Al-‘Aqeedah Al-Waasitiyyah

De Biografie van Shaykh Ul-Islaam Ibn Taymiyyah, rahimahu Allah

Taqiyud-Deen Abu l-‘Abbaas Ahmad Ibn ‘Abd Al-Haleem Ibn ‘Abd As-Salaam Ibn Taymiyyah Al-Harraani Al-Hanbali werd geboren op maandag de 10e van Rabee’ Al-Awwal in het jaar 661 na de Hijrah, overeenkomstig de 22e van Januari 1263 in Harran. Zijn vader vluchtte met zijn gezin van Harran naar Damascus in het jaar 667 H, overeenkomstig 1268 uit angst voor de Tataren  die het land van de Islaam waren binnengevallen en zich zeer dichtbij Harran bevonden. In Damascus, het centrum van Islamitische studies in die tijd, volgde Ahmad Ibn Taymiyyah in de sporen van zijn vader die een Geleerde van Islamitische Studies was en door te studeren bij de grote Geleerden van zijn tijd, waaronder een vrouwelijke Geleerde onder de naam Zaynab Bint Makki, die hem onderwees in de Hadeeth.

Hij voltooide zijn studie toen hij nog een tiener was en op negentienjarige leeftijd werd hij Professor van Islamitische Studies. Goed belezen in de Koranische Wetenschappen, de Hadeeth, de Fiqh, Theologie, Arabische Grammatica, Academische Theologie enzovoorts, begon hij met het uitvaardigen van Fataawah over religieuze zaken zonder specifiek één van de traditionele Wetscholen, de Hanafi, de Maaliki, de Shaafi’i en de Hanbali, te volgen. Hij verdedigde de duidelijke Profetische overleveringen met argumenten die, hoewel zij werden ontleend uit de Koran en de Sunnah, tot die tijd onbekend waren voor de mensen van zijn tijd. De vrijheid van zijn woordenstrijd zorgde ervoor dat hij vele vijanden kreeg onder de Geleerden van de traditionele orthodoxe wetscholen, die hem valselijk beschuldigden van het hebben van allerlei ketterse opvattingen. Onder hen was de beroemde Islamitische middeleeuwse reiziger Ibn Batuutah, die Damascus bezocht toen Ibn Taymiyyah zich in gevangenschap bevond. Dit weerhield Ibn Batuutah er niet van om in zijn boek ervan te getuigen dat “hij had gezien dat Ibn Taymiyyah zich op de preekstoel bevond, terwijl hij zei: “Allah daalt elke dag neer naar de onderste hemel zoals ik neerdaal”, en dat hij toen neerdaalde vanaf zijn preekstoel”. [1] Door het lezen van zijn ‘Aqeedah zien wij echter dat Ibn Taymiyyah alle Eigenschappen van Allah zonder twijfel (bilaa kaifaa) accepteerde. [2]

Hij streed tegen ketterse innovaties in de religie die in zijn tijd wijdverspreid waren door de gehele Islamitische wereld, vooral bepaalde handelingen en opvattingen van sommige Sufi-gezelschappen, zoals het aanbidden van heiligen, het bezoeken van de graftombes van heiligen en het zichzelf in het vuur werpen. Zijn aanval op de Sufi’s zorgde voor veel problemen met de autoriteiten, wiens leiders onder invloed stonden van bepaalde Sufi-leiders.

De strijd van Ibn Taymiyyah werd niet beperkt tot de Sufi’s en de mensen die deze ketterse innovaties volgden; aanvullend streed hij ook tegen de Tataren die de Islamitische wereld aanvielen en Damascus bijna hadden bereikt. Het volk van Syrië stuurde hem naar Egypte om de Mamluuk Sultan, de Sultan van Egypte en Syrië, ertoe te bewegen om zijn troepen naar Syrië te sturen om het te redden van de binnenvallende Tataren . Toen hij besefte dat de Sultan aarzelde om te doen wat hij hem vroeg, bedreigde hij de Sultan door te zeggen: “Als u uw rug toekeert naar Syrië dan zullen wij daar een Sultan over aanstellen die het wel kan verdedigen en ervan kan genieten in tijden van vrede.” Hij was aanwezig bij de Slag van Shaqhaab, vlakbij Damascus, tegen de Tataren , die plaatsvond tijdens de vastenmaand Ramadaan en hij vaardigde toen een Fatwah uit aan het leger om hun vasten te verbreken om hen zo te helpen tegen hun vijand, zoals de Profeet Muhammad, salla Allahu ‘alayhi wa sallam, ook deed tijdens de Strijd om de Bevrijding van Makkah. De Moslims wonnen de strijd tegen de Tataren  en verjoegen hen uit Damascus en heel Syrië. De moed van Ibn Taymiyyah werd gedemonstreerd toen met een delegatie van ‘Ulamaa vertrok om met Qazaan, de Khan van de Tataren , te praten om hem te laten stoppen met de aanvallen op de Moslims. Niet één van de ‘Ulamaa durfde ook maar iets tegen hem te zeggen, behalve Ibn Taymiyyah, die zei: “ﷻ‬ beweert dat u een Moslim bent en u heeft Muadheens, rechters, Aimmah en Shuyuukh bij u maar u bent in onze landen binnengedrongen en u heeft ons bereikt en waarvoor? Hoewel uw vader en uw grootvader, Hulago, ongelovigen waren, hebben zij het land van de Islaam niet aangevallen, zij hebben eerder beloofd het niet aan te vallen en zij hielden hun belofte. Maar u beloofde en u verbrak uw belofte.” [3]

Al deze Jihaad tegen de vijanden van de Islaam hielp Ibn Taymiyyah niet met de ‘Ulamaa. De autoriteiten namen hem vele malen gevangen totdat hij overleed in gevangenschap vanwege zijn gewaagde en vrije, progressieve opvattingen over vele wettelijke en sociale zaken, die zijn tegenstanders boos maakten, de volgelingen van de Orthodoxe Wetscholen.

Hoewel Ibn Taymiyyah de kans had om zijn tegenstanders onder de ‘Ulamaa, die hem in allerlei problemen brachten en hem vele malen in de gevangen lieten nemen, te straffen, toonde hij toch zeer grote ruimhartigheid en vergaf hij hen toen Sultan An-Naasir Qalawuun hem daartoe de kans gaf. Hij zei: “Als u hen doodt, dan zult u nooit ‘Ulamaa vinden zoals zij.” De Sultan zei: “Zij hebben u vele malen schade berokkend en zij wilden u vermoorden!” Maar Ibn Taymiyyah zei: “Wie mij ook onrecht heeft aangedaan is vergeven en wie ook de Zaak van Allah (Subhaanahu wa Ta’ala) en Zijn Boodschapper (salla Allahu ‘alayhi wa sallam) onrecht heeft aangedaan, Allah zal hem straffen.” [4]

De Islamitische historici, zoals Adh-Dhahabi, Ibn Katheer en Ibn Al-‘Imad Al-Hanbali (rahimahum Allah) en vele anderen, prezen Ibn Taymiyyah en beschouwden hem als één van de grootste Geleerden van de Islaam aller tijden.

Shaykh Ul-Islaam Ibn Taymiyyah, rahimahu Allah, stierf in de gevangenis in Damascus in de nacht van zondag op maandag op de 20e Dhuul-Qa’dah, 728 H, overeenkomstig de nacht van de 26e op de 27e september 1328.

De inwoners van Damascus, die hem zeer hoog in achting hielden, gaven hem een prachtige begrafenis en een geschatte 200.000 mannen en 15.000 vrouwen woonden zijn begrafenis bij. Hij werd begraven op een Sufi-begraafplaats in Damascus [5] waar ook zijn moeder was begraven.

[1] Ibn Batuutah – Reehiyah, volume 1, pagina 110

[2] Zie pagina 21 van voorgenoemde boek

[3] Imaam Ibn Katheer, rahimahu Allah, Al-Bidaayah Wan-Nihaayah, volume 7, deel 14, pagina’s 91-92

[4] Imaam Ibn Katheer, rahimahu Allah, Al-Bidaayah Wan-Nihaayah, volume 7, deel 14, pagina 56

[5] Voor de omschrijving van de begrafenis van Ibn Taymiyyah, zie Ibn Katheer pagina’s 141-145


Bibliografie van Shaykh Ul-Islaam Ibn Taymiyyah, rahimahu Allah

Ondanks zijn turbulente leven, zoals wij eerder hebben besproken, was Ibn Taymiyyah in staat om vele boeken en pamfletten te schrijven over alle takken van de Islamitische Wetenschap. Zijn leerling, Ibn Al-Qayyim Al-Jawziyyah (rahimahu Allah), stelde een lijst samen met de werken van Ibn Taymiyyah (rahimahu Allah) die bestond uit 350 werken. Hieronder volgen sommigen daarvan:

A. Koranische Studies en Tafseer:

·         At-Tibyaan Fee Nuzuul Al-Koran

·         Tafseer Soerat  An-Nuur

·         Tafseer Al-Mu’awidatayn [hoofdstukken 113 en 114]

·         Tafseer Soerat  Al-Ikhlaas [hoofdstuk 112]

·         Muqaddimah Fee Usuul At-Tafseer

B. Fiqh [Islamitisch Recht]:

·         Majmuu’at Al-Fataawal-Kubraa [5 volumes]

·         Majmuu’ Fataawah Ibn Taymiyyah [37 volumes]

·         Al-Qawaa-ed An-Nuuraniyyah Al-Fiqhiyyah

·         Kitaab Manaasik Al-Hadj

·         Risaalah Feel-‘Uquud Al-Muharramah

·         Kitaab Al-Farq Al-Mubeen Bayna At-Talaq Wal-Yameen

·         Kitaab Fee Usuul Al-Fiqh

·         Risaalah Fee Raaf Al-Hanafi Yadayhi Fee As-Salaah

·         Risaalah Fee Sujuud As-Sahwu

·         Mas-alat Al-Half Bit-Talaaq

C. Tasawwuf [Sufisme]:

·         Al-Furqaan Bayna Awliyaae Ar-Rahmaan Wa Awliyaae Ash-Shaytaan

·         Amraad Al-Quluub Wa Shifaa-uha

·         At-Tuhfah Al-‘Iraaqiyyah Fee A’maal Al-Quluub

·         Al-‘Ubudiyyah

·         Ar-Risaalah At-Tadmuuriyyah

·         Darajaat Al-Yaqeen

·         Bughyat Al-Murtad [As-Sab’eeniyyah]

·         Ibtaal Wahdat Al-Wujuud

·         At-Tawassul Al-Waasilah

·         Risaalah Fee As-Samaa’ War-Raqs

·         Al-‘Ibaadat Ash-Shar’iyyah

D. Usuul Ad-Deen en ‘Ilm Al-Kalaam:

·         Risaalah Fee Usuul Ad-Deen

·         Risaalah Fee Al-Ihtijaaj Bil-Qadar

·         Jawab Ahl Al-‘Ilm Wal-Imane

·         Al-Ikleel Fee Al-Mutashaabih Wa At-Taweel

·         Ar-Risaalah Al-Madaniyyah

·         Minhaj As-Sunnah An-Nabawiyyah Fee Naqd Kalaam Ash-Shi’a Al-Qadariyyah

·         Al-Muntaqa Min Akhbaar Al-Mustafaa

·         Sharh Al-‘Aqeedah Al-Asfahaniyyah

·         Ma’aarej Al-Wusuul Ilaa Ma’rifat Anna Usuul Ad-Deen Wa Futuuahu Qad Bayyana Ar-Rasuul

·         Aqwaamu Maa Qilaa Feel-Mashee’ati Wal-Hiknati Wal-Qadaai Wal-Qadari Wa At-Taaili Wal-Butlani Al-Jabri Wa At-Tateel.

·         Risaalah Feel-Qadaai Wal-Qadar

·         Kitaab Al-Imane

·         Al-Furqaan Baynal-Haqqi Wal-Baatil

·         Al-Wasiyyal-Kubraa

·         Naqd Tasees At-Taqdees

·         Ar-Radd ‘Ala An-Nusayriyyah

E. Het Antwoord op de Volgers van Andere Religies [Ar-Radd ‘Ala Ashaab Al-Milaal]

·         Al-Jawab As-Saheeh Liman Baddala Deen Al-Maseeh

·         Ar-Radd ‘Ala An-Nasaara

·         Takhjeel Ahl Al-Injeel

·         Ar-Risaalah Al-Qubrusiyyah

·         Iqtidaae As-Siraat Al-Mustaqeem, Muhkalafaat Ashaab Al-Jaheem

F. Logica en Filosofie [Al-Mantiq Wal-Falsafah]:

·         Ar-Radd ‘Ala Al-Mantiqiyyeen

·         Ar-Risaalah As-Safadiyyah

·         Naqd Al-Mantiq

·         Ar-Risaalah Al-‘Arshiyyah

G. Manieren, het Gezag en Sociologie [Al-Akhlaaq, As-Siyaasah Wal-Ijtimaa’]:

·         Al-Hassanah Wa As-Sayyi-ah

·         Al-Waseeyah Al-Jaami’ah Li-Khayr Ad-Dunyah Wal-Aakhirah

·         Sharh Hadeeth “Innama Al-A’maalu Bi An-Niyyah”

·         As-Siyaasah Ash-Shar’iyyah Fee Islaah Ar-Ra-i War-Raa’iyah

·         Al-Hisbah Feel-Islaam

·         Al-Madhaalim Al-Mushtarakah

·         Ash-Shatranj

H. Hadeeth:

·         Ahadeeth Al-Qussas


 De Reden dat deze Geloofsovertuiging is Geschreven

Shaykh Ul-Islaam Ibn Taymiyyah, rahimahu Allah, zei:

“Een rechter van de Shaafi’i-school uit Wasit (in Irak), wiens naam Radiyud-Deen Al-Waseeti is, bezocht mij op  zijn weg naar de Hadj (pelgrimstocht). Deze Shaykh was een man van goedheid en geloof. Hij klaagde tegen mij over de situatie van het volk in dat land (dus in Irak) onder de heerschappij van onwetendheid, onrechtvaardigheid en verlies van geloof en kennis van de Tataren  (de Mongolen). Hij vroeg mij om een ‘Aqeedah (Geloofsovertuiging) te schrijven als een bewijs voor hem en zijn familie maar ik weigerde en zei:

“Vele geloofsovertuigingen zijn reeds geschreven. Refereer naar de Geleerden van de Sunnah.”

Hij hield echter vol in zijn verzoek en zei:

“Ik wil niet om het even welke Geloofsovertuiging maar ik wil degene die u schrijft.”

Dus ik schreef deze voor hem terwijl ik op een avond zat. Vele kopieën hiervan zijn sindsdien verspreid in Egypte, Irak en andere provincies.”

[Majmuu’ Fataawah Ibn Taymiyyah, VIII, pagina 164]

 Al-‘Aqeedah Al-Waasitiyyah

 Inleiding

In de Naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle [1]. Alle Lof behoort tot Allah [2], Die Zijn Boodschapper [3] heeft gezonden met de Leiding en de Religie der Waarheid [de Islaam] en het als bestuurder aanstelde over alle religies. Allah is de Beste der Getuigen [4] en ik getuig dat er geen god is dan Allah alleen en dat Hij geen deelgenoten heeft [5]; en ik erken en geloof in de Eenheid van Allah. En ik getuig dat Muhammad Zijn Dienaar en Boodschapper [6] is; moge Allah hem, zijn familie en zijn Metgezellen ten zeerste zegenen.

