Uiteenzettingen van de veertig hadiths van Annawawi ()

 

|

 Uiteenzettingen van de veertig hadiths van Annawawi


 Inleiding

De verzameling van veertig hadiths van Imam al-Nawawi is bekend en word de laatste zeven eeuwen gewaardeerd en geaccepteerd door de Moslimgeleerden. Het belang hiervan ligt in het feit dat deze geselecteerde hadiths uit de meest essentiële en fundamentele concepten van de Islam bestaan, die op haar beurt voor elke Moslim het minimaal vereiste geopenbaarde niveau van kennis construeert. Dit boek probeert eenvoudige en practische uiteenzettingen te bieden van de verzameling van al-Nawawi’s veertig hadiths d.m.v. discussies over aanverwante actuele kwesties m.b.t. bepaalde begrippen die in de veertig hadiths worden genoemd. Verder worden de lessen die de geleerden ontlenen aan elke hadith, uitgewerkt met de nadruk op actuele thema’s. Waar relevant, worden pogingen gedaan om elke hadith te relateren aan hedendaagse situaties en sommige practische implicaties worden geschetst in de hoop het voor Moslims mogelijk te maken de hadith beter te kunnen begrijpen en practiseren in het dagelijkse leven. Dr. Jamal Ahmed Badi is hoogleraar op het department van Algemene studies aan de International Islamic University of Malaysia (IIUM), op dit moment is hij directeur van de internationale studenten divisie. Hij is gespecialiseerd in Islamitische Aqidah (Islamitisch geloof en geloofsartikelen), Islamitische da’wah (het prediken en verspreiden) en Islamitisch creatief denken. Dr. Jamal behaalde zijn bachelor aan de al-Madinatul al-Munawwarah Islamic University in 1986. Hij studeerde verder en verwierf zijn doctoraal in 1990 en zijn doctoraat in 1994. Hij heeft in zijn vakgebied talrijke boeken, artikelen en onderzoeken geschreven.


 Introductie:

De verzameling van veertig hadiths van Imam al-Nawawi is bekend en word de laatste zeven eeuwen gewaardeerd en geaccepteerd door de Moslimgeleerden. Het belang ervan ligt in het feit dat deze geselecteerde hadiths bestaan uit de meest essentiële en fundamentele concepten van de Islam, die op haar beurt voor elke Moslim het minimale vereiste geopenbaarde niveau van kennis construeert. Aangezien een goede kennis van verschillende fundamentele aspecten van de religie essentieel is voor de Moslim in de praktijk en toepassing van de Islam, poogt dit boek te voorzien in simpele en practische uiteenzettingen van al-Nawawi’s veertig hadiths. Deze hadiths bevatten verschillende principes zoals geloof, moslimethiek en fiqh (jurisprudentie). Vandaar dat het erg belangrijk is om een goed inzicht te hebben van deze hadiths die gebaseerd zijn op de interpretaties van geleerden (d.w.z. het juiste begrip van de vrome voorgangers). Bovendien bieden deze uiteenzettingen discussies over gerelateerde hedendaagse kwesties aangaande bepaalde concepten die in deze hadiths worden genoemd. De veertig hadiths van Imam al-Nawawi zijn in vele talen vertaald en door verschillende commentatoren met zorg uitgewerkt. De meeste van deze werken zijn in de Arabische taal en er zijn er een een paar in andere talen. Wat betreft de Engelse taal zijn er drie soorten boeken met de Veertig hadiths van al-Nawawi:

1. De zuivere vertaling van de hadiths zonder commentaar of uitleg. 2. Vertalingen van de hadiths met kort commentaar, wat meestal bestaat uit een paar alinea’s. 3. Vertalingen en uiteenzettingen van de hadiths, met langdradige academische besprekingen over elke hadith, soms oplopend tot meer dan 100 bladzijden voor een commentaar op één enkele hadith. Een goed voorbeeld van type drie is het werk van Jamaal al-Din Zarabozo.¹Hoewel dit een goed academisch werk is, is het misschien meer geschikt voor academici, het vereist n.l. van de lezers een bepaalde kennis en achtergrond om de besprekingen van elke hadith te kunnen begrijpen.¹. Zarabozo: (1999) Uiteenzetting van de veertig hadiths van al-Nawawi, al-Basheer Publications (C.O. ﷻ‬.S.A.) Ik wil hier erkennen dat ik baat heb gehad bij dit wetenschappelijke werk. Wanneer er direct aangehaald wordt uit een passage, zal ik refereren naar de desbetreffende pagina’s en uitgave van het boek. Ik heb ook baat gehad bij het grote werk van Imam Ibn Rajab, een van de best bekende commentaren van de veertig hadiths in de Arabische taal.

