bedekking van een dode persoon zou wegnemen dat men hem dan zou vinden zoals hij was en dat men zijn graf niet groter of kleiner aantreft, het antwoord hierop komt uit verschillende hoeken, zoals:

  1. Het is niet toegestaan te proberen om de teksten van de Sharie’ah tegen te spreken met zulke nutteloze twijfels, die dermate nutteloos zijn dat als degene die ze ter sprake brengt de teksten van de Sharie’ah zorgvuldig zou bekijken, dan zou hij de nutteloosheid van deze twijfels zelf zien. Dus is het zoals ooit is gezegd: “Er zijn veel mensen die zoeken naar een fout met woorden die correct zijn en hun ondergang is door onjuiste opvatting.”
  2. Dat wat ervaren wordt na de dood (al-Barzakh) behoort tot de zaken van het onwaarneembare en kan niet waargenomen worden door de zintuigen. Als het waargenomen zou kunnen worden door de zintuigen, dan zal het voordeel in het hebben van Imaan in het onwaarneembare verdwijnen en de ware gelovigen en de ontkenners zouden hetzelfde zijn in hun bevestiging daarvan.
  3. De bestraffing en gelukzaligheid, het wijder worden van het graf of de vernauwing, zal alleen ervaren worden door de overledenen en niet door anderen. Dit is net als de slapende persoon die in zijn droom ziet dat hij in een angstaanjagende en nauwe ruimte is, of in een grote en aangename plaats, terwijl anderen die hem zien zullen zeggen dat hij geen verandering ervaren heeft terwijl hij sliep en verbleef in zijn kamer onder de dekens van zijn bed. Ook de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) ontving soms de Openbaring terwijl hij bij zijn metgezellen was en hij hoorde de Openbaring, maar zijn metgezellen (moge Allaah tevreden zij met hen) hoorden niets. De engel nam soms ook de vorm aan van een mens en sprak tot de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), maar de metgezellen zagen of hoorden de engel niet.
  4. Het waarnemingsvermogen van de schepping is beperkt tot hetgeen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) hen in staat heeft gesteld waar te nemen en te begrijpen, en zij kunnen niet alles wat bestaat waarnemen en begrijpen. De zeven hemelen en de aarde en alles wat er in is verheerlijkt en prijst Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en soms laat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dit gehoord worden door iemand van Zijn schepping waarvan Hij wil dat hij het hoort, maar dit is iets wat normaal gesproken verborgen is voor ons. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt hierover: “De zeven hemelen en de aarde en wie er in hen zijn roepen Zijn Glorie uit en er is niets of het roept Zijn Glorie uit met Zijn lofprijzing en toch begrijpen jullie hun glorieroep niet...” [457] Evenzo zijn er shayaateen (duivels) en djinn op de aarde aanwezig, komend en gaand, en de djinn verzamelde zich in de aanwezigheid van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en luisterden rustig naar zijn recitatie en vervolgens vertrokken zij als waarschuwers voor hun volk. Ondanks dit zijn zij verborgen voor ons en kunnen wij hen niet waarnemen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt hierover: “O kinderen van Aadam, laat de Satan  jullie niet verzoeking brengen, zoals hij jullie voorouders (Aadam en Hawaa (Eva)) uit de Tuin heeft verdreven; hij nam hun kleding van hen weg om hen hun schaamte te tonen. Hij en zijn aanhangers zien jullie van waar jullie hen niet zien.Voorwaar, Wij hebben de Satans tot leiders gemaakt voor degenen die niet geloven.” [458]
  1. Aangezien de schepping niet alles kan waarnemen en begrijpen, is het niet toegestaan om de zaken van het Verborgene en Ongeziene die bevestigd zijn, maar welke zij niet kunnen waarnemen, te verwerpen.

[417] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 104.

[418] Soerat Al-Moe-eminoen (23), aayah 15-16.

[419] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe Ar-Raqaa-ieq: hoofdstuk, keyfa l-h’ashr; en Moesliem, Kietaaboe l-Djannah: hoofdstuk, Ad-Doenia wa bayaanoe l-Mah’asharie yewma l-Qiyaamah.

[420] Soerat Al-Moe-eminoen (23), aayah 115.

[421] Soerat Al-Qasas (28), aayah 85.

[422] Soerat Al-Ghaashiyah (88), aayah 25-26.

[423] Soerat Al-An’aam (6), aayah 160.

[424] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 47.

[425] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Madhzaaliem; en Moeslim, kietaaboe t-Tawbah: hoofdstuk, Qaboeloe tawbatie l-Qaatielie wa ien kathoera qatloeh.

[426] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe ﷺ‬-Raqaa-ieq: hoofdstuk, men hamma bieh’asanatien aw sayyie-ah; en Moeslim, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, Al-Israaa-eo bi n-nebiyyie (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) iela s-samaawaat.

[427] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 6-7.

[428] Overgeleverd door al-Boekhaarie en Moeslim.

[429] Soerat Al-Bayyinah (98), aayah 7-8.

[430] Soerat As-Sadjdah (32), aayah 17.

[431] Uitgeverij Momtazah heeft hierover een mooi boekje uitgegeven, “Een glimp van de binnenkant van de Hel” van Sheikh ‘Abdoer-Rah’maan Aboe l-Khaleq, wat bij de gelovigen de harten doet beven en de ogen vochtig maakt.

[432] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 131.

[433] Soerat Al-Kahf (18), aayah 29.

[434] Soerat Al-Ah’zaab (33), aayah 64-66.

[435] Deze reactie geeft aan hoe ver een ongelovigen afgedwaald was in het leven, tot het punt dat hij zich niet kan concentreren of herinneren.

[436] Soerat Al-An’aam (6), aayah 93.

[437] Soerat Ghaafir (40), aayah 46.

[438] Overgeleverd door Moesliem, Kietaaboe l-Djannah wa sefatoe na’iemieha wa ahlieha: hoofdstuk, ‘ardhoe maq’adie l-mayyiet miena l-djannatie awie n-naar ‘alay.

[439] Soerat Foesilat (41), aayah 30.

[440] Soerat Al-Waaqi’ah (56), aayah 83-89.

[441] Overgeleverd door Ah’mad 4/287, Aboe Daawoed Kietaaboe s-Soennah: hoofdstuk, Al-Mas-alatoe fie ‘adzaabie l-Qabr, Al-Haythamie in “Moedjma’ az-Zawaa-ied” 3/49-40, Aboe Na’iem in “Al-H’ielyah” 8/10, Ibn Abie Shaybah in “Al-Mosannaf” 3/374, Al-Adjoeriey in “As-Shari’ah” blz. 327 en Al-Haythamie heeft gezegd: “Overgeleverd door Ah’mad en zijn overleveraars verhalen authentieke overleveringen.

[442] Betreft de ongelovige die de engelen beantwoordt in het graf: “Dan klinkt een Stem uit de hoogte en zegt: “Mijn dienaar heeft gelogen, spreid dus de tapijten van het Vuur voor hem uit en open de poort van het Vuur voor hem!” Daarna komt er een hete wind naar hem toe, zijn graf wordt zo nauw voor hem, dat zijn ribben samengeperst worden.”

[443] Soerat At-Taghaaboen (64), aayah 7.

[444] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 55.

[445] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 55-56.

[446] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 72-73.

[447] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 243.

[448] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 259.

[449] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 260.

[450] Soerat Ar-Room (30), aayh 27.

[451] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 104.

[452] Soerat Yaa Sien (36), aayah 79.

[453] Soerat Foessilat (41), aayah 39.

[454] Soerat Qaaf (50), aayah 9-11.

[455] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Wodhoo-e: hoofdstuk, miena l-Kabaa-ierie en laa yestabri-a mien bewlihie; en Moeslim, Kietaaboe t-Tahaarah: hoofdstuk, ad-Dalieloe ‘ala nadjaasatie l-bawlie wa wodjoeboe l-istiebraa-ie mienhoe.

[456] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 42.

[457] Soerat Al-Israa-e (17), aayah 44.

[458] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 27. ● en het geloven in het lot (al-qadar) het goede en het slechte ervan. [131]

Het bewijs voor deze zes zuilen is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Het is geen vroomheid dat jullie je gezichten naar het oosten en het westen wenden, maar vroom is wie gelooft in Allaah en het Hiernamaals en de engelen en de Schriften en de profeten...” [459]

Het bewijs voor het lot dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, Wij hebben alle zaken volgens een bepaalde maatgeving geschapen.” [460]

[131] Al-Qadar (het lot, de voorbestemming) is “Allaah’s bepaling van de schepping, volgens Zijn Kennis dat aan alles vooraf ging, en volgens Zijn Wijsheid.” Geloof in al-qadar omvat vier zaken:

(1)   Men dient te geloven dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) altijd alles wist en voor eeuwig alles weet, zowel het algemene als de details, of het nu Zijn handelingen betreft of de handelingen van Zijn schepping.

(2)    Men dient te geloven dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) alles opgeschreven heeft in het Bewaarde Boek (al-Lawh’oe l-Mahfoedhz); en betreffende deze twee zaken zegt Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Weet jij niet dat Allaah weet wat er in de hemelen en op de aarde is? Voorwaar, dat is in een Boek (Lawh’oel-Mahfoedhz). Voorwaar, dat is voor Allaah gemakkelijk.” [461]

            Het is verhaald door ‘Abdoellah ibn ‘Amr ibn l-‘Aas (Radhya llaahoe ‘anhoe), dat de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd heeft: “Allaah schreef de bepaalde maten voor de gehele schepping vijftigduizend jaar voor de schepping van de hemelen en de aarde.” [462]

(3)   Men dient te geloven dat alles wat bestaat, volgens de Wil van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) bestaat, of het nu iets is betreft Zijn handelingen of de handelingen van de schepping. Betreft Zijn eigen handelingen zegt Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “En jouw Heer schept wat Hij wil en Hij verkiest (wie Hij wil)...” [463]


(4)   En Hij heeft gezegd: “...en Allaah doet wat Hij wil.”

En Hij heeft gezegd: “Hij is Degene Die jullie in de baarmoeder vorm geeft, hoe Hij wil...” [465

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt betreft de handelingen van de geschapen wezens: “...Indien Allaah dat gewild had, had Hij hen over jullie kunnen laten heersen, of jullie laten doden...” [466]

En Hij zei: “...En als Allaah het gewild had, dan hadden zij dat niet gedaan. Laat hen en wat zij verzinnen dus!” [467]

(5)   Men dient te geloven dat alles wat bestaat, geschapen is door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), zowel de wezens als hun eigenschappen en hun bewegingen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Allaah is de Schepper van alle dingen. Hij is over alle dingen Toezichthouder.” [468]

En Hij heeft gezegd: “...En Hij schiep alles en Hij bepaalt alles nauwkeurig.” [469]

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zei over de profeet Ibraahiem (Alayhie s-Salaam), dat hij tegen zijn volk zei: “Terwijl Allaah jullie heeft geschapen en wat jullie maken.” [470]

Geloof in het lot zoals we dat beschreven hebben, sluit het feit dat de dienaar een wil (qoedrah) heeft in die handelingen waarbij hij een keus heeft niet uit. Zowel de teksten van de sharie’ah als de realiteit waarvan getuigd wordt, bevestigen dit.

Betreft de teksten, Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt over hun wil: “...Laat wie wil daarom een terugkeer naar zijn Heer afleggen.” [471]

En Hij zei: “...komt dan tot jullie akkers (vrouwen) zoals jullie wensen...” [472]

En Hij zei over de eigen wil van de mens: “Vrees daarom Allaah volgens jullie vermogen...” [473]

En Hij zei: “Allaah belast niemand dan volgens zijn vermogen. Voor hem is (de beloning voor) wat hij doet en voor hem is (de bestraffing voor) wat hij doet...” [474]

Door de realiteit waarvan we getuigen, weet elk persoon dat hij beschikt over een wil en een vermogen. Hierdoor is hij in staat om een handeling te doen of te laten. Bovendien weet hij dat er een verschil is tussen de dingen die gebeuren met zijn wil, zoals lopen, en dingen die niet vrijwillig gebeuren, zoals het rillen van angst. De wil en het vermogen van een persoon bestaan door de Wil en het Vermogen/Macht van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa). Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voor wie van jullie het rechte (Pad) wil volgen). En jullie kunnen niets willen, behalve wanneer Allaah, de Heer der Werelden, het wil.” [475]

...En jullie kunnen niets willen, behalve wanneer Allaah, de Heer der Werelden, het wil.” [475]

Dit is omdat de gehele schepping een deel is van de Heerschappij van Allaah, de Meest Verhevene, en er is niets in zijn bestaan zonder Zijn Kennis en Wil.

Ook geeft het geloof in het lot zoals we dat beschreven hebben, een persoon niet een excuus om de verplichtingen in de steek te laten of om zonden te plegen, gebruikmaken van de verontschuldiging dat dit voor hem voorbestemd was. En dergelijke argument is nutteloos door een aantal redenen:

  1. De Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), Die zegt: “Degenen die deelgenoten (aan Allaah) toekenden, zullen zeggen: “Als Allaah het had gewild, dan hadden wij geen deelgenoten (aan Allaah) toegekend en evenmin onze vaderen, en hadden wij niet (dat wat toegestaan was) verboden verklaard.” Zo loochenden zij ook voor hen (de boodschappers), totdat zij Ons geweld proefden. Zeg (O Moh’ammed): “Hebben jullie kennis? Breng het dan naar buiten voor Ons. Jullie volgens slechts vermoedens en jullie liegen slechts.” [476]

Als er enig excuus voor hen was geweest in de voorbestemming, dan had Allaah geen bestraffing over hen doen neerdalen.

  1. De Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): (Wij zonden) boodschappers als brengers van verheugende tijdingen en als waarschuwers opdat de mens geen excuus tegenover Allaah zou hebben na de boodschappers. En Allaah is Almachtig, Alwijs.” [477] Als het lot een excuus zou zijn voor de zondaars, dan zou het niet weggenomen worden door het zenden van de boodschappers, aangezien hun slechte daden na het zenden van de boodschappers nog steeds in overeenstemming met het lot van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zouden zijn.
  2. Al-Boekhaarie levert over van ‘Aliy ibn Abie Taalib (Radhya llaahoe ‘anhoe), dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd heeft: “Er is niet één van jullie of zijn plaats in het Vuur of in het Paradijs is reeds opgeschreven.” Een man onder de mensen zei: “Dienen we ons er dan gewoon aan over te geven, O boodschapper van Allaah?” Hij antwoordde: “Nee, handel naar alles wat mogelijk is.” Toen reciteerde hij: “Wat betreft degene die geeft en (Allaah) vreest.” [478] [479]

Moeslim leverde dit over in de woorden: “Voor iedereen zal hetgeen waarvoor hij geschapen is gemakkelijk gemaakt worden.” [480]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) beval dus handelingen en verbood in activiteit en het overgeven aan de voorbestemming.

Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) gaf de dienaar geboden en verboden en belastte hem alleen met dat waar hij toe in staat is te verrichten. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Vrees daarom Allaah volgens jullie vermogen...” [481]

En Hij zei: “Allaah belast niemand dan volgens zijn vermogen...” [482]

Dus als een dienaar genoodzaakt zou zijn om (slechte) handelingen te verrichten, dan zou hij verplicht zijn om dat te vermijden wat voor hem onmogelijk is te vermijden – en dit is nutteloos. Daarom is het zo, dat als hij zich schuldig maakt aan een zonde door onwetendheid, vergeetachtigheid of doordat hij gedwongen werd, dan is dat geen zonde voor hem, want hij is geexcuseerd.

  1. De voorbestemming van Allaah is een verborgen geheim wat onbekend is totdat wat voorbestemd is uitkomt; terwijl de wil en begeerte van een persoon, betreffende zijn daden, iets is dat vooraf gaat aan zijn daden. Dus zijn wil om daden te verrichten is niet gebaseerd op het hebben van kennis over wat Allaah voorbestemd heeft. Aangezien dit het geval is, maakt het zijn poging om het lot als excuus te gebruiken ongeldig, omdat er voor een persoon geen bewijs is in iets wat men niet weet.
  2. We zien dat een persoon betreft zijn wereldse aangelegenheden, streeft om te zorgen voor datgene wat in zijn belang is en het probeert te verkrijgen; en in plaats daarvan probeert hij niet dat te verkrijgen wat niet in zijn belang is en excuseert zichzelf vervolgens hiervoor met het lot. Waarom keer hij zich dan af van datgene wat hem voordeel brengt betreft zijn religie, en in plaats daarvan doet hij datgene wat hem schaadt, en vervolgens gebruikt hij het lot als een excuus?! Zijn deze twee zaken niet hetzelfde?! We zullen een voorbeeld geven om dit te verduidelijken: als een persoon zou staan aan het begin van twee wegen, de ene leidt naar een land waar complete anarchie heerst, moorden en plundering, vernietiging van eigendom, angst en hongersnood. De andere weg leidt naar een land van complete orde, totale stabilieit en veiligheid, overvloed en waar mensen leven en bezittingen worden gerespecteerd. Welke weg zal hij dan nemen? Hij zal zeker de tweede weg nemen naar het land van orde en veiligheid. Het is onmogelijk dat enige persoon met een gezond verstand kiest voor de weg naar het land van anarchie en angst en dan het lot gebruikt als excuus. Waarom neemt hij dan betreffende zaken van het Hiernamaals de weg naar het Vuur en niet de weg naar het Paradijs en gebruikt hij het lot als zijn excuus?!
  1. Als een persoon de rechten zou schenden van iemand die het lot als een excuus gebruikt voor het nalaten van de verplichtingen of voor het verrichten van zonden, en vervolgens gebruikt deze persoon het lot als een excuus, zeggende: geef mij niet de schuld, aangezien mijn overtreding iets is dat voorbestemd was door Allaah. De persoon die het lot gebruikt als excuus zal het nu niet accepteren als er iemand zijn rechten schendt, maar hij gebruikt het wel als excuus voor zichzelf als hij de rechten van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) schendt?!

Betreffende dit is er overgeleverd dat een dief, die de betstraffing verdiende dat zijn hand geamputeerd zou worden, bij Amieroe l-Moe-eminien [483] ‘Oemar ibn al-Khattab (Radhya llaahoe ‘anhoe) gebracht werd, die beval dat zijn hand geamputeerd moest worden, maar de dief zei: “Wacht! O leider van de gelovigen, ik stal alleen maar door het lot van Allaah.” ‘Oemar antwoordde: “En wij amputeren jouw hand alleen maar door het lot van Allaah.”

Geloof in de voorbestemming geeft vele voordelen, zoals:

●      Vertrouwen op Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), na het nemen van de nodige maatregelen om een doel te bereiken; dus een persoon vertrouwt niet op de maatregelen zelf, aangezien alles gebeurt volgens het lot van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa).

●      Dat een persoon niet trots is op zichzelf als hij iets verkrijgt wat hij wil. Het verkrijgen van iets is een zegening geschonken door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en werd verkregen door goede maatregelen en succes wat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) voorbestemd had. Het trots zijn op zichzelf zal veroorzaken dat hij vergeet om Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dankbaar te zijn voor deze zegening.

●      Innerlijke rust en je op je gemak voelen met alles wat er gebeurt aangezien Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) het voor je voorbestemd heeft. Dus raakt hij niet verontrust door het feit dat hij iets niet verkrijgt waarvan hij houdt, noch door iets dat tot hem komt waarvan hij niet houdt. Dit alles gebeurt door de voorbestemming van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), aan Wie de Heerschappij over de hemelen en de aarde toebehoort. Het is iets dat zou gaan gebeuren en wat niet voorkomen had kunnen worden. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt hierover: “Er treft de aarde of julliezelf geen ramp, of het staat in een boek, voordat Wij het doen gebeuren. Voorwaar, dat is voor Allaah gemakkelijk. Opdat jullie niet zullen treuren over wat jullie is ontgaan en jullie niet opgetogen zullen raken over wat Hij jullie heeft gegeven. En Allaah houdt van geen enkele verwaande opschepper.” [484]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Hoe verbazingwekkend is de toestand van de gelovige, al zijn aangelegenheden zijn goed, en dit is slechts het geval bij de gelovige: als gemak hem treft dan is hij hier dankbaar voor, dus dat is iets goeds voor hem; en als ongemak hem treft dan is hij geduldig en dus is dat iets goeds voor hem.” [485]

Twee sekten zijn betreffende het lot afgedwaald:

(1)   De Djabriyyah – degenen die zeggen dat een persoon gedwongen is om zijn handelingen te verrichten en geen wil en vermogen heeft betreffende zijn handelingen.

(2)   De Qadariyyah – degenen die zeggen dat een persoon volledig onafhankelijk is en een onbeperkte vrije wil en vermogen heeft betreffende zin handelingen, en dat Allaah’s Wil en macht hier geen effect op hebben.

De weerlegging van de eerste groep (al-Djabriyyah) wordt gevonden in de teksten en de realiteit waarvan men getuigt. Betreft de teksten, Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) bevestigt de wil en begeerte en vermogen van de dienaar en schrijft handelingen aan hem toe. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...Er zijn er onder jullie die de wereld willen en onder jullie zijn er die het Hiernamaals willen...” [486]

En Hij zei: “En zeg (O Moh’ammed): “De Waarheid is van jullie Heer: dus wie wil, laat hem geloven; en wie wil, laat hem ongelovig zijn.” Voorwaar, Wij hebben voor de onrechtplegers het Vuur voorbereid, waarvan de rook hen als een tent omhult...” [487]

En Hij zei: “Wie goede werken heeft verricht, het is voor hemzelf; en wie kwade werken heeft verricht, hij is er verantwoordelijk voor. En jouw Heer is niet onrechtvaardig tegenover de dienaren.” [488]

Betreft de realiteit waarvan men getuigt: elk persoon kent het verschil tussen zijn handelingen die hij doet door zijn keuze, zoals eten, drinken, kopen en verkopen, en degenen die gebeuren zonder zijn wil, zoals het rillen veroorzaakt door koorts en het vallen van een dak. In de eertse voorbeelden handelde hij volgens zijn eigen wil en keus en werd hij niet gedwongen, en in de laatste koos hij niet, noch had hij een wil voor hetgeen hem overkwam.

Betreft de weerlegging van de tweede groep (al-Qadariyyah): die wordt gevonden in de teksten en het intellect. Betreft de teksten, Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) is de Schepper van alles en alles bestaat door Zijn Wil. Bovendien heeft Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) het duidelijk gemaakt in Zijn Boek, dat de handelingen van de dienaren gebeuren in overeenstemming met Zijn Wil. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...Als Allaah het gwild had, hadden degenen na hen (Moesa en ‘Iesa) niet met elkaar gevochten nadat de duidelijke tekenen tot hen waren gekomen, maar zij twistten: sommigen geloofden en sommigen van hen waren ongelovig. En als Allaah het gewild had, hadden zij niet met elkaar gevochten, maar Allaah doet wat Hij wil.” [489]

En de Verhevene zei: “En als Wij wilden, dan zouden Wij zeker iedere ziel haar Leiding geven (naar het ware geloof), maar het Woord is door Mij bepaald: “Ik zal de Hel zeker vullen met (de zondaren en ongelovigen van de) djinn en mensen, allemaal.” [490]

Betreft het intellect: de gehele schepping is het Rijk van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en de mens maakt deel uit van deze schepping en hij is een dienaar en het bezit van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en het is voor de dienaar niet mogelijk te handelen binnen de Heerschappij van de Eigenaar, behalve met Zijn Toestemming en Wil.

[459] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 177.

[460] Soerat Al-Qamar (54), aayah 49.

[461] Soerat Al-H’adj (22), aayah 70.