Dit is het Geloof van de Geredde Groep [7], degenen die triomferen tot de Dag des Oordeels, de Mensen van de Sunnah en de Jamaa’ah [8] [het Geloof in Allah, Zijn Engelen, Zijn Boeken, Zijn Boodschappers, de wederopstanding na de dood, het Geloof in de Goddelijke Voorbeschikking [Al-Qadar], hetzij goed of slecht] [9].

Een deel van het geloof in Allah is het geloof in hoe Hij Zichzelf heeft beschreven in Zijn Boek (de Koran) en in hoe Zijn Boodschapper Muhammadr Hem heeft beschreven. En geloof zonder te veranderen of te ontkennen en zonder te vragen of vast te stellen; geloof echter in Allah, de Verhevene:

“Er is niets aan Hem gelijk en Hij is de Alhorende, de Alziende.”

[Soerat  Ash-Shuura; 11]

Ontken Hem niet op de manier waarop Hij Zichzelf heeft beschreven; verander de woorden niet uit hun context; wees niet ongelovig in de Namen van Allah en Zijn Tekenen; vereenzelvig Zijn Eigenschappen niet met de eigenschappen van Zijn schepselen want Allah, de Verhevene, heeft geen gelijkwaardige; niemand is met Hem te vergelijken; niemand is gelijk aan Hem; de Verhevene, de Allerhoogste, wordt niet bepaald middels Zijn schepselen; Hij kent Zichzelf en anderen echter het beste; Hij is de Waarheid en Zijn Woord domineert over de woorden van al Zijn schepselen.

Bovendien zijn al Zijn Boodschappers waarheidsgetrouw dus zij spreken de waarheid. Dit in tegenstelling tot degenen die over Hem spreken met wat zij zelf niet weten. Hierover zegt de Verhevene, de Allerhoogste:

“Verheven is uw Heer, de Heer van Roem en Macht, boven hetgeen zij (de ongelovigen) zeggen (over Hem)! En vrede zij met de Boodschappers! En alle roem behoort aan Allah, de Heer der Werelden.”

[Soerat  As-Saffaat; 180-182]

Hij verhief Zichzelf boven wat de tegenstanders van de Boodschappers over Hem zeiden; en Hij verwelkomde de Boodschappers vanwege het feit dat hetgeen zij zeiden, vrij van fouten was.

Hij (de Eer is aan Hem) combineerde hoe Hij Zichzelf beschreef tussen ontkenning en bevestiging. [10] Dientengevolge mogen de Mensen van de Sunnah en de Jamaa’ah (Ahl As-Sunnah Wal-Jamaa’ah) niet afwijken van hetgeen de Boodschappers hebben voortgebracht. Waarlijk, dit is het Rechte Pad; het Pad van degenen aan wie Allah Zijn Gratie heeft geschonken; het Pad van de Profeten, de Heiligen, de Martelaren en de Rechtschapenen.


 De Namen en Eigenschappen van Allah in de Koran

 Hoofdstuk 1

Het volgende is inbegrepen in dit idee van hoe Allah Zichzelf omschrijft in Soerat  Al-Ikhlaas (hoofdstuk 112), dat gelijk staat aan een derde van de Koran [11], waarin Hij zegt:

“Zeg: Allah is de Enige. Allah is Zichzelf Genoeg, Eeuwig. Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt. En niemand is Hem in enig opzicht gelijk.”

[Soerat  Al-Ikhlaas; 1-4]

En Hij beschreef Zichzelf in de grootste Aayah (vers) in Zijn Boek (Ayaat Al-Kursi):

“Allah!, Er is geen god dan Hij, de Levende, de Zelfbestaande. Sluimer noch slaap overmant Hem. Al wat in de hemelen en wat op aarde is, behoort aan Hem. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn Verlof? Hij kent hetgeen voor hen is en wat achter hen is en zij kunnen niets van Zijn Kennis omvatten, dan met Zijn Wil. Zijn Troon strekt zich uit over hemelen en aarde en het waken over beide vermoeit Hem niet; Hij is de Verhevene, de Grote.”

[Soerat  Al-Baqarah; 255]

Zodoende beschermt Allah eenieder die deze Aayah in de nacht reciteert en geen duivel kan hem naderen tot de ochtend. En Allah, de Verhevene, heeft ook gezegd:

“En stel uw vertrouwen in de Levende, Die nooit zal sterven.”

[Soerat  Al-Furqaan; 58]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Hij is de Eerste (Al-Awwal) en de Laatste (Al-Aakhir), de Zich Manifesterende (Adh-Dhaahir) en de Verborgene (Al-Baatin) [12], en Hij heeft Kennis van alle dingen.”

[Soerat  Al-Hadeed; 3]

Zijn Kennis:

Allah, de Verhevene, zegt:

“Hij weet alles wat de aarde binnengaat en wat er uit voortkomt en wat van de hemel nederdaalt en wat er naar opstijgt; Hij is de Barmhartige, de Vergevensgezinde.”

[Soerat  Sabaa: 2]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En bij Hem zijn de sleutels van het onzienlijke; niemand kent dit, behalve Hij. En Hij weet wat op het land en wat in de zee is. En er valt geen blad zonder dat Hij het weet, noch is er een korrel in de duisternis der aarde, noch iets dat groen of droog is, zonder dat het in een Duidelijk Boek is vermeld.”

[Soerat  Al-An’aam; 59]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En geen vrouw wordt zwanger of brengt voort, zonder Zijn Kennis.”

[Soerat  Faatir; 11]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“… opdat u zult weten dat Allah Macht heeft over alle dingen, en dat Allah alle dingen in Zijn Kennis omvat.”

[Soerat  At-Talaaq; 12]

Zijn Macht:

En Allah, de Verhevene, zegt:

“Voorzeker, Allah is de Grootste Voorziener, de Almachtige, de Alsterke.”

[Soerat  Adh-Dhaariyaat; 58]

Zijn Alhorendheid en Zijn Alziendheid:

En Allah, de Verhevene, zegt:

“Er is niets aan Hem gelijk en Hij is de Alhorende, de Alziende.”

[Soerat  Ash-Shuura; 11]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En waarlijk!, voortreffelijk is datgene, waartoe Allah u maant. Voorzeker, Allah is de Alhorende, de Alziende.”

[Soerat  An-Nisaa; 58]

Zijn Wil:

En Allah, de Verhevene, zegt:

“Als u maar, toen u uw tuin binnentrad, had gezegd: 'Het is zoals Allah wenst, er is geen macht dan aan Allah?' ”

[Soerat  Al-Kahf; 39]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En indien Allah wilde, zouden zij, die na hen kwamen, elkaar niet hebben bestreden, nadat de duidelijke tekenen tot hen waren gekomen, maar zij twistten, daar sommigen van hen geloofden en anderen verwierpen. En indien Allah wilde, zouden zij elkaar niet hebben bestreden, maar Allah doet wat Hij wil.”

[Soerat  Al-Baqarah; 253]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Het vee, buiten die welke u zijn aangegeven, zijn u geoorloofd [als voedsel]; het jagen is niet geoorloofd terwijl u ter bedevaart bent. Voorwaar, Allah gebiedt wat Hij wil.”

[Soerat  Al-Maaidah; 1]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Wie Allah ook wenst te leiden, Hij verruimt zijn hart voor de Islaam en wie Hij wenst te laten dwalen, zijn hart maakt Hij eng en gesloten alsof hij een hoogte aan het beklimmen was.”

[Soerat  Al-An’aam; 125]

Zijn Liefde:

Allah, de Verhevene, zegt:

“…en doe goed: voorzeker!, Allah heeft hen lief, die goed doen.”

[Soerat  Al-Baqarah; 195]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“…en behandel hen billijk. Voorwaar!, Allah heeft de rechtvaardigen lief.”

[Soerat  Al-Hujuraat; 9]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Zolang zij daarom getrouw jegens u zijn, wees dan getrouw jegens hen. Voorzeker!, Allah heeft de godvruchtigen lief.”

[Soerat  At-Tawbah; 7]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Allah houdt van hen, die zich in berouw tot Hem wenden en zich rein houden.”

[Soerat  Al-Baqarah; 222]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Zeg (oh Muhammed): "Indien u Allah lief hebt, volg mij, Allah zal u liefhebben..."

[Soerat  Ali-‘Imraan; 31]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“…Allah zal weldra een ander volk voortbrengen dat Hij zal liefhebben en die Hem zullen liefhebben…”

[Soerat  Al-Maaidah; 54]


Hier En Hij, de Verhevene, zegt:

“Voorzeker!, Allah heeft diegenen lief die omwille van Hem strijden in geordende gelederen, alsof zij een hechte muur vormen.”

[Soerat  As-Saff; 4]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En Hij is de Vergevende, de Liefderijke.”

[Soerat  Al-Buruuj; 14]

Zijn Genade:

En Allah, de Verhevene, zegt:

“In de Naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.”

En Hij, de Verhevene, zegt:

"Onze Heer, ﷻ‬ omvat alle dingen in Uw Barmhartigheid en Kennis.”

[Soerat  Al-Muumin; 7]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En Hij is Genadig voor de gelovigen.”

[Soerat  Al-Ahzaab; 43]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“…Mijn Barmhartigheid omvat alle dingen.”

[Soerat  Al-A’raaf; 156]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Uw Heer heeft Zichzelf barmhartigheid voorgeschreven.”

[Soerat  Al-An’aam; 54]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En Hij is de Vergevensgezinde, de Genadevolle.”

[Soerat  Yoenoes; 107]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Maar Allah is de Beste Beschermer en Hij is de Genadigste der Genadigen.”

[Soerat  Yoesoef; 64]


Zijn Tevredenheid en Woede:

Allah, de Verhevene, zegt:

“Allah heeft behagen in hen en zij hebben behagen in Hem.”

[Soerat  Al-Maaidah; 119]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding zal de Hel zijn; daarin zal hij vertoeven. De Toorn van Allah is op hem en Hij heeft hem vervloekt.”

[Soerat  An-Nisaa; 93]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Omdat zij datgene volgen wat Allah vertoornt en haten wat Hem behaagt.”

[Soerat  Muhammad; 28]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Toen zij Ons vertoornden, straften Wij hen en verdronken hen allen.”

[Soerat  Az-Zakhruuf; 55]


En Hij, de Verhevene, zegt:

“…maar Allah was afkerig van hun vertrek, Hij hield hen daarom terug…”

[Soerat  At-Tawbah; 46]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Het is afkeurenswaardig bij Allah dat u zegt, hetgeen u niet doet.”

[Soerat  As-Saff; 3]

Zijn Komst:

En Allah, de Verhevene, zegt:

“Zij wachten op niets anders, dan dat Allah en de Engelen in de schaduw der wolken tot hen komen en dat de zaak beslist wordt.”

[Soerat  Al-Baqarah; 210]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Verwachten zij niets anders dan dat Engelen tot hen zouden komen, of dat hun Heer zou verschijnen of dat enige der tekenen van uw Heer zouden plaatshebben? Op de dag, wanneer enige der Tekenen van uw Heer zullen verschijnen.”

[Soerat  Al-An’aam; 158]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Neen, wanneer de aarde aan stukken wordt geschud en uw Heer komt en de Engelen in rijen gerangschikt zijn…”

[Soerat  Al-Fajr; 21-22]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En de Dag waarop de hemel met de wolken zal worden gespleten en de Engelen in grote aantallen worden neergezonden.”

[Soerat  Al-Furqaan; 25]

Zijn Aangezicht en Handen:

Allah, de Verhevene, zegt:

“En er blijft alleen het Aangezicht van uw Heer, de Bezitter van Heerlijkheid en Eer.”

[Soerat  Ar-Rahmaan; 27]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Alles is vergankelijk behalve Zijn Aangezicht.”

[Soerat  Al-Qassas; 88]


En Hij, de Verhevene, zegt:

“Allah zei: "O Iblees, wat heeft u verhinderd te buigen voor hem, die Ik met Mijn Hand heb geschapen?”

[Soerat  Saad; 75]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En de Joden zeggen: "De Hand van Allah is gebonden." Hun handen zijn gebonden en zij zijn vervloekt voor hetgeen zij zeggen. Neen, Zijn Handen zijn wijd open, Hij geeft zoals Hij wenst.”

[Soerat  Al-Maaidah; 64]

Zijn Ogen:

Allah, de Verhevene, zegt:

“Wacht daarom geduldig op het Oordeel van uw Heer (oh Muhammad) want u bent onder Onze Ogen.”

[Soerat  At-Tuur; 48]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En Wij droegen hem (Nuuh) op iets (een ark), bestaande uit planken en spijkers. Het dreef onder Onze Ogen voort als een beloning voor hem, die verworpen was.”

[Soerat  Al-Qamar; 13-14]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En Ik omhulde u (Muusa) met Mijn Liefde; opdat u zou worden grootgebracht voor Mijn Oog."

[Soerat  Taa-Haa; 39]

Zijn Gehoor:

Allah, de Verhevene, zegt:

“Allah heeft het woord gehoord van degene die met u aangaande haar man twistte en tot Allah klaagde. En Allah heeft uw gesprek gehoord. Voorwaar, Allah is Alhorend, Alziend.”

[Soerat  Al-Mujaadalah; 1]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En voorzeker, Allah heeft de uiting gehoord van degenen (de Joden), die zeiden: "Allah is arm en wij zijn rijk." “

[Soerat  Ali-‘Imraan; 181]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Denken zij dat Wij hun heimelijk overleg en hun beraadslaging niet horen? Ja zeker, (dat doen Wij wel)! Onze Boodschappers bij hen schrijven alles op.”

[Soerat  Az-Zakhruuf; 80]


Ziende en Horende:

Allah, de Verhevene, zegt:

“Hij (Allah) zei: "Vreest niet, want Ik ben met u (Muusa en Haaruun). Ik hoor en Ik zie."

[Soerat  Taa-Haa; 46]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Weet hij dan niet dat Allah alles ziet?”

[Soerat  Al-‘Alaq; 14]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Die u ziet wanneer u opstaat en uw bewegingen onder hen die zich neerwerpen (in aanbidding) want Hij is de Alhorende, de Alwetende.”

[Soerat  Ash-Shu’araa; 218-220]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En zeg: "Werk!, en Allah zal met Zijn Boodschapper en de gelovigen uw werk zien.”

[Soerat  At-Tawbah; 105]


En Hij, de Verhevene, zegt:

“Zijn Glorie met de Lof die Hem toekomt.”

[Soerat  Ar-Ra’d; 13]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En zij (de ongelovigen) maakten plannen (tegen ‘Isaa). Allah maakte ook plannen (tegen hen), maar Allah is de Beste van allen die plannen maken.”

[Soerat  Ali-‘Imraan; 54]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En zij smeedden een plan en Wij maakten ook een plan (tegen hen) maar zij bemerkten het niet.”

[Soerat  An-Naml; 50]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Voorwaar zij smeden een plan (tegen u, oh Muhammad). En ook Ik smeed een (machtiger) plan (tegen hen).”

[Soerat  At-Taariq; 15-16]


Zijn Vergeving:

Allah, de Verhevene, zegt:

“Of u een goede daad openlijk verricht of deze verbergt, of een kwaad vergeeft, Allah is voorzeker de Inschikkelijke, de Almachtige.”