4. Dit boek, dat dient als commentaar op de Veertig Hadiths van Imam al-Nawawi, was in wezen een serie avondlessen die ik gedurende anderhalf jaar begeleidde in de moskee van de Internationale Islamitische Universiteit, april 2001. Hierna werd het gepubliceerd op internet. Vanwege de grote vraag van lezers uit alle delen van de wereld is de webversie verbeterd en bewerkt tot een boek; het boek dat je nu, vandaag in handen hebt. Ik zou graag van de mogelijkheid gebruik willen maken mijn waardering uit te spreken naar al diegenen die geholpen hebben dit boek te realiseren en In sha Allah ten gunste van de moslims over de hele wereld:

• IIUM Moskeebeheer voor het ondersteunen van de klas.

• Muhammad Farrah, voor het samenstellen van de hadiths.

• Azul Sidek Adnan voor het omzetten van de hadith in webformat en publicatie op internet.

• Fatima Zainal voor het bewerken van de webversie tot een gepaste boekvorm.

• Saifulizan, voor het proeflezen en bewerken van het 1e manuscript.

• Mukhriz Mahmud, voor de eindbewerking en de opmaak. Deze uiteenzetting is een bescheiden inspanning voor zowel leken als intellectuelen uit verschillende takken van de wetenschap met weinig kennis van de Islamitische studies. Bovendien biedt deze uiteenzetting ook besprekingen over hedendaagse kwesties die betrekking hebben op bepaalde concepten die worden genoemd in de veertig verzamelde hadiths van Imam al-Nawawi. Ik heb een systematische aanpak gevolgd in het becommentariseren en uitleggen van de hadiths. Elke hadith heeft afzonderlijk een titel gekregen die mogelijk de direkte boodschap van de hadith kan uitdrukken.

De methode die ik heb gebruikt is als volgt:

1. Ten eerste: het citeren van de hadith in het Arabisch, en daarna vertalen in de Engelse taal.

2.Ten tweede: het geven van een achtergrond over de hadith:

• Definities en concepten worden benadrukt en vastgelegd.

• Koranverzen worden belicht en de uitleg van het concept wordt geciteerd.

• Er wordt verwezen naar andere soortgelijke hadiths met hetzelfde onderwerp.

• Als er een speciale context is waar de profeet sallalahu ‘alayhi wasallam citeerde, dan wordt dit vermeld.

3. Ten derde: het geven van lessen die de geleerden aan elke hadith hebben ontleend en die besproken worden met de nadruk op hedendaagse kwesties. Er is een poging gedaan om de hadith te relateren aan ‘het echte leven’ door sommige practische implicaties te schetsen die het voor moslims mogelijk maken de hadiths beter te begrijpen en te practiseren vandaag de dag.

4. En ten laatste, het geven van een conclusie aan de hadith; het samenvatten van saillante punten, concepten en de lessen die daaruit voortkwamen.

5. Wanneer er meer dan één mening is van moslimgeleerden wordt dat vermeld en een poging is gedaan te schikken tussen schijnbaar tegenovergestelde beschouwingen. Als ik mijn eigen mening gebruik, dan is dat duidelijk. Er zijn een paar controversiele onderwerpen zoals het concept van de Jihad, waar ik begin met het naar voren brengen van de meningen van de moslimgeleerden en daarna mijn eigen beschouwingen over de hedendaagse interne en externe uitdagingen nader bespreek.

Ik heb mijn best gedaan eenvoudige taal te gebruiken in het boek. Filosofische onderwerpen en discussies worden vermeden ten einde objectief commentaar te kunnen geven. Wanneer een hadith een verband heeft met een andere hadith dan wordt dit vermeld om de hadith zó aan elkaar te koppelen dat de lezer in staat zal zijn te correleren en een verwijzing heeft naar discussies van elke hadith. Dit komt de lezers ten goede; zo zijn zij in staat om de betekenis van elke hadith verzameld door Imam al-Nawawi te begrijpen.  Ik hoop en bidt dat dit boek van nut mag zijn voor elke moslim die het mag ontvangen. Amen.