[462] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe l-Qadar: hoofdstuk, dziekroe h’oeddjaadjie Aadam wa Moesa ‘alayhiema s-Salaam.

[463] Soerat Al-Qasas (28), aayah 68.

[464] Soerat Ibraahiem (14), aayah 27.

[465] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 6.

[466] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 90.

[467] Soerat Al-An’aam (6), aayah 137.

[468] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 62.

[469] Soerat Al-Foerqaan (25), aayah 2.

[470] Soerat As-Saafaat (37), aayah 96.

[471] Soerat An-Nabaa-e (78), aayah 39.

[472] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 223.

[473] Soerat At-Taghaaboen (64), aayah 16.

[474] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 286. [475] Soerat At-Takwier (81), aayah 28-29.

[476] Soeat Al-An’aam (6), aayah 148.

[477] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 165.

[478] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe t-Tefsier.

[479] Soerat Al-Layl (92), aayah 5-10.

[480] Overgeleverd door Moesliem, Kietaaboe l-Qadar: hoofdstuk, keyfiyyatoe l-Khalqie l-Aadamiey.

[481] Soerat At-Taghaaboen (64), aayah 16.

[482] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 286.

[483] Amieroe l-Moe-eminien: leider der gelovigen. ‘Oemar ibn al-Khattaab (Radhya llaahoe ‘anhoe) was de tweede leider na Aboe Bakr As-Siddeeq (Radhya llaahoe ‘anhoe), die de eerste khaliefah (leider) werd na de dood van de profeet  (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

[484] Soerat Al-H’adied (57), aayah 22-23.

[485] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe z-Zoehdie wa ﷺ‬-Raqaa-ieq: hoofdstuk, Al-Moe-emienoe amroehoe koelloehoe khayr.

[486] Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 152.

[487] Soerat Al-Kahf (18), aayah 29.

[488] Soerat Foessilat (41), aayah 46.

[489] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 253.

[490] Soerat As-Sadjdah (32), aayah 13. Het derde niveau: Ih’saan. [133]

Ih’saan bevat maar één zuil en deze is “dat u Allaah aanbidt alsof u Hem ziet en hoewel u Hem niet ziet, weet dan dat Hij u zeker wel ziet.” Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, Allaah is met degenen die (Hem) vrezen en met degenen die weldoeners zijn (moeh’sinoen).” [491]

En Zijn Uitspraak: “En vertrouw op de Almachtige, de Meest Barmhartige. Degene Die jou ziet als jij staat (te bidden). En jou bewegingen (ziet) onder de knielenden. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende.” [492]

En Zijn Uitspraak: “En jij houdt je niet met een zaak bezig, en niets draag jij daarvoor van de Qor-aan voor, en jullie verrichten geen werk, of Wij zijn over jullie Getuigen wanneer jullie daarin verdiept zijn...” [493]

[133] Al-Ih’saan is het tegenovergestelde van je misdragen, en het betekent dat een persoon streeft om te doen wat goed is en om schadelijke dingen af te weren. Dus streeft hij ernaar om voordeel te brengen voor de dienaren/aanbidders van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) door zijn rijkdom, positie, kennis en zichzelf.

Betreft het goede doen met zijn rijkdom, dan geeft hij uit in liefdadigheid en betaalt zakaat, en het beste wat men kan doen met zijn rijkdom is het betalen van de zakaat, aangezien dit één van de vijf pilaren is van de Islaam en één van de grote fundamenten van de Islaam. De Islaam van een persoon is niet compleet zonder de zakaat. Het is de liefdadigheid waarvan Allaah (Azza wa Djal) het meeste houdt, en dit wordt gevolgd door hetgeen verplicht is voor een persoon om uit te geven aan zijn vrouw, moeder, vader, kinderen, broeders, zusters, kinderen van zijn broeders/zusters, ooms van vaderszijde, tantes van vaderszijde, tantes van moederszijde enz. Daarna door liefdadigheid dat gegeven wordt aan de armen en de rest die liefdadigheid verdienen, studenten naar kennis bijvoorbeeld.

Betreft het goede doen door iemands positie, als er iemand bij hem komt en vraagt om hulp, dan kan hij zijn positie gebruiken om voor iemand anders te bemiddelen, of om door de mogelijkheden die hij door zijn positie heeft, zowel iets schadelijks voor iemand anders te verhinderen of iets goeds voor hem te verkrijgen.

Betreft het goede doen met iemands kennis, hij kan dan streven om zijn kennis door te geven aan de dienaren van Allaah, in open en besloten bijeenkomsten. Zelfs als mensen bij elkaar zitten om een kopje koffie te drinken, behoort het tot goed gedrag dat hij de mensen onderwijst. En ook al is iemand in een openbare samenkomst, dan behoort het tot het goede dat hij de mensen onderwijst. Maar men dient wijsheid te handelen betreffende dit. Men dient de mensen niet te vervelen door het een gewoonte te maken door elke keer als je bij een bijeenkomst bent, de mensen te vermanen en aan te spreken. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gaf de mensen zo af en toe een vermaning en sprak hen zo nu en dan aan, en niet te vaak, omdat de zielen anders vermoeid en verveeld raken en wanneer zij verveeld raken dan worden zij willoos en zwak en kunnen zelfs een afkeer krijgen van wat goed is, alleen maar doordat ze te vaak worden aangesproken en gewaarschuwd. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei betreft het trachten voordeel te brengen voor de mensen door zichzelf: “...dat je een man helpt bij het bestijgen en berijden van zijn rijdier, of je tilt voor hem zijn bagage erop, dit is een liefdadigheid.” [494]


Je helpt deze man dus bij het dragen van zijn bagage, of je leidt hem naar de juiste weg die hij moet nemen enz. Dit alles behoort tot ih’saan. Dit is dus betreffende het streven om het goede te doen jegens de dienaren van Allaah.

Betreft ih’saan in de aanbidding van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), dit is dat je Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) aanbidt alsof je Hem ziet, zoals de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd heeft. Aanbidding die op deze manier verricht wordt, dus alsof men zijn Heer werkelijk ziet, is aanbidding die vergezeld gaat met een sterk verlangen. Een persoon zal dan ervaren dat zijn ziel hem aanmoedigt om Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) op deze manier te aanbidden, aangezien hij verlangt naar degene van wie hij houdt. Daarom aanbid hij Hem alsof hij Hem kan zien en richt hij zijn hart naar Hem en keert hij zich volledig naar Hem toe en tracht dichterbij Hem te komen, Degene Die vrij is van onvolkomenheden.

“En hoewel je hem niet ziet, Hij ziet jou zeker wel.”

Dit gedeelte toont de aanbidding tijdens het ontvluchten en vrezen aan en is daarom het tweede niveau van ih’saan. Dus als u Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) niet aanbidt alsof u Hem ziet en niet naar Hem verlangt, aanbid Hem dan met het feit in gedachte dat Hij u wel ziet. ﷻ‬ zult Hem dan aanbidden als iemand die Hem vreest en probeert Zijn vergelding en bestraffing te ontvluchten.

Degenen die kennis hebben over deze kwestie, zien dit niveau als lager dan het eerste niveau. Aanbidding van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) is zoals Ibn al-Qayyim (moge Allaah hem genadig zijn) gezegd heeft: “Aanbidding van de Meest Genadevolle is uiterste liefde voor Hem, samen met de overgave en nederigheid van de aanbidder, zij zijn de twee pilaren ervan.”

Dus aanbidding is gebouwd op deze twee zaken: uiterste liefde en uiterste nederigheid en overgave. Liefde veroorzaakt verlangen en streven, en nederigheid veroorzaakt angst en ontvluchting. Dit is ih’saan in de aanbidding van Allaah (Azza wa Djal). Als men Allaah op deze manier zou aanbidden dan zou hij niet wensen om in zijn aanbidding gezien te worden door de mensen, of dat men van hem hoort, noch wenst hij door hen geprezen te worden. Het zal voor hem hetzelfde zijn, of de mensen hem nu wel opmerken of niet.

Hij zal Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) in elke situatie met ih’saan aanbidden. Een deel van de voltooiing van zuiverheid en oprechtheid van aanbidding (al-ikhlaas), is dat een persoon probeert om niet gezien te worden door de mensen wanneer hij bezig is met aanbidding en dat zijn aanbidding een geheim is tussen hem en zijn Heer. Tenzij dat er voor de moslims of voor de Islaam een voordeel is dat hij zijn aanbidding openlijk verricht, bijvoorbeeld als hij een persoon is die gevolgd wordt en als voorbeeld genomen wordt. Hij wenst dan zijn aanbidding zichtbaar voor de mensen te maken zodat zij het als voorbeeld nemen om te volgen; of hij maakt zijn aanbidding zichtbaar zodat zijn metgezellen en vrienden zijn voorbeeld zullen volgen. Dit is dan iets goeds. Het voordeel wat hij hierdoor op zijn rekening krijgt kan groter zijn dan het voordeel dat hij krijgt als hij zijn aanbidding verborgen houdt. Daarom heeft Allaah (Azza wa Djal) degenen geprezen die zowel verborgen of openlijk uitgeeven in liefdadigheid. Dus wanneer de aanbidding beter is en meer voordeel geeft voor het hart en het naar meer nederigheid en ootmoed leidt tot Allaah, als het verborgen wordt verricht en wanneer men zich dan met meer aandacht naar Allaah keert, dan dient men het in het geheim te verrichten. Maar wanneer het openlijk verrichten  van aanbidding meer voordeel brengt voor de Islaam, door de zichtbaarheid van de voorgeschreven handelingen, en wanneer de mensen het voorbeeld van deze persoon gaan volgen, dan verricht men het openlijk. De gelovige kijkt naar wat het meest geschikt is.

Het bewijs uit de Soennah is de algemeen bekende h’adieth van de engel Djibriel (Alayhie s-Salaam) die overgeleverd is door ‘Oemar (Radhya llaahoe ‘anhoe) dat hij zei: “Terwijl wij op een dag bij de boodschapper van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zaten, kwam er een man naar ons, in zeer witte kleren en met pik zwarte haren, aan wie niet te merken was dat hij gereisd had en niemand van ons kende hem. Hij kwam en ging bij de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zitten, met zijn knieën tegen zijn knieën en plaatste zijn handen op zijn dijen en zei: “O Moh’ammed, informeer mij over Islaam? De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) antwoordde: “Islaam is dat je getuigt dat er niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah en dat Moh’ammed de boodschapper van Allaah is, dat je het gebed verricht, de zakaat betaalt, tijdens de Ramadhaan vast en de bedevaart (h’adj) naar het Huis Verricht als je daartoe in staat bent.” Hij zei: “ﷻ‬ heeft de waarheid gesproken.” Wij waren verbaasd dat hij hem eerst iets had gevraagd en daarna het antwoord bevestigde. Daarna zei hij: “Informeer mij over Imaan?” Hij antwoordde: “Het houdt in dat je gelooft in Allaah, in Zijn engelen, in Zijn Boeken, in Zijn profeten en in de Laatste Dag en dat je gelooft in het lot, zowel het goede als het slechte.” Hij zei: “ﷻ‬ heeft de waarheid gesproken.” Hij zei: “Informeer mij over Ih’saan?” Hij antwoordde: “Dit is dat je Allaah aanbidt alsof je hem ziet en hoewel je hem niet ziet, Hij ziet jou zeker wel.” Toen zei hij: “Informeer mij over het (Laatste) uur?” Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) antwoordde: “Degene die hierover gevraagd wordt weet niet meer dan degene die vraagt.” Vervolgens zei hij: “Informeer mij dan over de tekenen ervan?” Hij antwoordde: “Dat de slavin haar meester zal baren, en dat je de op blote voeten lopende, naakte en behoeftige schaapherders met elkaar ziet wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen.” Hierna ging hij (de vreemdeling, Djibriel (Alayhie s-Salaam)) weg en we bleven daar enige tijd zitten, totdat hij (de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam)) vroeg: “O ‘Oemar, weet jij wie die vragensteller was?” Ik antwoordde: “Allaah en Zijn boodschapper weten het beste.” Hij zei: “Dat was Gabriel, hij kwam naar jullie om jullie je godsdienst (Dien) te leren.” [495]

[491] Soerat An-Nah’l (16), aayah 128.

[492] Soerat Ash-Shooraa-e (26), aayah 217-220.

[493] Soerat Yoenoes (10), aayah 61.

[494] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Djihaad: hoofdstuk, fadhloe men h’amala mataa’a saah’iebieh; en Moeslim, Kietaaboe z-Zakaat: hoofdstuk, bayaanoe anna isma s-Sedqe yaqa’oe fie koellie naw’ien miena l-ma’roof.

[495] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, Al-Imaanoe wa l-Islaam. Het merendeel van deze h’adieth is al uitgelegd in dit boek en we hebben een uitleg ervan gegeven in “Madjmoo’oe l-Fataawaa wa ﷺ‬-Rasaa-il” (d.w.z. van sheikh Ibn Saalih’ al-‘Oethaymien) 3/143. Het derde grondbeginsel: het kennen van de profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). [134]

[134] De drie grondbeginselen die elke persoon dient te kennen en bewust van moet zijn, zijn kennis over zijn Heer, zijn religie en zijn profeet. De kennis van de dienaar over zijn Heer en zijn religie is hiervoor al uitgelegd. Betreft de kennis over de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), dit omvat vijf zaken:

(1)   Kennis over zijn afkomst: hij is de edelste van de mensen in afkomst, aangezien hij Haashimie was, van de Qoeraysh, en een Arabier. Hij was: Moh’ammed ibn (de zoon van) ‘Abdoellah ibn ‘Abdoel-Moettalib ibn Haashim – tot het einde van de afkomst zoals genoemd is door de sheikh, (moge Allaah hem genadig zijn).

(2)   De leeftijd die hij bereikte, waar hij geboren is en waar hij naar toe migreerde. De sheikh legde dit uit met zijn woorden: “En hij bereikte een leeftijd van drieënzestig jaar, zijn gebied was Mekkah en hij migreerde naar al-Madienah.” Hij werd dus in Mekkah geboren en verbleef daar drieënvijftig jaar. Toen migreerde hij naar al-Madienah en verbleef daar tien jaar. Daar stierf hij in de maand van Rabie’oe l-Awwal in het elfde jaar na de Hidjrah.

(3)   Kennis over zijn leven als profeet en dit was voor een periode van drieëntwintig jaar. De Openbaring kwam voor het eerst tot hem toen hij veertig jaar was, zoals 1 van zijn poëten zei: “Veertig jaren kwamen tot hem en toen scheen het zonlicht van profeetschap voor hem in de maand Ramadhaan.”

(4)   Hij is een profeet en daarna een boodschapper? Hij was een profeet (Nabiyy) aangezien de Woorden van Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) tot hem kwamen: “Lees voor! In de naam van jouw Heer, Die heeft geschapen. Hij heeft de mens geschapen van een bloedklomp. Lees voor! En jouw Heer is de Meest Edele. Degene Die onderwezen heeft met de pen. Hij heeft de mens onderwezen wat hij niet wist.” [496]

(5)   Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) werd een boodschapper (Rasool) toen de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) tot hem kwamen: “O jij ommantelde. Sta op en waarschuw. En prijs de grootheid van jouw Heer. En reinig jouw kleding. En vermijd de zondigheid. En geef niet om meer te ontvangen. En wees geduldig omwille van jouw Heer.” [497]

Dus stond hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) op en waarschuwde en bewerkstelligde dat wat Allaah (Azza wa Djal) hem bevolen had.

De geleerden zeggen betreffende het verschil tussen een boodschapper (Rasool) en een profeet (Nabiyy): een profeet is iemand aan wie een Geopenbaarde Wetgeving is gegeven door Openbaring, maar niet werd bevolen het bekend te maken, terwijl een boodschapper iemand is wie een Geopenbaarde Wetgeving is gegeven door Allaah en hij werd bevolen dit bekend te maken en er naar te handelen.

Dus iedere boodschapper was een profeet, maar niet iedere profeet was een boodschapper.

(6)   Wat was de boodschap waar hij mee werd gezonden en waarom werd het gezonden? Hij werd gezonden om te roepen naar tawh’ied van Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en Zijn geopenbaarde Wetgeving – wat bestaat uit het doen wat Hij bevolen heeft en het vermijden van wat Hij verbood. Hij werd gezonden als een genade voor de gehele schepping, om hen uit de onderdrukkende duisternis van shirk (het aanbidden van iets naast Allaah), koefr (ongeloof) en onwetendheid (Djahl) te leiden, en hen te leiden naar het licht van kennis, waar geloof (Imaan) en tawh’ied (de pure aanbidding van alleen Allaah) – zodat zij hierdoor de Vergeving en Tevredenheid van Allaah zouden verkrijgen en dus gered zouden worden van Zijn bestraffing en Woede.

[496] Soerat Al-‘Alq (96), aayah 1-5.

[497] Soerat Al-Moedaththier (74), aayah 1-7. Hij is Moh’ammed ibn (zoon van) ‘Abdoellah ibn ‘Abdoel-Moettalib ibn Haashim. Haashim behoorde tot de stam van Qoeraysh en Qoeraysh behoorde tot de Arabieren. De Arabieren zijn de afstammelingen van Ismaa’iel (Alayhie s-Salaam), de zoon van Ibraahiem (Alayhie s-Salaam) – de gekozen persoon die geliefd is (khaliel) bij Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa). Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) leefde 63 jaar, waarvan 40 jaar voor de de periode van zijn profeetschap en 23 jaar heeft hij als profeet en boodschapper geleefd. Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) werd als profeet aangesteld door de openbaring van “iqraa-e”: “lees” (Soerat al-‘Alaq (96)), en als boodschapper door (Soerat) Al-Moeddatthir (74). Hij werd geboren te Mekkah en emigreerde (hidjrah) naar Al-Madinah. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft hem gestuurd om tegen shirk (afgoderij) te waarschuwen en om tot tawh’ied (monotheïsme) uit te nodigen. [135]

Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “O jij ommantelde. [136] Sta op en waarschuw. [137] En prijs de grootheid van jouw Heer. En reinig jouw kleding. En vermijd de zondigheid. En geeft niet om meer te ontvangen. En wees geduldig omwille van jouw Heer.” [498]

De betekenis van “Sta op en waarschuw” is het waarschuwen tegen shirk en het oproepen tot tawh’ied. “En prijs de grootheid van jouw Heer” betekent Hem prijzen en aanbidden door tawh’ied toe te passen. “En reinig jouw kleding” betekent je daden reinigen van shirk (shirk vermijden). “En vermijd de zondigheid wa ﷺ‬-roedjza fahdjoer’, ar-roedjz, betekent de standbeelden (afgoden) en hadjr van hen betekent hen mijden en er afstand van nemen en van degenen die ze aanbidden.

Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) bleef tien jaar uitnodigen naar tawh’ied [138]. Na het 10de jaar maakte hij de reis naar de hemelen (de mi’raadj) [139],...

[135] D.w.z. hen te waarschuwen tegen shirk en hen op te roepen tot de tawh’ied van Allaah (Azza wa Djal), in Zijn Heerschappij (ar-Roeboobiyyah), Zijn recht om alleen aanbeden te worden (al-Oeloohiyyah), en Zijn Namen en Eigenschappen (al-Asmaa-e wa s-Sefaat).

[136] Het bevel is hier voor de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

[137] Allaah (Azza wa Djal) beveelt zijn profeet om actief en gestimuleerd op te staan en de mensen te waarschuwen tegen shirk en zijn consequenties, de Sheikh heeft deze aayah al uitgelegd.

[138] De betekent dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) 10 jaar de mensen bleef oproepen tot de tawh’ied van Allaah (Azza wa Djal), zodat de mensen Hem alleen zouden aanbidden met al hun aanbidding.

[139] al-‘Oeroodj – wat opstijgen betekent, zoals voorkomt in de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): (Waarvandaan) de engelen en de Geest (Djibriel) tot Hem opstijgen (ta’roedj)...” [499]

De Nachtelijke Hemelvaart (Mi’raadj) was 1 van de grote zegeningen die Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) voor zijn profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft doen neerdalen, voordat hij uit Mekkah migreerde. Terwijl hij sliep in het vrijstaand deel van de Ka’bah (al-H’idjr) kwam er iemand naar hem toe en sneed zijn lichaam tussen zijn keel en onderbuik open. Vervolgens nam hij zijn hart eruit en vulde het met wijsheid en Imaan, om hem voor te bereiden op wat hem te wacten stond. Toen kwam er een wit dier tot hem – al-Boeraaq genaamd – kleiner dan een muildier en groter dan een ezel. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) besteeg het en werd begeleid door Djibriel (Alayhie s-Salaam) – de Betrouwbare. Hij kwam in Jeruzalem en bad samen met de profeten en hij leidde alle profeten en boodschappers, die achter hem baden, in het gebed. Dit toont de voortreffelijkheid van de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) aan en zijn edelheid en dat hij de imaam is die gevolgd dient te worden. Vervolgens steeg Djibriel (Alayhie s-Salaam) samen met hem op naar de laagste hemel en vroeg toestemming om er binnen te gaan. Er werd gezegd: “Wie is daar?” Hij zei: “Djibriel.” Er werd gezegd: “En wie is er bij jou?” Hij zei: “Moh’ammed.” Er werd gezegd: “Is hij geroepen?” Hij zei: “Ja.” Er werd gezegd: “Welkom, wat een uitstekende bezoeker is hij die gekomen is.” Dus toegang werd hem verleend en hij vond daarin Aadam. Djibriel zei: “Dit is jouw voorvader Aadam, dus groet hem met salaam.” Dus groette hij hem en hij antwoordde hem met salaam en zei: “Welkom, o rechtschapen zoon en rechtschapen profeet.” Aan de rechterzijde van Aadam waren de zielen van degenen die gelukkig zullen zijn en aan zijn linkerzijde waren de zielen van degenen die naar de vernietiging zullen gaan, van zijn nakomelingen. Dus toen hij naar rechts keek was hij verheugd en lachte, en toen hij naar links keek huilde hij. Vervolgens steeg Djibriel met hem op naar de tweede hemel en vroeg toestemming om er binnen te gaan. Daar vond hij Yah’ya en ‘Iesa (vrede zij met hen) en zij zijn neven van moederszijde – elk van hen was een zoon van de ander zijn tante van moederszijde. Djibriel zei: “Dit is Yah’ya en ‘Iesa, dus groet hen met de begroeting van salaam.” Dus groette hij hen met salaam en zij antwoordden met deze begroeting van salaam, en zeiden: “Welkom, o rechtschapen broeder en rechtschapen profeet.” Vervolgens steeg Djibriel met hem op naar de derde hemel en vroeg toestemming om er binnen te gaan. Daarin vond hij Yoesoef (Alayhie s-Salaam) en Djibriel zei: “Dit is Yoesoef, dus groet hem met salaam.” Dus groette hij hem met salaam en hij antwoordden met deze begroeting, en zei: “Welkom, o rechtschapen broeder en rechtschapen profeet.” Vervolgens steeg Djibriel met hem op naar de vierde hemel en vroeg om toestemming om er binnen te gaaan. Daarin vond hij Idries (Alayhie s-Salaam) en Djibriel zei: “Dit is Idries, dus groet hem met salaam, en zei: “Welkom, o rechtschapen broeder en rechtschapen profeet.” Vervolgens steeg Djibriel met hem op naar de vijfde hemel en vroeg toestemming om er binnen te gaan. Daarin vond hij Haaroen ibn ‘Imraan (Alayhie s-Salaam), de broer van Moesa (Alayhie s-Salaam), en Djibriel zei: “Dit is Haaroen, dus groet hem met salaam.” Dus groette hij hem met salaam en hij antwoordde hem met salaam, en zei: “Welkom, o rechtschapen broeder en rechtschapen profeet.” Vervolgens steeg Djibriel met hem op naar de zesde hemel en vroeg toestemming om er binnen te gaan. Daarin vond hij Moesa (Alayhie s-Salaam) en Djibriel zei: “Dit is moesa, groet hem met salaam.” Dus groette hij hem met salaam en hij antwoordde hem met de begroeting van salaam, en zei: “Welkom, o rechtschapen broeder en rechtschapen profeet.” Toen hij verder ging begon Moesa te huilen, en er werd gezegd: “Wat is de oorzaak dat jij moet huilen?” Hij antwoordde: “Ik huil omdat er na mij een jonge man als boodschapper werd gezonden, en van zijn volk zullen er meer het Paradijs binnengaan dan van mijn volk.” Moesa huilde vanwege het verdriet omdat zijn volk verdiensten had gemist en niet vanwege jaloezie op het volk van Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Vervolgens steeg Djibriel met hem op naar de zevende hemel en vroeg toestemming om er binnen te gaan. Daarin vond hij Ibraahiem (Alayhie s-Salaam), de uitverkorene en geliefde van de Meest Genadevolle. Djibriel zei: “Dit is jouw voorvader Ibraahiem, groet hem met salaam.” Dus groette hij hem met salaam en hij antwoordde hem met salaa, en zei: “Welkom, o rechtschapen zoon en rechtschapen profeet.”