[Soerat  An-Nisaa; 149]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Laten zij vergeven en over het hoofd zien. Wenst u dan niet dat Allah u zou vergeven? Allah is Vergevensgezind, Genadevol.”

[Soerat  An-Nuur; 22]

Zijn Eer:

Allah, de Verhevene, zegt:

“…maar de Eer behoort aan Allah, Zijn Boodschapper en de gelovigen.”

[Soerat  Al-Munaafiquun; 8]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Hij (Iblees) zei: "Bij Uw Eer, ik zal hen allen zeker doen dwalen!”

[Soerat  Saad; 82]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Gezegend zij de Naam van uw Heer, de Bezitter van Heerlijkheid en Eer.”

[Soerat  Ar-Rahmaan; 78]

Zijn Eenheid:

Allah, de Verhevene, zegt:

“Aanbid Hem derhalve en wees volhardend in de aanbidding naar Hem. Kent u Zijn gelijke?”

[Soerat  Maryam; 65]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En niemand is Hem in enig opzicht gelijk."

[Soerat  Al-Ikhlaas; 4]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Plaatst derhalve geen deelgenoten naast Allah, tegen beter weten in.”

[Soerat  Al-Baqarah; 22]


En Hij, de Verhevene, zegt:

“Onder de mensen zijn er, die voorwerpen van aanbidding (afgoden) buiten Allah nemen en ze liefhebben, zoals zij (alleen) Allah behoren lief te hebben. Maar zij die geloven zijn sterker in hun liefde voor Allah.”

[Soerat  Al-Baqarah; 165]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Zeg: "Alle Lof komt Allah toe Die Zich geen zoon heeft genomen en Die geen deelgenoot heeft in Zijn Koninkrijk, noch heeft Hij enige helper wegens zwakheid." En verkondig Zijn Grootheid.”

[Soerat  Al-Israa: 111]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Wat er ook in de hemelen en op aarde is, verheerlijkt Allah; aan Hem is het Koninkrijk en de Lof, want Hij heeft Macht over alle dingen.”

[Soerat  At-Taghaabun; 1]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Gezegend is Hij, die de Furqaan (het onderscheid) aan Zijn dienaar heeft neergezonden, opdat hij een waarschuwer moge zijn voor alle volkeren. Aan Wie het Koninkrijk der hemelen en der aarde toebehoort, Hij heeft zich geen zoon genomen noch heeft Hij een deelgenoot in Zijn Koninkrijk, Hij heeft alles geschapen, en het de juiste maat gegeven.”

[Soerat  Al-Furqaan; 1-2]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Allah heeft zich geen zoon genomen, noch is er enige god naast Hem, anders zou elke god hetgeen hij schiep, voor zich houden, en sommigen van hen zouden zeker anderen hebben overwonnen. Verheven is Allah boven al hetgeen zij beweren. Kenner van het ongeziene en het geziene. Hij is verheven boven hetgeen zij (als deelgenoten) met Hem vereenzelvigen.”

[Soerat  Al-Muminuun; 91-92]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Schrijf daarom geen gelijken aan Allah toe. Voorzeker Allah weet (alles), en u weet niets.”

[Soerat  An-Nahl; 74]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Zeg: "Mijn Heer heeft slechte daden verboden, hetzij openlijk of in het geheim, en zonde en ongerechtvaardigde opstand; en dat u datgene met Allah vereenzelvigt, waarvoor Hij u geen gezag heeft neergezonden en dat u van Allah dingen zegt, die u niet weet.”

[Soerat  Al-A’raaf; 33]

Het Zetelen op de Troon:

(Al-Istawaae ‘Alal-‘Arsh)

Allah, de Verhevene, zegt:

“De Barmhartige, Die Zich nederzette op de Troon.”

…en Hij, de Verhevene, zegt:

“…daarna zette Hij Zich op de Troon.”

Allah, de Verhevene, herhaalt dit onderwerp zes maal in de Koran.

Hij, de Verhevene, zegt:

“Voorzeker, uw Heer is Allah, Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij Zich op de Troon neder.”

[Soerat  Al-A’raaf; 54]

Hij, de Verhevene, zegt:

“Voorwaar, Allah is uw Heer, Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep, en Hij zette Zich op de Troon, alles regelend.”

[Soerat  Yoenoes; 3]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Allah is Hij, Die de hemelen heeft doen verrijzen zonder pilaren die u kunt zien. Daarna zette Hij Zich op de Troon.”

[Soerat  Ar-Ra’d; 2]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“De Barmhartige, Die Zich nederzette op de Troon.”

[Soerat  Taa-Haa; 20]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“… zette Zich dan op de Troon. Hij is de Barmhartige.”

[Soerat  Al-Furqaan; 59]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Allah is het, Die de hemelen en de aarde en hetgeen er tussen is in zes dagen schiep; daarna zette Hij Zich op de Troon.”

[Soerat  As-Sajdah; 4]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Hij is het Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij zich op de Troon neder.” [13]

[Soerat  Al-Hadeed; 4]

Zijn Verhevenheid:

En Allah, de Verhevene, zegt:

“Toen Allah zei: "O ‘Isaa, ik zal u doen sterven en u tot Mij opheffen.”

[Soerat  Ali-‘Imraan; 55]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Integendeel, Allah verhief hem tot Zich.”

[Soerat  An-Nisaa; 158]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Tot Hem stijgt het reine woord en Hij verheft de goede daad.” [14]

[Soerat  Faatir; 10]

En Hij, de Verhevene, zegt:

En Pharao zei: "O Haaman, bouw mij een toren opdat ik de toegangswegen moge naderen. De toegangswegen der hemelen, opdat ik de God van Muusa moge bereiken ofschoon ik zeker weet dat hij (Muusa) een leugenaar is."

[Soerat  Ghaafir; 36-37]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Voelt u zich veilig voor Hem Die in de Hemel is, dat Hij u niet zal doen verzwelgen als de aarde plotseling begint te schudden? Voelt u zich veilig voor Hem Die in de Hemel is, dat Hij niet tegen u een orkaan zal zenden? Dan zult u weten, hoe Mijn Waarschuwing was.”

[Soerat  Al-Mulk; 16-17]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Hij is het Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij zich op de Troon neder. Hij weet wat de aarde ingaat en wat er uit voortkomt, en wat van de hemelen neerkomt en wat er naar toe opstijgt. Hij is met u waar u ook mag zijn want Allah ziet alles wat u doet.”

[Soerat  Al-Hadeed; 4]

Zijn Alomtegenwoordigheid:

En Allah, de Verhevene, zegt:

“Er is geen geheim gesprek van drie (personen) zonder dat Hij de vierde is, noch van vijf, zonder dat Hij de zesde is, noch van minder noch van meer, zonder dat Hij met hen is, waar zij ook mogen zijn. Dan zal Hij hen op de Dag der Opstanding mededelen wat zij deden. Voorzeker, Allah heeft kennis van alle dingen.”

[Soerat  Al-Mujaadalah; 7]


En Hij, de Verhevene, zegt:

"Treur niet, want Allah is met ons."

[Soerat  At-Tawbah; 40]

En Hij, de Verhevene, zegt:

Hij (Allah) zei: "Vrees niet want Ik ben met u. Ik hoor en Ik zie."

[Soerat  Taa-Haa; 46]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Voorwaar, Allah is met degenen, die (Allah) vrezen en goed doen.”

[Soerat  An-Nahl; 128]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En wees geduldig (en volhardend), voorzeker Allah is met de volhardende geduldigen.” [15]

[Soerat  Al-Anfaal; 46]

En Hij, de Verhevene, zegt:

"Hoeveel kleine groepen hebben niet onder het Bevel van Allah over een grote groep gezegevierd." En Allah is met de geduldigen.”

[Soerat  Al-Baqarah; 249]

Zijn Woord:

Allah, de Verhevene, zegt:

“En wie is waarachtiger in Zijn woord (hadeeth), dan Allah?”

[Soerat  An-Nisaa; 87]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En wie is waarachtiger in woord (qeel), dan Allah?”

[Soerat  An-Nisaa; 122]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En wanneer Allah zal zeggen (qaala): "O ‘Isaa, zoon van Maryam.”

[Soerat  Al-Maaidah; 116]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En het Woord (kalimatu) van uw Heer is in Waarheid en Rechtvaardigheid vervuld.”

[Soerat  Al-An’aam; 115]


En Hij, de Verhevene, zegt:

“…en Allah sprak (kallama) openlijk tot Muusa.”

[Soerat  An-Nisaa; 164]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“…tot sommigen van hen (de Boodschappers) sprak Allah.”

[Soerat  Al-Baqarah; 253]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En toen Muusa op Onze Vastgestelde Tijd kwam en zijn Heer tot hem sprak (kallama).”

[Soerat  Al-A’raaf; 143]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Wij riepen hem (nadaynahu) van de rechter zijde van de Berg (Sinaï), en deden hem tot Ons naderen om met hem te spreken.”

[Soerat  Maryam; 52]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Toen uw Heer tot Muusa riep: "Ga naar het onrechtvaardige volk.”

[Soerat  Ash-Shu’araa: 10]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En hun Heer riep (nadaahumaa) hen (Adam en Hawwaa) en zei: "Verbood Ik u die boom niet en zei Ik (aquul) niet tegen u: 'Voorwaar!, Satan is een openlijke vijand voor u'?"

[Soerat  Al-A’raaf; 22]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En op die Dag zal Allah hen roepen (yunaadeehim) en zeggen: "Waar zijn Mijn deelgenoten die u beweerde te zijn?"”

[Soerat  Al-Qassas; 62]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En op die Dag zal Hij tot hen roepen (yunaadeehim) en zeggen: "Welk antwoord gaf u (aan Onze) Boodschappers?"

[Soerat  Al-Qassas; 65]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En als één van de afgodendienaren u om bescherming vraagt, schenk hem dan bescherming tot dat hij het Woord (Kalaam) van Allah moge horen.”

[Soerat  At-Tawbah; 6]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Verwacht u, dat zij u zullen geloven, terwijl een aantal van hen het Woord van Allah heeft vernomen en het verdraait, nadat zij het hebben begrepen, tegen beter weten in.”

[Soerat  Al-Baqarah; 75]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Zij wensen de Uitspraak (Kalaam) van Allah te veranderen. Zeg: "ﷻ‬ zult ons zeker niet volgen. Allah heeft het voorheen zo bepaald (qaala)."”

[Soerat  Al-Fath; 15]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En verkondig hetgeen u door Uw Heer is geopenbaard in het Boek. Er is niemand, die Zijn Woorden (Kalimaatihi) kan veranderen.”

[Soerat  Al-Kahf; 27]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Waarlijk deze Koran legt aan de Kinderen van Israël veel uit (yaqussu) van hetgeen waaromtrent zij verschillen.”

[Soerat  An-Naml; 76]


En Hij, de Verhevene, zegt:

“En dit Boek vol Zegeningen (Kitaabun Mubaarakun), hebben Wij geopenbaard.”

[Soerat  Al-An’aam; 92]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Indien Wij deze Koran op een berg hadden doen neerkomen, dan had u de berg zich zien vernederen en splijten uit vrees voor Allah.”

[Soerat  Al-Hashr; 21]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“En wanneer Wij het een Teken (Aayah) in plaats van het andere brengen - en Allah weet het beste wat Hij openbaart - zeggen zij: "ﷻ‬ verzint slechts." Neen de meesten van hen weten het niet. Zeg: "De Geest van Heiligheid (Jibreel) heeft het (de Koran) van uw Heer met Waarheid neer gebracht, opdat Hij degenen die geloven, moge versterken en als Leiding en Blijde Tijding voor hen die zich onderwerpen." En Wij weten inderdaad dat zij zeggen dat het slechts een man is, die hem (de Profeet) onderwijst. De taal van hem die zij bedoelen is vreemd, terwijl dit de duidelijke Arabische taal is.”

[Soerat  An-Nahl: 101-103]


Het Aanschouwen van Allah, de Verhevene:

En Allah, de Verhevene, zegt:

“Op die Dag zullen sommige gezichten verlicht zijn, opziende naar hun Heer.”

[Soerat  Al-Qiyaamah; 22-23]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Op hoge sofa's zittende zullen zij (hun Heer) aanschouwen.”

[Soerat  Al-Mutaffifeen; 35]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Er zal voor degenen die goede daden verrichten het goede zijn en nog meer [*] .”

[Soerat  Yoenoes; 26]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Voor hen zal daarin zijn wat zij wensen en bij Ons is nog meer.”

[Soerat  Qaaf; 35]

En de Koran staat vol met verzen die dit onderwerp behandelen. Voor wie ook de Koran zorgvuldig bestudeert en zoekt naar Leiding daaruit, zal het Ware Pad duidelijk worden.”

[* Volgens sommige interpretaties: “Zij zullen het Aangezicht van Allah, de Verhevene, zien.”]

 De Namen en Eigenschappen van Allah in de Sunnah

 Hoofdstuk 2

De Sunnah [16] van de Boodschapper van Allahr legt de Koran uit en verduidelijkt het en leidt ernaar en geeft de betekenis ervan weer. We moeten het accepteren en geloven in de authentieke Ahadeeth waarin de Boodschapperr  zijn Heer, de Almachtige, de Verhevene, beschrijft, zoals in de Hadeeth:

“Onze Heer daalt neer gedurende het laatste derde deel van elke nacht naar de laagste hemel en zegt: “Is er iemand die Mij aanroept zodat Ik hem kan beantwoorden? Is er iemand die van Mij vraagt zodat Ik hem kan geven? Is er iemand die Mijn Vergeving zoekt zodat Ik hem mag vergeven?”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En ook in de Hadeeth:

“Waarlijk, Allah is verheugder met het berouw van Zijn ‘abd (aanbidder) dan wie dan ook van jullie is met het vinden van zijn verloren kameel.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En ook in de Hadeeth:

“Allah lacht naar twee mannen die elkaar doden maar die beiden het Paradijs betreden.” [18]

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En ook in de Hadeeth:

“Allah verheugt zich over de wanhoop van Zijn schepselen (‘ibaad) omdat de verandering van hun situatie van slecht naar goed zeer nabij is. Hij kijkt naar jullie terwijl jullie zeer wanhopig zijn maar Hij blijft lachen omdat Hij weet dat Hulp voor jou dichtbij is.”

[Isnaad van deze Hadeeth is goed en het is overgeleverd door Imaam Ahmad Ibn Hanbal, rahimahu Allah, en anderen]


En ook in de Hadeeth:

(Op de Dag des Oordeels), wanneer een groep ongelovigen in de Hel wordt geworpen, vraagt de Hel om meer totdat de Almachtige Heer zijn voet daar in steekt en het er dan weer uithaalt, zeggende: “Genoeg, genoeg.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En ook in de Hadeeth:

“Allah, de Verhevene, zegt: “Oh Adam!” En Adam antwoordt: “Hier ben ik, tot Uw Dienst!” Dan roept een stem: “Waarlijk!, Allah gebiedt u om een afvaardiging van uw nakomelingen naar de Hel te sturen.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En ook in de Hadeeth:

“Allah zal direct tot elke persoon spreken zonder een bemiddelaar tussen hen.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En de woorden van de Profeetr over het helen van de zieken:

“Onze Heer, Allah, Die in de hemel is, moge Uw Naam geheiligd worden, Uw Wet heerst in de hemel en op aarde en zoals Uw Genade in de hemel is, verleen dan ook Uw Genade op aarde. Vergeef ons onze fouten en onze zonden. ﷻ‬ bent de Heer van de goedaardige mensen, verleen iets van Uw Genade en iets van Uw Genezing over deze pijn opdat de zieken geheeld mogen worden.”