 Al-Imam al-Nawawi’s biografie²

Muhyi ad-Din Abu Zakariyya Yahya Sharaf bin Murri bin Hussayn bin Muhammad bin Hizam al-Hisami is geboren in de maand muharam 631/1234 in het dorp Nawa in het Hawran district. Hij bracht zijn jeugd door onder supervisie en begeleiding van zijn vader. Ofschoon zijn familie van bescheiden origine was en niet aangesloten bij de Ulama klasse, stond zijn vader in de omgeving bekend om zijn vroomheid, zijn simpele manier van leven en zijn eerlijkheid. Volgens adh-Dhahabi was hij een gezegende sjeik en as-Sakhawi vertelde dat toen hij stierf er gebeden werden geofferd, zelfs door mensen die niet in staat waren de begrafenis bij te wonen; een duidelijk teken van groot respect. Misschien was het de ascetische aanleg van zijn vader en de sfeer in huis die zijn persoonlijkheid beïnvloedde en vormde. Gelukkig hebben we informatie over Imam al-Nawawi’s vroege jeugd, overgeleverd door zijn pupillen en tijdgenoten. In het bijzonder van ibn al-Attar die bijna zijn hele leven bij al-Nawawi woonde en die naar zijn dorp ging waar het mogelijk was informatie te verzamelen van degenen die hem hebben gekend. Alle bronnen beschrijven een soort achtergrond die men bij een groot geleerde verwacht.

 Zijn kindertijd.

Als kind werd Imam al-Nawawi naar de dorpsmoskee gestuurd om de Koran te bestuderen, wat hij ijverig deed. Sjeik Sharaf, zijn vader, had een kleine winkel en als kind spendeerde hij al zijn vrije uren in de winkel om zijn vader te helpen. Maar zijn interesse en toewijding gingen meer uit naar zijn studie. Zijn talenten en activiteiten in zijn kindertijd lijken er op te wijzen dat hij was voorbestemd voor groot succes. Zijn biografen vertellen over twee incidenten die zijn onderwijzers en zijn vader er van overtuigden dat hij een veelbelovend kind was. (wat deze twee incidenten precies waren is mij niet bekend) Er is weinig informatie over de jaren die hij spendeerde in Nawa tot het moment dat hij naar Damascus ging in 649 A.H. Mogelijk besteedde hij zijn tijd met het helpen van zijn vader in de winkel en studeren met de ulama van zijn gemeente, omdat geen enkele gemeente in de moslimwereld in die tijd zonder school of alim was en de meeste kinderen hun eerste educatie kregen in hun geboorteplaats.

 Zijn geleerdheid

Al zijn biografen, behalve Tashikubrizada, zijn het erover eens dat zijn vader hem in 649 A.H. naar Damascus bracht om te studeren en rond deze tijd was hij 18 of 19 jaar oud.