Djibriel bracht de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) naar al deze profeten als een eerbewijs voor hem en om zijn verhevenheid en voortreffelijkheid duidelijk te maken. Ibraahiem (Alayhie s-Salaam) rustte met zijn rug tegen het Vaak Bezochte Huis (al-Baytoe l-Ma’moor) in de zevende hemel, waar elke dag zeventigduizend engelen binnekomen voor aanbidding en om er te bidden, en wanneeer zij dan daar van weg gaan komen zij er niet meer terug. De volgende dag komen er meer engelen – wiens aantal alleen door Allaah geteld kunnen worden – en gaan er binnen. Vervolgens werd de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) opgeheven naar de verste lotusboom (s-Sidratoe l-Moentahaa) en door het bevel van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) was het zo gweldig en mooi, dat niemand in staat zou zijn de schoonheid ervan te beschrijven. Toen maakte Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) vijftig gebeden verplicht voor hem (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), voor elke dag en nacht. Hij was hier tevreden mee en onderwerp zich hier aan. Vervolgens daalde hij af totdat hij bij Moesa kwam, die zei: “Wat maakte jouw Heer verplicht voor jouw volk?” Hij zei: “Vijftig gebeden voor elke dag en nacht.” Hij zei: “Jouw volk zal niet in staat zijn dit te dragen. Ik heb ervaring met de mensen voor jou en het kostte me heel veel moeite met Banie Israa-iel. Ga terug naar jouw Heer en verzoek Hem om vermindering voor jouw volk.” De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: “Ik ging dus terug en er werden er tien in mindering gebracht.”  Hij bleef terugkeren naar zijn Heer totdat de verplichting vastgesteld werd op vijf gebeden. Toen werd er gezegd: “Ik heb Mijn verplichting verordend en heb de last van Mijn dienaren verminderd.”

In deze nacht is de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) ook het Paradijs binnengegaan en zag koepels van parels en hij zag dat de aarde van muskus was. Tenslotte daalde de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) naar beneden en keerde terug naar Mekkah in de periode van net na de zonsopgang en hij bad het zonsopgang (Soebh’/Fadjr) gebed. [500]

[498] Soerat Al-Moedaththier (74), aayah 1-7.

[499] Soerat Al-Ma’aaridj (70), aayah 4.

[500] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe bed-ie l-khalq: hoofdstuk, dziekroe l-Malaa-iekah; en Moesliem, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, Al-Israa-oe bierasoelie llaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) wa fardhie s-Salawaat. …waarbij de vijf gebeden verplicht werden gesteld. Hij heeft het gebed drie jaar lang in Mekkah verricht [140] en werd daarna bevolen om te migreren naar Al-Madinah (de hidjrah). [141]

[140] Daar bad hij de gebeden die nu bestaan uit vier raka’aat [501], met rak’atain (twee raka’aat). Nadat hij migreerde naar al-Madinah, bleef het reizigersgebed zoals het was en werd het gebed van de inwoner vermeerderd.

[141] Allaah (Azza wa Djal), de Almachtige en Majesteitelijke, beval Zijn profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) te migreren naar al-Madinah, aangezien de mensen van Mekkah hem verhinderden zijn uitnodiging te verrichten. In de maand Rabie’oe l-Awwal van het dertiende jaar van zijn profeetschap, bereikte de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) de stad die al-Madienah genoemd werd. [502] Hij migreerde uit Mekkah, het gebied waar de Openbaring voor het eerst tot hem kwam en het meest geliefde land voor Allaah en Zijn boodschapper. Hij verliet Mekkah met de toestemming van zijn Heer, nadat hij de mensen van Mekkah dertien jaar lang uitgenodigd had en de Openbaring die naar hem werd gezonden door zijn Heer bekend gemaakt had en hen met duidelijke bewijzen hier naar uitgenodigd had. Maar hij kreeg van de meeste mensen van Qoeraysh en hun leiders afwijzingen, verstoting en ernstig kwaad, verricht door hun handen, voor zichzelf en degenen die in hem geloofden. Op een gegeven moment hadden zelfs gepland om de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) te vermoorden, uit wilden voeren. Hun leiders kwamen in Daaroe n-Nadwah bijeen om elkaar te raadplegen over wat men moest doen met de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Zij zagen dat zijn metgezellen (moge Allaah tevreden zijn met hen) gemigreerd waren naar al-Madienah en dat hij zeker naar hen toe zou gaan waar hij de hulp en bijstand van de Ansaar zou vinden – degenen die hem beloofd hadden hem te beschermen zoals zij hun eigen zonen en vrouwen zouden hem beschermen. Als dit zou gebeuren, dan zou er een grote krijgsmacht gevormd worden tegen de Qoeraysh. Aangezien dit de situatie was, bracht de vijand van Allaah, Aboe Djahl, het idee naar voren dat elke stam 1 sterke jongeman zou kiezen, hen verzamelen en elke jongeman een scherp zwaard geven, zodat zij gezamenlijk Moh’ammed aan zouden vallen en hem samen vermoorden. Hierdoor zouden ze van hem verlost worden en bovendien zou de verantwoordelijkheid van het laten vloeien van zijn bloed gelijk verdeeld worden onder de stammen, zodat Banoe ‘Abdie Manaaf – de verwanten van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) – niet in staat zou zijn hen allen te bevechten om wraak te nemen. Zij zouden dan bloedgeld moeten aanvaarden.

Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) informeerde Zijn profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) over hetgeen de moeshrikien van plan waren, en Hij gaf hem toestemming om te migreren naar al-Madinah. Aboe Bakr (Radhya llaahoe ‘anhoe) had zich voorheen al voorbereid om te migreren naar al-Madinah, maar de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) had hem gezegd te wachten omdat hij zelf ook hoopte op toestemming om te migreren. Aboe Bakr (Radhya llaahoe ‘anhoe) bleef vervolgens om de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) te vergezellen. ‘Aaishah (moge Allaah tevreden met haar zijn) heeft gezegd: “Terwijl we in het huis van Aboe Bakr (haar vader) waren ten tijde van de middaghitte, kwam de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en klopte op de deur. Aboe Bakr zei: “Moge mijn moeder en vader losgeld voor hem zijn, bij Allaah, het moet iets ernstigs zijn dat zorgt dat hij op deze tijd komt.” De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) kwam binnen en zei tegen Aboe Bakr: “Laat iedereen die bij jou is naar buiten vertrekken.” Hij zei: “Het is alleen uw familie (uw vrouw) – moge mijn vader en moeder losgeld voor u zijn.” De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: “Mij is toestemming gegeven om te vertrekken.” Aboe Bakr zei: “Moet ik u vergezellen, o boodschapper van Allaah?” Hij antwoordde: “Ja.” Hij zei: “O boodschapper van Allaah, neem dan 1 van de twee rijdieren van mij.” De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: “Met betaling.” De boodschapper van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) vertrok vervolgens met Aboe Bakr en zij verbleven drie nachten in een grot in de berg van Thawr. ‘Abdoellah ibn Abie Bakr was een intelligente en alerte jonge man die tijdens de nachten keerde hij terug naar Mekkah om gedurende de dag onder Qoeraysh te zijn. Zo kon hij horen of Qoeraysh over de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en zijn metgezel (Radhya llaahoe ‘anhoe) spraken, en wanneer het nacht werd ging hij er naar hen toe om hen op de hoogte te brengen van alles wat er gezegd werd Qoeraysh begonnen overal te zoeken naar de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en streefde ernaar om hem te pakken op alle mogelijke manieren. Zij verklaarden zelfs dat een ieder die hen zou brengen, of 1 van hen, een beloning zou ontvangen van honderd kamelen. Maar Allaah (Azza wa Djal) hielp hen en beschermde hen. Qoeraysh stonden zelfs bij de ingang van de grot, maar zagen hen niet. Aboe Bakr (Radhya llaahoe ‘anhoe) zei: “Ik zei tegen de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) toen we in de grot waren: als 1 van hen naar zijn voeten zou kijken, dan zou hij ons zien.” Hij antwoordde: “Wees niet bevreesd, want Allaah is met ons. Wat denk jij, o Aboe Bakr, over twee wanneer de derde Allaah is?” [503] Toen het zoeken wat afnam verlieten ze beide de grot, na drie nachten, en vertrokken richting al-Madinah via de kustroute.

Toen de mensen van al-Madienah, de Moehaadjirien (migranten) en de Ansaar, hoorden dat de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) Mekkah verlaten had, gingen zij elke ochtend naar Al-H’arrah vlakte om de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en degenen die hem vergezelde op te wachten. Zij keerden alleen terug naar hun huizen als de hitte van de zon hen terug dreef. Op de dag dat de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) arriveerde, stond de zon hoog in de lucht en de temperatuur was zeer hoog, de mensen waren teruggekeerd naar hun huizen. Een jood, die op de top van 1 van hun forten was, keek uit naar iets en zag de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en zijn metgezellen komen uit de luchtspiegeling van de woestijn. Hij kon zichzelf niet beheersen en schreeuwde zo hard hij kon: “O Arabieren! Hier is jullie grote man op wie jullie gewacht hebben.” Dus de moslims haastten zich om de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) te ontmoeten, hun wapens dragend, zowel als eer en respect voor de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en om aan te geven dat zij klaar waren om de djihaad te voeren om hem te verdedigen, moge Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) tevreden zij met hen. Zij ontmoetten hem op de top van de Al-H’arrah vlakte en hij ging met hen naar rechts en kwamen met Banoe ‘Amr ibn ‘Awf aan in Qoebaa-e. Hij verbleef een paar nachten onder hen en bouwde de moskee. Daarna ging hij verder naar al-Madinah en de mensen gingen met hem mee en anderen sloten zich onderweg bij hen aan. Aboe Bakr (Radhya llaahoe ‘anhoe) zei: “Toen we aankwamen in al-Madinah, kwamen de mensen naar buiten op de straat en op de huizen, zelfs de jongetjes en de bedienden, en zij zeiden: Allaah is de grootste, de boodschapper van Allaah is gekomen, Allaah is de grootste, Moh’ammed is gekomen.”

[501] Rak’ah: 1 volledig deel van het gebed, bestaande uit staan (qiyaam), buigen (roekoe’) en knielen (sadjdah). De meervoudsvorm is raka’aat en de tweevoudsvorm is rak’atain.

[502] De stad, die oorspronkelijk Yathrib heette, werd na de komst van de profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) Al-Medieneh an-Nabawiyyah, stad der profeet, genoemd, kortweg: al-Medienah.

[503] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe Fadhaa-ielie s-Sah’aabah: hoofdstuk, manaaqieb al-Moehaadjierien wa fadhliehiem; en Moesliem, Kietaaboe fadhaa-ielie s-Sah’aabah: hoofdstuk, fadhaa-ieloe Abie Bakrien as-Seddeeq (Radhya llaahoe ‘anhoe). Hidjrah is de migratie uit het land van shirk naar het land van Islaam. [142] Hidjrah van het land van shirk naar het land van Islaam is een plicht voor deze oemmah [143] en deze zal blijven bestaan tot aan het Laatste Uur. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, (tot) degenen waarvan de zielen door de engelen worden meegenomen, en die onrechtvaardig tegenover zichzelf waren, zeggen zij: “In wat voor toestand waren jullie (toen jullie stierven)?” Zij zeggen: “Wij waren de onderdrukten op aarde.” Zij (de engelen) zeggen: “Was de aarde van Allaah niet (zo) uitgestrekt dat jullie daarop hadden kunnen uitwijken?” Zij zijn degenen wiens verblijfplaats de Hel is. En het is de slechtste bestemming! Behalve de onderdrukten van de mannen en de vrouwen en de kinderen die niet tot macht in staat zijn, en die geen weg kunnen vinden. Zij zijn het van wie Allaah hopelijk (de fouten) zal uitwissen. En Allaah is Vergevend, Vergevensgezind.” [504] [144]

[142] Al-Hidjrah komt taalkundig voort uit al-hadjr, wat betekent: verlating/achterlating, het in de steek laten. Betreft de betekenis in de Sharie’ah, dat is wat de sheikh heeft gezegd: “Migratie uit het land van shirk naar het land van Islaam.” Het land van shirk is het land waar de tekenen die shirk kenbaar maken goedgekeurd worden; en de tekenen die de Islaam kenbaar maken, zoals de adzaan, het gezamenlijke gebed, de gebeden van de ‘Eed (de twee feesten) en het Djoemoe’ah gebed (vrijdaggebed), zijn niet gebruikelijk en niet algemeen ingesteld. Deze landen waren door de tekenen van Islaam, die door de moslimminderheden daarin worden ingesteld, niet de landen van Islaam. Betreft het land van Islaam, dit is het land waar deze tekenen gebruikelijk en algemeen ingesteld zijn.

[143] Het is verplicht voor elke gelovige om de hidjrah te verrichten, als men niet in staat is zijn religie (Dien) kenbaar te maken (te praktiseren) in het land van de ongelovigen.

Als iemand niet in staat is om zijn religie kenbaar te maken (te praktiseren), dan is zijn religie niet compleet totdat hij de hidjrah verricht. Dit is vanwege het feit dat alles wat nodig is om een verplichting te bereiken, zelf een verplichting is.

[144] Deze aayah bevat bewijs dat degene die niet migreert terwijl hij daar wel toe in staat is, berispt wordt door de engelen die hun zielen nemen en zij zullen tegen hen zeggen: “Was de aarde van Allaah niet uitgestrekt genoeg voor jou om er in te migreren?” Maar voor de zwakkere die niet in staat zijn te migreren, Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) hen vergeven in verband met hun onvermogen om te migreren, en Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) belast niemand met een grotere last dan zijn ziel kan dragen.

[504] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 97-99. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt ook: “O Mijn dienaren die geloven: voorwaar, Mijn aarde is wijd, aanbidt daarom slechts Mij.” [505]

Al-Baghawie (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: “Deze aayah werd geopenbaard betreffende de moslims die in Mekkkah waren en niet niet migreerden; Allaah riep hen aan namens de Imaan (geloof).” [145]

Het bewijs uit de Soennah voor de hidjrah, is dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “De hidjrah zal niet ophouden totdat berouw tonen ophoudt, en berouw zal niet ophouden totdat de zon opkomt vanuit zijn plaats van ondergang (d.w.z. het westen).” [506] [146]

[145] In het geval dat de sheikh (moge Allaah hem genadig zijn) citeert van Al-Baghawie, dan noemt hij kennelijk de betekenis van dit citaat, omdat wat genoemd is betreffende de uitleg van deze aayah, niet gevonden wordt in de Tefsier van Al-Baghawie met deze woorden.

[146] Dit zal zijn wanneer de acceptatie van rechtschapen daden tot een einde zal komen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...Op de Dag dat een deel van de tekenen van jouw Heer komt, zal het geloof van iemand niets baten wanneer hij daarvoor niet geloofde of niets goeds verrichte toen hij geloofde...” [507]

De betekenis hier van “een deel van de tekenen van jouw Heer” is het opkomen van de zon uit het westen.

We zullen nu de voorschriften noemen betreffende het reizen naar het land van ongeloof. Reizen naar de landen van de ongelovigen is niet toegestaan, tenzij er aan drie voorwaarden wordt voldaan:

(1)   Dat een persoon kennis heeft om twijfels te weerstaan.

(2)   Dat hij een persoon is die zich dermate aan de religie vast houdt, zodat dit voorkomt dat hij toegeeft aan begeerten.

(3)   Dat hij een noodzaak heeft om te gaan.

Als deze drie voorwaarden niet aanwezig zijn, dan is het niet toegestaan om te reizen naar de landen van de ongelovigen, in verband met de beproevingen en verleiding naar het kwaad dat het met zich meebrengt of waarvoor men vreest. Het kan ook leiden naar verspilling van rijkdom, aangezien een persoon een grote hoeveelheid geld moet uitgeven op zulke reizen.

Maar als er een noodzaak is, bijvoorbeeld in verband met een medische behandeling of om bepaalde kennis te verkrijgen wat in eigen land niet te verkrijgen is, en als hij een peroson met kennis is en hij houdt zich vast aan de religie, zoals we hebben beschreven, dan is er geen kwaad in.

Maar betreft het reizen naar het land van de ongelovigen voor toerisme, dit is geen noodzaak. Het is mogelijk om in plaats hiervan te gaan naar de landen van Islaam, waar de mensen het kenbaar maken (praktiseren) van de tekenen van Islaam steunen. Bovendien is ons land (d.w.z. Saoedi-Arabië) in sommige gebieden geschikt geworden voor toerisme, alle lof is voor Allaah, dus een persoon kan daar naar toe gaan en de tijd van zijn vakantie daar doorbrengen.

Betreft het verblijven/wonen in de landen van de ongelovigen, dit is iets zeer gevaarlijks voor de religie van de moslim, zijn karakter, gedrag en manieren. Wij en anderen hebben vele van hen gezien die daar naar toe gingen om er te wonen, en vervolgens bedorven raakten en totaal veranderden. Zij kwamen terug als schaamteloze mensen en zelfs als afvalligen die hun religie hadden verlaten en er niet meer in geloofden en, we zoeken toevlucht bij Allaah, tot het punt dat zij de religie compleet ontkende en er mee de spot dreven en met de mensen, de vroegere en de latere. Daarom is het gepast, sterker nog, is het verplicht om dit te voorkomen en dat de hiervoor genoemde voorwaarden, die voorkomen dat iemand valt in zo’n vernietiging, toegepast worden.

Wonen in het land van ongeloof heeft twee fundamentele voorwaarden:

A)    Dat de religie van een persoon veilig is, doordat hij beschikt over voldoende kennis en Imaan en sterke vastberadenheid, waardoor hij stevig aan zijn religie zal blijven vasthouden en op zijn hoede is voor afdwaling of dat hij bedorven raakt. Hij dient ook vijandschap en afkeer tegenover de ongelovigen in zich te hebben en hij dient ver verwijderd te zijn van loyaliteit en liefde voor hen. Loyaliteit en liefde voor hen zijn inderdaad dingen die Imaan tenietdoen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Jij vind geen volk dat in Allaah en in de Laatste Dag gelooft dat degenen die Allaah en Zijn boodschapper tegenstreven bevriendt, ook al zijn het hun vaders, of hun zonen, of hun broeders, of hun stamgenoten...” [508]

“O jullie die geloven! Neem niet de joden en de christenen als beschermers, zij beschermen elkaar. En wie van jullie hen als beschermers neemt: voorwaar, hij behoort tot hen. Voorwaar, Allaah leidt het onrechtvaardige volk niet. En jij zit dan degenen (de hypocrieten) in wiens harten een ziekte is, zich naar hen (de vijanden van de moslims) toe haasten. Zij zeggen: “Wij vrezen dat een verandering (van het lot) ons zal treffen.” Misschien dat Allaah (jou) de overwinning zal geven, of een beschikking van Hem (in hun nadeel zal geven), dan zullen zij spijt hebben van wat zij in zichzelf geheim hielden.” [509]

Het wordt ook bevestigd door de authentieke Soennah van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), dat: “Een ieder die van een volk houdt is van hen, en een persoon is met hen waarvan hij houdt.” [510]

Liefde koesteren voor de vijanden van Allaah is de gevaarlijkste zaak die de moslim kan treffen. Omdat liefde voor hen gepaard gaat met acceptatie en imitatie van datgene waar zij mee bezig zijn, of minstens dat men datgene waar zij mee bezig zijn niet verafschuwt en afraadt. Daarom heeft de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd: “Een ieder die van een volk houdt is van hen.”

B)    Dat hij in staat is om zijn religie openlijk kenbaar te maken (te praktiseren), zodat hij de zichtbare tekenen van Islaam kan verrichten, zonder dat hij verhinderd wordt. Hij dient dus niet verhinderd te zijn om het gebed te verrichten, nocht het Djoemoe’ah gebed, noch het gezamenlijke gebed – als anderen aanwezig zijn om het gezamenlijke en Djoemoe’ah gebed te verrichten. Noch dient hij verhinderd te worden van de zakaat, vasten en hadj, en de andere rituelen van Islaam. Als hij niet in staat is deze te verrichten, dan is het voor hem niet toegestaan om daar te wonen; het is eerder verplicht voor hem om uit zo’n plaats te emigreren.

De auteur van “al-Moeghnie” zei (in deel 8, blz. 457), terwijl de categorieën mensen genoemd werden betreffende de Hidjrah:

 “De eerste van hen zijn degenen voor wie het verplicht is, en dit is hetgeval voor degenen die er toe in staat zijn (d.w.z. emigreren) en die niet in staat zijn om de   verplichte handelingen van Islaam te verrichten terwijl ze wonen onder de ongelovigen. Hidjrah is verplicht voor hen, vanwege de Woorden van Allaah    (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Voorwaar, (tot), degenen waarvan de zielen door de engelen worden meegenomen, en die onrechtvaardig tegenover zichzelf waren, zeggen  zij: “In wat voor toestand waren jullie (toen jullie stierven)?” Zij zeggen:   “Wij warende onderdrukten op aarde.” Zij (de engelen) zeggen: “Was de aarde van Allaah niet (zo) uitgestrekt dat jullie daarop hadden kunnen uitwijken?” Zij zijn degenen wiens verblijfplaats de Hel is. En het is de slechtste bestemming!” [511]

Dit is een ernstig dreigement dat de verplichting bewijst. Ook omdat het verplicht is om de verplichte handelingen van de religie te verrichten, als men er toe in staat is. Migratie is essentieel voor de verplichting en voltooiing, en al wat een essentieel vereiste is om een verplichting te verrichten, is op zichzelf een verplichting.”