 [Deze Hadeeth heeft een goede Isnaad en is overgeleverd door Imaam Abu Daawud, rahimahu Allah, en anderen.]

En ook in de Hadeeth:

“Vertrouwen jullie mij dan niet terwijl ik het Vertrouwen heb van Hem die in de hemel is?”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En ook in de Hadeeth:

“De Troon is boven het water en Allah is op de Troon, Hij weet wat jullie doen.”

[Een goede Hadeeth die is overgeleverd door Imaam Abu Daawud, rahimahu Allah, en anderen.]

En de woorden van de Profeet, salla Allahu ‘alayhi wa sallam, aan de slavin:

“Waar is Allah?”


En zij antwoordde:

“In de hemel.”

En toen zei hij, salla Allahu ‘alayhi wa sallam:

“En wie ben ik?”

Waarop zij antwoordde:

“ﷻ‬ bent de Boodschapper van Allah.”

En hij, salla Allahu ‘alayhi wa sallam, zei:

“Bevrijd haar want zij is een gelovige.”

[Overgeleverd door Imaam Muslim, rahimahu Allah.]

En ook in de Hadeeth:

“Als iemand van jullie opstaat voor het gebed, dan mogen jullie niet voor jullie spugen, noch naar jullie rechterkant omdat Allah voor jullie is maar jullie mogen spugen naar jullie linkerzijde of onder jullie voeten.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En ook in de Hadeeth:

“Mijn Heer!, de Heer van de Zeven Hemelen en de Heer van de Geweldige Troon, onze Heer en de Heer van alles, de Schepper van de planten en de bomen en Degene die de Thawraat (het Oude Testament) en de Injeel (het Nieuwe Testament) en de Koran heeft geopenbaard. Ik zoek mijn toevlucht bij ﷻ‬ voor het kwaad in mijzelf en het kwaad van alle schepselen. ﷻ‬ bent de Eerste, er is niets voor ﷻ‬. ﷻ‬ bent de Laatste en er is niets na ﷻ‬. ﷻ‬ bent het Zichzelf Manifesterende en er is niets boven ﷻ‬. En ﷻ‬ bent het Verborgene en er is niets in u. Help mij mijn schulden te betalen en hou armoede weg van mij.”

[Overgeleverd door Imaam Muslim, rahimahu Allah.]

En de woorden van de Profeet, salla Allahu ‘alayhi wa sallam, toen zijn Metgezellen (radiya Allahu ‘anhum) hun stemmen verhieven tijdens het hun aanroepingen (Dhikr):

“Oh mensen!, bedwing jullie zelf. Waarlijk, jullie roepen niet Degene aan die doof of afwezig is, jullie roepen eerder de Horende, Degene die zeer nabij is, aan. Degene die jullie aanroepen is dicht bij ieder van jullie, zelfs dichterbij dan de nek van jullie rijdier.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En de woorden van de Profeet, salla Allahu ‘alayhi wa sallam:

“Jullie zullen jullie Heer zien zoals jullie de volle maan zien. Niets zal jullie zicht op Hem belemmeren. En als jullie in staat zijn om het ochtendgebed en het namiddaggebed te onderhouden, doe dat dan.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En er zijn veel meer van deze Ahadeeth waarin de Boodschapper van Allahr vertelt over zijn Heer wat Hij heeft verteld over Zichzelf.

De Geredde Groep (Al-Firqatu An-Naajiyah), de Mensen van de Sunnah en de Gemeenschap (Ahl As-Sunnah Wal-Jamaa’ah) geloven deze zaken zoals zij geloven wat Allah, de Verhevene, heeft geopenbaard in Zijn Geliefde Boek (de Koran). Zij geloven dit zonder te verdraaien of te ontkennen en zonder te vragen hoe (takyeef) of het te verbeelden (tamtheel). Echter, zij bestaan uit het midden van de groepen van de Ummah (de Islamitische Gemeenschap) zoals de Ummah bestaat uit het midden van alle volkeren.

Met betrekking tot de Eigenschappen van Allah, de Glorieuze, de Verhevene, bewandelen zij de middenweg tussen de ontkennende Jahmiyyah [19] en de mensen die gelijkenis vormen en creëren (Ahl At-Tamtheel Al-Mushabbihah, de antropomorfisten). En zij bewandelen de middenweg tussen de Qadariyyah [20] en de Jabriyyah [21] met betrekking tot de Daden van Allah, de Verhevene en ook tussen de Murji’ah [22] en de Wa’diyyah [23] onder de Qadariyyah en anderen, die geen oog hebben voor de Toorn van Allah en tussen de Haruuriyyah [24] en de Mu’tazilah [25] en tussen de Murji’ah en de Jahmiyyah met betrekking tot de Namen van Geloof en Religie en tussen de Rawaafed [26] en de Khawaarij [27] met betrekking tot de Metgezellen (radiya Allahu ‘anhum) van de Profeet ﷺ‬.

Allah is Boven alles Verheven

Wat wij hebben behandeld betreffende het geloof in Allah (de Verhevene), omhelst ook het geloof in wat Allah (de Verhevene) heeft geopenbaard in Zijn Boek (de Koran) en wat voortdurend is overgeleverd van Zijn Boodschapperr en in hetgeen waarover door de eerste generaties van de Ummah unaniem overeenstemming is bereikt:

Dat Allah, de Glorieuze, boven Zijn hemelen, op Zijn Troon is, Verheven boven Zijn schepselen en dat Hij, de Glorieuze, met hen is waar zij ook zijn en dat Hij alles weet wat zij doen. Hij, de Verhevene, somde dat op in Zijn Woorden:

“Hij is het Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij zich op de Troon neder. Hij weet wat de aarde ingaat en wat er uit voortkomt, en wat van de hemelen neerkomt en wat er naar toe opstijgt. Hij is met u waar u ook zijn mag, want Allah ziet alles wat u doet.”

[Soerat  Al-Hadeed; 4]

En Zijn Woorden (Verheven is Hij): “Hij is met u”, betekenen niet dat Hij vermengd is met de schepselen. De taal wijst hier niet op en het gaat in tegen hetgeen waarover de eerste generaties van de Ummah overeenstemming hebben bereikt en het is tegengesteld aan de schepping door Allah, de Verhevene, van alle zaken. Bijvoorbeeld; de maan is één van de Tekenen van Allah die gevonden kan worden te midden van zijn kleinste schepselen. Het is geplaatst in de hemel waar het tegelijkertijd met de reiziger en de niet-reiziger is, waar zij ook zijn. En Hij, de Glorieuze, is op de Troon, waar Hij Zijn schepselen gadeslaat en over hen heerst. Deze zaak en andere zaken zijn Tekenen van Zijn Heerschappij.

Alles dat door Allah, de Glorieuze, wordt genoemd – dat Hij op de Troon (Al-‘Arsh) is en dat Hij met ons is – is op zichzelf waar en het geeft geen aanleiding tot vervorming maar het moet beschermen tegen valse speculaties, zoals de gedachte dat de schijnbare betekenis van Zijn Woorden: “In de hemelen”, betekenen dat de hemelen Hem omvatten. Dit is ongeldig volgens de consensus van alle mensen van kennis en geloof.

Waarlijk, Zijn Troon (Kursi) omhelst de hemelen en aarde en Hij is het Die de hemelen en aarde in stand houdt zodat zij niet zullen vergaan en Hij is het Die de hemel ophoudt zodat het niet op de aarde neerkomt, behalve met Zijn Wil.

“En dit is onder Zijn Tekenen, dat de hemelen en de aarde in stand blijven door Zijn Gebod.”

[Soerat  Ar-Ruum; 25]

De Nabijheid van Allah tot Zijn ‘Ibaad (aanbidders)

Hierin is ook het geloof opgenomen dat Hij zeer nabij is tot Zijn schepselen en dat Hij antwoordt, zoals Hij (Verheven is Hij) dat omsomt in Zijn Woorden:

“En wanneer Mijn dienaren (‘ibaad) u over Mij vragen, zeg dan: "Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van de smekeling, wanneer hij Mij aanroept."

[Soerat  Al-Baqarah; 186]

En de Profeetr, zei tegen zijn Metgezellen (radiya Allahu ‘anhum), toen zij hun stemmen verhieven in de aanroeping tot Allah, de Verhevene:

“Oh mensen!, bedwing jullie zelf. Waarlijk, jullie roepen niet Degene aan die doof of afwezig is. Degene die jullie aanroepen is dichterbij ieder van jullie dan de nek van jullie rijdier.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

Hetgeen is geopenbaard in het Boek (de Koran) en in de Sunnah – betreffende Zijn Nabijheid en Zijn Gezelschap – spreken niet tegen wat is overgeleverd over Zijn Verhevenheid en Hoogheid. Waarlijk, alle Lof is aan Hem, er is niemand als Hem in al Zijn Eigenschappen en Hij is Verheven in Zijn Nabijheid en Nabij in Zijn Verhevenheid.

De Koran is het Woord van Allah

Een deel van het Geloof in Allah en Zijn Boeken [28] is het geloof dat de Koran het Geopenbaarde Woord van Allah is en dat het niet is geschapen [29], dat het uit Hem voortkomt en dat het tot Hem terugkeert, dat Allah (de Verhevene) het werkelijk heeft uitgesproken, dat deze Koran die Hij heeft geopenbaard aan Muhammadr, werkelijk het Woord van Allah is en niet het woord van enkel ander en dat het niet toegestaan is om te zeggen dat het een overlevering van het Woord van Allah is, of een interpretatie ervan. Dat als mensen het lezen of het in boeken opschrijven, dit niet betekent dat het niet het Ware Woord van Allah, de Verhevene, is omdat de spraak wordt toegeschreven aan degene die het oorspronkelijk heeft uitgesproken en niet aan degene die het heeft overgeleverd. Het is het Woord van Allah, zijn letters en zijn betekenissen. Het Woord van Allah bestaat niet uit slechts woorden, zonder betekenis en niet slechts uit betekenis zonder woorden.

Het Zien van Allah op de Dag des Oordeels

Waarnaar wij hebben verwezen met betrekking tot het geloof in Hem, in Zijn Boeken en in Zijn Boodschappers, omhelst ook het geloof dat degenen die geloven, Hem met hun ogen zullen zien, net zoals zij de zon zien op een onbewolkte dag; net zoals zij de volle maan zonder enige belemmering zien, zullen zij Hem zien, de Glorieuze, terwijl zij in de Rechtbanken van de Beschikking zijn. Zij zullen Hem zien na het betreden van het Paradijs.

Dit is wat Allah, de Glorieuze, de Verhevene, wenst.

 Het Geloof in het Hiernamaals

 Hoofdstuk 3

De Ondervraging van het Graf en de Wederopstanding

Het geloof in de Laatste Dag is een geloof in alles wat de Profeetr, heeft verteld over wat er zal gebeuren na de dood, het geloof in de ondervraging van het graf, in de bestraffing van het graf en in de verrukking van het graf.

Wat de ondervraging betreft, de mensen zullen ondervraagd worden in hun graf [30]. Iedereen zal worden gevraagd: “Wie is jullie God? Wat is jullie Religie? Wie is jullie Profeet?” En Allah zal dan de gelovigen met de ware woorden in dit leven en het Hiernamaals bekrachtigen dus zullen de gelovigen zeggen: “Allah is mijn Heer, de Islaam is mijn Religie en Muhammad (salla Allahu ‘alayhi wa sallam) is mijn Profeet.”

Maar de twijfelenden zullen zeggen: “Wat? Wat? Ik weet het niet! Ik hoorde de mensen iets zeggen dus zei ik het ook.” Zodoende zal hij worden geslagen met een ijzeren staaf totdat hij een luide schreeuw slaakt die iedereen, behalve de mensheid, zal horen omdat, als zij het zouden horen, zij flauw zouden vallen.

Deze ondervraging zal worden gevolgd door, ofwel verrukking, ofwel bestraffing totdat de Grote Wederopstanding (Al-Qiyaamah Al-Kubraa) plaats zal vinden. De zielen zullen terug gebracht worden tot hun lichamen en de Wederopstanding zal plaatsvinden, waarover Allah (de Verhevene) heeft verteld in zijn Boek (de Koran) en middels Zijn Profeetr en waarover alle Moslims in overeenstemming zijn. De mensen, naakt, blootsvoets en onbesneden [31], zullen opstaan uit hun graven om tegenover de Heer van het Universum te staan, terwijl de zon dichter naar hen toe beweegt en hun eigen zweet hen overweldigt. Dan zal de balans worden opgemaakt zodat de daden van de mensen gewogen kunnen worden.

“Dan zullen zij slagen, wier schalen zwaar zijn (door goede daden). Doch zij, wier werken licht zijn - dit zijn degenen die hun ziel benadeelden - zullen eeuwig in de Hel vertoeven.”

[Soerat  Al-Muminuun; 102-103]

Het Vastleggen van de Daden van de Mensen

De overzichten zullen dan worden verspreid – de overzichten van de daden. Sommigen zullen die van hen in hun rechterhanden krijgen en sommigen in hun linkerhanden of achter hun ruggen. [32]

Want de Glorieuze, de Verhevene, zegt:

“En de werken van ieder mens hebben Wij om zijn hals gehangen (ieder is verantwoordelijk voor zijn eigen daden); en op de Dag der Opstanding zullen Wij voor hem een boek brengen en hij zal het opengeslagen zien. "Lees uw boek. Uw eigen ziel is op deze dag als rekenaar tegen uzelf voldoende."

[Soerat  Al-Israa; 13-14]

Allah, de Verhevene, zal de mensen aan hun daden herinneren, Hij zal met elke getrouwe ‘abd (aanbidder) apart spreken en hem herinneren aan al zijn fouten. Zo is het geschreven in het Boek (de Koran) en de Sunnah.

Wat de ongelovigen betreft, zij zullen niet worden herinnerd op de wijze van degene wiens goede daden en slechte daden in balans zijn omdat zij geen goede daden zullen hebben. Hun (slechte) daden zullen echter wel worden geteld, geverifieerd en gepresenteerd zodat zij deze kunnen erkennen en ervoor gestraft kunnen worden.

Al-Hawd (Het Bad van de Profeet ﷺ‬)

In de Rechtbank der Beschikking bevindt zich het Bad (Hawd) van de Profeetr met water dat witter is dan melk en zoeter is dan honing en waarvan de drinkbekers even talrijk zijn als de sterren en zijn lengte is de afstand (van een reis) van een maand en zijn wijdte is de afstand (van een reis) van een maand. Wie er ook van drinkt, zal nooit dorstig zijn.