² Samengevat uit: Muhammad Siddique Kahalid Alavi: (1979) Al-Lari’s commentary to the Arba’in An-Nawawi; proefschrift ingediend bij de universiteit van Edinburgh voor de graad van doctor in de filosofie, december 1979 p.44-45. Damascus was in die tijd een centrum van religieuze en academische activiteiten, waar studenten vanover de gehele wereld kwamen studeren. Daarom moet het een speciale ervaring zijn geweest voor een jonge dorpeling zoals al-Nawawi, te participeren in de traditie van geleerdheid. Het was gebruikelijk voor nieuwe studenten om naar de moskee te gaan -vooral naar de al-Jami’ al-Umawi- om te zoeken naar een verblijfplaats en een leraar om de studies mee te beginnen. Deze traditie volgend, ging al-Nawawi naar de moskee en legde zijn plannen en ambities voor aan de Khatib (verantwoordelijke in de moskee), sjeik Jamal ad-Din ‘Abd al-Kafi bin ‘Abd al-Malik bin ‘Abd al-Kafi ar-Rafi’I ad-Dimashqi. De sjeik begeleidde de jonge student naar de kring van mufti van Syrië, Taj ad-Din ‘Abd ar-Rahman bin Ibrahim bin Diyat al-Fazari, beter bekend als ibn Firka, die al-Nawawi’s eerste leraar werd. Eenmaal gevestigd in al-Rawahiyya, startte hij zijn studies en kreeg een reputatie voor zijn steeds toenemende verlangen naar kennis en werd hij geheel in beslag genomen door de academische bezigheden. Het is bekend dat hij eens heeft gezegd: “Ik heb twee jaar doorgebracht zonder maar ook één moment te slapen.” Adh-Dhahabi zegt dat hij werd genoemd als voorbeeld voor zijn studiegenoten, voor zijn concentratie voor de studie dag en nacht; dat hij alleen maar sliep als hij écht geen energie meer had; voor zijn punctualiteit in het bijwonen van de lessen, zijn ijverigheid in het maken van notities en voor zijn volharding in het bezoeken van zijn leraren. Qutb al-Yunini verteld over zijn gewoonte in het benutten van elk moment van de dag en de nacht in het streven naar kennis. Hij hield zichzelf altijd bezig met memorizeren, het herhalen van wat hij had gememoreerd en nadenken over academische problemen, zelfs terwijl hij wandelde. Zo ging hij nog zes jaar door. Toen hem eens werd gevraagd door Badr bin Jama’a waarom hij niet sliep, antwoordde hij: “Als ik wordt overmand door slaap, leg ik mijn hoofd op de boeken voor een moment en dan wordt ik weer wakker.” In Tashakubrizada’s woorden: Hij sliep erg weinig, werd oprecht in beslag genomen in het nastreven van kennis en was een aanhanger van de geboden van de Shari’ah. Hij was zó toegewijd aan zijn studies dat hij gewoonlijk het buitengewone aantal van twaalf lessen per dag bijwoonde, wat bijna alle vakken die opgenomen waren in het lesprogramma bedekte in die tijd. Al-Nawawi beschreef zijn educatie, noemde al zijn boeken op die hij bestudeerde en zei: “Ik schreef alles op wat betrekking had op deze onderwerpen: opheldering van vage punten, toelichting op de tekst en het uitspreken van de woorden en Allah zegende me met genade wat betreft mijn tijd en activiteiten en hielp me deze moeilijkheden te overwinnen.” Imam al-Nawawi had een speciale houding naar zijn leraren. Hij prees hen altijd en sprak met eerbied over hen. Wanneer hij sprak over zijn academische prestaties, herinnerde hij zich met groot respect aan zijn eerste sjeik Taj ad-Din al-Fazari met wie hij enige tijd studeerde. Later werd hij door zijn eerste leraar geintroduceerd in de studiekring van Kamil Ishaq al-Magribi. al-Nawawi bleef lange tijd bij hem en leerde van hem het meest. Hij beschrijft zijn verblijf bij sjeik al-Magribi, zijn houding t.o.v. zichzelf en de academische voordelen als volgt: “Ik gaf mijn commentaar en kritiek op teksten in het bijzijn van sjeik al-Magribi. Ik volgde hem vlijtig en dat bewonderde hij. Toen hij mijn toewijding voor mijn studie zag en mijn onthouding van het sociale leven, gaf hij de voorkeur aan mij en promoveerde mij tot zijn klasseassistent.” Het was gebruikelijk dat een student verschillende onderwerpen met specialisten in hun vakgebied moest bestrijken. Imam al-Nawawi studeerde hadith, fiqh, taal en theologie met docenten van hoge reputatie. Hij voorzag de hele keten van zijn sjeiks in fiqh, door hen te relateren aan de Profeet via Imam ash-Shāfi’i.

 Zijn docenten.

Omdat één van Imam al-Nawawi’s grootste bijdragen in de Islamitische wetenschap op het gebied van de hadith ligt, is het passender zijn opleiding in dat veld te onderzoeken. Zijn biografen vertellen dat hij les kreeg van niet minder dan veertien geleerden. Omdat de reputatie van een geleerde samenhangt met de plaats waar hij zijn kennis vandaan heeft gehaald, worden hieronder al-Nawawi’s docenten genoemd met de bijbehorende informatie gegeven door zijn biografen:

1. Ibrahim bin ‘Isa al-Muridi al-Andalūsi al-Misri ad Dimashqi, gestorven 668/1296. Al-Nawawi eert hem met de volgende woorden: “Een vrome asceet, hij was een autoriteit op het gebied van hadith. Ik heb tien jaar met hem samengewerkt en niet één verkeerde handeling gezien. Ik heb in mijn leven nog nooit zó’n perfecte geleerde gezien.”