Nadat aan deze twee fundamenten voorwaarden is voldaan, is het wonen in het land van ongeloof te verdelen in verschillende categorieën:

De eerste categorie: dat men daar verblijft om uit te nodigen naar Islaam en om de mensen aan te moedigen om tot Islaam toe te treden. Dit is een soort van djihaad en daarom fardh kifaayah [512] voor degenen die in staat zijn het uit te voeren, onder voorwaarde dat degene in staat moet zijn de oproep te verrichten en niemand hem verhindert of verhindert dat de mensen er gehoor aan geven. Dit is vanwege het feit dat oproepen (ad-Da’wah) naar Islaam 1 van de verplichtingen van de religie is. Het is de weg van de boodschappers, en de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) beval ons dat we de Boodschap waarmee hij gekomen is, bekend moeten maken op elke plaats en in elke tijd. Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: “Deel van mij mee, ook al is het maar 1 aayah.” [513]

De tweede categorie: dat hij daar verblijft om de omstandigheden van de ongelovigen te bestuderen, zodat hij bewust wordt van hun toestand betreffende de bedorvenheid van hun geloof, hun onjuiste en nutteloze aanbidding, verloederende manieren en anarchistische gedrag. Hij doet dit om vervolgens de mensen te waarschuwen dat zij bedrogen worden door hen en om de realiteit van hun toestand duidelijk te maken aan degenen die zich door hen aangetrokken voelen. Dit verblijf is ook een vorm van djihaad, aangezien het betrekking heeft op het waarschuwen tegen ongeloof en haar mensen, wat ook een aanmoediging tot Islaam en zijn leiding omvat. Dit is omdat de bedorvenheid van ongeloof een bewijs is voor de juistheid van Islaam. Net zoals gezegd wordt: dingen worden duidelijk gemaakt door hun tegenovergestelde. Maar dit is afhankelijk van het feit of hij in staat is zijn doel te bereiken zonder meer schade aan te richten; als hij zijn doel niet kan bereiken doordat hij verhinderd wordt duidelijk te maken waar zij mee bezig zijn en hen er tegen te waarschuwen, dan is er geen voordeel in zijn verblijf daar. Ook als het doel wat hij wil bereiken bereikt kan worden, maar tevens veroorzaakt het groot kwaad, bijvoorbeeld dat zij reageren door Islaam en de boodschapper van Islaam te bespotten, dan dient men zich van zijn handelingen te onthouden. Allaah  (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En bespot niet degenen die naast Allaah (goden) aan roepen, zodat zij niet Allaah vijandig zonder kennis bespotten. Op deze wijze hebben Wij aan iedere gemeenschap hun werk mooi doen toeschijnen. Hierna is hun terugkeer tot hun Heer en Hij zal hen vertellen wat zij plachten te doen.” [514]

Vergelijkbaar hiermee, is het verblijf in het land van ongeloof om voor de moslims te spioneren, om bewust te worden van de complotten die men tegen de moslims aan het smeden zijn, waardoor men de moslims kan waarschuwen. Om deze reden zond de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) H’oedzayfah ibnoe l-Yamaan naar de moeshrikien tijdens de oorlog van de greppel (al-Khandaq), zodat hij hun toestand kon bepalen. [515]

De derde categorie: is dat hij daar verblijft in verband met een behoefte van een moslimstaat om diplomatieke relaties te onderhouden met de staat van ongeloof, zoals de werknemers van de ambassades. De regels hieromtrent, vloeien voort uit het doel waarvoor elk van hen daar verblijft. Bijvoorbeeld de culturele attaché, die daar verblijft om zorg te dragen voor de aangelegenheden van studenten en hen controleert en hen aanmoedigt om vast te houden aan hun religie van Islaam en zijn manieren en gedrag. Zijn verblijf daar brengt dus veel voordeel en weert groot kwaad af.

De vierde categorie: dat hij daar verblijft voor persoonlijke en toegestane behoeftes, zoals zaken of een medische behandeling. Een dergelijk verblijf is toegestaan in overeenstemming met de behoefte. De geleerden, moge Allaah hen genadig zijn, verklaarden in hun werken dat het toegestaan is om naar de landen van de ongelovigen te gaan voor handel en zij haalde enkele overleveringen van de metgezellen (Radhya llaahoe ‘anhoe) aan.

De vijfde categorie: dat hij daar verblijft voor studie, en dit is dezelfde categorie als de voorgaande, afhankelijk van de behoefte. Hoewel het gevaarlijker en schadelijker is voor iemands religie en karakter, omdat studenten zich minderwaardig zullen voelen tegenover hun leraren en dit kan resulteren in respect voor hen en tevredenheid met hun opvattingen, meningen en manieren, zodat zij hen gaan imiteren. Behalve degenen die door Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) beschermd worden, maar dat zijn er maar weinig.

Ook voelt de student een soort van behoefte aan zijn leraar, dat leidt tot liefde voor hem en een acceptatie van de afwijking en misleiding waar deze leraar zich in bevindt. Bovendien zla de student vrienden hebben onder zijn medestudenten en zal hen liefhebben en vriendschap met hen hebben. Hij zal ook door hen beïnvloed worden. In verband met het gevaar van deze categorie, is het verplicht dat iemand grotere voorzorgsmaatregelen neemt betreffende dit, dan de voorgaande categorieën.

Naast de twee fundamentele voorwaarden zijn er meerdere voorwaarden aan verbonden. Deze zijn:

  1. Dat het intellect van de student goed ontwikkeld is, zodat hij in staat is onderscheid te maken tussen dat wat goed is voor hem en wat schadelijk is voor hem en te kijken naar de verdere consequenties. Het sturen van jonge studenten en degenen met een beperkt intellect is zeer gevaarlijk voor hun religie, karakter en manieren. Het is ook een groot gevaar voor hun Oemmah waar zij naar terugkeren en vervolgens het gif verspreiden dat zij ontvangen hebben van de ongelovigen aldaar. Dit is iets wat duidelijk zichtbaar is en werkelijk plaatsvindt. Vele studenten die naar landen van ongeloof gaan, komen anders terug dan dat zij voorheen waren. Zij komen terug met afwijkingen in het praktiseren van hun religie, in hun karakter en hun manieren. Dit veroorzaakt een zodanige schade aan hen en hun samenleving, wat algemeen bekend is en gezien wordt. Dus het sturen van hen is als het sturen van schapen naar de wolven.
  2. Dat de student voldoende kennis heeft over zijn religie, zodat hij onderscheid kan maken tussen waarheid en leugens; en hem ook in staat stelt om de leugens te weerleggen met de waarheid, zodat hij niet voor de gek wordt gehouden door hun onwaarheden en veronderstelt dat het waarheid is, of dat hij erdoor verward raakt of niet in staat is het te weerleggen, waardoor hij of in verwarring verkeert, of de onwaarheden gaat volgen. Het volgende komt voor in een smeekbede die is overgeleverd: “O Allaah, maak voor mij de waarheid duidelijk als de waarheid, en sta mij toe het te volgen; en maak voor mij de leugen duidelijk als de leugen, en sta mij toe om er van weg te blijven, en maak het niet onduidelijk voor mij zodat ik afdwaal.” “Allaahoemma arienie l-h’aqqa h’aqqan wa rzoqnie t-tiebaa’ah, wa arienie l-baatela baatelah wa rzoqnie djtienaabah, wa laa tadj’alhoe moeltabiesan ‘alayya fa adhall.”
  3. Dat de student standvastig is in de religie, zodat het hem beschermt tegen ongeloof en zondigheden. Iemand die zwak is in zijn aanhankelijkheid aan zijn religie zal daar niet veilig zijn, tenzij Allaah het wil; dit is door de kracht van de aanval tegen hem en de zwakte in zijn afweermiddelen. De oorzaken van ongeloof en zonden zijn daar overweldigend, talrijk en gevarieerd. Dus als zij (die oorzaken) een plek aanvallen waar de afweer zwak is, dan doen zij hun werk.
  4. Dat er een behoefte is aan de kennis, zodat hij dar verblijft om het te verkrijgen. Er moet voordeel zijn voor de moslims in wat hij leert en het dient zo te zijn dat het verglijkbare niet gevonden kan worden in de onderwijsinstellingen in zijn eigen land. Maar als het overbodige kennis is dat geen voordeel brengt voor de moslims, of als het bestudeerd kan worden in de Islamitische landen, dan is het niet toegestaan om te verblijven in de landen van ongeloof om deze kennis te verkrijgen, vanwege het gevaar voor iemands religie en karakter en in het verband met de zinloze verspilling van grote hoeveelheden geld.

De zesde categorie: dat hij daar verblijft omd eze plaats als woonplaats te nemen. Dit is zelfs nog ernstiger en gevaarlijker dan wat hier aan vooraf is gegaan door de kwaadaardigheden die het met zich meebrengt, vanwege de complete omgang met de mensen van ongeloof. Ook doordat hij kan gaan voelen dat hij tot dat land behoort, samen met alles wat dit met zich meebrengt, zoals liefde, solidariteit, loyaliteit en hulp om de kwaliteit van de gemeenschap van ongelovigen te verbeteren. Ook zijn familieleden zullen opgroeien en opgeleid worden tussen de ongelovigen en zullen daarom enkele van hun manieren en gewoonten overnemen. Zij kunnen hen zelfs volgen in hun geloof en aanbidding. Om deze reden staat vermeld in de h’adieth van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), dat hij zei: “Een ieder die zich verenigt met de moeshrikien en samen met hen woont, is als hen.” [516]

De betekenis van de h’adieth, ook al is de keten van de overleveraars mogelijk zwak, kan toch als correct worden beschouwd, aangezien het samenwonen met iemand aanmoedigt om jezelf aan te passen en als hen te zijn. Het is verhaald van Qays ibn Abie H’aazim van Djarier ibn ‘Abdiellah (Radhya llaahoe ‘anhoe), dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft gezegd: “Ik ben vrij van verantwoordelijkheid voor elk moslim die woont tussen de moeshrikien.” Er werd gezegd: “O boodschapper van Allaah, waarom is dat?” Hij zei: “Het kampvuur van elk van hen zou niet (zo dichtbij moeten zijn dat het) zichtbaar is voor de ander.” [517] Overgeleverd door Aboe Daawoed en at-Tirmidzie, de meeste overleveraars zeggen dat het moersal [518] is van Qays ibn Abie Haazim van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). At-Tirmidzie zei: “Ik hoorde Moh’ammed (hij bedoelt hier al-Boekhaarie) zeggen: “Wat juist is, is dat de overlevering van Qays van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) moersal is.”

Hoe kan een gelovige ziel dan tevreden zijn met het leven in een land van de ongelovigen, waar de tekenen zijn van ongeloof openlijk vertoond worden en waar het oordeel aan anderen dan Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) is? De persoon die daar leeft ziet dit alles met zijn eigen ogen en hoort het en hij is hier tevreden mee. Hij kan zichzelf inderdaad bij dat land aansluiten, er in wonen met zijn vrouw en kinderen en er mee tevreden zijn, net zoals dat zou zijn met het land van de moslims. Dit is iets zeer gevaarlijks voor hem en zijn familie en zijn kinderen, met betrekking tot hun religie en hun manieren.

Dit is de conclusie die we bereikt hebben, betreffende de regelgeving over het verblijven in de landen van ongeloof. We vragen Allaah dat het in overeenstemming is met de waarheid en met wat correct is.


[505] Soerat Al-‘Ankaboot (29), aayah 56.

[506] Overgeleverd door Aboe Daawoed, Kietaaboe l-Djihaad: hoofdstuk, fie l-hidjratie heli nqata’at, Ah’mad boek 1/blz 192, Ad-Daariemie, Kietaaboe s-Siyer: hoofdstuk anna l-hidjrata laa tenqate’, Al-Haythamie in “moedjma z-zawaa-ied” boek 5, blz. 250 en hij zei: “Aboe Daawoed en an-Nasaa-ie hebben een aantal ah’adieth van Moe’aawiyah overgeleverd – en het is overgeleverd door Ah’mad en At-Tabaraanie in Al-Awsat en as-Saghier uit een andere h’adieth dan die van Ibn As-Sa’die- de overleveraars van Al-Imaam Ah’med zijn betrouwbaar.”

[507] Soerat Al-An’aam (6), aayah 158.

[508] Soerat Al-Moedjaadilah (58), aayah 22.

[509] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 51-52.

[510] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Adeb: hoofdstuk, 'alaamatoe h'oebbie llaahie 'azza wa djal; en Moesliem, Kietaaboe s-Selah: hoofdstuk, Al-Mar-oe ma'a men ah'ab.

[511] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 97.

[512] Fardh kifaayah: dit is een gemeenschappelijke verplichting, dat inhoudt dta als een deel van de gemeenschap zich er mee bezig houdt, dan is dat voldoende en zijn anderen er van vrij gesteld (zoals salaat al-Djanaazah (het begrafenisgebed)). Fardh ‘ayn: dit is een individuele verplichting, elk individu die voldoet aan bepaalde voorwaarden, is belast met deze verplichting (zoals het gebed, zakaat etc.)

[513] Overgeleverd door al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Anbiyaa-e: hoofdstuk, maa dzoekiera ‘an banie Israa-iel.

[514] Soerat Al-An’aam (6), aayah 108.

[515] Overgeleverd door Moesliem, Kietaaboe l-Djihaad: hoofdstuk ghazwatoe l-Ah’zaab.

[516] Overgeleverd door Aboe Daawoed, Kietaab Al-Djihaad: hoofdstuk, al-Iqaamatoe bie ardhe l-Moeshriekien.

[517] Overgeleverd door Aboe Daawoed, Kietaaboe l-Djihaad: hoofdstuk, an-Nahyoe ‘an qatlie menie ‘atasama bie s-Soedjoed; en At-Tiermiedzie, Kietaaboe s-Sieyer: hoofdstuk, maa djaa- a fie karaahiyatie l-Maqaamie beyna adhzhorie l-Moeshriekien.

[518] D.w.z. met een ontbrekende schakel tussen de taabi’ie (de generatie na de sah’aabah) en de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Nadat hij  (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zich bevestigd had in Al-Madinah, beval hij de rest van de voorgeschreven verplichtingen van de Islaam, zoals de zakaat, het vasten, de h’adj, djihaad, de adzaan (oproep tot het gebed), het goede bevelen en het slechte verbieden en de andere Islamitische plichten en regels. [145]

[145] De auteur (moge Allaah hem genadig zijn) zegt dat toen de profeet  (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zich in al-Madinah an-Nabawiyyah (de stad der profeet) vestigde, hij de rest van de voorgeschreven verplichtingen van Islaam beval. Dit was omdat hij in Mekkah ongeveer tien jaar opriep tot tawh’ied, en de vijf dagelijkse gebeden werden verplicht gesteld in Mekkah. Vervolgens migreerde hij naar al-Madinah, voordat de zakaat, het vasten, de h’adj en de rest van de voorgeschreven verplichtingen verplicht werden gesteld. Wat blijkt uit de woorden van de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) is dat de zakaat, in zijn algemeenheid en in detail, in al-Madinah verplicht werd gesteld. Maar sommige geleerden menen dat het de beperkingen waarover het betaald dient te worden en de hoeveelheden die gegeven moesten worden waren, die niet in Mekkah voorgeschreven werden, maar in al-Madinah. Deze geleerden halen als bewijs voor dit feit aan, dat er Aayaat voorkomen die geopenbaard zijn in Mekkah, waarin de zakaat verplicht werd, zoals de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “...en geef er het rechtmatige deel (de zakaat) van op de dag van hun oogst...” [519]

Hetzelfde geldt voor de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “En degenen in wier bezittingen een rechtmatig deel is. Voor de bedelaar en de behoeftige die niet bedelt.” [520]

Wat dan ook het geval is, de uiteindelijke schikking betreffende de zakaat en het opleggen van de hoeveelheden waarover het betaald dient te worden en de hoeveelheden die betaald dienen te worden en wie het recht heeft om het te ontvangen, dit alles vond plaats in al-Madinah. Hetzelfde geldt voor de adzaan en het Djoemoe’ah gebed.

Het blijkt dat hetzelfde geldt voor het gezamenlijke gebed en dat dit verplicht was gesteld in al-Madinah. Dit is omdat de adzaan, wat de oproep tot de bijeenkomst is, pas verplicht werd gesteld in het tweede jaar (na de Hidjrah). Betreft de zakaat en het vasten (siyaam [521]), dit werd ook verplicht gesteld gesteld in het tweede jaar na de Hidjrah. Betreft de H’adj, dit was niet verplicht tot aan het negende jaar na de Hidjrah, volgens de meeste juiste meningen van de geleerden, nadat Mekkah een gebied van Islaam was geworden nadat het veroverd was in het achtste jaar na de Hidjrah.

Evenzo werd het goede bevelen en het slechte verbieden en de overige zichtbare plichten van Islaam, verplicht gesteld in al-Madinah, nadat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zich er gevestigd had en daar een Islamitische staat opgericht had.

[519] Soerat Al-An’aam (6), aayah 141.

[520] Soerat Al-Ma’aaridj (70), aayah 24-25.

[521] Siyaam: je onthouden van. Het is niet alleen je onthouden van eten en drinken en geslachtsgemeenschap, maar ook van alle verboden zaken, zoals kijken naar zaken die h’araam zijn, roddelen, liegen etc. Je legt de nadruk op het laten van deze zaken. Dit nam in totaal tien jaar in beslag, waarna hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) overleed [146] en zijn religie bestaat tot de dag van vandaag nog steeds.

[146] De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) verrichtte dit tien jaar lang na zijn migratie; nadat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) door hem de religie compleet had gemaakt en Zijn gunst aan de gelovigen had geperfectioneerd, koos Allaah voor hem om zich te verenigen met het beste gezelschap, die van de profeten en hun oprechte volgelingen, de martelaren en het rechtschapen volk. De profeet Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) werd ziek aan het eind van de maand Safar en het begin van de maand Rabie’oe l-Awwal. Hij ging naar de mensen met zijn hoofd verbonden (met een doek). Hij besteeg de minbar (preekstoel), verklaarde de getuigenis van geloof en het eerste wat hij hierna zei was het om vergeving te vragen voor de martelaren die gedood wraen bij Oeh’oed. Vervolgens zei hij: “Een dienaar van de dienaren van Allaah is door Allaah een keus gegeven, tussen deze wereld en dat wat bij Hem; hij koos voor dat wat bij Allaah is.” [522] Aboe Bakr (Radhya llaahoe ‘anhoe) begreep dit en huilde en zei: “Moge mijn vader en moeders een losgeld voor u zijn, wij zouden onze vaders, onze moeder, onze kinderen, onszelf en onze rijkdommen betalen als losgeld voor u.” De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: “Wees niet haastig, o Aboe Bakr.” Daarna zei hij: “De persoon die mij het meest begunstigd heeft met zijn gezelschap en zijn rijdom is Aboe Bakr, en als ik iemand kon nemen als een khaliel voor mij naast mijn Heer, dan zou ik Aboe Bakr genomen hebben. Het is de Islamitische vriendschap en liefde.” [523] Vervolgens beval hij dat Aboe Bakr de mensen in het gebed moest leiden. Toen het maandag was – de twaalfde of dertiende van de maand Rabie’oe l-Awwal, van het elfde jaar na de Hidjrah – koos Allaah hem voor Zijn geschelschap. Toen de dood tot hem kwam begon hij zijn hand te dompelen in wat water wat naast hem stond en veegde zijn gezicht ermee en zei: “Er is geen god behalve Allaah (niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve Allaah), inderdaad, de dood heeft zijn kwellingen.” Vervolgens keek hij naar de hemelen en zei: “O Allaah, onder het Verheven gezelschap.” Op die dag stierf hij en de mensen waren diep bedroefd en werden er door in beroering gebracht, en terecht. Totdat Aboe Bakr (Radhya llaahoe ‘anhoe) kwam en de minbar besteeg en Allaah prees en verhief, en daarna zei hij: “Voorts, een ieder die Moh’ammed aanbad, weet dat Moh’ammed gestorven is; en een ieder die Allaah aanbidt, weet dat Allaah leeft en nooit sterft.” Daarna reciteerde hij: “En Moh’ammed is niet meer dan een boodschapper, voor hem zijn de boodschappers reeds heengegaan. Als hij dan zou sterven of gedood worden: waarom zouden jullie je dan op jullie hielen omdraaien (terugvallen in ongeloof)?...” [524]

(O Moh’ammed), voorwaar, jij zult sterven en voorwaar, zij zullen sterven.” [525]

De mensen huilden hevig en wisten dat hij gestorven was. De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) werd gewassen in zijn kleding uit respect voor hem. Daarna werd hij in drie witte (katoenen) kleden gewikkeld, zonder er een touw of tulband gebruikt werd. Vervolgens baden de mensen afzonderlijk voor hem, zonder een Imaam. Daarna werd hij begraven in de nacht voor woensdag, nadat de belofte van trouw (Al-Bay’ah) voltooid was tegenover de Kalief Khalief die na hem kwam (Aboe Bakr As-Siddieq (Radhya llaahoe ‘anhoe) ). Moge de meest uitstekende vredesgroeten van Allaah en de perfecte prijzingen met hem zijn.


[522] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Masaadjied: hoofdstuk, Al-Khawfatoe wa l-Moerroe fie l-Masdjied.

[523] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe l-Maghaazie: hoofdstuk, Maradhoe n-Nabiyyie (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) wa wafaatoeh.

[524] Soerat Aal-'Imraan (3), aayah 144.

[525] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 30. En dit is zijn religie: hij heeft zijn Oemmah naar al het goede geleid, en heeft hen gewaarschuwd voor al het slechte. Het goede waar hij ze naar opgeroepen heeft, is de tawh’ied en al hetgeen waarvan Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) houdt en tevreden over is. En het slechte war hij tegen gewaarschuwd heeft is ash-shirk en al hetgeen dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) afkeurt en verafschuwt. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft hem als boodschapper gezonden naar de gehele mensheid en Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) maakte het verplicht voor iedereen van de djinn en de mensheid om hem te gehoorzamen. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zeg: “O mensen, voorwaa, ik ben de boodschapper van Allaah voor jullie allen...” [526] [147]

Door middel van hem heeft Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) de religie vervolmaakt en het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...Vandaag heb Ik jullie godsdienst voor jullie vervolmaakt en heb Ik Mijn gunst voor jullie volledig gemaakt en heb ik de Islaam voor jullie als godsdienst gekozen...” [527] [148]

[147] Deze aayah bevat een bewijs de Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) de boodschapper is van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), voor de gehele mensheid. Het vervolg van deze aayah [528] maakt duidelijk dat degene die hem gezonden heeft de Soeverein is van de hemelen en de aarde, in Wiens Hand het toekennen van leven en de dood is. Ook dat Hij, Degene Die vrij is van gebrekkigheden, Degene is Die alleen het recht heeft om aanbeden te worden, net zoals Hij de Enige Heer is. Vervolgens beveelt Hij, de Volmaakte en Meest Verhevene, aan het eind van deze aayah, dat wij dienen te geloven in deze ongeletterde boodschapper en profeet, en dat wij hem moeten volgen en Hij verklaart dat dit leiding in kennis en daden tot gevolg heeft: zowel leiding in de zin van het aantonen van de rechte weg, als ook in de zin van het verkrijgen van succe en het blijven op deze weg. Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) was dus een boodschapper die gezonden was als leiding voor at-thaqalayn en dit zijn de gehele mensheid en djinn, ze zijn zo genoemd omdat zij groot in aantal zijn.

[148] Dit betekent dat zijn religie zal blijven voortduren tot aan de Dag der Opstanding. De boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) stierf niet voordat hij de Oemmah alles had uitgelegd wat zij nodig hadden. Aboe Dzarr (Radhya llaahoe ‘anhoe) heeft gezegd: “De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) liet geen 1 vogel die zijn vleugels spreidde in de lucht, tenzij hij er enige kennis over noemde aan ons.” [529]

Een man van de moeshrikien zei tegen Salamaan al-Faarisie (Radhya llaahoe ‘anhoe): “Jullie profeet heeft jullie zelfs hoe jullie jullie behoeftes moeten doen aangeleerd!” Hij antwoorde: “Ja! Hij verbood ons om richting de Qiblah te zitten tijden de stoelgang of het urineren, of dat we ons reinigen met minder dan drie stenen, of dat we ons reinigen met de rechterhand, of dat we ons reinigen met een stuk ontlasting van dieren of een bot.” [530]

De profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft de gehele religie uitgelegd door middel van zijn woorden, zijn handelingen en zijn stilzwijgende goedkeuringen; en de belangrijkste van alle zaken die hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) duidelijk heeft gemaakt, is tawh’ied.