As-Siraat (De Brug over de Hel)

De Siraat is uitgestrekt over de Hel. Het is de brug tussen het Paradijs en de Hel. Mensen steken het over in overeenstemming met hun daden. Sommigen gaan er in een knipoog over heen, anderen steken het over als een bliksemschicht, sommigen steken het over als de wind, sommigen steken het over zoals een edel paard dat zou doen, sommigen steken het over zoals een kameelrijder dat zou doen, sommigen steken het rennend over, sommigen lopend, sommigen steken het kruipend over en sommigen worden vastgegrepen en de Hel ingeworpen. De brug heeft haken om mensen vast te grijpen in overeenstemming met hun daden. Wie de brug heeft overgestoken, treedt toe tot het Paradijs. Als zij de Siraat oversteken dan zullen zij worden gestopt op een brug tussen het Paradijs en de Hel om de zaken tussen elkaar te beslechten. Als zij zijn vrijgesproken en gereinigd, dan wordt het hen toegestaan om het Paradijs te betreden.

Ash-Shafaa’ah (De Bemiddeling van de Profeetr)

De eerste klop aan de Poort van het Paradijs zal van Muhammadr  zijn. En de eerste Ummah die het Paradijs zal betreden zal zijn Ummah zijn.

En hij (Muhammad)ﷺ‬  heeft drie bemiddelingen uit te voeren op de Dag der Opstanding:

Zijn eerste bemiddeling zal zijn namens de mensen die nog moeten worden beoordeeld nadat alle Profeten, Adam, Nuuh, Ibraheem, Muusa en ‘Isaa, zoon van Maryam, ‘alayhum as-salaam, hun bemiddeling hebben overgedragen en het hem (Muhammadr) heeft bereikt.

Zijn tweede bemiddeling zal zijn namens de Mensen van het Paradijs zodat zij het zullen mogen betreden. Deze twee bemiddelingen zijn aan hemr  voorbehouden.

Zijn derde bemiddeling zal zijn namens degenen die bestemd zijn voor het Vuur. Deze bemiddeling is voor hem (Muhammadr) voor alle Profeten (‘alayhum as-salaam) en heiligen en voor anderen, zodat zij mogen bemiddelen namens degenen die het Vuur verdienen, hen ervan weerhoudend daarin toe te treden, en namens degenen die al tot het Vuur zijn toegetreden, om hen er zo uit te halen. Allah, de Verhevene, stuurt vanuit Zijn Ruimhartigheid en Genade, sommige mensen zonder bemiddeling uit het Vuur. Er zullen plaatsen vrij blijven in het Paradijs zodat Allah (de Verheven) daar meer mensen voor kan voortbrengen en hen erin kan laten toetreden.

Het Hiernamaals omhelst de beoordeling, de beloning, de bestraffing, het Paradijs en de Hel. Deze worden uitvoerig genoemd in de Geopenbaarde Boeken uit de hemelen, in de overleveringen van de Profetenr en in de geërfde kennis van Muhammadr die in dit verband genoeg en bevredigend is en wie het ook zoekt, kan het vinden.

Al-Qadar (De Goddelijke Voorbeschikking)

De Geredde Groep (Al-Firqatu An-Naajiyah) – de Mensen van de Sunnah en de Gemeenschap (Ahl As-Sunnah Wal-Jamaa’ah) – geloven in Al-Qadar (de Goddelijke Voorbeschikking), of dat nu goed of slecht is. Het eerste gedeelte is het geloof dat Allah, de Verheven, weet wat de schepselen zullen doen in overeenstemming met Zijn Aloude Kennis, die Hij als Eeuwig heeft omschreven; Hij heeft kennis van al hun toestanden van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, al hun behoeften en hun levensduur.

Allah, de Verhevene, schrijft in Al-Lawh Al-Mahfuudh (de Bewaarde Lei) het lot van alle schepselen.

“Het eerste dat Allah schiep was de pen (al-qalam) en Hij sprak daartegen: “Schrijf.” Het zei: “Wat zal ik schrijven?” Hij zei: “Schrijf op wat zal plaatsvinden tot de Dag des Oordeels.”

Wat ook een man moet raken, zal hem nooit missen en wat hem ook moet missen, zal hem nooit kunnen raken. De pennen zijn gedroogd en de rollen zijn opgevouwd zoals Allah, de Glorieuze, de Verhevene, zegt:

“Weet u niet dat Allah al hetgeen in de hemelen en op aarde is, kent? Voorwaar!, dat is vastgesteld in een Boek, dat is waarlijk gemakkelijk voor Allah.”

[Soerat  Al-Hadj; 70]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Er gebeurt geen ramp op aarde of aan uzelf zonder dat het is opgetekend in het Boek voordat Wij het openbaren. Voorzeker!,  dat is gemakkelijk voor Allah.”

[Soerat  Al-Hadeed; 22]

Deze voorbeschikking die toebehoort aan Zijn Kennis – moge Hij Verheven zijn – wordt op sommige plaatsen samengevat en op andere plaatsen gedetailleerd weergegeven. Hij, Verheven is Hij, heeft in de Bewaarde Lei geschreven wat Hij heeft bepaald. Wanneer hij het lichaam van een foetus schept en voordat Hij de ziel erin blaast, stuurt hij er een Engel naartoe en gebiedt Hij hem om vier woorden te schrijven; zijn kostwinning, zijn levensduur, zijn daden en of hij gelukkig of ongelukkig enzovoorts is. Deze vorm van voorbeschikking wordt verworpen door de extremistische Qadariyyah uit het verleden maar in deze tijd zijn er weinigen die het nog verwerpen.

De tweede stap is de uitgevoerde Wil van Allah (de Verhevene) en Zijn Ingesloten Bekwaamheid. Het geloof in dat wat Allah ook wenst, ook zal gebeuren en wat Hij niet wenst, nooit zal gebeuren, dat welke beweging of stilte in de hemelen of de aarde geschiedt met de Wil van Allah, de Glorieuze. Niets heeft plaats onder Zijn Heerschappij behalve hetgeen Hij wenst en Hij, de Glorieuze, de Verhevene, kan alles aan dat bestaat en alles wat niet bestaat.

Er is geen schepsel op aarde of in de hemel zonder dat Allah, de Glorieuze, zijn Schepper is. Er is geen schepper naast hem en er is geen andere heer dan Hij.

Met dit allemaal heeft Hij de schepselen geboden om Hem en Zijn Boodschappers te gehoorzamen en Hij verbood het hen om Hem ongehoorzaam te zijn.

Hij, de Glorieuze, houdt van de vromen, degenen die goed doen en de rechtvaardigen. Hij, Verheven is Hij, is tevreden met degenen die geloven en goede daden verrichten en Hij houdt niet van de ongelovigen. Hij is ontevreden over onrechtvaardigen, Hij gebiedt geen immoraliteit, Hij wenst geen ongeloof voor Zijn schepselen en Hij houdt niet van corruptie.

De schepselen zijn in feite de uitvoerders maar Allah is de Schepper van hun daden. De ‘abd (de mens, de aanbidder) is de gelovige en de ongelovige, de rechtschapene en de slechte, de biddende en de vastende. De ‘ibaad (de mensen, de aanbidders) hebben controle over hun daden en hebben hun eigen vrije wil maar Allah is hun Schepper en de Schepper van alle controle en hun wil, zoals Hij, de Verhevene, zegt:

“Voor hen onder u die het Rechte Pad willen volgen. En u zult niets willen behalve wat Allah wil, de Heer der Werelden.”

[Soerat  At-Takweer; 28-29]

Dit niveau van voorbeschikking wordt verworpen door de meesten van onder de Qadariyyah – degenen die de Profeetr heeft benoemd als de Aanbidders van het Vuur (Majuus) van deze Ummah (de Islaam). Anderen, die deze Eigenschap van Allah wel erkennen overdrijven het tot op het punt dat zij de mens beroven van zijn controle en vrije keuze waardoor zij de Wijsheid en het Voordeel uit de Daden en het Oordeel van Allah halen.

Imane (Geloof)

Uit de grondbeginselen van de Mensen van de Sunnah vloeit voort dat Religie en Geloof, uitingen en daden inhouden – uitingen van het hart en de tong en de daden van het hart, de tong en de ledematen – en dat geloof toeneemt met gehoorzaamheid en afneemt met ongehoorzaamheid.

Ondanks dit worden Ahl Al-Qiblah (Moslims) niet beschouwd als ongelovigen als resultaat van het feit dat zij fouten begaan en zondigen (Al-Ma’aasi Wal-Kabaair) zoals de Khawaarij dat wel beschouwen. Eerder blijft de broederschap in het geloof ferm bestaan ondanks fouten, zoals Allah, de Verhevene, zegt in de Vers over de Bestraffing:

“Maar, indien iemand kwijtschelding is verleend door zijn broeder (in het geloof) [33] , dan moet de eis billijk zijn, en betaling (van bloedgeld) moet hem worden gedaan met goedheid.” [34]

[Soerat  Al-Baqarah; 178]

En Hij, de Verhevene, zegt:

“Indien twee partijen van gelovigen beginnen te vechten treft dan een schikking onder hen, maar indien één van hen tegen de andere in overtreding is (en vrede weigert te sluiten), bestrijd dan de overtredende partij totdat zij tot de verordening van Allah terugkeert. En indien zij terugkomt, sluit dan een rechtvaardige vrede en behandelt hen billijk. Voorwaar, Allah heeft de rechtvaardigen lief. De gelovigen zijn voorzeker broeders. Bewaart daarom vrede onder uw broeders.”

[Soerat  Al-Hujuraat; 9-10]

De Mensen van de Sunnah ontdoen de Islamitische overtreder niet geheel van zijn geloof. En zij geloven niet dat hij eeuwig in de Hel zal vertoeven zoals de Mu’tazilah beweren. Eerder geloven zij dat de overtreder  toetreedt onder de naam van het geloof, zoals Allah, de Verhevene, zegt:

“…en bevrijd een gelovige slaaf..”

[Soerat  An-Nisaa; 92]

Maar hij mag niet toetreden onder de naam van absoluut geloof omdat Allah, de Verhevene, zegt:

“Ware gelovigen zijn slechts degenen wier hart vol vrees klopt, wanneer de naam van Allah wordt genoemd en wanneer Zijn tekenen hun worden voorgelezen, doet dit hen in geloof toenemen.”

[Soerat  Al-Anfaal; 2]

En de Profeetr  heeft gezegd:

“De overspelige wordt ontkleed van geloof terwijl hij overspel pleegt, de dief wordt ontkleed van zijn geloof terwijl hij steelt, de dronkenman wordt ontkleed van zijn geloof wanneer hij drinkt en een ieder die zichzelf groot voordoet om de aandacht en het oog van de mensen te trekken wordt ontkleed van zijn geloof.”

 [Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

En het wordt gezegd dat hij een gelovige is met een incompleet geloof of dat hij een gelovige is door zijn geloof maar een overtreder door zijn zonde. Dus er wordt aan hem niet de absolute naam (van gelovige) gegeven, noch is hij helemaal beroofd van die naam.

 Ahl Al-Bayt, Ummahaat Al-Mumineen en de Sahaabah

 Hoofdstuk 4

[De Familie van de Profeet, de Moeders der Gelovigen en de Metgezellen van de Profeet]

De Sahaabah, radiya Allahu ‘anhum, de Metgezellen van de Profeet ﷺ‬.

Uit de grondbeginselen van de Mensen van de Sunnah en de Gemeenschap (Ahl As-Sunnah Wal-Jamaa’ah) komt reinheid van tong en hart voort ten opzichte van de Metgezellen (radiya Allahu ‘anhum) van de Boodschapper van Allahr zoals Allah, de Verhevene, hen heeft omschreven:

“En degenen die na hen (de Sahaabah) kwamen, zeggen: "Onze Heer, vergeef ons en onze broeders, die ons voorgingen in het geloof en laat geen wrok in ons hart blijven tegen de gelovigen. Onze Heer!, ﷻ‬ bent inderdaad Liefderijk, Genadevol."

[Soerat  Al-Hashr; 10]

En gehoorzaam de uitspraak van de Profeetr:

“Verguis mijn Metgezellen niet. Bij Degene (Allah) in Wiens Hand mijn ziel is!, als iemand van jullie goud uitgeeft (op de Weg van Allah) zo hoog opgestapeld als de berg Uhud, dan zal het niet gelijk staan aan een beker of de helft ervan, van één van hen.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari, Imaam Muslim, Imaam Abu Daawud, Imaam At-Tirmeedhi, Imaam Ibn Maajah en Imaam Ahmad Ibn Hanbal, rahimahum Allah.]

De Mensen van de Sunnah accepteren wat de Koran, de Sunnah en de consensus hen heeft geleerd over de deugden en de hoge rang van de Sahaabah, radiya Allahu ‘anhum. Dus zij verkiezen degenen die (hun rijkdom) uitgaven en streden voordat de overwinning plaatsvond – dus het Verdrag van Hudaybiyyah [35] [*] – boven degenen die daarna uitgaven en streden. Zij verkiezen de Muhaajiruun (de Immigranten) over de Ansaar (de Helpers). Zij geloven dat Allah, de Verhevene, zei tegen de Mensen van Badr – zij waren met meer dan driehonderd -:

“Doe wat jullie willen want Ik heb jullie reeds vergeven.”

[Overgeleverd door Imaam Abu Daawud, rahimahu Allah.]

En ook:

“Zij geloven dat niemand die onder de boom [36]  zijn trouw beloofde aan de Profeet

ﷺ‬ de Hel zal hoeven betreden.”

[Overgeleverd door Imaam Muslim, rahimahu Allah.]

…zoals de Profeetr  heeft verklaard maar dat Allah, de Verhevene, tevreden met hen was en zij met Hem – en zij waren met meer dan eenduizend en vierhonderd.

Zij schrijven het Paradijs toe aan een ieder aan wie de Boodschapper van Allahr  het Paradijs heeft toegeschreven zoals de tien [**] en Thaabit Ibn Qays Ibn Shammas en anderen onder de Sahaabah, radiya Allahu ‘anhum.

Zij accepteren wat voortdurend is overgeleverd van de Leider der Gelovigen, ‘Ali Ibn Abi Taalib, radiya Allahu ‘anhu wa karrama Allahu wajhah, en van anderen, dat de beste mannen van deze Ummah, na de Profeetr de volgende mannen zijn: Abu Bakr en dan ‘Umar en dan ‘Uthmaan en dan ‘Ali Ibn Abi Taalib (radiya Allahu ‘anhum). Alle overleveringen wijzen erop en alle Sahaabah (radiya Allahu ‘anhum) zijn het erover eens om ‘Uthmaan (radiya Allahu ‘anhu) voorrang te geven vanwege de belofte van zijn trouw (Al-Bay’ah), ook al verschillen sommigen van de Mensen van de Sunnah van mening over of ‘Uthmaan of ‘Ali (radiya Allahu ‘anhumaa) voorrang heeft, nadat zij wel overeenstemming hebben bereikt over het verkiezen van Abu Bakr en ‘Umar (radiya Allahu ‘anhumaa). Sommigen gaven de voorkeur aan ‘Uthmaan (radiya Allahu ‘anhu) en zwegen en beschouwden ‘Ali (radiya Allahu ‘anhu wa karrama Allahu wajhah) als de vierde. Echter waren er ook mensen die de voorkeur gaven aan ‘Ali (radiya Allahu ‘anhu wa karrama Allahu wajhah) maar toch neutraal bleven. Maar de Mensen van de Sunnah hebben er overeenstemming over bereikt om ‘Uthmaan, radiya Allahu ‘anhu, de voorkeur te geven, ook al is deze zaak – de zaak van ‘Uthmaan en ‘Ali – niet één van de grondbeginselen. De meerderheid van de Mensen van de Sunnah beschouwen een meningsverschil in deze zaak niet als een misleiding. Eerder ligt het in de zaak van “de Kwestie van het Khalifaat” waarvan degene die erover van mening verschilt, misleid is.