2. Abu Ishaq Ibrahim bin Abi Hafs ‘Umar bin Muiar al-Wasiti (stierf onbekend). De auteur bestudeerde de complete tekst van Sahih Muslim met hem. De auteur beschrijft hem als een aangename, eerlijke en betrouwbare sjeik.

3. Sjeik Zayn ad-Din Abu l-Baqa Khald bin Yusuf bin Sa’id an-Nablūsi, gestorven 663/1264. Adh-Dhahahabi prijst hem als Imam, Hafiz en traditionalist. Volgens hem was hij geloofwaardig en begaafd met een perfecte waarneming, inzicht en diepgaande kennis.

4. Ar-Rādi bin al-Burhan Rādi a-Din Ibrahim bin Umar bin Mudar. Gestorven 664/1265.

5. Sjeik ‘Abd al-‘Azīz bin Muhammad bin ‘Abd al-Muhsin al-Ansari al-Hamawi ash-shāfi’I, gestorven 662/1263. Volgens as-Subki was hij een van de intelligentste mannen van zijn tijd. Hij blonk uit in fiqh, poëzie en vertelde vele tradities.

6. Zayn ad-Din Abu l-‘Abbas Ahmed bin ‘Abd ad-Da’im al-Maqdisi.

7. Abu l-Faraj ‘Abd ar-Rahmān bin Abi ‘Umar Muhammad bin Ahmed binMuhammad bin Qudama al-Maqdisi, gestorven in het jaar 682/1283. Hij was een van de hoofdfiguren van deze tijd op het gebied van de hadith. Ibn al-‘Amar zei: “Hij was één van zijn belangrijke docenten.”

8. Qādi al-‘Qudat ‘Imad ad-Din Abu l-Fadā ‘il ‘Abd al-Karim bin ‘Abd as-Samad bin Muhammad al Harastani, Khatib van Damascus, gestorven in het jaar 682/1283.

9. Taqi ad-Din Abu Muhammad Ismā ‘il Abi Ishaq Ibrahim bin Abi al-Yusr at-Tanukhi, gestorven 672/1273. Adh-Dhahabi beschreef hem als groot traditionalist en autoriteit.

10. Jamn ad-Din Abu Zakariyya Tahya bin Abil-Fath as-Sayraff al-Harrani.

11. Abu l-Faql Muhammad bin Muhammad bin Muhammad al-Bakri, bekend als al-Hafiz.

12. Ad-Diya ‘bin Tamām al-Hanafi Abu Bakr Muhammad bin Nasrallah bin ‘Abd al ‘Aziz. De auteur van de Jawahir prijst hem als een groot muhadith (hadithgeleerde).

13. De Mufti Jamal ad-Din ‘Abd ar-Rahman bin Sallim bin Yahya al-Anbari al-Hanbali, gestorven in het jaar 661/1262.

 Zijn studenten.

Na het beëindigen van zijn studie ging hij lesgeven en woonde hij zijn hele academische leven in al-Rawahiyya. We zijn echter niet zeker of hij doceerde op dit college. Hij werkte als assistent op het Shams bin Khalikan tot het einde van 669 A.H. Hij gaf ook les op de Madrassa al-Falakiyya en Rukniyya. Zijn educatie was een voorbereiding op zijn latere rol als leraar. Uiteindelijk, zoals het behoort in de context van Islamitische geleerdheid, nam al-Nawawi plaats in de ononderbroken kring van autoriteit wat zich uitstrekt van de Profeet Sallalahu ‘alayhi wasallam zelf, tot de hedendaagse moslimgemeenschap. Het zou daarom ongepast zijn om zijn educatie te onderzoeken zonder tegelijkertijd aandacht te schenken aan zijn bijdrage als leraar. Het was een populaire gewoonte onder de ulama om ‘open studiekringen’ te hebben die elke aspirant student vrij kon bijwonen. Vaak werden deze wetenschappelijke activiteiten uitgevoerd op twee afzonderlijke niveaus 1) discussiegroepen met een hoog studie niveau voor studenten die streefden naar een academische carriere 2) op een lager niveau waren er discussiegroepen open voor het algemene publiek, het doel van de klas was om de leek te voorzien in contact met geleerden, zodat deze zou kunnen worden geïnspireerd tot een dieper inzicht in de religie en dus geestelijk voordeel bereikt. Imam al-Nawawi had -zoals alle grote moslimgeleerden- een grote kring studenten. Zijn toegewijde pupil Ibn al-Attar vertelt dat een groot aantal mensen zijn lessen bijwoonden, waaronder welbekende ulama, huffaz, leiders en ministers. Veel van zijn afgestudeerde studenten werden fuqaha en zijn kennis en wettelijke opvattingen werden in de gehele moslimwereld aanvaard. Het is te moeilijk om een volledige lijst te maken van al zijn pupillen. Hieronder volgen enkelen van hen:

1. ‘Allama ‘Ala’ ad-Din Abu l-Hasan ‘Ali bin Ibrahim bin Da’ud ad-Dimashqi, beter bekend als ibn al-‘Attar, gestorven 724/1323. Hij was nauw verbonden met hem en toonde groot enthausiasme in zijn klassen. Hij verkreeg de titel “al-Nawawi as-saghīr” voor zijn verbintenis en wedijver met zijn leraar.

2. As-Sadr ar-Ra ‘is al-Fādil Abu l-Abbas Ahmed bin Ibrahim bin Mus’bin; hij las een gedeelte van Minhaj met hem.

3. As-Shamas Muhammad bin Abi Bakr bin Ibrahim bin ‘Abd ar-Rahmān bin an-Naqib, gestorven 745/1344. Hij was de laatste van de eminente pupillen van al-Nawawi.

4. Al-Badr Muhammad bin Ibrahim bin Sa’dd Allah bin Jama’a, gestorven 733/1322

5. As-Shibāb Muhammad bin ‘Abd al-Khāliq bin ‘Utmān bin Mazhar al-Ansāri ad-Dimashqi al-Maqdīsi, getorven 748/1347.

6. Shibab ad-Din Ahmed bin Muhammad bin ‘Abbas bin Jawan, gestorven 699/1299.

7. Abu l-‘Abbas Ahmed ad-Darir al Wāsiti, werd ‘al-Khallal’ genoemd.

8. An-Najm Isma ‘il bin Ibrahim bin Salim al-Khabbaz ad-Dimashqi, gestorven 703/1307.

9. Sjeik Jibril al-Kurdi, die bekend stond voor zijn ascetisme, gestorven 703/1307.

10. Amin ad-Dīn Salīm bin Abi d-Durr, gestorven 726/1325.

11. Al-Qādi Sadr ad-Din Suleymin bin ‘Umar bin salim ad-Dar’ i (az-Zur’i), gestorven 734/1333.

12. Al-Qādi Sadr ad-Din Sulayman bin Hilal al-Ja ‘fāri, Khatīb Durayya, gestorven 725/1324.

13. Abu l-Faraj ‘Abd ar-Rahmān bin Muhammad bin ‘Abd al-Hadi al-Maqdisi.

14. Al-‘Ala’ Ali bin Ayyūb bin Mansūr al-Maqdisi, gestorven 748/1347. Hij heeft een mooi kopie gemaakt van ‘al-Minhaj,’ met de nodige correcties. Zijn handgeschreven kopie was beschikbaar in de Madrassa Mahmudiyya in de tijd van as-Sakhawi.

15. Muhyi ad-Din Abu Zakariyya Yahya bin Fādil Jamal ad-Din Ishāq bin Khalil.

16. Abd ar-Rahmān bin Muhammad bin Yusuf as-Samhudi, gestorven 750/1349. Een man van de letteren die -nadat hij zelf fiqh studeerde- naar Damascus ging en met al- Nawawi studeerde.

17. Al-Qādi Diya’af- Din ‘Ali bin Salim al-Adhru‘I, gestorven 731/1330.

18. Shams ad-Din al Baytar al-Mu‘abbir.

19. Shihab ad-Din al-Irbidi.

20. ‘Abd Allah bin Muhammad bin ‘Ali,’ gestorven 722/1322.