Alles wat hij bevolen heeft is iets goeds voor de Oemmah, met betrekking tot het Hiernamaals en het wereldse leven, en alles wta hij verboden heeft is iets slechts voor de Oemmah, met betrekking tot het Hiernamaals en het wereldse leven. Dus alles waar sommige mensen onwetend over zijn en waarvan zij beweren dat het onnodige beperkingen in de bevelen en verboden zijn, zij beweren dit dan alleen door hun gebrek aan begrip, gebrek aan geduld en hun zwakte in de religie. Integendeel, het algemene principes is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) geen ontberingen in de religie op ons heeft geplaatst, en dat de totale religie gemakkelijk is gemaakt. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...Allaah wenst voor jullie het gemakkelijke en Hij wenst niet voor jullie het ongemak...” [531]

“...en Hij heeft het jullie in de godsdienst niet moeilijk gemaakt...” [532]

“...Allaah wil het jullie niet moeilijk maken...” [533]

Dus alle lof is voor Allaah voor de voltooiing van Zijn Gunst en perfectie van Zijn Religie.

[526] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 158.

[527] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 3.

[528] “...(Allaah is) Degene aan Wie het Koninkrijk over de hemelen en de aarde behoort, geen god is er dan Hij. Hij doet leven en Hij doet sterven. Geloof daarom in Allaah en Zijn boodschapper, de ongeletterde profeet, die in Allaah en Zijn Woorden gelooft, en volg hem. Hopelijk zullen jullie Leiding volgen.”

[529] Overgeleverd door Al-Imaam Ah’mad 5/163.

[530] Overgeleverd door Moeslim, Kietaaboe t-Tahaarah: hoofdstuk, Al-Istietaabah.

[531] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 185.

[532] Soerat Al-H’adj (22), aayah 78.

[533] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 6. Het bewijs dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) overleden is, is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, jij zult sterven en voorwaar, zij zullen sterven. Daarna zullen jullie op de Dag der Opstanding bij jullie Heer met elkaar redetwisten.” [534] [149]

Na de dood zullen de mensen opgewekt worden [150] en het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Uit haar (de aarde) hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie terug doen keren en daaruit zullen Wij jullie een andere keer opwekken.” [535]

En Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt ook: “En Allaah heeft jullie als schepselen voortgebracht uit de aarde.(a) Daarna keer Hij jullie in haar terug (b) en brengt Hij jullie er tevoorschijn (c).” [536] [151]

[149] Deze aayah toont aan dat de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en degenen naar wie hij gezonden was zullen sterven en dat zij zullen redetwisten voor Allaah op de Dag der Opstanding, wanneer Hij onder hen volgens de waarheid zal oordelen. En Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft voor de ongelovigen geen enkele manier gemaakt om in het Hiernamaals te zegevieren over de ongelovigen.

[150] De auteur (moge Allaah hem genadig zijn) maakt hiermee duidelijk dat de mensen na de dood zullen worden opgewekt. Allaah (Azza wa Djal) zal hen na hun dood weer tot leven wekken om hen vervolgens te belonen of te bestraffen. Dit is het resultaat van het zenden van de boodschappers, waardoor een persoon vandaag dient te handelen voor de Dag der Opstanding. Het zal een Dag zijn waarvan de verschrikkingen beschreven door Allaah (Azza wa Djal) en men dient angst te hebben voor deze Dag. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Hoe zullen jullie je dan beschermen, als jullie de Dag waarop de kinderen grijsaards worden ontkennen? De hemel zal dan gespleten zijn (en) Zijn aanzegging zal zeker uitgevoerd worden.” [537]

Dit duidt de noodzaak van Imaan in de Opstanding aan, wat door de sheikh bewezen wordt met twee aayaat.

[151] Dit betekent dat (a) Aadam (Alayhie s-Salaam) geschapen was uit de aarde; (b) door de begrafenis na de dood; (c) door de Opstanding op de Dag der Opstanding; en deze aayah komt volledig overeen met de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Uit haar (de aarde) hebben Wij jullie geschapen en daarin zullen Wij jullie terug doen keren en daaruit zullen Wij jullie een andere keer opwekken.” [538]

De aayaat met deze betekenis zijn talrijk. Allaah (Azza wa Djal) heeft de bevestiging van de Opstanding vaak genoemd en herhaald, zodat de mensen er Imaan in hebben en zodat hun Imaan zal toenemen en zodat zij handelen om zich voor te bereiden op deze ontzagwekkende Dag.We vragen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dat Hij ons laat behoren tot degenen die er naar handelen en die succesvol zijn in het verkrijgen van verlossing op deze Dag.

[537] Soerat Al-Moezzammil (73), aayah 17-18.

[538] Soerat Taa-Haa (20), aayah 55. Na de Opstanding zullen zij ter veranwoording worden geroepen en worden zij beloond of bestraft voor hun daden. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...opdat Hij degenen die kwaad verrichten zal vergelden voor wat zij deden en opdat Hij degenen die goed deden zal belonen met het beste (het Paradijs).” [539] [152]

[152] Dit betekent dat de mensen na de Opstanding ter verantwoording worden geroepen voor hun daden. Als deze goed waren, dan met het goede; als deze slecht waren, dan met het slechte. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Wie iets goeds deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien. En wie iets kwaads deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.” [540]

En Hij (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft gezegd: “En Wij zullen betrouwbare weegschalen opstellen op de Dag der Opstanding, zodat geen ziel iets van onrecht aangedaan wordt. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen. En Wij zijn voldoende als Berekenaars.” [541]

En Hij (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft gezegd: “Wie met een goede (daad) komt; voor hem is er (een beloning) als van tien daarvan; en wie met een slechte (daad) komt, die word dan slechts vergolden met het gelijke, en hun zal geen onrecht worden aangedaan.” [542]

Een goede daad zal met het tienvoudige beloond worden, tot zelfs zevenhonderd keer zo veel, of nog meer, door de weldadigheid van Allaah (Azza wa Djal) en Zijn gulheid. Hij (Azza wa Djal) heeft, op de eerste plaats, een gunst geschonken door deze rechtschapen daden, en vervolgens begunstigt Hij de persoon met zo’n enorme beloning. Betreft kwaadaardige daden, een persoon die een zonde begaat ontvangt geen bestraffing groter dan de zonde.

“Wie met een goede (daad) komt; voor hem is er (een beloning) als van tien daarvan; en wie met een slechte (daad) komt, die wordt dan slechts vergolden met het gelijke en hun zal geen onrecht worden aangedaan.” [543]

Dit komt door Zijn perfecte en complete weldadigheid en gunst. Vervolgens noemt de sheikh als bewijs voor wat hij zegt, de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “...opdat Hij degenen die kwaad verrichten zal vergelden voor wat zij deden...” [544]

Hij zei niet dat zij vergolden worden met “het meest slechte”, zoals Hij wel over de goeddoeners die beloond worden met het beste: “...en opdat Hij degenen die goed deden zal belonen met het beste (het Paradijs).” [545]

[539] Soerat An-Nadjm (53), aayah 31.

[540] Soerat Az-Zalzalah (99), aayah 7-8.

[541] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 47.

[542] Soerat Al-An’aam (6), aayah 160.

[543] Soerat Al-An’aam (6), aayah 160.

[544] Soerat An-Nadjm (53), aayah 31.

[545] Soerat An-Nadjm (53), aayah 31. Bovendien is iedereen die de wederopstanding ontkent een ongelovige. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Degenen die ongelovig zijn veronderstellen dat zij niet opgewekt zullen worden. Zeg: “Welzeker, bij mijn Heer! Jullie zullen zeker opgewekt worden en vervolgens zullen jullie op de hoogte gebracht worden van wat jullie bedreven hebben. En dat is voor Allaah gemakkelijk.” [546] [153]

[153] Een ieder die de Opstanding ontkent is een ongelovige. De volgende Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) bewijzen dit: “En zij zeggen: “Er is niets dan huidige leven en wij zullen niet opgewekt worden. En als jij (O Moh’ammed) (hen) kon zien wanneer zij voor hun Heer gebracht worden: Hij zal zeggen: “Is dit niet de Waarheid?” Zij zullen zeggen: “Zeker, bij onze Heer.” Hij zal zeggen: “Proef dan de bestraffing vanwege (wat) jullie plachten niet te geloven.” [547]

En de Verhevene zegt: “Wee die Dag de loochenaars! Degenen die de Dag des Oordeels loochenen. En niemand loochent die behalve elke zondige overtreder. Wanneer Onze Verzen aan hem worden voorgedragen, zegt hij: “Fabels van de vroegeren.” Nee! Wat zij plachten te doen heeft zelfs hun harten bedekt. Nee, voorwaar, zij zullen zeker op die Dag van hun Heer afgescheiden zijn. Vervolgens zullen zij zeker Djahiem (de Hel) binnengaan. Daarop wordt gezegd: “Dit is dat wat jullie plachten te loochenen.” [548]

En de Verhevene zegt: “Maar nee, zij loochen het Uur. En Wij hebben voor wie het Uur loochent een laaiend vuur (de Hel) gereedgemaakt.” [549]

En de Verhevene zegt: “En degenen die niet geloven in de Verzen van Allaah en de ontmoeting met Hem: zij zijn degenen die wanhopen aan Mijn Barmhartigheid en zij zijn degenen voor wie er een pijnlijke bestraffing is.” [550]

De sheikh (moge Allaah hem genadig zijn) citeert ook als bewijs de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Degenen die ongelovig zijn veronderstellen dat zij niet opgewekt zullen worden. Zeg: “Welzeker, bij mijn Heer! Jullie zullen zeker opgewekt worden en vervolgens zullen jullie op de hoogte gebracht worden van wat jullie bedreven hebben. En dat is voor Allaah gemakkelijk.” [551]

Betreft de overtuigende bewijzen voor die loochenaars, dit omvat:

Ten eerste: de Opstanding is een kwestie waarover door de profeten en de boodschappers zeer vaak verteld is in de Geopenbaarde Boeken en het wordt vaak genoemd in de Openbaring die neergezonden is, en het werd geaccepteerd door de volgelingen van de boodschappers. Hoe kunt u het dan ontkennen, terwijl u wel die overleveringen van 1 of andere oude filosoof accepteert, of stichter van enige ideologie of theorie, terwijl deze overleveringen niet het niveau bereiken van de Koran, noch qua sterkte in de overdracht, noch qua getuigenis van de realiteit van zijn begunstiging?!!

Ten tweede: dat de Opstanding een kwestie is waarvan ook met het intellect getuigd kan worden. Dit is vanuit een aantal aspecten:

  1. Niemand zal ontkennen dat hij geschapen is nadat hij niets was; en dat zij tot bestaan zijn gekomen nadat zij niet bestonden. Degene Die hem geschapen heeft en tot bestaan gebracht heeft nadat hij niets was, is zonder twijfel ook in staat om hem na zijn dood weer opnieuw tot bestaan te brengen. Net zo als Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En Hij is Degene Die de schepping schept en haar daarna herhaalt en dat is voor Hem nog gemakkelijker.” [552]

En de Verhevene heeft gezegd: “net zoals Wij de eerste schepping begonnen zullen Wij haar herhalen, als een belofte die Wij op Ons namen. Voorwaar, Wij zullen het doen.” [553]

  1. Niemand zal de bijzonderheid van de schepping van de hemelen en de aarde ontkennen, door het enorme formaat en de wonderbaarlijke constructie. Het is dan zelfs logischer dat Degene Die ze beide geschapen heeft, volledig in staat is om de mens te scheppen en vervolgens op te wekken. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “De schepping van de hemelen en de aarde is zeker groter dan de schepping van de mens, maar de meeste mensen weten het niet.” [554]

En de Verhevene heeft gezegd: “Zien zij niet dat Allaah, Degene Die de hemelen en de aarde geschapen heeft en Die nooit moe wordt van het scheppen van hen, bij machte is om het dode tot leven te brengen? Welzeker, Hij is waarlijk Almachtige over alle zaken.” [555]

En de Verhevene heeft gezegd: “Is Degene Die de hemelen en de aarde heeft geschapen niet bij machte om het gelijke ervan te scheppen? Zeker wel! En Hij is de Schepper, de Alwetende. Voorwaar, wanneer Hij iets wil (scheppen), dan zegt Hij er slechts tegen: “Wees,” en het is.” [556]

  1. Iedereen die kan zien, zal zien dat de aarde onvruchtbaar wordt en dat de vegetatie die erop groeit sterft. Als er dan regen opvalt, wordt het weer vruchtbaar en de vegetatie wordt tot leven gebracht nadat het dood was. Degene Die in staat is leven te geven na de dood, is ook in staat om op te wekken en de doden weer tot leven te brengen. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “En het behoort tot Zijn Tekenen dat jij de droge aarde ziet, en als Wij er dan water op doen neerdalen, dan beweegt zij en zet zij zich uit. Voorwaar, Degene Die haar doet leven, doet zeker ook de doden leven. Voorwaar, Hij is de Almachtige over alle zaken.” [557]

Ten derde: dat de kwestie van de Opstanding iets is waarvan de mogelijkheid aangetoond wordt door wat men zien en wat er gebeurt – zoals die voorvallen waarbij de doden tot leven gebracht waren, waarover wij geïnformeerd zijn door onze Heer. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) heeft vijf voorbeelden hierover genoemd in Soerat al-Baqarah, waaronder: “Of als degene die, toen hij langs een dorp kwam dat verlaten was en in ruïnes lag, zei: “Hoe kan Allaah het na haar dood weer doen herleven?”Toen deed Allaah hem voor honderd jaar dood zijn, en wekte hem daarop op. Hij zei: “Ik verbleef hier een dag of een gedeelte van een dag.” Hij (Allaah) zei: “Nee, jij verbleef hier honderd jaar; kijk naar je voedsel en je drank, zij zijn niet bedorven; en kijk naar je ezel, zodat Wij jou tot een Teken voor de mens maken. En kijk naar hoe Wij de beenderen in elkaar zetten en dan met vlees bedekken.” Toen hem dit duidelijk werd, zei hij: “Ik weet dat Allaah Almachtig is over alle dingen.” [558]

Ten vierde: dat wijsheid vereist dat er een Opstanding is na de dood, zodat elke ziel zijn beloning zal krijgen voor de daden die ze verricht heeft. Als dit niet het geval zou zijn, dan zou de schepping van de mens iets zinloos en waardeloos zijn en zonder wijsheid. Als dit het geval zou zij, dan zou er in dit leven geen verschil zijn tussen de mensheid en dieren. Allaah (Soebh'anahoe wa Ta'aalaa) zegt: “Dachten jullie dat Wij jullie zo maar geschapen hebben? En dat jullie niet tot Ons terugkeren?” Verheven is Allaah, de Ware Koning, er is geen god dan Hij, Heer van de Edele Troon.” [559]

En de Verhevene heeft gezegd: “Voorwaar, het Uur zal komen. Ik sta op het punt om Zelf te onthullen dat iedere ziel beloond zal worden voor wat het nastreeft.” [560]

En de Verhevene heeft gezegd: “En zij zweren bij Allaah hun duurste eden dat Allaah degenen die sterft niet zal opwekken: integendeel, het is als een belofte waar Hij Zich aan heeft verbonden, maar de meesten van de mensen weten het niet. (Hij zal hen opwekken) om hen dat waar zij over twistten duidelijk te maken en om degenen die ongelovig waren te doen weten dat zij leugenaars waren. Voorwaar, Ons Woord tegen iets wat Wij willen, is dat Wij er slechts tegen zeggen: “Wees,” en het is.” [561]

En de Verhevene heeft gezegd: “Degenen die ongelovig zijn veronderstellen dat zij niet opgewekt zullen worden. Zeg: “Welzeker, bij mijn Heer! Jullie zullen zeker opgewekt worden en vervolgens zullen jullie op de hoogte gebracht worden van wat jullie bedreven hebben. En dat is voor Allaah gemakkelijk.” [562]

Als deze grote bewijzen duidelijk gemaakt zijn aan de loochenaars en zij houden vol in hun loochening, betekent dit dat zij slechts arrogante en halsstarrige loochenaars zijn; en de overtreders zullen spoedig hun eindbestemming weten.

[546] Soerat At-Taghaaboen (64), aayah 7.

[547] Soerat Al-An’aam (6), aayah 29-30.

[548] Soerat Al-Moetaffifien (83), aayah 10-17.

[549] Soerat Al-Foerqaan (25), aayah 11.

[550] Soerat Al-‘Ankaboot (29), aayah 23.

[551] Soerat At-Taghaaboen (64), aayah 7.

[552] Soerat Ar-Room (30), aayah 27.

[553] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 104.

[554] Soerat Ghaafir (40), aayah 57.

[555] Soerat Al-Ah’qaaf (46), aayah 33.

[556] Soerat Yaa Sien (36), aayah ()

[557] Soerat Foessilat (41), aayah 39.

[558] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 259.

[559] Soerat Al-Moe-eminoen (23), aayah 115-116.

[560] Soerat Taa Haa (20), aayah 15.

[561] Soerat An-Nah’l (16), aayah 38-40.

[562] Soerat At-Taghaaboen (64), aayah 7. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft alle boodschappers gestuurd als brengers van goede tijdingen en als waarschuwers. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: (Wij zonden) boodschappers als brengers van verheugende tijdingen en als waarschuwers opdat de mens geen excuus tegenover Allaah zou hebben na de boodschappers...” [563] [154]

[154] De auteur, moge Allaah hem genadig zijn, maakt duidelijk dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) alle boodschappers zond als verkondigers van goede tijdingen en als waarschuwers, zoals Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) in de genoemde aayah zegt.

Zij verkondigen goede tijdingen over het Paradijs (al-Djennah) voor degenen die hen gehoorzaamden, en zij waarschuwden degenen die zich tegen hen verzetten voor het Vuur (an-Naar). Het zenden van de boodschappers heeft dus zeer belangrijke en wijze redenen, waarvan de meest belangrijke, inderdaad de meest belangrijke, het bewerkstelligen van bewijs voor de mensen was, zodat er geen excuus voor de mens overblijft tegenover Allaah (Azza wa Djal), na het zenden van de boodschappers, net zoals Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...opdat de mens geen excuus tegenover Allaah zou hebben na de boodschappers...” [546]

Wat ook tot deze wijsheid behoort, is dat het tot de voltooiing van Allaah’s zegening voor Zijn dienaren behoort. Dit is vanwege het feit dat de mens, hoe voortreffelijk zijn intellect ook is, zelf niet in staat is om elk detail van hetgeen verplicht is jegens Allaah te erkennen, betreffende de rechten die in het bijzonder behoren aan Allaah, te bereiken. Noch kan het de kennis bereiken over die perfecte Eigenschappen die bevestigd dienen te worden voor Allaah, de Meest Verhevene, noch kennis over Zijn perfecte Namen.

Daarom zond Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) de boodschappers (‘alayhimoe s-salaam – vrede zij met hen) als verkondigers van goede tijdingen en als waarschuwers; en met hen zond Hij het Boek, in waarheid, zodat zij onder de mensen zouden oordelen betreffende dat waarover zij van mening verschilden.

De belangrijkste kwestie waar de boodschappers, vanaf de eerste van hen, Noeh’(Alayhie s-Salaam), tot de laatste van hen, Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), naar uitnodigden was tawh’ied, zoals Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En voorzeker, Wij hebben aan iedere gemeenschap een boodschapper gezonden (die zei): “Aanbidt Allaah en houdt afstand van de taaghoot...” [565]

En Hij (Azza wa Djal) heeft gezegd: “En Wij stuurden niet één van de boodschappers voor jou (O Moh’ammed), of Wij openbaarden aan hem dat er geen andere god dan Ik is, aanbidt Mij daarom.” [566]

[563] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 165.

[564] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 165.

[565] Soerat An-Nah’l (16), aayah 36.

[566] Soerat Al-Anbiyaa-e (21), aayah 25.


De eerste van hen was Noeh’ (Noah) (Alayhie s-Salaam) en de laatste was Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Het bewijs dat Noeh’ (Alayhie s-Salaam) de eerste was, is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Voorwaar, Wij hebben aan jou geopenbaard zoals Wij aan Noeh’ en de profeten na hem openbaarden...” [567] [155]

[155] Sheikhoe l-Islaam Moh’ammed ibn ‘Abdoe l-Wahhaab (moge Allaah hem genadig zijn) maakt duidelijk dat Noeh’ (Alayhie s-Salaam) de eerste boodschapper was, en vervolgens citeert hij als bewijs de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Voorwaar, Wij hebben aan jou geopenbaard zoals Wij aan Noeh’ en de profeten na hem openbaarden...” [568]

Verder is het in de Sah’ieh vastgesteld, in de lange h’adieth over de voorspraak: “De mensen zullen naar Noah gaan en zeggen: “O Noah, u bent de eerste boodschapper voor de mensen op aarde...” [569]

Er was geen boodschapper (Rasool) voor Noeh’ (Alayhie s-Salaam). Hierdoor kennen we de fout van de geschiedkundigen die zeggen dat Idries voor Noeh’ kwam. Idries (Alayhie s-Salaam) was eerder een profeet van Banie Israa-iel. En de laatste profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), zoals Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Moh’ammed is niet de vader van een van jullie mannen, maar hij is de boodschapper van Allaah en de laatste van de profeten...” [570]

Er is geen profeet na hem, en iedereen die na hem het profeetschap claimt is een leugenaar en een ongelovige (kaafir) die afvallig aan de Islaam is geworden.

[567] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 163.

[568] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 163.

[569] Overgeleverd door Al-Boekhaarie, Kietaaboe t-Tawh’ied: hoofdstuk, Kalaamoe llaahie ma’a l-Anbiyaa-ie yewma l-Qiyaamah; en Moesliem, Kietaaboe l-Imaan: hoofdstuk, adnaa ahlie l-djannatie menzielatan.

[570] Soerat Al-Ah’zaab (33), aayah 40. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft naar ieder volk een boodschapper gestuurd, van Noeh’ (Alayhie s-Salaam) tot aan Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), die hen bevolen om alleen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) te aanbidden en hen verboden om at-taaghoot te aanbidden. Het bewijs hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “En voorzeker, Wij hebben aan iedere gemeenschap een boodschapper gezonden (die zei): “Aanbidt Allaah en houdt afstand van de taaghoot...” [571] [156]

[156] Dit betekent dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) naar elk volk een boodschapper heeft gestuurd, die hen opriepen om alleen Allaah te aanbidden en zij verboden hen shirk. Het bewijs hiervoor is de door de sheikh genoemde aayah, maar ook de volgende aayah: “...En er was geen volk, of er verkeerde onder hen een waarschuwer.” [572]

En Hij heeft gezegd: “En voorzeker, Wij hebben aan iedere gemeenschap een boodschapper gezonden (die zei): “Aanbidt Allaah en houdt afstand van de taaghoot...” [573]

[571] Soerat An-Nah’l (16), aayah 36.

[572] Soerat Faatir (35), aayah 24.