Ahl As-Sunnah geloven dat de Khaleef na de Boodschapper van Allahr, Abu Bakr is, en dan ‘Umar en dan ‘Uthmaan en dan ‘Ali (radiya Allahu ‘anhum) en wie ook het Khalifaat van deze Imaams uitdaagt is inderdaad meer verloren dan een ezel!

Ahl As-Sunnah zouden zich niet moeten bezighouden met wat er is gebeurd aan meningsverschillen tussen de Sahaabah en zij zouden moeten zeggen: “Een deel van de overleveringen die verhalen over hun fouten zijn onwaar en aan sommigen is toegevoegd of weggelaten of zij zijn verdraaid. Het gedeelte dat waarheid is, daarvan worden zij vrijgesteld omdat zij ofwel hun persoonlijke mening uitten en gelijk hadden, ofwel hun persoonlijke mening uitten en ongelijk hadden.”

Ahl As-Sunnah denken niet dat elk van de Sahaabah vlekkeloos is in het begaan van grote zonden of kleine zonden maar dat het aannemelijk is dat zij algemene overtredingen begaan. Desondanks hebben zij de voorkeur in de acceptatie van de Islaam en het verrichten van goede daden waardoor zij in aanmerking komen voor vergeving van wat zij misschien hebben gedaan tot op het punt dat hun overtredingen hen zijn vergeven. Dezelfde overtredingen zullen niet worden vergeven voor degenen die na hen kwamen omdat zij (de Sahaabah) het voordeel hebben in het verrichten van goede daden die de slechte daden uitwissen, een voordeel dat de generaties na hen niet hebben. Dit wordt bevestigd in de woorden van de Boodschapper van Allahr:

“Dat zij de beste (mensen) zijn van alle generaties.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

“Dat een beker aan liefdadigheid die één van hen misschien heeft uitgegeven, beter is dan een berg goud ter grootte van de Berg Uhud die wordt gegeven door iemand die na hen komt.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah]

Bovendien, als iemand van hen (de Sahaabah) een overtreding beging, dan toonde hij daar zonder twijfel berouw voor of verrichtte hij goede daden die deze overtreding voor hem uitwiste of werd hij vergeven vanwege de deugd van het vanaf het begin accepteren van de Islaam of door de bemiddeling van Muhammadr aangezien zij het meest recht hebben op zijn bemiddeling, of vanwege een ramp die hen in deze wereld overkwam waardoor die overtreding verviel. Maar als dit al het geval was in werkelijke overtredingen, wat dan te denken van de zaken waarin zij Mujtahideen waren (en een onafhankelijk oordeel velden in wettelijke of theologische zaken)? Als zij gelijk hadden in hun Ijtihaad dan ontvingen zij een dubbele beloning en als zij het mis hadden dan ontvingen zij één beloning en het feit dat zij het mis hadden werd hen vergeven.

Verder is de verwerpelijke hoeveelheid van hun daden verwaarloosbaar in vergelijking met hun deugden. Hun deugdzaamheid ligt in het geloof in Allah, de Verhevene, en Zijn Boodschapperr in de Jihaad op Zijn Pad, de Hijrah (emigratie) van Makkah naar Al-Madeenah, de steun aan de Profeetr en het Geloof , de kostbare kennis en de goede daden. Wie ook het leven van de Sahaabah objectief bestudeert, met inzicht en met hetgeen Allah, de Verhevene, aan hen heeft verleend aan deugden, zal ongetwijfeld ontdekken dat zij de besten der mensen waren na de Profeetr dat er nooit iemand was en nooit iemand zal zijn zoals zij en dat zij inderdaad de allerbeste (mensen) waren van de generaties van de Ummah, die op zichzelf al de beste der volkeren is en het meest eerbaar in de Ogen van Allah, de Verhevene.    

Ahl Al-Bayt (De Familie van de Profeetr)

Ahl As-Sunnah zouden van de familie van de Profeetr  moeten houden, hen moeten steunen en de wil van de Profeetr met betrekking tot hen moeten respecteren, zoals hij in Ghaadir Al-Khum zei:

“Ik vraag jullie bij Allah om voor mijn familie te zorgen, ik vraag jullie bij Allah om voor mijn familie te zorgen.”

[Overgeleverd door Imaam Muslim, rahimahu Allah.]

De Profeetr zei tegen zijn oom, Al-‘Abbaas, toen hij tegen hem klaagde dat sommige mannen van de Quraysh wrok koesterden tegen de Banu Haashim (de stam van de Profeetr):

“Bij Degene (Allah) in Wiens Hand mijn ziel is!, zij zullen nooit gelovigen zijn totdat zij van jou houden omwille van mijn relatie tot jou.”

[Overgeleverd door Imaam Ahmad Ibn Hanbal, rahimahu Allah, en anderen.]

De Profeetr zei ook:

“Waarlijk, Allah heeft de zonen van Isma’eel gekozen en uit hun midden koos Hij de Kinaanah en uit de Kinaanah koos Hij de Quraysh en uit de Quraysh koos Hij de Banu Haashim en uit de Banu Haashim koos Hij mij.”

[Overgeleverd door Imaam Muslim en Imaam Ahmad Ibn Hanbal, rahimahumaa Allah.]

Ummahaat Al-Mumineen (De Vrouwen van de Profeetr de Moeders der Gelovigen, moge Allah de Verhevene tevreden met hen zijn)

Ahl As-Sunnah zouden de vrouwen van de Boodschapper van Allahr  de Moeders der Gelovigen, moeten steunen en zij zouden moeten geloven dat zij zijn vrouwen zullen zijn in het Hiernamaals, vooral Khadijah (radiya Allahu ‘anha), de moeder van de meeste van zijn kinderen en de eerste persoon die in hem geloofde en hem steun verleende en hijr  had een diepgeworteld respect voor haar.

En ‘Aaishah, As-Siddeeqah, de dochter van Abu Bakr As-Siddeeq (moge Allah de Verhevene tevreden zijn met haar en haar vader) en over wie de Profeetr zei:

“De superioriteit van ‘Aaishah over de vrouwen is zoals de superioriteit van Ath-Thareed (een maaltijd bestaande uit brood, vlees en bouillon) over de rest van het voedsel.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah.]

Ahl As-Sunnah zouden de doctrine van de Rawaafed en degenen die de Metgezellen van de Profeet haten,  moeten verwerpen en hen moeten beschimpen.

Zij zouden ook de doctrine van de Nawaaseb [37] (degenen die de familie van de Profeetr verbaal of daadwerkelijk willen schaden) moeten verwerpen.

Karaamat Al-Awliyaa (De Wonderen van de Heiligen)

Uit de grondbeginselen van de Mensen van de Sunnah en de Gemeenschap (Ahl As-Sunnah Wal-Jamaa’ah) vloeit het geloof voort in de Wonderen van de Heiligen (Karaamat Al-Awliyaa); Allah de Verhevene heeft bovennatuurlijke daden in hen geschapen in alle aspecten van het leven, en openbaringen (Mukashafaat) en macht en indrukken. Dit was reeds bekend bij aloude beschavingen, zoals in Soerat  Al-Kahf (hoofdstuk 18) en in andere Koranische hoofdstukken en het is bekend van de eerste mannen van deze Ummah onder de Sahaabah en de Taabi’uun en onder de rest van de generaties van deze Ummah. Het (deze gunst) zal bij hen blijven tot de Dag der Opstanding.

[*]  Sommige traditionalisten geloven dat de overwinning (Al-Fath), de bevrijding van Makkah betekent. (Zie Tafseer Ibn Katheer, rahimahu Allah, pagina 37-39 in zijn commentaar van vers 10 van Soerat  Al-Hadeed (57)

[**] Zij zijn Abu Bakr, ‘Umar, ‘Uthmaan, ‘Ali, Talhah, Az-Zubayr, Sa’d Ibn Abi Waqqaas, Sa’d Ibn Zayd, ‘Abd Ar-Rahmaan Ibn ‘Awf en Abu ‘Ubaydah Ibn Al-Jarraah, radiya Allahu ‘anhum.

Het Pad van Ahl As-Sunnah Wal-Jamaa’ah

 Hoofdstuk 5

Het Pad van de Mensen van de Sunnah en de Jamaa’ah (Ahl As-Sunnah Wal-Jamaa’ah) is het volgen van de Profeetr zowel innerlijk als uiterlijk en het treden in de voetstappen van de eerste Moslims, zowel de Muhaajiruun (de Emigranten) als de Ansaar (de Helpers) en het volgen van het advies van de Profeetr:

“Hou vast aan mijn Sunnah en de Sunnah van de Rechtgeleide Khalieven na mij. Hou er stevig aan vast. Hoed jezelf voor ketterse innovaties (Bid’ah) omdat elke ketterse innovatie (Bid’ah) een dwaling is en elke dwaling is een afwijking van het Rechte Pad.”

[Overgeleverd door Imaam Ahmad Ibn Hanbal, Imaam Abu Daawud, Imaam At-Tirmeedhi die zei dat het een goede en sterke Hadeeth was en door Imaam Ibn Maajah, rahimahum Allah.]

De Mensen van de Sunnah weten dat de meest waarheidsgetrouwe woorden, de Woorden van Allah zijn, boven de woorden van alle mensen en dat zij de Leiding van Muhammadr moeten plaatsen boven de leiding van alle mensen. Vanwege al deze zaken worden zij de Mensen van het Boek en de Sunnah genoemd. Zij worden de Mensen van de Gemeenschap genoemd omdat gemeenschap, eenheid betekent en het tegengesteld is aan verdeeldheid. De term “Jamaa’ah” werd een naam voor de verenigde mensen zelf en Al-Ijmaa’ (de consensus) is de derde pilaar waarop mensen vertrouwen in ‘ilm (kennis) en Deen (geloof).

Aan deze drie pilaren (Koran, Sunnah en Al-Ijmaa’) wordt alles gemeten wat de mensen volgen aan innerlijke en uiterlijke woorden en daden die enige relatie hebben tot de Deen (het Geloof) en tot de gecontroleerde IJmaa’ van de rechtgeleide voorgangers, aangezien na hen de onenigheid is toegenomen en de Ummah is verdeeld.

 Broederschap onder de Moslims

 Hoofdstuk 6

Door deze grondbeginselen sporen zij aan tot goede daden en verbieden zij daden waarover bezwaar bestaat in overeenstemming met wat de Sharee’ah voorschrijft. En zij geloven in het praktiseren van de Hadj (de bedevaart) en de Jihaad (strijd voor de Zaak van Allah de Verhevene) en in het bijwonen van de gezamenlijke gebeden op vrijdag en de feestdagen met de leiders, of zij nu vroom of slecht zijn, en in het in acht nemen van de gezamenlijke gebeden. Zij geloven in het adviseren van de Ummah en zij onderwijzen zichzelf met de woorden van de Profeetr:

“Een gelovige is voor een gelovige als de delen van een gebouw die elkaar ondersteunen.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah.]

De Profeetr vlocht zijn vingers in elkaar terwijl hij dit zei. En zij onderwijzen zichzelf met de woorden van de Profeetr:

“Het voorbeeld van de gelovigen in hun genegenheid en mededogen en inschikkelijkheid naar elkaar is zoals een lichaam; als een deel ervan ziek wordt dan schiet het hele lichaam hem te hulp met koorts en slapeloosheid.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah.]

Ahl As-Sunnah gebieden de mensen om volhardend te zijn wanneer een ramp hen treft en zij zijn dankbaar in tijden waarin het leven goed gaat en zij accepteren de vervulling van de Onomkeerbare Voorbeschikking van Allah. Zij roepen de mensen op om goede manieren te praktiseren en goede daden te verrichten en om zichzelf te onderwijzen met de woorden van de Profeetr:

“En perfect geloof hoort bij een gelovige met goede manieren.”

[Overgeleverd door Imaam Ahmad Ibn Hanbal en Imaam At-Tirmeedhi, die zei dat het een goede en sterke Hadeeth was, rahimahum Allah.]

Ahl As-Sunnah moedigen de mensen aan om de relaties te herstellen met degenen waarmee zij hebben gebroken, om te geven aan degenen die hen hebben beroofd en om degenen te vergeven die hen onrecht hebben aangedaan. Zij gebieden de mensen om bescheiden te zijn naar de naasten, om goed te zijn tegen andere familieleden, om goed te zijn voor de buren, om de wezen, de reizigers en de armen vriendelijk te behandelen en om aardig en menselijk te zijn tegen de slaven. Zij verbieden opschepperij, arrogantie en overtreding. Zij weerhouden de mensen ervan om zich superieur te voelen jegens anderen, terecht of onterecht. En zij gebieden de mensen om goede manieren in acht te nemen en zij verbieden hen om futiliteiten na te jagen. Alles wat zij zeggen of doen van het bovenstaande of iets anders dan dit, zij volgen in alles het Boek (de Koran) en de Sunnah. Hun Pad is de Religie van de Islaam, waarvoor Allah, de Verhevene, Muhammadr heeft gezonden.

Maar hiervoor heeft de Profeetr al voorspeld:

“Dat deze Ummah verdeeld zal worden in drieënzeventig groepen en allen zijn in de Hel, behalve één; de Jamaa’ah (de Gemeenschap).”

[Overgeleverd door Imaam Ahmad Ibn Hanbal, rahimahu Allah.]

En de Profeetr zei in een andere Hadeeth:

“Zij zijn degenen die zullen volgen wat ik ben en wat mijn Metgezellen vandaag de dag zijn.”

[Overgeleverd door Imaam At-Tirmeedhi, rahimahu Allah.]

Degenen naar wie wordt verwezen in deze overlevering zijn degenen die stevig vasthouden aan de zuivere, onveranderde Islaam en de Mensen van de Sunnah en de Jamaa’ah zijn geworden. Onder hen bevinden zich de Siddiqeen, de martelaren, de Rechtschapenen en onder hen zijn hoekstenen der leiding, de lichten in het donker, de meesters van gedenkwaardige deugdzaamheid. Onder hen zijn de Abdaal [38], de Imaams over wiens oordeel en begrip alle Moslims overeenstemmen. Dit zijn de triomferenden over wie de Profeetr heeft gezegd:

“Een groep van mijn Ummah zal vooraanstaand doorgaan met het volgen van het Pad der Waarheid. Wie hen verraadt of tegenwerkt zal hen nooit kunnen schaden tot de Dag des Oordeels.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah.]

Daarom vragen wij Allah, de Grootste, om ons deel van hen te laten zijn en om onze harten niet te laten dwalen nadat Hij ons heeft geleid en om Zijn Genade aan ons te verlenen. Waarlijk, Hij is de Vrijgevige. En Allah weet het best.

Moge de vele Zegeningen en Groeten met Muhammad zijn en met zijn familie en zijn Metgezellen.


Voetnoten van Al-‘Aqeedah Al-Waasitiyyah

[1] De Geleerden verschillen van mening met betrekking tot de “Bismi-Allah”; is het een vers (Aayah) dat elk hoofdstuk (Suurah) opent?, of is het een aparte vers die is geopenbaard om onderscheid te maken tussen de hoofdstukken?, en om gezegend te zijn door te beginnen ermee te lezen en de tweede mening wordt verkozen. En zij zijn overeengekomen dat het een deel is van een vers in Soerat  An-Naml (Aayah 30) en om het niet uit te spreken aan het begin van Soerat  At-Tawbah (hoofdstuk 9) omdat het wordt beschouwd als één hoofdstuk met Soerat  Al-Anfaal (hoofdstuk 8).

[2] “Al-Hamdu Li-Allah” (alle Lof behoort aan Allah); het wordt overgeleverd van de  Profeetr dat hij zei:

“Elke uitspraak die niet begint met lofuitingen naar Allah en het vragen van Genade voor mij is onvolledig en heeft geen zegeningen.”

[Overgeleverd door Ar-Rahaawi.]

Hetzelfde werd overgeleverd over “Bismi-Allah” en dit is overgeleverd door Imaam Ibn Hibbaan, rahimahu Allah.

[3] De Boodschapper is een man die een Openbaring van de Sharee’ah (Religie en Wetgeving) ontving en door Allah werd geboden om ertoe op te roepen. Echter, als hij een Openbaring had ontvangen en niet werd geboden om er naartoe op te roepen, dan was hij slechts een Profeet en geen Boodschapper.

[4] De Shahaadah van Allah, de Verhevene, wordt geïmplementeerd door Zijn Woord en Zijn Daad en Zijn Steun aan Zijn Boodschapper door het verlenen van overwinning, wonderen en verscheidene bewijzen dat wat hij voortbracht, de Zuivere Waarheid is.

[5] “Laa ilaaha illa Allah” (Er is geen god dan Allah) is de formule van Tawheed (Eenheid) waarover alle Boodschappers (‘alayhum as-salaam) het over eens zijn. Eerder is het de essentie van hun boodschappen en elke Boodschapper heeft het gemaakt tot de opening van zijn boodschap en tot zijn pilaar, zoals onze Profeetr heeft gezegd:

“Het is mij geboden om de mensen te bevechten totdat zij “Laa ilaaha illa Allah” zeggen en als zij dat uitspreken, dan beschermen zij hun bloed en hun bezit van mij, behalve voor hun verplichtingen en Allah, de Almachtige, de Allerhoogste, zal over hen oordelen.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah.]

[6] En het verbinden van de Shahaadah (geloofsgetuigenis) voor de Boodschapperr van de Risaalah (de Boodschap) en de ‘Ubudiyyah (dienstbaarheid aan Allah en de aanbidding van Hem) met de Getuigenis van de Eenheid van Allah, gebeurt om aan te tonen dat elk van hen tezamen moet worden genoemd en dat geen van hen de plaats van de ander inneemt; om deze reden werden zij verbonden in de Adhaan (de oproep tot het gebed) en de Tashahhud (de getuigenis). Sommige mensen interpreteren deze vers:

“…En uw roem niet verheven?”

[Soerat  Ash-Sharh; 4]

…als: “Wanneer ik ook word genoemd, word jij met tezamen met Mij genoemd.”

En Hij verbond voor hem (de Profeetr) de twee tijdingen samen; namelijk dat van zijn Profeetschap en de Dienstbaarheid omdat zij de hoogste zaken zijn waarmee een mens kan worden omschreven. De Dienstbaarheid of de Aanbidding is de reden waarom Allah, de Verhevene, de schepselen heeft gemaakt, zoals Hij, de Verhevene, zegt:

“En Ik heb de Jinn en de mensen slechts geschapen om Mij te aanbidden.”

[Soerat  Adh-Dhaariyaat; 56]

Dus de perfectie van het schepsel bevindt zich in het bereiken van dat doel en hoe meer een mens toeneemt in het bereiken van Dienstbaarheid, hoe meer hij toeneemt in perfectie en het verheffen van zijn status en hierom heeft Allah, de Verhevene, Zijn Profeetr benoemd met de titel ‘Abd (slaaf, dienaar, aanbidder) tijdens zijn hoogste en meest eerbare situaties zoals Al-Israa (de nachtelijke reis van Makkah naar Al-Quds). Ook heeft de Profeetr  in de sterke Hadeeth gezegd:

“Prijs mij niet zoals de Christenen de zoon van Maryam (‘Isaa) prezen. Waarlijk, ik ben slechts een mens dus zeg: “De ‘Abd van Allah en Zijn Boodschapper”.”

[7] De Geredde Groep (Al-Firqatu An-Naajiyah) is de overwinnende (groep) volgens de woorden van de Profeetr:

“Een groep van mijn Ummah zal op de waarheid blijven en triomferend blijven en zij zullen niet worden geschaad door wie hen ook verraadt tot de Dag des Oordeels.”

[Overgeleverd door Imaam Al-Bukhaari en Imaam Muslim, rahimahumaa Allah.]

En volgens zijnr woorden:

“Deze Ummah zal verdeeld worden in 73 groepen en allen zullen naar de Hel gaan, behalve één; zij volgen wat ik en mijn Metgezellen vandaag vertegenwoordigen.”

[Overgeleverd door Imaam At-Tirmeedhi, rahimahu Allah.]

[8] De Sunnah betekent de weg volgens welke de Profeetr en zijn Metgezellen (radiya Allahu ‘anhum) leefden en volgens welke zij zich gedroegen, voor de opkomst van de ketterse innovaties.

[9] Deze zes punten zijn de Pilaren van het Geloof en iedere ware gelovige moet ze allemaal accepteren volgens de Leiding van de Koran en de Sunnah en wie ook één van de punten verwerpt wordt niet geacht een ware gelovige te zijn. Deze pilaren worden genoemd in het verhaal van Jibreel (‘alayhi as-salaam), toen hij naar de Profeetr kwam, vermomd als een Bedoeïen, om hem te vragen over Islaam en Imane (Geloof) en Ihsaan (het aanbidden van Allah alsof wij Hem zien maar ook al zien wij Hem niet, Hij ziet ons wel). De Profeetr antwoordde toen:

“Om te geloven in Allah, Zijn Engelen, Zijn Boeken, Zijn Boodschappers en om te geloven in de Wederopstanding na de dood en in de Qadar (de Goddelijke Voorbeschikking), of deze nu goed is of slecht.

De Boeken zijn de Openbaringen uit de hemel aan de Boodschappers waarvan de volgende (Boeken) ons bekend zijn: De Rollen van Ibraheem (Suhufi Ibraheem), het Oude Testament (At-Tawraat), het Nieuwe Testament (Al-Injeel en de Zabuur, de Psalmen van Daawud) en de Koran, de Laatste Openbaring.”

Betreffende de Boodschappers; enkel vijfentwintig van hen worden genoemd in de Koran en wat de rest betreft zouden wij in hen moeten geloven zonder ons erom te bekommeren hen te tellen, of hun namen te weten omdat dit is wat Allah, de Verhevene, voor Zichzelf heeft gelaten, zoals Hij (Verheven is Hij) zegt in de Koran:

“En Wij zonden Boodschappers vóór u, sommigen van hen hebben Wij vermeld en anderen hebben Wij niet genoemd.”

[Soerat  Ghaafir; 78]

[10] De verwerping is van twee soorten: algemeen en specifiek. De algemene houdt in dat je alles verwijdert waarmee Zijn Perfectie wordt verworpen, zoals fouten en slechte eigenschappen, zoals Hij, de Verhevene, zegt: “Er is niets gelijk aan Hem”, “Kent u dan een gelijke aan Hem?”, “Verheven is Allah boven hetgeen zij zeggen”. De specifieke houdt in dat je Allah verheft van het hebben van een vader, of een zoon, of een vrouw, of een deelgenoot, of een gelijke, of onwetendheid, of zwakheid, of verwarring, of vergeetachtigheid, of sluimer, of slaap, of valsheid en speelsheid. Al deze verwerpingen zijn niet alleen op zichzelf nodig maar op hetzelfde moment dient men hun tegenoverstelde te bevestigen dus de verwerping van een deelgenoot en een gelijk is het bevestigen van Zijn Absolute Grootheid enzovoorts.

Bevestiging kent ook weer twee soorten; algemeen en specifiek. De algemene is om Zijn Absolute Perfectie en Zijn Absolute Recht om Geprezen te worden en Zijn Absolute Eer enzovoorts, zoals Allah, de Verhevene, zegt:

“Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden.”

[Soerat  Al-Faatihah; 1]

“…terwijl het Kenteken van Allah het Meest Sublieme is…”

[Soerat  An-Nahl; 60]

De specifieke bevestiging omvat elke Naam of Eigenschap die is genoemd in de Koran en de Sunnah en zij zijn zeer talrijk, wat het erg moeilijk maakt om deze hier te vermelden maar men kan ze vinden door de gehele Koran en de Sunnah heen.

[11] Deze Suurah (hoofdstuk) wordt een speciale status verleend omdat het bevat wat geen van de andere hoofdstukken van de Koran bevatten en het wordt Al-Ikhlaas (Zuiverheid van het Geloof) genoemd omdat het de Godsdienst heeft gereinigd van de smet van het heidendom. Al-Imaam Ahmad Ibn Hanbal, rahimahu Allah, levert over in zijn Musnad van ‘Ubay Ibn Ka’b (radiya Allahu ‘anhu) dat de reden voor deze openbaring was omdat de ongelovigen zeiden:

“Muhammad vertelt ons genealogie van uw God.”

Dus openbaarde Allah, de Gezegende, de Verhevene, het volgende:

 “Zeg: Allah is de Enige. Allah is Zichzelf Genoeg, Eeuwig. Hij verwekte niet, noch werd Hij verwekt. En niemand is Hem in enig opzicht gelijk.”

[Soerat  Al-Ikhlaas; 1-4]

Het werd bevestigd in de Saheeh (het Betrouwbare Boek der Ahadeeth) dat het gelijk staat aan een derde van de Koran maar de Geleerden verschillen van mening over de interpretatie van deze uitspraak, de meest acceptabele interpretatie is degene die Shaykh Ul-Islaam (Ibn Taymiyyah, rahimahu Allah) heeft overgeleverd van Abu Al-‘Abbaas, radiya Allahu ‘anhu, die als volgt kan worden samengevat:

De Koran bevat drie doelen:

  • Het besluit dat de regels en de praktische voorschriften bevat die het onderwerp zijn van de Fiqh en de Moraliteit.
  • De verhalen en gebeurtenissen die de situaties van de Boodschappers (‘alayhum as-salaam) bij hun volkeren bevatten en de soorten bestraffingen die worden uitgevoerd op de ongelovigen;  en de beloning en de dreiging en de details betreffende de beloning en de bestraffing in het Hiernamaals.
  • De Tawheed (Eenheid van Allah) en wat de mensen zouden moeten weten over Allah en Zijn Namen en Eigenschappen en dit wordt beschouwd als het meest eerbare (doel) van de drie genoemde soorten.

Aangezien Soerat  Al-Ikhlaas de essentie van deze soort kennis bevat, in het algemeen gesproken, is het goed om te zeggen dat het gelijk staat aan een derde van de Koran. Hetzelfde kan worden gezegd over Aayat Al-Kursi waarin Allah, de Verhevene, ons inlicht over Zichzelf en dat Hij de Enige is in Zijn Heerschappij, wat betekent dat geen andere godheid (afgod) naast Hem mag worden aanbeden.

[12] Deze vier namen gaan over alomvattendheid;

  • Zijn Naam “De Eerste” wijst op Zijn Oneindige Aanwezigheid en Zijn Eeuwigheid.
  • Zijn Naam “De Laatste” wijst op Zijn Onsterfelijkheid en Zijn Eindeloosheid.
  • Zijn Naam “De Zich Manifesterende” wijst op Zijn Verhevenheid, Zijn Grootheid vanwege het feit dat Hij alles omvat.
  • Zijn Naam “De Verborgene” wijst op Zijn Nabijheid en dat Hij met en bij alles is (met Zijn Kennis).

[13] Istawaae ‘Alal-‘Arsh (Hij vestigde Zichzelf of zetelde op de Troon). Deze zaak moet worden geaccepteerd, zoals Imaam Maalik, rahimahu Allah, zei:

“Het zetelen is bekend maar “hoe” is niet bekend. Met andere woorden, men moet het feit dat Allah, de Verhevene, Zich heeft gezeteld op de Troon accepteren zonder zich af te vragen hoe dat is gebeurd. Want het is beter voor een Moslim om zijn of haar tijd te besteden met het nadenken over hoe de situatie van de Moslim en de gehele mensheid verbeterd kan worden dan tijd te verspillen in het discussiëren over zaken die geen antwoorden hebben. Er zijn bepaalde zaken in het Geloof waarvan Alleen Allah, de Verhevene, het antwoord weet dus laten wij deze zaken overlaten aan Hem.”

[14] Deze vers wijst op de Verhevenheid van Allah over Zijn schepselen, daarom zou alles naar Hem verheven moeten worden.

[15] Uit deze verzen leren wij dat Allah, de Verhevene, altijd met ons is terwijl Hij onze daden opneemt en onze gedachten hoort. Als wij ons altijd van dit feit bewust zijn dan zullen wij betere mensen worden en dan zullen wij passen op onze daden en ons gedrag.


[16] De Sunnah is de tweede bron waar de Moslims zich tot moeten wenden in al hun dagelijkse zaken, na de Koran. Allah, de Verhevene, heeft dat in de Koran bevestigd toen Hij zei:

“En Allah heeft u (oh Muhammad) het Boek en de Wijsheid neergezonden en heeft u in hetgeen u niet wist onderwezen.”

[Soerat  An-Nisaa; 113]

De Wijsheid waarnaar hier wordt gerefereerd is de Sunnah.

En Hij, de Verhevene, zei ook:

“Oh Heer!, doe onder hen (de Arabieren) een Boodschapper opstaan, die hun Uw Tekenen zal verkondigen en hun het Boek en de Wijsheid zal verklaren en hen zal louteren.”

[Soerat  Al-Baqarah; 129]

En Hij, de Verhevene, zei terwijl Hij de vrouwen van de Profeetr onderwijst:

“En herinner u de woorden van Allah en de Wijsheid die in uw huizen wordt verkondigd.”

[Soerat  Al-Ahzaab; 34]

En Allah, de Prijzenswaardige, zegt:

“En wat de Boodschapper u ook moge toestaan, doe het en wat hij u ook verbiedt, onthoud u daarvan.”

[Soerat  Al-Hashr; 7]

De Boodschapperr heeft gezegd:

“Mij is de Koran gegeven en zijn gelijke als toevoeging daaraan.”

[Overgeleverd door Imaam Abu Daawud, rahimahu Allah.]

Uit al deze zaken kan men begrijpen dat het Oordeel van de Sunnah gelijk staat aan het Oordeel van de Koran in het bevestigen van het Geloof en de toepassingen van de Islaam, inderdaad is de Sunnah een verduidelijking voor de Koran en een uitleg van zijn algemene concepten, zoals Allah, de Verhevene, zegt:

“En Wij hebben de Vermaning (Adh-Dhikr) tot u gezonden, opdat u aan de mensheid zult uitleggen hetgeen tot hen werd neergezonden, zodat zij zullen nadenken.”