[573] Soerat An-Nah’l (16), aayah 36. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft al Zijn dienaren verplicht gesteld om at-taaghoot te verwerpen en er niet in te geloven en om in Allaah te geloven. Ibn Al-Qayyiem (moge Allaah hem genadig zijn) heeft gezegd: “At-taaghoot is alles waarmee de dienaar zijn grenzen overschrijdt, hetzij door het te aanbidden, te volgen of te gehoorzamen.” [157]

[157] Sheikhoe l-Islaam (moge Allaah hem genadig zijn) bedoelt hiermee dat tawh’ied niet bewerkstelligd wordt tenzij alleen Allaah aanbeden wordt en er geen deel van aanbidding toegekend wordt aan iets of iemand naast Hem en door at-taaghoot te vermijden. Dit is iets wat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) verplicht heeft gesteld voor zijn dienaren. Het woord taaghoot is afgeleid van toeghyaan, en toeghyaan betekent de grenzen overschrijfen, zoals voorkomt in de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “Voorwaar, toen het water overstroomde (taghaa), droegen Wij jullie (voorvader Noeh’ en zijn familie) in het vaartuig (de ark).” [574]

Vervolgens is de beste uitleg van het gebruik van deze term in de religie, dat was Ibnoe l-Qayyiem (moge Allaah hem genadig zijn) noemt: at-taaghoot is “alles waarmee de dienaar de grenzen overschrijdt, hetzij iemand die aanbeden, gehoorzaamd of gevolgd wordt.” Wat hij bedoelt met “iemand die aanbeden, gehoorzaamd of gevolgd wordt,” de niet rechtschapen en vrome mensen.

Betreft de rechtschapen en vrome mensen, zij zijn geen taawaghiet ook al komen de kwaadddoeners na hun dood om hen te aanbidden (zoals Jezus (Alayhie s-Salaam)), of dat zij gehoorzaamd of gevolgd worden door de mensen. Maar de afgoden die aanbeden worden naast Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) (en die hier tevreden mee zij), zij zijn taawaghiet; en de kwaadaardige geleerden – diegenen die oproepen tot misleiding en ongeloof, of oproepen tot innovatie (bid’ah), of hetgeen Allaah verboden heeft verklaard toegestaan verklaren, of verbieden wat Allaah toegestaan heeft verklaard, en diegenen die dit als acceptabel presenteren – aan degenen met gezag – dat zij de Sharie’ah van Islaam dienen te verlaten in voorkeur voor systemen die van buiten af worden geïntroduceerd die tegenstrijdig zijn aan de religie van Islaam; zij zijn dan Taawaghiet, aangezien zij hun grenzen hebben overschreden.

Dit is vanwege het feit dat de grens van een geleerde dat dient te zijn waarmee de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) kwam, omdat de geleerden waarlijk de erfgenamen zijn van de profeten. Zij erfden van hen, met betrekking tot hun Oemmah, kennis, handelingen en manieren, in hun uitnodiging en onderwijzen. Als zij deze grens dan overschrijden en het beginnen te presenteren als acceptabel tegenover de leiders, dat zij de Sharie’ah van Islaam kunnen verlaten in ruil voor deze systemen, dan zijn zij taawaghiet. Zij hebben hun verplichtingen overschreden waar zij zich toe dienen te beperken; dat zij de Sharie’ah dienen te volgen.

Betreft zijn (moge Allaah hem genadig zijn) woorden “of degene die gehoorzaamd wordt”: hiermee worden die leiders bedoeld die gehoorzaamd worden die niet regeren volgens de Sharie’ah. De Sharie’ah vereist dat leiders gevolgd dienen te worden, zo lang dat wat zij bevelen niet tegenovergesteld is aan het bevel van Allaah en Zijn boodschapper. Onder deze voorwaarde is de omschrijving taaghoot niet op hen van toepassing en de mensen dienen hen te gehoorzamen. Gehoorzaamheid aan diegenen met gezag in deze situatie en onder deze voorwaarde, is gehoorzaamheid aan Allaah (Azza wa Djal). Dus als we dat uitvoeren wat de leider bevolen heeft, van die zaken waarin hij gehoorzaamd dient te worden, dienen we in gedachte te houden dat we hierdoor Allaah aanbidden en dat we door deze handeling en gehoorzaamheid dichter bij Allaah (Azza wa Djal) komen. Het is belangrijk dat we ons bewust zijn van dit feit, door de Woorden van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “O jullie gelovigen, gehoorzaam Allaah en gehoorzaam Zijn boodschapper en degenen onder jullie die met gezag bekleed zijn...” [575]

Betreft de gehoorzaamheid tegenover leiders uit noodzaak en wat het lot beschikt, als de leiders sterk zijn in hun gezag zullen de mensen hen gehoorzamen door de kracht van hun gezag, zelfs als zij niet door Imaan gemotiveerd worden. Maar het dient zo te zijn dat een leider gehoorzaamd dient te worden met Imaan als motivatie, dit is namelijk gehoorzaamheid dat voordeel geeft. Dit is de gehoorzaamheid die zowel de leider als de mensen voordeel geeft. Maar de gehoorzaamheid kan ook voortkomen door de kracht en autoriteit van de leider, zodat de mensen hem vrezen en door hem geïntimideerd worden door de bestraffing die hij krijgt als hij hem tegenwerkt.

Hierdoor zeggen we dat de situatie van de mensen betreffende hun leiders variëren:

(I)   Dat de motivatie van Imaan sterk is, en het gezag van de leiders is sterk. Dit is dan de meest ideale en complete situatie.

(II)  Dat de motivatie van Imaan zwak is, en het gezag van de leiders is zwak. Dit is de  zwakste situatie en het meest gevaarlijke voor de gemeenschap. Het is een gevaar voor de leiders en de mensen, aangezien er in zo’n situatie anarchie in gedachten, manieren en handelingen zijn.

(III) Dat de motivatie van Imaan zwak is, maar het gezag van de leiders is sterk. Dit is een gemiddeld niveau, omdat als het gezag van de leiders sterk is, dat beter is voor de gemeenschap betreffende wat er in die samenleving plaatsvindt. Maar als de autoriteit van de leiders in deze situatie afneemt, dan zal dat resulteren in corruptie en kwaad binnen die gemeenschap.

(IV) Dat de motivatie van Imaan sterk is, en het gezag van de leiders is zwak. De klaarblijkelijke situatie van deze gemeenschap zal dan zwakker zijn dan de derde situatie, maar de verbondenheid en gehoorzaamheid van de mensen tegenover hun Heer zal completer en beter zijn dan in de voorgaande situatie.

[574] Soerat Al-H’aaqqah (69), aayah 11.

[575] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 59. Er zijn veel tawaaghiet en er zijn vijf leiders: [158]

(1)Iblies, de duivel (moge Allaah hem vervloeken). [159]

(2)Iedereen die aanbeden wordt en die daarover tevreden is. [160]

(3)Iedereen die de mensen oproept om hem te aanbidden. [161]

(4)Iedereen die beweert iets te kennen van het onwaarneembare (al-Ghayb). [162]

(5)Iedereen die regeeert of oordeelt met iets anders dan wat Allaah geopenbaard heeft. [163]

[158] Dit betekent: hun leiders en degenen die hen blindelings volgen.

[159] Iblies is de verworpene en vervloekte Satan, tegen wie Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zei: “En voorwaar, op jou rust Mijn vervloeking, tot de Dag des Oordeels.” [576]

Iblies (een djinn) was bij de engelen, in hun gezelschap, en verrichtte hun handelingen. Toen hij door Allaah werd bevolen om (uit respect) te buigen voor Aadam (Alayhie s-Salaam), kwam de slechtheid, minachting en arrogante trots in hem tot uiting en hij weigerde, werd hooghartig en werd één van de ongelovigen. Hem werd de Genade van Allaah  (Azza wa Djal) ontzegd. Allaah, de Almachtige en Majesteitelijke, zegt: “En toen Wij tot de engelen zeiden: “Buig jullie voor Aadam,” toen bogen zij, behalve Iblies. Hij weigerde en was hooghartig en hij werd één van de ongelovigen.” [577]

[160] Dit betekent: dat hij aanbeden wordt naast Allaah en dat hij tevreden is met het geval dat hij aanbeden wordt naast Allaah. Dan is hij één van de leiders van de taawaghiet (we zoeken toevlucht bij Allaah tegen dit) en het maakt niet uit of hij aanbeden wordt tijdens zijn leven of na zijn dood, als hij sterft terwijl hij er tevreden mee is geweest.

[161] Dit betekent: een ieder die de mensen oproept hem te aanbidden, zelfs als zij dit niet doen. Hij is één van de leiders van de taawaghiet, of de mensen nu gehoor geven aan zijn oproep of niet.

[162] al-Ghayb is alles wat verborgen en onzichtbaar is voor de mens, en bestaat uit twee soorten: dat wat huidig aanwezig is en dat wat tot de toekomst behoort. Wat verborgen en onzichtbaar is in de huidige tijd, is een betrekkelijke kwestie: iets kan bekend zijn voor de ene persoon, maar onbekend voor de andere. Maar het verborgene en onzichtbare van de toekomst is iets absoluuts en bij niemand bekend behalve bij Allaah, of een boodschapper die door Allaah begunstigd is met deze kennis. Dus een ieder die beweert te beschikken over deze kennis is een ongelovige, omdat hij ontkent wat Allaah (Azza wa Djal) zegt. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zeg (O Moh’ammed): “Niemand kent het onwaarneembare (al-ghayb) in de hemelen en op de aarde, behalve Allaah.” En zij weten niet wanneer zij worden opgewekt.” [578]

Aangezien Allaah (Azza wa Djal) Zijn profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) heeft bevolen aan iedereen te verklaren dat niemand in de hemelen en de aarde het verborgene en onzichtbare kent en dat Hij de Enige is Die daar kennis over heeft, daarom heeft iedereen die beweert kennis over het verborgene en onzichtbare te hebben, verworpen wat Allaah (Azza wa Djal) en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezegd hebben.

Bovendien zeggen wij tegen deze mensen: hoe is het mogelijk dat jij het verborgene en onzichtbare kent, terwijl de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) het verborgene en onzichtbare niet kende?! Ben jij nobeler en beter dan de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam)?! Wanneer zij zeggen: “Hij is nobeler en beter” – dan zeggen wij: waarom was dan het verborgene en onzichtbare onbekend voor hem, terwijl jij het weet?! En Allaah (Azza wa Djal) zegt over Zichzelf: “De Kenner van het onwaarneembare, Hij maakt voor niemand het onwaarneembare dat bij Hem zichtbaar is. Behalve aan een boodschapper die Hem welgevallig is, en voorwaar, dan laat Hij voor hem en achter hem wachters (engelen) staan (om dat te bewaken).” [579]

Dit is dus de tweede aayah die het ongeloof bewijst van iedereen die beweert kennis te hebben over het verborgene en onzichtbare.

Ook beval Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) Zijn profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) te verklaren: “Zeg (O Moh’ammed): “Ik zeg jullie niet dat de schatten van Allaah bij mij zijn en niet dat ik het verborgene ken, en ik zeg jullie niet dat ik een engel ben: ik volg slechts wat aan mij geopenbaard wordt...” [580]

[163] Het oordelen met wat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) neergezonden heeft behoort tot de taw’ied van de Heerschappij (ar-Roeboobiyyah), aangezien dit het toepassen is van het Oordeel van Allaah, wat deel uitmaakt van Zijn Heerschappij en Zijn volledige soevereiniteit en gezag. Daarom noemt Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) degenen die gevolgd worden in iets anders dan wat Hij neergezonden heeft, ‘heren’ voor hun volgelingen. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Zij hebben hun schriftgeleerden en hun monniken tot heren naast Allaah genomen en (ook) de Masieh (Messias), de zoon van Maryam (Maria), terwijl hun niets is bevolen dan dat zij één God aanbidden: er is geen god dan Hij. Heilig is Hij boven de deelgenoten die zij naast Hem toekennen.” [581]

Allaah noemt degenen die gevolgd worden ‘heren’ omdat zij als wetgevers genomen worden naast Allaah de Meest Verhevene, en Hij noemt degenen die hen volgen aanbidders/volgelingen, doordat zij zich aan hen overgegeven hebben en hen gehoorzamen in het tegengestelde van het Oordeel van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa).

‘Adiyy ibn Haatim zei tegen de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) dat zij hen niet aanbaden, waarop de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) zei: “Werkelijk, zij verboden wettige dingen voor hen, en maakten wettig wat verboden was voor hen, en zij volgden hen – dit is hun aanbidding van hen.” [582]

Als u dit begrijpt, weet dan dat iedereen die niet oordeelt volgens wat Allaah neergezonden heeft en hij verlangt ernaar dat het oordeel gerefereerd dient te worden aan anderen dan Allaah en Zijn boodschapper, dan zijn er aayaat die Imaan voor hem ontkennen en aayaat die zijn ongeloof, overtreding en zonde verklaren. Met betrekking tot de eerste categorie:

(1) Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Heb jij degenen niet gezien die dachten dat zij geloofden in wat aan jou geopenbaard is en in wat er voor jou geopenbaard is? Zij       willen volgens de Taaghoot berechten, hoewel hen toch bevolen was er niet in te geloven. En het is zo dat de Satan hen ver weg wil doen afdwalen. En wanneer tot hen gezegd wordt: “Kom naar wat Allaah heeft neergezonden en naar de boodschapper,”   zie je de huichelaars (de mensen) geheel van jou afhouden. En hoe is het dan wanneer      een ramp hen trof door wat hun handen gedaan hebben? Dan komen zij naar jou toe, zij zweren bij Allaah: “Wij wilden slechts goed doen en een goede voorziening!” Zij zijn diegenen waarvan Allaah weet wat zich in hun harten bevindt. Wend je van hun     (zonden) af en onderricht hen en spreek tot hen indrukwekkende woorden. En Wij            hebben slechts een boodschapper gestuurd om gehoorzaamd te worden, met het verlof       van Allaah, en waren zij maar, toen zij onrechtvaardig tegenover zichzelf waren, tot        jou gekomen en hadden zij Allaah maar om vergeving gevraagd, en de boodschapper        had (dan) vergeving voor hen gevraagd. Zij zouden zeker ondervonden hebben dat      Allaah Berouwaanvaardend, Meest Genadig is. Bij jouw Heer, zij geloven niet totdat zij jou (O Moh’ammed) laten oordelen over waar zij over van mening verschillen en dan in zichzelf geen weerstand vinden tegen wat jij oordeelde, en zij aanvaarden (het dan) volledig.” [583]

Allaah, de Meest Verhevene, omschreef deze pretendenten op Imaan, die hypocriet waren, met een aantal eigenschappen:

(I) Dat zij verlangden dat het oordeel gezocht zou worden bij at-taaghoot en dit alles     dat tegengesteld is aan het Oordeel van Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), omdat alles wat tegengesteld is aan het Oordeel van Allaah en Zijn boodschapper, een overschrijding is van de grens en een overtreding van het Oordeel van Hem aan Wie het Oordelen toebehoort en tot Wie alle zaken terugkeren, en dat is Allaah. Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...Weet, dat scheppen en bevelen aan Hem zijn voorbehouden. Gezegend zij Allaah, de Heer der Werelden.” [584]

(II)Dat toen zij werden opgeroepen naar hetgeen Allaah (Azza wa Djal) had neergezonden naar Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), weigerden zij en keerden zich er van af.

(III)Dat wanneer een ramp hen trof door het kwaad dat zij bedreven, dan kwamen zij zwerend dat zij alleen het goede voor hadden en verzoening – zoals het geval is met degenen die tegenwoordig de regels van Islaam verwerpen en oordelen met hun wetten die er tegengesteld aan zijn, bewerend dat dit iets goeds is en in overeenstemming met de morderne tijd.

Hij (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) waarschuwde deze pretendenten op Imaan die deze eigenschappen hebben, dat Hij weet wat er in hun harten is en al wat zij verbergen met betrekking tot die zaken die tegengesteld zijn aan hun Heer.

Vervolgens beval Hij Zijn profeet om angst bij hen te veroorzaken en hen in het geheim strikt te vermanen. Daarna maakte Hij duidelijk dat de wijsheid in het zenden van een boodschapper is dat hij gehoorzaamd en gevolgd dient te worden; hij en niet iemand anders van de mensen – het maakt niet uit hoe goed zij denken en hoe verreikend hun verstand is. Daarna zwoer Hij, de Meest Verhevene, bij Zijn Heerschap voor Zijn boodschapper, wat het meest bijzondere en speciale deel is van Zijn Heerschap en wat een indicatie inhoudt van de     juistheid van zijn (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) profeetschap,Hij zwoer met dit een     duidelijke eed, dat Imaan niet correct is, behalve als het onder andere de volgende drie aspecten bevat:

A)    Dat het oordeel in elke onenigheid verwezen wordt naar de boodschapper van Allaah (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

B)    Dat de harten zijn oordeel verwelkomen en accepteren en dat er in zichzelf geen weerstand of afkeer aanwezig is tegenover zijn oordeel.

C)    Dat er een volledige overgave en acceptatie is van zijn oordeel en dat het toegepast wordt zonder laksheid en zonder het te verdraaien.

(2) Betreft de tweede categorie: Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “...En wie niet oordeelt met wat Allaah geopenbaard heeft: zij zijn de ongelovigen!” [585]

En Hij zegt:  “...En wie niet oordeelt met wat Allaah neergezonden heeft: zij zijn het die onrechtvaardigen zijn!” [586]

En Hij zegt: “...En wie niet oordeelt met wat Allaah neergezonden heeft: zij zij          degenen die zware zondaren zijn.” [587]

Zijn deze drie omschrijvingen op één persoon tegelijkertijd van toepassing? Dit betekent: is het zo dat iedereen die niet oordeelt met wat Allaah neergezonden heeft schuldig is aan   ongeloof, en een onrechtvaardige is, en een zware zondaar, aangezien Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) de ongelovigen (elders in de Qor-aan) omschreven heeft als onrechtvaardig en zwaar zondig? Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt:“...En de ongelovigen: zij zijn de onrechtvaardigen.” [588]

En de Verhevene zegt: “...zij (de hypocrieten) geloven niet in (de tawh’ied van) Allaah          en (het profeetschap van) Zijn boodschapper en zij stierven en zij waren zwaar        zondig.” [589]

Dus elke ongelovige is daarom een onrechtvaardige/overtreder en een zondige/ongehoorzame kwaaddoener.

Of is het zo dat elke eigenschap van toepassing is op een aparte groep mensen, volgens de reden die hen leidde naar het verlaten van het oordelen volgens wat Allaah heeft neergezonden? Mijn mening is dat dit meer correct is, en Allaah weet het best.

Een ieder die niet oordeelt volgens dat wat Allaah heeft neergezonden, terwijl hij het bespot     en kleineert, of terwijl hij gelooft dat iets anders beter en voordeliger is voor de schepping,          dan is hij een ongelovige die de religie verlaten heeft. Tot hen behoren degenen die wetsystemen voorschrijven die in tegenstelling zijn aan het Islamitische wetsysteeem- om           dit een manier van leven te laten zijn voor de mensen die zij dienen te volgen. Zij schrijven    dergelijk systemen die in tegenstelling zijn aan de Islamitische Sharie’ah niet voor, tenzij ze geloven dat deze beter en voordeliger voor de schepping zijn. Dit is omdat men onvermijdelijk weet door het intellect en door de aangeboren natuur, dat men niet van een bepaalde manier van leven afkeert naar een andere manier die er tegengesteld aan is, tenzij men gelooft dat deze beter is en dat de manier die hij verlaten heeft onvoldoende is. Maar een ieder die niet oordeelt volgens dat wat Allaah heeft neergezonden, maar hij bespot en kleineert het niet, en hij gelooft niet dat er iets beters en voordeliger is voor hem, dan is hij een onrechtvaardige/overtreder, maar hij is dan geen ongelovige. Het niveau van zijn overtreding varieert in overeenstemming met het oordeel dat gegeven wordt en hoe het tot stand is gekomen.

Betreft degene die niet oordeelt met dat wat Allaah heeft neergezonden, maar hij bespot en kleineert het niet, noch gelooft hij dat er iets beters en voordeliger is voor de schepping, maar hij oordeelt volgens iets anders omdat hij neigt naar degene in wiens voordeel hij iets           beslist, of doordat hij omgekocht is, of door andere wereldse redenen – dan is hij een ongehoorzame zondaar en geen ongelovige. Het niveau van zijn zonde is in           overeenstemming met het oordeel dat gegeven wordt en hoe het bereikt wordt.

Sheikhoe l-Islaam Ibn Taymiyyah (moge Allaah hem genadig zijn) zei betreffende degenen die hun geleerden en rabbijnen als heren naast Allaah nemen, dat zij in twee groepen te verdelen zijn:

(a)    Degenen die weten dat zij de religie van Allaah (Azza wa Djal) veranderd hebben, maar toch volgen zij hen in deze vervorming; en zij geloven in de legaliteit van verboden zaken en in het verbod van zaken die door Allaah toegestaan verklaard zijn – door het volgen van hun leiders, zelfs al weten zij dat zij tegen de religie van de boodschappers in gaan. Dit is dan ongeloof en het is als shirk verklaard door Allaah (Azza wa Djal) en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

(b)   Dat hun geloof in de legaliteit van verboden zaken in het verbod van toegestane zaken – dit zijn de woorden die van hem verhaald zijn – bevestigd wordt, maar zij gehoorzamen ze slechts in ongehoorzaamheid aan Allaah, zoals een moslim een zonde zou kunnen begaan, terwijl zij weten dat het zonden zijn. De regels betreffende de mensen van zonden zijn op hen van toepassing.

Er is een onderscheid tussen deze twee zaken die gezien worden als een algemene en universele wet, en een specifiek geval waar een rechter een oordeel over geeft volgens iets anders dan wat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) heeft neergezonden. Dit is omdat zaken die beschouwd worden als algemene en universele wetten, niet omvat worden door de voorgaande classificatie. Het behoort eerder tot de eerste categorie omdat deze persoon die een systeem voorschrijft dat in tegenstelling is aan Islaam, dit alleen doet omdat hij gelooft dat dit beter is dan Islaam en voordeliger voor de dienaren – zoals reeds is aangeven.

Deze kwestie, d.w.z. het oordelen volgens iets anders dan wat Allaah heeft neergezonden, is een zeer belangrijke kwestie, welke een beproeving is geworden voor de tegenwoordige leiders. Een persoon dient niet gehaast te zijn in het vellen van een oordeel over hen met dat wat zij niet verdienen, totdat de waarheid voor hem duidelijk wordt, omdat het een zeer gevaarlijke zaak is, en we vragen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) degenen met gezag en hun adviseurs te verbeteren voor de moslims. Het is ook verplicht voor diegenen aan wie Allaah kennis heeft gegeven, dat hij de zaken duidelijk maakt aan die leiders, zodat het bewijs en de waarheid duidelijk wordt voor hen en zodat degenen die naar de vernietiging gaan dit doen nadat de zaak aan hen duidelijk is gemaakt.

Men dient zich niet te kleineren om hierdoor te falen het duidelijk te maken, noch dient hij enig persoon betreffende dit te vrezen, want macht en eer zijn werkelijk voor Allaah (Azza wa Djal) en voor Zijn boodschappers (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) en de gelovigen.

[576] Soerat Saad (38), aayah 78.

[577] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 34.

[578] Soerat An-Naml (27), aayah 65.

[579] Soerat Al-Djinn (72), aayah 26-27.

[580] Soerat Al-An’aam (6), aayah 50.

[581] Soerat At-Tawbah (9), aayah 31.