[Soerat  An-Nahl; 44]

Terwijl men dit in gedachten houdt, wordt het duidelijk dat het niemand is toegestaan om de betrouwbare Sunnah te verwerpen onder het voorwendsel dat het niet authentiek is of dat wij alleen accepteren wat er in de Koran is genoemd. Als deze bewering waar is, dan zouden die mensen namelijk ook niet moeten bidden omdat de handelingen en de uitvoering van de gebeden niet staan vermeld in de Koran en hetzelfde is waar over de rituelen van de bedevaart, de wassing en vele andere dagelijkse handelingen die alleen in algemene termen in de Koran vermeld worden. Bovendien zouden wij niet moeten overdrijven in symbolische interpretaties van de Sunnah en niet moeten proberen het te filosoferen omdat de Profeetr dat niet heeft gewild. Eerder sprak hij in duidelijke, simpele termen zodat de mensen hem zouden begrijpen en het juiste deden in het praktiseren van hun Geloof. Het is waar dat sommige hoeken van de Sunnah en de Hadeeth gefabriceerde verhalen en overleveringen bevatten maar dit zou ons er niet van mogen belemmeren om de Waarheid te zien en het te vinden in de vele collecties die alleen betrouwbare en authentieke Ahadeeth en Overleveringen bevatten want de Geleerden van de Sunnah en de Hadeeth, zoals Imaam Al-Bukhaari, Imaam Muslim, Imaam Ibn Maajah, Imaam At-Tirmeedhi, Imaam An-Nasaai en vele anderen (rahimahum Allah) hebben deze zaak al honderden jaren geleden voor ons verduidelijkt, moge Allah, de Verhevene, hen belonen met de beste beloningen van het Hiernamaals.

[17] Met betrekking tot de Eigenschappen van Allah, kan men er niets aan doen dan eraan te denken omdat er veel discussie en dialoog en onenigheid over bestaat, tot op het punt dat sommigen hen zelfs volledig verwerpen, terwijl anderen hen behandelen als lichamelijke eigenschappen en hen vorm geven, zoals “het Aangezicht van Allah”, of “de Ogen van Allah”, of “de Hand van Allah”, enzovoorts. Deze eigenschappen worden aam Allah bevestigd zonder dat we naar zijn werkelijkheid vragen, dus we stellen geen vragen zoals: hoe is zijn Aangezicht? Want het antwoord ligt boven het denkvermogen van een mens.

[18] De betekenis van deze Hadeeth is dat de gelovige ten strijde trekt tegen de ongelovige en een ongelovige vermoordt een gelovige Moslim dus hij treedt toe tot het Paradijs omdat hij zijn leven heeft verloren omwille van Allah, echter; daarna accepteert de ongelovige de Islaam en wordt hij een gelovige en sterft hij als een ware gelovige en betreedt hij op zijn beurt ook het Paradijs. Dus de moordenaar en de vermoorde treden beiden toe tot het Paradijs. Dit wijst op de Genade, de Gunst en de Gulheid van Allah, de Verhevene, naar Zijn schepselen.

[19] De Jahmiyyah zijn de volgelingen van Jahm Ibn Safwaan Abu Muhriz, een (mawlaa) lid van de Banu Raasib, door sommigen At-Tirmeedhi en door anderen As-Samarqandi genoemd, een Islamitische Theoloog die zichzelf bond aan Al-Haarith Ibn Suraj, “de man met de zwarte banier”, tijdens zijn opkomst in Khurassaan, tegen het einden van de Umayyade Periode en daarom werd hij ter dood veroordeeld in 128 H., overeenkomstig 745 door Salm Ibn Ahwaaz. Als een theoloog bekleedt hij een onafhankelijke positie in het feit dat hij overeenstemde met de Murji’ah aan de ene kant in het leren dat geloof een zaak van het hart is en met de Mu’tazilah in het ontkennen van antropomorfische eigenschappen van Allah, en aan de andere kant was hij één van de vurigste verdedigers van Jabr. Hij stond alleen toe dat Allah Almachtig is en de Schepper is omdat dit dingen zijn die niet kunnen worden toegeschreven aan enig geschapen wezen. Hij ontkende verder de eeuwigheid van het Paradijs en de Hel. Zijn volgelingen, die na hem de Jahmiyyah werden genoemd, overleefden tot de vijfde eeuw na de Hijrah, overeenkomstig de elfde eeuw, in de omgeving van Tirmeedh maar daarna namen zij de doctrine van de Ash’aariyyah aan.

[20] Al-Qadariyyah is een Islamitische sekte die geloven dat een man zijn eigen daden bepaalt, wat betekent dat zij een mens een schepper van daden (khaaliq al-af’aal) hebben gemaakt en dus aan Allah, de Verhevene, een deelgenoot hebben toegeschreven in het scheppen.

[21] Jabriyyah is de naam die is gegeven aan degenen die, in tegenstelling tot de Qadariyyah, de vrijheid van de wil ontkennen en in dit opzicht maken zij geen onderscheid tussen mensen en anorganische natuur, en tot het punt dat (zij beweren dat) zijn daden ondergeschikt zijn aan de Dwang (Jabr) van Allah, de Verhevene. De meest prominente voorstander van deze mening is Jahm Ibn Safwaan en vele andere kleine sektes.

[22] Murji’ah is de naam van één van de eerste sektes van de Islaam en het is de extreme tegenstander van de Khawaarij. De laatstgenoemde denkt dat een Moslim een Kaafir wordt door het begaan van een grote zonde. De Murji’ah, aan de andere kant, hangen de mening aan dat een Moslim zijn geloof niet kan verliezen door het begaan van een zonde. Deze doctrine heeft ertoe geleid dat zij vergezochte apathie tentoonstelden in de politiek; volgens hun doctrine werd een Imaam die schuldig was aan grote zonden geen ongelovige en moest hij worden gehoorzaamd. De Salaah (het gebed) dat achter hem werd verricht was geldig.

[23] Al-Waa’idiyyah geloven dat Allah logischerwijs de ongehoorzamen moet straffen zoals Hij de gehoorzamen moet belonen en daarom is het volgens hen zo dat als een persoon een grote zonde begaat en overlijdt zonder berouw te hebben getoond, Allah hem niet mag vergeven. Deze doctrine spreekt de Koran en de Sunnah tegen.

[24] Al-Haruuriyyah is een aftakking van de Khawaarij, de eerste onder de religieuze sekten van de Islaam, wiens belang voornamelijk, vanuit het oogpunt van het creëren van dogma’s, ligt in het formuleren van die samenhangen met de kwestie van het Khalifaat en met het zoeken van uitvluchten door geloof of door werk.

De Oorsprong van de Khawaarij-beweging:

De gebeurtenis die de scheuring heeft veroorzaakt door het aanbod dat door Mu’aawiyah (radiya Allahu ‘anhu) aan ‘Ali (radiya Allahu ‘anhu wa karrama Allahu wajhah) werd gedaan tijdens de Slag van Siffeen (in Safar 37 H, overeenkomstig 657) om de verschillen te beslechten door het door te verwijzen naar twee rechters die een oordeel zouden vellen volgens de Koran en toen een meerderheid van het leger van ‘Ali  (radiya Allahu ‘anhu wa karrama Allahu wajhah) het voorstel graag aannam, protesteerde een groep strijders, voornamelijk van de Tameem-stam, zeer heftig tegen het aanstellen van een menselijk tribunaal boven het Goddelijke Woord. Luid protesterend dat het Oordeel aan Allah Alleen behoort (“Laa Hukma Illa Li-Allah”), verlieten zij het leger en trokken zij zich terug naar het dorp Haruura, niet ver van Kuffah, waar zij een dubieuze soldaat, ‘Abd-Allah Ibn Wahb Ar-Raseebi, verkozen als hun leider. De eerste rebellen kregen de naam Al-Haruuriyyah of Al-Muhakimmah.

Hier [25] Al-Mu’tazilah is de naam van een grote theologische school die het speculatieve dogmatisme van de Islaam heeft gecreëerd. De Mu’tazilah zijn degenen die de doctrine van I’tizaal aanhangen, dus de doctrine van Al-Manzilah Baynal-Manzilatayn, ofwel de toestand die precies tussen geloof en ongeloof in staat, wat de fundamentele doctrine is van deze school. De naam “Mu’tazilah” is afgeleid van een afscheiding die plaats vond in de kringen van Al-Hasan Al-Basri; nadat zij hun doctrine van Al-Manzilah Baynal-Manzilatayn hadden uiteengezet, wordt er over Waasil Ibn ‘Attaa en ‘Amr Ibn ‘Ubayd gezegd dat zij zich afscheidden (I’tizaal) van de kring van Al-Hassan en een onafhankelijke school stichtten. Sommige hedendaagse geleerden geloven dat de Mu’tazilah uit politieke oorsprong zijn begonnen rond tijd van ‘Ali Ibn Abi Taalib, radiya Allahu ‘anhu wa karrama Allahu wajhah, toen een groep Moslims neutraal bleven in de strijd tussen ‘Ali, radiya Allahu ‘anhu wa karrama Allahu wajhah, aan de ene kant en Talhah, Az-Zubayr en ‘Aaishah (radiya Allahu ‘anhum) aan de andere kant, aangezien de derde (neutrale) groep in de historische kronieken werd beschreven als: “i’taalu”, wegbewegend van de strijd.

Een deel van hun theologische doctrine was dat de Koran was geschapen. Deze overtuiging zorgde voor veel discussie en onenigheid tussen de Islamitische Theologen in de middeleeuwen en de prominentste voorstanders van deze doctrine waren de ‘Abbaside Khaleef Al-Ma’muun en zijn broer Al-Mu’tassim en de prominentste tegenstander was de beroemde Islamitische jurist Imaam Ahmad Ibn Hanbal, rahimahu Allah.

[26] Ar-Rawaafed of de Raafidah is één van de namen die wordt gegeven aan de Shi’ah. Al-Ash’aari legt deze benaming uit als degenen die het Khalifaat van Abu Bakr en ‘Umar, radiya Allahu ‘anhumaa, verwierpen.

[27] Al-Khawaarij; zie Al-Haruuriyyah.

[28] De Boeken van Allah, de Verhevene, zijn: de boeken die Hij heeft geopenbaard, namelijk; het Oude Testament (At-Tawraat), het Nieuwe Testament (Al-Injeel) en de Koran.

[29] Hier weerlegt Shaykh Ul-Islaam Ibn Taymiyyah, rahimahu Allah, de Mu’tazilah, die beweren dat de Koran is geschapen.

[30] Volgens het Islamitische geloof, komen er wanneer een dode persoon is begraven in zijn of haar graf, twee Engelen, de ene genaamd Munkar en de andere genaamd Naakir, om onderzoek te doen en als dat nodig is de persoon in zijn of haar graf te straffen. Aan het onderzoek in het graf zijn beiden ongelovigen als gelovigen, de rechtschapenen zowel als de zondaars onderhevig. Zij worden rechtop gezet in hun graf en moeten bepaalde vragen beantwoorden. De rechtschapen gelovige zullen hen op de juiste wijze beantwoorden en daarna zullen zij met rust gelaten worden tot de Dag der Opstanding. De zondaars en de ongelovigen zullen, aan de andere kant, geen bevredigende antwoorden klaar hebben. Daarom zullen de Engelen hen hevig slaan.

[31] Onbesneden betekent dat mensen zullen worden opgewekt zoals zij in eerste instantie werden geschapen, zoals Allah, de Verhevene, zegt:

“Nu bent u één voor één tot Ons gekomen zoals Wij u eerst schiepen.”

[Soerat  Al-An’aam; 94]

[32] De gelovigen en de rechtschapenen zullen het overzicht van hun daden ontvangen in hun rechterhand maar de ongelovigen en de zondaars zullen het overzicht ontvangen in hun linkerhand of achter hun ruggen.

[33] Hier betekent het; de moordenaar.

[34] Als de erfgenaam van de vermoorde persoon de moordenaar vergeeft door hem niet te laten executeren voor het begaan van de moord, en hij eerder het bloedgeld accepteert, dan heeft Allah, de Verhevene, in dit geval geadviseerd dat de vergevende persoon zou moeten volharden in zijn gulheid en niet zou moeten vragen om het bloedgeld op een harde of ruwe wijze en om te wachten als de moordenaar het zich niet kan veroorloven om het meteen te betalen. Tegelijkertijd gebiedt Allah, de Verhevene, de moordenaar om het bloedgeld te betalen zonder iets van het gevraagde bedrag af te trekken en zonder veel uitstel.

[35-36] In het jaar 628 leidde de Profeet Muhammadr een groep gelovigen naar Makkah om de ‘Umrah (de kleine bedevaart) uit te voeren maar de ongelovigen van Makkah weerhielden hem en zijn volgelingen ervan om Makkah binnen te treden door hun toegang te blokkeren met een groot leger bij een plaats die Hudaybiyyah heet en negentig mijl buiten Makkah gelegen is. En als resultaat daarvan brak er bijna een oorlog uit tussen de twee partijen maar in plaats daarvan vonden onderhandelingen plaats. De Profeetr stuurde ‘Uthmaan, radiya Allahu ‘anhu, naar Makkah om hem te vertegenwoordigen bij de onderhandelingen maar hij keerde drie dagen lang niet terug en geruchten bereikten de Profeetr dat ‘Uthmaan, radiya Allahu ‘anhu, was vermoord door de Mekkanen. Hoewel onvoorbereid voor de strijd, kon de Profeetr de Mekkanen niet ongestraft laten voor deze verraderlijke daad. Dus verzamelde hij zijn volgelingen en, staand onder een grote boom, zwoeren zij hun trouw aan hem om de Mekkanen te bevechten. Daarom prees Allah, de Verhevene, hen in de Koran:

“Voorwaar, zij die u trouw zweren, zweren trouw aan Allah; de Hand van Allah rust op hun handen.”

[Soerat  Al-Fath; 10]

In hetzelfde hoofdstuk, vers 18, uit Allah, de Verhevene, Zijn Vreugde over de gelovigen die hun trouw beloofden aan de Profeetr  onder de boom in Hudaybiyyah.

“Voorzeker, Allah had aan de gelovigen welgevallen, toen zij u onder de boom trouw zwoeren en Hij wist wat in hun hart was en Hij zond op hen kalmte neder en Hij beloonde hen met een spoedige overwinning.”

[Soerat  Al-Fath; 18]

[37] De Nawaaseb zijn een groep mensen die niet van ‘Ali, radiya Allahu ‘anhu wa karrama Allahu wajhah, en zijn familie houden. Zij zijn de tegenhangers van de Rawaafed.

[38] Al-Abdaal zijn bepaalde rechtschapen personen van wie de wereld nooit wordt beroofd. Wanneer één van hen overlijdt, dan laat Allah, de Verhevene, een ander zijn plaats innemen. Bepaalde personen door middel van wie Allah de wereld regeert, bestaande uit zeventig mannen, afhankelijk van hun handhaving, van wie de wereld nooit wordt beroofd. Veertig van hen bevinden zich in Syrië en dertig van hen bevinden zich in andere landen en geen van hen overlijdt zonder dat een ander zijn plaats heeft ingenomen, uit de rest van de mensheid en daarom worden zij Al-Abdaal genoemd.

Wa Aakhir Da’waana; Alhamdu Li-Allahi Rab Al-‘Aalameen, Was-Salaatu Was-Salaamu ‘Ala Ashraf Al-Mursaleen, Sayyidinaa Muhammad Wa ‘Ala Aalihi Wa Sahbihi Ajma’een Wa Man Walaahum Ilaa Yawmi Ad-Deen. Allahuma Ghfir Li Wa Li-Walidayya Wa Arhamhumaa ka-ma Rabbayaani Saghiraan.