[582] Vertaler: overgeleverd door Ah’mad en at-Tirmidzie en h’asan verklaard door sheikh al-Albaanie in Sah’ieh Soenan At-Tiermidzie (nr.2471).

[583] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 65.

[584] Soerat Al-A’raaf (7), aayah 54.

[585] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 44.

[586] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 45.

[587] Soerat Al-Maa-iedah (5), aayah 47.

[588] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 254.

[589] Soerat At-Tawbah (9), aayah 84. Het bewijs [164] hiervoor is dat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: “Er is geen dwang in de godsdienst. [165] Waarlijk, de rechte leiding is duidelijk onderscheiden van de dwaling, en hij die de taaghoot verwerpt en in (alleen) Allaah gelooft [166]: hij heeft zeker het stevigste houvast gegrepen, dat niet breken kan [167]...” [590]

[164] D.w.z. voor de verplichting om te oordelen met dat wat Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) neergezonden heeft en voor het verwerpen van at-Taaghoot.

[165] De mensen kunnen niet gedwongen om tot Islaam te komen, aangezien de bewijzen en duidelijke tekenen aanwezig zijn. Daarom zegt Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa): “...de rechte leiding is duidelijk onderscheiden van de dwaling...” [591]

Wanneer de rechte leiding duidelijk onderscheiden is van de dwaling, dienen de oprechte zielen te kiezen voor de rechte leiding en er de voorkeur aan te geven boven de dwaling.

[166] Allaah (Azza wa Djal) noemt het verwerpen van at-taaghoet voor Imaan in Allaah, omdat als men iets volledig wil bereiken, dient men alles wat dit voorkomt eerst te verwijderen voordat men het kan bereiken.

[167] D.w.z. dat hij zich er stevig en volledig aan vasthoudt, en het stevigste houvast is Islaam; en denk na hoe Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegt: qadi stamsaka “heeft gegrepen”, en Hij zei niet: tamassaka “hij heeft het vastgehouden”, omdat al-istimsaak “stevig grijpen” sterker is dan at-tamassoek “het vasthouden”, aangezien een persoon iets vast kan houden maar het niet stevig grijpt.

[590] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 256.

[591] Soerat Al-Baqarah (2), aayah 256. Dit is de betekenis van “laa ilaaha illa llaah” (niemand heeft het recht aanbeden te worden behalve Allaah).

In een overlevering staat het volgende: “Het hoofd van de zaak is al-Islaam [168], en de steunpilaar is het gebed [169] en het hoogste deel daarvan is de djihaad voor de zaak van Allaah [170].” [592]

En Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) weet het best en moge Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) zegeningen en vrede neerzenden op Moh’ammed, zijn ware volgelingen en metgezellen. [171]

[168] Wat de auteur (moge Allaah hem genadig zijn) bedoelt, is deze h’adieth te gebruiken om te bewijzen dat alles een kern heeft, en de kern van de zaak waar Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) mee kwam, is al-Islaam.

[169] Dat is omdat het niet geldt zonder het gebed. Daarom is het correct om te zeggen dat iemand die het gebed verlaat, een ongelovige is.

[170] Dit betekent dat de djihaad (het strijden) voor de zaak van Allaah, het hoogste en meest perfecte deel is. Dit is omdat wanneer een persoon zichzelf verbeterd heeft, probeert hij anderen te verbeteren door djihaad voor de zaak van Allaah, om Islaam te vestigen en zodat het Woord van Allaah het Hoogste is. Iedereen die strijdt om het Woord van Allaah (Azza wa Djal) het Hoogste te maken, strijdt voor de zaak van Allaah (Azza wa Djal) en dit is het hoogste deel aangezien de Islaam hierdoor de overhand over al het anderen is gegeven

[171] Sheikhoe l-Islaam Moeh’ammad ibn ‘Abdoe l-Wahhaab (moge Allaah hem genadig zijn) eindigt zijn boekje met het toeschrijven van kennis aan Allaah (Azza wa Djal), en door te smeken dat Allaah prijzingen van vredesgroeten op Zijn profeet Moh’ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) neer zal zenden.

[592] Vertaler: Overgeleverd door Ah’mad, at-Tirmidzie en Ibn Maadjah, en Sah’ieh’ verklaard door sheikh Moeh’ammad Naasiroeddien al-Albaanie in Sah’ieh’ Soenan At-Tirmidzie (nr. 2110).


Met dit is “De drie fundamentele grondbeginselen”, en dat wat er deel van uitmaakt, voltooid. We vragen Allaah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) om de beste beloning te schenken aan de auteur ervan en dat Hij ons een deel van de beloning ervoor schenkt, en dat Hij ons samenbrengt in het uiteindelijke verblijf waar Hij eer schenkt, want Hij is voorzeker de Gulle, de Weldadige Schenker, en alle lof  is voor Allaah, Heer van de gehele schepping en moge Allaah onze profeet Moh’ammed Prijzingen en vredesgroeten schenken.


 Islamitische/Arabische Woordenlijst

 ‘Azza wa Djal- ‘De Almachtige en Majesteitelijke.'

Soebh'anahoe wa Ta'aalaa- ‘Glorieus en Verheven is Hij.' Dit kan gezegd worden om Allaah te prijzen en te verheerlijken.

Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam- ‘De vredesgroeten en de prijzingen van Allaah zijn met hem.' Dit wordt gezegd na het noemen van de naam van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam)

‘Alayhie s-Salaam- ‘vrede zij met hem'. Dit wordt gezegd uit respect na het noemen van een profeet of engel.

Radhya llaahoe ‘anhoe- ‘moge Allaah tevreden met hem zijn' Dit wordt gezegd na het noemen van een metgezel van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam)

A

Al-Aakhirah: het Hiernamaals.

‘Aalim: een geleerde, iemand die beschikt over kennis( ‘ilm ).

Aayah: een vers uit de Quraan. (Aayaat . Meervoudsvorm van aayah . Aayaat betekent ook: tekenen.)

‘Abd: dienaar of aanbidder van...(‘Abdoellah: dienaar/aanbidder van Allaah).

Aboe (Abie, Aba): vader van...; dit wordt gebruikt als middel voor identificatie. In het Arabisch wordt dit koenya genoemd, een soort bijnaam, en wordt meestal gevolgd door de naam van het eerste kind.

Adzaan: oproep tot het gebed.

Adzkaar: meervoudsvorm van dzikr (het gedenken van Allaah).

Adjzaa-e: meervoud van djoez-e (een dertigste deel van de Qor-aan).

Ah'aadieth: meervoudsvorm van h'adieth .

Ahloe l-Bayt: familie van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

Ahloe s-Soennah wa l-Djamaa'ah: degenen die de pure Soennah van de boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) volgen en die zich aansluiten bij de gemeenschap van de oprechte moslims die de juiste methodologie hanteren.

Akhlaaq: gedrag.

Ah'mad: een andere naam voor de profeet Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam); dit is een vorm van het zelfstandig naamwoord van uitstekendheid.

Ah'zaab: meervoud van h'iezb (een 60 ste deel van de Qor-aan).

Akhi: mijn broeder (akh =broeder).

Al-Baytoe l-Ma'moor: het ‘Vaak Bezochte Huis', het huis in de hemel dat altijd bewoond is, bedoeld voor de bewoners van de hemel, net zoals de Ka'bah voor de bewoners van de aarde. Elke dag bidden er zeventigduizend engelen en als zij dan weggaan, komen zij er nooit meer terug, maar elke dag arriveert er een andere groep.

Al-Boeraaq: een dier dat op een paard lijkt, maar kleiner dan een muildier en groter dan een ezel, met vleugels, waarmee de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) de nachtelijke reis maakte.

Al-Djannah: Het Paradijs.

Al-Faatih'ah: de Opening; het eerste hoofdstuk van de Qor-aan.

Al-Foerqaan: de Onderscheider, zoals de Qor-aan ook wel genoemd wordt. Het woord ‘foerqaan' komt van het woord ‘Faraqa' , dat ‘scheiden' betekend; scheiden tussen goed en slecht.

Al-Ghayb: het onwaarneembare, waarvan alleen Allaah kennis heeft.

Al-Ghasaq: een rotte, walgelijke en vreselijke vloeistof uit de Hel, waarvan als er één druppel in de zeeen van de aarde valt, het hele leven op de planeet aarde onmogelijk zal maken

Al-H'amdoelillah: alle lof is voor Allaah.

Al-H'amiem: heet water van de Hel.

Al-h'ayaatoe d-doenya: het wereldse leven (al-h'ayaat: het leven, ad-doenya: de wereld).

Al-Idjmaa': unanimiteit/overeenstemming van de geleerden na de dood van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), met bewijs vanuit de Qor-aan en de Soennah.

Al-Israa-e: de nachtelijke reis van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) van Mekkah naar Al-Aqsa moskee in Jeruzalem vanwaar hij al-mi'raadj (de Hemelvaart) maakte.

Al-Khaashi'oon: de ootmoedigen, de ware gelovigen, degenen die Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa gehoorzamen met volle overgave, Zijn Bestraffing vrezend en zij geloven in Zijn Belofte en in Zijn Waarschuwingen.

Allaahoe Akbar: Allaah is de grootste.

Al-La'nah: het totale verlies van de Genade van Allaah de Almachtige.

Al-Lawh'oe l-Mahfoedh: het bewaarde/beschermde Boek. Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa heeft in dit Boek alles genoteerd en Hij houdt dit bij Zich.

Allaah: Al-llah, de God. Allaah is de naam van de Enige God en uit deze naam komen al Zijn andere namen voort.

Allaahoemma: O Allaah...; dit wordt gezegd voor een smeekbede.

Al-Madinah: de stad die oorspronkelijk Yathrib heette, werd na de komst van de profeet Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) Medinet an-Nabiyy , stad der profeet, genoemd, kortweg al Madinah.

Al-Mannaan: iemand die zijn goede daden veelvuldig opnoemt bij aanwezigheid van mensen.

Al-Mi'raadj: de hemelreis, hemelvaart.

Al-Walaa-e en Al-Baraa-e: loyaliteit aan de wetgeving van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa en verwerping van datgene wat tegenstrijdig is aan de wetgeving van Allaah de Meest Verhevene. Vereniging en afstand: d.w.z. bondgenootschap met de gelovigen die Allaah en Zijn boodschapper gehoorzaam zijn, en vijandschap jegens en afstand nemen van de ongelovigen.

Al-Amaanah: iets wat je in vertrouwen aan iemand geeft, bijvoorbeeld geld, informatie.

Aamien: moge Allaah het van ons accepteren.

Amier: leider.

Amieroe l-moe-eminien: leider der gelovigen.

An-Naar: het Vuur (de Hel).

An-Nabiyy: de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Nabiyy betekent profeet, maar met An- (de) ervoor, verwijst het naar onze geliefde profeet Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

An-Nah'ﷺ‬: het slachten voor het offerfeest.

Ansaar: ‘helpers', de moslims van Madienah die de gemigreerde moslims van Mekkah steunden.

Ansaari: een inwoner van Madinah wordt Ansaari genoemd, omdat het Arabische woord ‘Naaser' verdediger en helper betekent. De Ansaar hielpen de Moehaadjierien uit Mekkah om weer een normaal leven te kunnen leiden in Madinah. Zij deelden al hun bezittingen met de Moehaadjierien (migranten).

‘Aqiedah: dat wat bindt of dat wat geworteld is in het hart; de principes en details van het geloof, de geloofsleer.

Ar-Raadifah: de tweede blaas op de Bazuin op de Dag des Oordeels.

Ar-Raadjifah: de eerste blaas op de Bazuin op de Dag des Oordeels.

Ar-Rayyaan: één van de zeven poorten in het Paradijs. Alleen degenen die veelvuldig gevast hebben zullen op de Dag des Oordeels deze poort binnengaan.


‘Arsh: Troon ( al-‘Arsh: de Troon van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa).

‘Asabieyyah: het onterecht en blind volgen van een bepaald idee, partij of plaats, het kleineren en berispen van degenen die anders zijn.

As-Safa en Al-Marwa: twee heuvels rond om de Ka'bah, waartussen zeven keer wordt gelopen tijdens de h'adj en oemrah.

As-Shaam: het gebied Syri ë, Jordanië en Palestina.

As-Shahaadah: het martelaarschap.

As-Shirk Al-Akbar: de grote shirk.

As-Shirk Al-Asghar: de kleine shirk.

Ash-Shirk Al-Khafiy: de onzichtbare shirk.

As-Selef As- Saalih: de oprechte voorgangers (moge Allaah hen genadig zijn) (zie salaf ).

As-Salaat al-djahriyyah: de hoorbare recitatie tijdens het gebed.

As-Salaat as-sierrieyyah: het gebed in stilte.

As-siraat: de brug over de Hel.

As-siraat al-moestaqiem: het rechte Pad.

As-Soor: de Hoorn of de Bazuin.

Astaghfiroellah: ik vraag Allaah om mij te vergeven.

At-Tahoer: het water waarmee je je schoonmaakt/reinigt.

Awliyaa-e: heiligen, meervoud van waliy

‘Awrah: datgene van het lichaam dat bedekt moet zijn.

B

Baitoe l-Maqdis: De Al-Aqsa moskee in Jeruzalem. Al-Balaa-e: test.

Banoe of Banie: stam van.

Baaraka llaahoe Fiek: moge Allaah je zegenen.

Barzakh: letterlijk betekent dit barriere; het leven tussen het leven in deze wereld en het Hiernamaals (d.w.z. de periode in het graf: ( al-Qabr).

Badr: de eerste slag die plaatsvond tussen de moslims en de ongelovigen, in de maand Ramadhaan . De moslims waren de overwinnaars dankzij de hulp van Allaah de Almachtige.

Bida': meervoudsvorm van bid'ah .

Bid'ah: toevoegingen (innovatie) aan de religie zonder geldig bewijs. Het toevoegen van nieuwe geloofsleerstellingen en/of rituelen in Islaam, die noch de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), noch zijn metgezellen (moge Allaah tevreden zijn met hen) hebben voorgeschreven of gedaan.

Bint: dochter van...; dit wordt gebruikt als middel van identificatie.

Bismiellaah: in naam van Allaah.

D

Daabbah: het beest dat aan het einde der tijden uit de aarde zal komen en tot de mensen zal spreken, als teken van het Laatste Uur.

Da'ief: zwak, niet authentiek (een h'adieth die da'ief is, is een zwakke h'adieth ).

Da'ief Djiddan: zeer zwak.

Daa'iyah: iemand die zich bezighoudt met da'wah.

Dadjjaal: letterlijk betekent het ‘leugenaar'; antichrist. Al-A'war Ad-Dadjjaal of Al-masieh' ad-dadjjaal: de valse messias.

Daliel: bewijs.

Dammah: de kleine 9 boven de Arabische letters, wat aangeeft dat de uitspraak van die letter met een ‘oe' is.

Dars: les.

Da'wah: uitnodiging; anderen oproepen tot Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa, om Zijn weg te volgen.

Daawoed: de profeet David Alayhie s-Salaam.

Dzikr: het gedenken van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa.

Dien: religie, manier van leven zoals is voorgeschreven door Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa, d.w.z. Islaam.

Djaahiel: iemand die de manieren van voor de Islaam hanteert, een onwetende.

Djaahiliyyah: onwetendheid. Dit verwijst meestal naar de periode voor de Islaam.

Djahanam: de Hel.

Djahiem: de Hel.

Djamaa'ah: gezamenlijk (bijvoorbeeld djamaa'ah gebeden).

Djanaazah: Islamitische regels rondom de dood/begrafenis, bijvoorbeeld wassing, Salaah enz.

Djawami' al-Kalim: de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) was begiftigd met een goed uitdrukkingsvermogen, met slechts een paar woorden kon de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) lange zaken bespreken.

Djazaaka llaahoe Khayran: moge Allaah je met het goede belonen.

Djibriel: de engel Gabriel Alayhie s-Salaam.

Djizyah: een soort belasting die betaald dient te worden door niet-moslims die leven in een Islamitische staat en die hun eigen religie willen behouden. Aangezien niet-moslims vrijgesteld zijn van militaire dienst en belasting die opgelegd is aan moslims, dienen zij deze belasting te betalen als compensatie. Het garandeert hen veiligheid en bescherming. Als de staat degenen die Djizyah betalen niet kan beschermen, dan wordt het bedrag aan hen teruggeven.

Djihaad: strijd (niet alleen de gewapende strijd, maar alle vormen van de strijd).

Djihaad an-Nefs: strijd met je eigen ‘ik', met je ego, je begeerten en je lusten.

Djinn: schepsels geschapen van rookloos vuur (geesten).

Djoemoe'ah: vrijdag.

Djoenoeb: staat van grote onreinheid, bijvoorbeeld na geslachtsgemeenschap en menstruatie.

Djoez-e: een dertigste deel van de Qoraan.

Doe'aa-e: smeekbede.

Doe'aat: meervoudsvorm van da'iyah (prikant) .

Doeff: trommel, waar vrouwen op mogen spelen op b.v. de dag van de ‘Ied.

Doenya: wereld.

F

Fardh: verplicht.

Fardh ‘ayn: individuele verplichting; elk individu die voldoet aan bepaalde voorwaarden, is belast met de verplichting, zoals het gebed, zakaat, vasten.

Fardh kifaayah: gemeenschappelijke verplichting; als een deel van de gemeenschap zich er mee bezig houdt, dan is dat voldoende en zijn anderen er van vrijgesteld.

Faasiq: een zware zondaar, maar treedt niet buiten de oevers van Islaam.

Fatwa: Islamitische uitspraak (meervoud: fataawah).

Fat-h'ah: het streepje boven de Arabische letters, wat aangeeft dat de uitspraak van die letter met een ‘a' is.

Fidyah: de plicht om een arme te voeden als boetedoening.

Fie sabili llah: op de weg van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa.

Fiqh: Faqaha , letterlijk betekent dit begrip. Islamitische betekent het de Islamitische jurisprudentie, wetgeving. De volledige definitie van fiqh is: het kennen van de Islamitische oordelen over Islamitische praktijkzaken met daarbij de uitgebreide duidelijke bewijsvoering.

Fir'awn: farao. De farao ten tijde van de profeet Mozes Alayhie s-Salaam.

Fisq: zondigen.

Fitnah: beproeving, kwelling (meervoud: fitan ).

Fitrah: natuurlijke aanleg waarmee men wordt geboren. De aangeboren zuiverheid die Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa in elk mens creeert, het verstand, de Sharie'ah (Islamitische wetgeving) en de zintuigen.

Foeqahaa-e: Fiqh (jurisprudentie)-geleerden.

Foerqaan: kennis waarmee de Waarheid van de valsheid kan worden onderscheiden, een andere naam voor de Qor-aan ( Al-Foerqaan ).

Foessaaq: slechtdoeners.

G

Gimaar: sluier.

Ghoesl: grote rituele wassing om de staat van Djoenoeb op te heffen.

H

H'aafidhz al-Qor-aan: iemand die de hele Qor-aan uit zijn hoofd kent. ( H'aafidhz betekent bewaren.)

H'abieboe llaah: geliefde van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa ; dit is een verwijzing naar Moh'ammed ( Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam.)

H'adieth: overleveringen van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), van wat hij gezegd, gedaan of stilzwijgend goedgekeurd heeft, of een overlevering die zijn eigenschappen bevat.

H'adieth Qoedsi: Heilige overlevering van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa, die niet in de Qor-aan staat. Het is een h'adieth die de boodschapper(Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) overlevert van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa, maar het behoort niet tot de Qor-aan en het is ook niet mogelijk om de recitatie daarvan als aanbidding te zien. H'adieth Qoedsie betekent dat deze van Al-Qoeddoes afkomstig is, Al-Qoeddoes is de Heilige, 1 van de Schone Namen van Allaah.

H'adieth sah'ieh': authentieke (betrouwbare) overleveringen van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

Al-H'adj: pelgrimstocht (bedevaart) naar Mekkah.

Al-H'adjar al-Aswad: de Zwarte Steen die afkomstig is uit het Paradijs, en die zich nu op een hoek van de Ka'bah bevindt. Hij was wit en nu is hij zwart geworden door de vele zonden op aarde.

H'afidhahoe llaah: moe Allah hem beschermen; dit kan gezegd worden na het noemen van een geleerde of iemand die nog in leven is.

H'alaal: toegestaan volgens de Sharie'ah .

H'anafieyyah: de religie van Ibraahiem (Alayhie s-Salaam), het duidt aan dat men Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa met zuiver geloof ( tawh'ied ) moet aanbidden, en dat is de boodschap die Hij de gehele mensheid heeft bevolen en daardoor heeft Hij hen geschapen.

H'anief: rechtzinnig, in de zin van het zuivere monotheisme. Ibraahiem (Alayhie s-Salaam) aanbad alleen Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa.

H'araam: verboden volgens de Sharie'ah . Als men het verricht, dan wordt men hiervoor bestraft, en als men het niet verricht, dan wordt men beloond.

H'asan: goed; een term die gebruikt wordt voor een authentieke h'adieth , maar bereikt niet het niveau van sah'ieh' .

H'asanaat: meervoudsvorm van h'asanah: beloning voor een goede daad.

Hawwaa-e: Eva, de vrouw van Aadam (Alayhie s-Salaam).

H'idjaab: wordt vaak gebruikt als aanduiding van de hoofddoek, maar is eigenlijk ook de gezichtsbedekking.

Hidjriyyah: de aanduiding voor de Islamitische jaartelling. Hidjriyyah of wel Al-Hidjrah is de migratie van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) van Mekkah naar Madinah.

Hiedaayah: leiding ( al-Hiedayah: goddelijke Leiding).

H'iezb: een 60 ste deel van de Qor-aan.

H'ikmah: wijsheid.

I

‘Ibaadah: aanbidding zowel innerlijk als uiterlijk, aanbidding van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa.

Iblies: de naam van Shaytaan (Satan), de duivel (moge Allaah hem vervloeken).

Ibn: zoon van...; dit wordt gebruikt als middel voor identificatie.

Ibraahiem: de profeet Abraham (‘Alayhie s-Salaam).

Ibtilaa-e: beproeving.

Idjbaar: verplichting ( waadjib ).

Idjmaa-e: overeenstemming van de geleerden (zie al-idjmaa' ).

‘Ied: feest, een feestdag voor de moslims (er zijn elk jaar twee feesten: ‘ Iedoe l-Adh'a en ‘Iedoe l-Fitr .)

‘Iedoe l-Adh'a: het offerfeest, slachtfeest, in de maand Dhoel-H'idjah .

‘Iedoe l-Fitr: het feest dat het einde van de Ramadhaan aangeeft, in de volksmond wordt dit feest ook wel suikerfeest genoemd.

‘Iesa: de profeet Jezus (‘Alayhie s-Salaam)

Iesbaal: kleding voor mannen dat tot over de enkels hangt, wat niet is toegestaan.

Ih'saan: perfectie van aanbidding, het aanbidden van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa net of als je Hem ziet en als je Hem niet ziet, weet dan dat Hij jou wel ziet, uitmuntendheid in het geloof.

Ikhlaas: oprechtheid, zuiverheid van daden, voor de zaak van Allaah de Verhevene, de Almachtige.

Ikhtilaaf fie ar-ra-ey: verschil in mening. ( Ikhtilaaf: verschil, ar-ra-ey: mening.)

Ilaah: god (Al-Ilaah: de God=Allaah)

‘Ilm: kennis.

 Imaan: geloof.

maam: leider; voorganger in het gebed ( Salaah), leider in kennis of fiqh ; leider van een staat.

Imaamah: het leiderschap zelf.

Indjiel: Evangelien, het Heilige Boek dat door Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa aan de profeet Jezus (‘Alayhie s-Salaam) geopenbaard is.

Inshaa-e Ilaah: als Allaah het wil.

Iqaamah: aankondiging dat het gebed gaat beginnen, dit vindt na de adzaan plaats.

Iqra-e: lees!

Is-h'aaq: de profeet Izaak (‘Alayhie s-Salaam), (de zoon van Ibraahiem(‘Alayhie s-Salaam) ).

Islaam: dit houdt overgave aan Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa in, door erkenning van Zijn Eenheid ( tawh'ied ), gehoorzaamheid aan Zijn bevelen en het vermijden van shirk (polytheisme) en haar aanhangers.

Ismaa'iel: de profeet Ismael (‘Alayhie s-Salaam), (de zoon van Ibraahiem(‘Alayhie s-Salaam) ).

Isnaad: keten van overleveraars van een h'adieth , die de verzamelaar van de h'adieth koppelt aan degene die het verhaald heeft.

Israa-iel: een andere naam voor de profeet Yaqoeb (Jacob) (‘Alayhie s-Salaam).

Istikhaarah: leiding (raad) van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa zoeken.

K

Kaafir: een ongelovige, iemand die Islaam verwerpt.

Kaafirien of kaafiroen of koeffaar: meervoudsvrom van kaafir .

Ka'bah: het Heilige Huis van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa te Mekkah, die oorspronklijk gebouwd is door Ibraahiem en zijn zoon Ismaa'iel, ‘Alayhoem as-Salaam .

Kasrah: het streepje onder de Arabische letters, wat aangeeft dat de uispraak van die letter met een ‘i' is. Kefen: lijkwade

Khalaf: degenen die na de salaf kwamen.

Khalifah: leider van de moslims.

Khalifaat (khilaafah): leiderschap over de moslims.

Khamr: wijn, hiermee wordt letterlijk het gefermenteerde sap van druiven bedoeld, maar door analogisch te redeneren duidt het op alle gegiste dranken en verder ook op alle bedwelmende dranken of drugs.

Khawf: eerbiedige angst.

Khoeshoo': kalmte, helderheid, concentratie, rust, waardigheid, ootmoed en nederigheid (belangrijk voor bijvoorbeeld tijdens het gebed).

Khoetbah: toespraak.

Kibr: trots, hoogmoed.

Kiswah: de bedekking van de Ka'bah .

Kitaab: boek.

Koefr: ongeloof.

Koefr Al-Akbar: groot ongeloof.

Koefr Al-Asghar: klein ongeloof.

Koetoeb: boeken.

L

Ladhaa: loeiend vuur.

Lah'd: nis van het graf.

Laylatoe l-Qadr: de Waardevolle Nacht in Ramadhaan waarin de Qor-aan is neergezonden.

Lih'yah: baard.

M

Malak: engel. (meervoud: Malaa-iekah).

Madaahieb: meervoudsvrom van madh'ab , oftewel een stroming.

Madh'ab: Islamitische wetschool.

Maghfirah: vergeving.

Mahr: bruidschat.

Mah'ram: mannen die volgens de Sharie'ah niet met een vrouw mogen trouwen. Een mah'ram is een man waarbij een vrouw zich ‘openlijk' mag vertonen zoals haar man, broer, vader en alle andere mannen die genoemd zijn in Soerat An Noer (24), aayah 31.

Makroeh: afkeurenswaardig, afgeraden. Als men het verricht, dan wordt men niet bestraft, maar als men het niet verricht, dan wordt men beloond.

Malak al-Mawt: engel des doods.

Mandoeb: aanbevelingswaardig, aanbevolen ( moestah'ab , Soennah , Nafilah ). Als men het verricht, dan wordt men hiervoor beloond, maar als men het niet verricht, dan wordt men niet bestraft.

Menhadj: methodologie van de Qor-aan en Soennah.

Maqaam Ibraahiem: een plek heel dicht bij de Ka'bah, de standplaats van Ibraahiem (‘Alayhie s-Salaam), toen hij de Ka'bah bouwde samen met zijn zoon Ismaa'iel (‘Alayhie s-Salaam). Deze steen bevat de voetafdrukken van Ibraahiem (‘Alayhie s-Salaam).

Ma'roef: (het goede) is een woord dat alles omvat dat als goed wordt beschouwd volgens de Islamitische wet en de menselijke natuur (het tegenovergestelde van Moenkar ).

Maryam: Maria, de moeder van Jezus (‘Alayhie s-Salaam).

Masaah'ief: meervoud van moes-h'af .

Mashaa-e llaah: Allaah heeft het zo gewild (een expressie van verwondering).

Masdjid: moskee (meervoud: masaadjid ).

Al-Masdjidoe l-h'araam: de Heilige Moskee in Mekkah.

Al-Mawt: de dood.

Mawdoe': verzonnen (bijvoorbeeld een mawdoe' h'adieth).

Mih'raab: gebedsruimte.

Minbar: preekstoel.

Mieswaak of siewaak: een takje, meestal van de Arakboom, waarvan het uiteinde zacht is en dit wordt gebruikt om de tanden schoon te maken.

Miskien: een arme, zielig.

Moebaah': algemeen toegestaan. Als men het verricht, dan wordt men niet beloond, en als men het niet verricht, dan wordt men niet bestraft.

Moe'aamalah: handeling tussen mensen.

Moebtadi': iemand die een bid'ah (innovatie) introduceert.

Moeh'addieth: iemand die ah'aadieht gestudeerd heeft, een h'adieth -geleerde.

Moedjaahid: strijder in de djihaad . De meervoudsvorm is Moedjaahiddien .

Moedjrimoen: criminelen, ongelovigen, polytheisten, zondaren etc.

Moe-addzin: degene die de adzaan verricht.

Moefassiroen: geleerden die de uitleg van de Qor-aan gebundeld hebben ( tefsier ).

Moeftie: degene die fataawah mag uitspreken.

Moehaadjiroen of moehaadjirien: (e)migranten die (e)migreren van het land van de ongelovigen naar het land van de moslims, omwille van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa (enkelvoud: moehaadjir ).

Moeh'sinoen: is de meervoudsvorm van moeh'sin en dit is een persoon die ih'saan toepast, dus degene die dat verricht wat verplicht is, vermijdt wat verboden is, die acht slaat op de rechten van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa en die Hem continu gehoorzaam is.

Moekhannath: verwijfde man, een man die vrouwen imiteert.

Moe-emin: een gelovige.

Moe-eminoen of moe-eminien: meervoudsvrom van moe-emin .

Moenaafiq: hypocriet, huichelaar; degene die geloof laat zien maar in zijn hart is ongeloof.

Moenaafiqien of moenaafiqoen: hypocrieten (meervoudsvorm van moenaafiq ).

Moenkar: (het slechte) omvat alle slechte daden die volgens de Islamitische wet, maar zelfs ook volgens de menselijke natuur verafschuwd worden (het tegenovergestelde van ma'roef ).

Moerted: een afvallige.

Moesa: de profeet Mozes (‘Alayhie s-Salaam)

Moes-h'af: schrift, vaak wordt hier de Qor-aan mee bedoeld.

Moeslim: moslim, iemand die zich overgeeft aan Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa.

Moeshrik: veelgodenaanbidder, polytheist; iemand die anderen naast Allaah aanbidt, of één of meerdere eigenschappen van Hem toeschrijft aan anderen, iemand die shirk begaat.

Moeshrikien of moeshrikoen: meervoudsvorm van moeshrik .

Moestah'ab: aanbevelenswaardig, aanbevolen ( nafilah , Soennah , mendoeb ). Als men het niet vericht, dan wordt men niet bestraft.

Moetazahid: toegewijde godsdienstig persoon.

Moettafaqoen ‘alayh: letterlijk zijn tweeen zijn hiermee eens, d.w.z. dat deze h'adieth terug te vinden is in zowel Boekhaarie als Moesliem.

Moettaqoen: degenen die beschikken over Taqwa , d.w.z het vrezen van de toorn van Allaah en het zich daartegen beschermen door te doen wat Hij bevolen heeft en door zich verre te houden van wat Hij verboden heeft verklaard.

Moewahh'id: iemand die alleen Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa aanbidt en die Zijn eenheid ( tawh'ied ) erkent.

Moewahh'idien: meervoud van moewahh'id (zij die de ware tawh'ied belijden).

Moh'ammed of Moeh'ammed: Moh'ammed stamt af van de lijdende vorm van het deelwoord ‘Mah'moed' (wat ook een naam is van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) ), wat betekent: degene in wie de beste prijzenswaardige eigenschappen zo uitstekend zijn verenigd, dat er geen ruimte over is voor enige toevoeging of verbetering.

Momtazah: uitmuntend (vrouwelijke vorm), mannelijke vorm: Momtez.

N

Ni'mah: gunst.

Naas: mensen; naasi betekent vergeetachtig.

Nabiyy: profeet, iemand die een openbaring krijgt maar die niet verplicht is om het te verkondigen.

Nadjasah: onreinheid.

Naafilah: aanbevelenswaardig, aanbevolen ( moest-h'ab , Soennah , mendoeb ). Als men het verricht, dan wordt men hiervoor beloond, maar als men het niet verricht, dan wordt men niet bestraft.

Nefs: ziel.

Namimah: is het informeren van mensen wat er in hun afwezigheid over hen gezegd is, om zo haat in een samenleving te creeren.

Nasieh'ah: advies.

Nifaas: bloedingen na een geboorte.

Nifaaq: hypocrisie

iqaab: gezichtsbedekking.

Niyyah: intentie.

Noeh': de profeet Noah (‘Alayhie s-Salaam).

O

Oeh'oed: een heel belangrijke slag die plaatsvond tussen de moslims en de ongelovigen.

Oelemaa-e: geleerden (meervoudsvorm van ‘Alim ).

‘Oeloema al-Qor-aan: Qor-aanwetenschappen.

Oem: moeder van...; dit wordt gebruikt als middel voor identificatie.

Oemm al-Moe-eminien: moeder van de gelovigen, dit wordt gebruikt als titel voor de echtgenoten van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

Oemmah: gemeenschap, meestal wordt dit gebruikt voor de Islamitische gemeenschap.

‘Oemrah: de kleine bedevaart (naar Mekkah).

Oesoel: grondbeginsel (fundament).

Okhti: mijn zuster ( okht =zuster).

Oeloe l-‘azm: de vijf grote boodschappers; Noeh', Ibraahiem, Moesa, ‘Iesa en Moh'ammed (vrede zij met hen).

Q

Qabr – Al-Qabr: het graf.

Qadr- Al-Qadr: het lot, lotsbestemming.

Qalb: hart; qalb betekent verandering.

Qiblah: de richting van de Ka'bah te Mekkah, gebedsrichting.

Qiyaam: staan.

Qiyaam al-Layl: letterlijk: staan in de nacht. Hier wordt het nachtgebed mee bedoeld.

Qoeraysh: dit was een Arabische stam waar de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) toe behoorde.

Qor-aan: Koran, het Woord van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa dat via de engel Gabriel (‘Alayhie s-Salaam) aan de profeet Moh'ammed profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) geopenbaard is.

R

Radhiya llaahoe ‘ahnoe/'anha/'anhoem/'anhoemaa: moge Allaah tevreden zijn met hem/haar/hen/hen beide.

Rabb: Heer.

Radghatoe l-Khabaal: viezigheid, pus, vet en zweet van de mensen van de Hel.

Rah'imahoellaah/Rah'imahoemoellaah: moge Allaah hem/hen genadigd zijn, dit wordt gezegd na het noemen van iemand (een gelovige) die overleden is.

Rah'mah: genade.

Rak'ah: een volledig deel van het gebed, bestaande uit staan ( qiyaam ), buigen ( roekoe' ) en knielen ( sadjdah ). De meervoudsvorm is raka'aat en de tweevoudsvorm is de rak'atain .

Ramadhaan: de negende maand van de Islamitische kalender, waarin de moslims dienen te vasten.

Rasool: boodschapper, iemand die een openbaring krijgt en die het moet verkondigen.

Riba: rente.

Riddah: afvalligheid (van Islaam naar koefr, van geloof naar ongeloof).

Rieyaa-e: te koop lopen met aanbidding en goede daden.

Risaalah: boodschap.

Rizq: levensonderhoud, voorzieningen van Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa.

Roeh': geest, ziel.

Roeh'oe l-Qoedoes: de Heilige Geest, de engel Djibriel (Gabriel) (‘Alayhie s-Salaam).

Roekn: pilaar of zuil (van bijvoorbeeld het gebed).

Roekoe': de gebogen houding tijdens het gebed.

S

Saalih': vroom, oprecht.

Sabr: geduld.

Saabirien: geduldigen, mensen met geduld.

Sadaqah: liefdadigheid.

Sadaqah djaariyah: doorlopende sadaqah , liefdadigheid waarvan de beloning voortduurt, b.v. boeken, moskee bouwen, kinderen die doe'aa-e voor hun ouders verrichten etc.

Sadjah: ter aarde werping, de knieling tijdens het gebed (zie Soedjoed ).

Sah'aabah: metgezellen van die de profeet(Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) gezien hebben en die stierven als moslims ( Radhiyallahoe'anhoem ).

Sah'aabie: metgezel (enkelvoud van sah'aabah ).

Sah'ieh': juist, betrouwbaar; een authentieke overlevering ( h'adieth ).

Sah'oer: maaltijd voor het vasten (voor het fadjr gebed). Sah'oer is een maaltijd in de nacht met als bedoeling het versterken van het lichaam om de dag vastend door te kunnen brengen.

Sa'ier: de Hel.

Salaah of Salaat: voorgeschreven gebed (d.w.z. de vijf verplichte gebeden).

As-Saalamoe ‘aleikoem: vrede zij met jullie.

Salaat al-‘Asr: het namiddaggebed (het derde verplichte gebed van de dag, bestaande uit vier raka'aat ).

Salaat Al-Djanaazah: het begrafenisgebed.

Salaat Al-Djoemoe'ah: het vrijdagmiddag gebed.

Salaat ad-Doh'a: een vrijwillige gebed dat men na de fadjr en voor de dhzohr kan bidden.

Salaat ad-Dhzohr: het middaggebed (het tweede verplichte gebed van de dag, bestaande uit vier raka'aat ).

Salaat al-Fadjr: het ochtendgebed of zonsopkomstgebed (het eerste verplichte gebed van de dag, bestaande uit ‘twee' raka'aatain ).

Salaat al-‘Ishaa-e: het avondgebed (het vijfde verplichte gebed van de dag, bestaande uit vier raka'aat ).

Salaat al-istiekhaarah: het bidden van twee raka'aat en de doe'aa van al-istiekhaarah verrichten, om Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa om raad te verrichten.

Salaat al-Maghreb: het zonsonderganggebed( het vierde verplichte gebed van de dag, bestaande uit drie raka'aat).

Salaat al-Witr: letterlijk het oneven gebed, dit is een gebed dat tussen Salaat al-Ishaa-e en Al-Fadjr in oneven aantal verricht wordt.

Salaat at-taraawieh (Tahajjoed): vrijwillig gebed na het ‘Ishaa-e gebed in Ramadhaan.

Selef (As-Selef as-Saalih'): de vrome voorgangers, de eerste drie generaties: dus de metgezellen van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), hun volgelingen en de leerlingen daarvan.

Selefie: degene die de weg van de vrome voorgangers- de metgezellen van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam), hun volgelingen en de leerlingen daarvan – volgt.

Saqar: de Hel.

Shafaa'ah: voorspraak, het recht van voorspraak ten behoeve van de mensheid, die Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa aan Zijn boodschappers en andere mensen heeft geschonken op de Laatste Dag.

Shahaadah: de geloofsgetuigenis en eerste zuil van Islaam: ‘Ash-hadoe Allaa ilaaha iella llaah, wa Ash-hadoe anna Moh'ammadan rasoeloe llaah' (ik getuig dat er geen andere god is (dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden) behalve Allaah, en ik getuig dat Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) Zijn boodschapper is).

Shahaadatayn: de tweevoudsvorm van shahaadah (de twee getuigenissen; dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allaah en dat Moh'ammed Zijn boodschapper is).

Shahied: een martelaar

Shakl: de leestekens boven de Arabische letters (harf) en woorden (kalimaat) , voor de uitspraak.

Sharie'ah: Islamitische wetgeving, de goddelijke Wet.

Shaytaan: Satan, de duivel. De meervoudsvorm is Shayaateen .

Sheikh: geleerde.

Shirk: iets of iemand naast Allaah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa aanbidden (afgoderij, polytheisme), deelgenoten aan Allaah toekennen, eigenschappen van Allaah aan iemand anders toekennen, het schenden van tawh'ied .

Sih'ﷺ‬: tovenarij.

Sierah: biografie (levensverhaal).

Sirat an-Nabiy: levensloop van de profeet Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam).

Siewaak of mieswaak: een takje, meestal van de Arakboom, waarvan het uiteinde zacht is en dit wordt gebruikt om de tanden schoon te maken.

Siyaam: je onthouden van, vasten. Het is niet alleen je onthouden van eten en drinken en geslachtgemeenschap, maar ook van alle verboden zaken, zoals kijken naar zaken die h'araam zijn, roddelen, liegen etc. Je legt de nadruk op het laten van deze zaken.

Soebh'aanallaah: Glorieus is Allaah.

Soebh'aanahoe wa Ta'aalah: Glorieus en Verheven is Hij.

Soedjoed: ter aarde werping, de knieling tijdens het gebed (zie Sadjah ).

Soedjoed as-sah'w: soedjoed van vergeetachtigheid, men verricht Soedjoed as-sah'w (bestaande uit ‘twee' rak'atain ) als men een fout heeft begaan in het gebed, of als men twijfel.

Soekoen: de kleine ‘o' boven de Arabische letters, wat aangeeft dat er geen klinker (a, oe, i) komt na deze letter.

Soennah: aanbevelenswaardig, aanbevolen ( moest-h'ab , naafilah , mendoeb ). Als men het verricht, dan wordt men hiervoor beloond, maar als men het niet verricht, dan wordt men niet bestraft.

Soennah: dit betekent letterlijk de weg of manier. Islamitische duidt de Soennah de woorden, daden en stilzwijgende goedkeuringen van de profeet Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) aan.

Soennah moe-akkadah: sterk aanbevolen Soennah (b.v het witr gebed en de ‘twee' rak'atain voor salaat al-Fadjr ).

Soenan: meervoudsvorm van Soennah .

Soenan ﷺ‬-rawaatib: de Soennah gebeden die de profeet (Moh'ammed (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) regelmatig verrichtte.

Soerat of Soerah: een hoofdstuk uit de Qor-aan (totaal zijn er 114 Soewar ).

Soetrah: de afscheiding die je voor je dient te hebben tijdens het gebed.

Soewar: meervoudsvorm van Soerat .

T

Taabi'een: de generatie na de sah'aabah (moge Allah tevreden zijn met hen), die de sah'aabah gezien hebben.

Tabarroedj: wanneer een vrouw haar charme en schoonheid toont in aanwezigheid van anderen dan haar man. Het betekent ook heupwiegen wanneer ze loopt.

Tefsier: uitleg van de Qor-aan.

Tahaarah: schoonheid, reinheid, het verwijderen van onreinheden, opheffen van de “ h'adeth ”- of “ nadjaasah ”-toestand (rituele onreinheid).

Tadjwied: recitatieregels van de Qor-aan.

Tahliel: het zeggen van: “ laa iellaaha iella llaah ” (er is geen godheid dan Allah).

Tah'mied: het zeggen van “ Al-h'amdoeliellaah ” (alle lof zij Allah).

Tah'iyyat al-Masdjid: gebed (“twee” rak'aatain ) als begroeting voor de moskee.

Takbier: het zeggen van “ Allaahoe Akbar ” (Allah is de grootste).

Takbieratoe l-Ih'raam: de eerste takbier waarmee je het gebed begint.

Taqwa: godsvrees, vrees voor Allah de Soebh'anahoe wa Ta'aalaa.

Tarbiyah: Islamitische opvoeding.

Tasbieh': het zeggen van “ Soebh'aana llaah ”, het prijzen van de Glorie van Allah.

Tasliem: de begroeting van de engelen (rechts en links), waarmee men het gebed beëindigt.

Tawaaf: het zeven keer om de Ka'bah lopen als een handeling van aanbidding (veel ontwetende mensen zijn begonnen met het lopen om graven en dergelijke, dit is absoluut verboden!!!).

Tawh'ied: monotheïsme, de eenheid van Allah in Zijn Heerschappij, Goddelijkheid en in Zijn Namen en Eigenschappen.

Tawh'ied Al-Asmaa-e wa s-Sefaat: eenheid van Namen en Eigenschappen van Allah.

Tawh'ied Al-Oeloehiyyah: eenheid van Goddelijkheid (aanbidding).

Tawh'ied Ar-Roeboebieyyah: eenheid van Heerschappij.

Tawbah: berouw.

Tawraat: Torah, het Heilige Boek dat door Allah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa aan de profeet Mozes (‘Alayhie s-Salaam) geopenbaard is.

Tayammoem: rituele reiniging met schone aarde i.p.v. water, als er geen water aanwezig is, of als men om gezondheidsredenen geen water kan/mag gebruiken.

Taaghoet: at-taaghoot ; letterlijk betekent het ‘degene die overschrijdt'. In de religie betekent het alles dat naast Allah Soebh'anahoe wa Ta'aalaa aanbeden wordt en dit goed vindt, zoals Shaytaan (de duivel) en afgodsbeelden. De meervoudsvorm is tawaaghiet .

W

Waadjib: verplicht volgens de Sharie'ah . Als men het verricht, dan wordt men hiervoor beloond, en als men het niet verricht, dan wordt men hiervoor bestraft.

Wah'n: zwakheid en slapheid; liefde voor de wereld en een afkeer van de dood.

Wah'y: Openbaring.

Waliemah: het trouwfeest.

Waliy: een heilige.

Wara': vroomheid.

Waswaas: influisteringen van Shaytaan.

Witr: oneven.

Woedhoe-e: kleine rituele reiniging/wassing.

Y

Ya-edjoodj en Ma-edjoodj: Gog en Magog.

Yah'ya: de profeet Johannes (‘Alayhie s-Salaam).

Ya'qoob: de profeet Jacob (‘Alayhie s-Salaam).

Yarh'amoeka llaah: moge Allah u vergeven.

Yarh'amoehoe llaah: moge Allah hem vergeven.

Yathrib: de naam van de stad vóórdat het Madinah genoemd werd. Yawmoe l-Qiyaamah: letterlijk betekent dit: de Dag van het staan (Dag des Oordeels, de Laatste Dag).

Yoenoes: de profeet Jona (‘Alayhie s-Salaam).

Yoesoef: de profeet Jozef (‘Alayhie s-Salaam).

Z

Zaboer: Psalmen, het Heilige Boek dat door Allah aan de profeet David (‘Alayhie s-Salaam) geopenbaard is.

Zakaat: liefdadigheid die verplicht is voor iedereen die een bezit heeft boven een bepaalde grens en wat een jaar in zijn/haar bezit is geweest. De vierde pilaar van Islaam.

Zaqqoom: is het fruit van een kwaadaardige boom die ontspringt vanuit de bodem van de Hel.

Zamzam: een bijzondere waterbron bij de Ka'bah in Mekkah, ontstaan in de tijd dat Ismaa'iel (‘Alayhie s-Salaam) (de zoon van Ibraahiem (‘Alayhie s-Salaam)) nog een baby was.

Zina: ontucht, overspel.

Zoehd: ascese = levenswijze van een asceet = iemand die uit overtuiging een sober en streng leven leidt.