21. Abul-Hajjaj Yūsuf bin az-Zaki ‘Abd arRahmān bin Yusuf al-Mizzi, gestorven 742/1341.

 Zijn bijdragen.

Imam al-Nawawi wordt geroemd door zijn biografen voor zijn grote geleerdheid en zijn vroomheid en zijn tijdgenoten en pupillen –niemand uitgezonderd- waren daar getuige van. Een aspect van zijn ascetische leven is het feit dat hij niet alleen materiele geschenken weigerde; ook de gastvrijheid een maaltijd te delen of een salaris te ontvangen voor zijn lesgeven accepteerde hij niet. Adh Dhahabi vertelt ons dat hij van zijn toegewezen salaris boeken kocht die hij presenteerde in de Madrassa al-Ashrafiyya. Ibn Duqmiq voegt toe dat hij gewoonlijk zijn hele salaris aan het hoofd van de Dār al-Hadith gaf en aan het einde van het jaar wat land kocht of boeken, die hij doneerde aan dat wetenschappelijk instituut. Het lijkt er op dat hij in het begin geld accepteerde, maar later alle financiele recompensatie weigerde en leefde van wat zijn vader hem vanuit zijn dorp toezond. Al-Nawawi was -net als alle andere moslimgeleerden- zeer bedreven in alle aspecten van de wetenschap, maar hij leverde een bijzondere bijdrage in hadith, fiqh, filosofie, theologie en taalwetenschap. Een vluchtige blik over de lijst van zijn werk is voldoende om zijn veelomvattende kennis van verschillende branches van de Islamitische wetenschap te zien. Op de volgende bladzijden wordt een poging gedaan zijn bijdragen op het gebied van Islamitische studies en zijn talent in het behandelen van kwesties m.b.t. hadith en fiqh op te sommen. Ofschoon hij zijn eigen selecties van de hadith voorbereidde, liggen zijn voornaamste bijdragen op het gebied van de uitleg en het benutten van de hadith voor wettelijke en ethische doelen. Door alle basisbronnen te bestuderen verwierf hij de positie hier van mujtahid op dat gebied. Zijn grote kennis van de hadith kan beoordeeld worden door zijn verklaring m.b.t. de wetenschappen van de hadith. Hij zei: “Het meest belangrijke van alle categorieën van de wetenschap is het begrijpen van de tradities van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Ik bedoel de kennis van de tekst, haar zuiverheid, eerlijkheid en zwakheid, de ononderbroken keten en de onderbroken keten. Wat is opgeschort, veranderd, bekend, alleenstaand, geaccepteerd, meestal overgedragen, erkend, buitengewoon, twijfelachtig, ingevoegd, ingetrokken en afgeschaft, specifiek en algemeen, dubbelzinnig, duidelijk, tegenstrijdig en andere bekende categorieën.” Het was zeldzaam onder de geleerden om hadith en jurisprudentie te combineren; al-Nawawi was een opvallende uitzondering. Hij nam een speciale training van de geaccepteerde autoriteiten op dit gebied; één van hen was zijn leraar, Sjeik Abu Ishāq Ibrahim bin ‘Isa al-Muradi al-Andalūsi, met wie hij de Sahih Muslim, de meeste van Bukhāri’s al-Jami’ as Sahih en een gedeelte van al-Huumaydi’s al-Jami’ baynas-Sahihayn bestudeerde. Geleerden met een grote reputatie prezen hem als muhaddith en brachten hulde aan zijn geleerdheid op dit gebied. Niet gebruik makend van de overleveraars van zijn tijd, verklaarde adh-Dhahabi dat al-Nawawi dat de leider was van deze groep. Hij combineerde de eigenschappen van een asceet met de eigenschappen van een hāfiz van hadith en haar wetenschappen. Hij kende de wetenschappen van haar overleveraars en was zich volledig bewust van hun deugdelijkheid en gebrekkigheid. Zijn pupil en biograaf ibn al-‘Attar beweert dat hij de hāfiz van de overleveringen was en degene die het meest vertrouwd was met alle categorieën, de deugdelijkheid en de gebrekkigheid, de wettelijke conclusies en de implicaties.

 Zijn werken in de hadith. Zijn bijdragen in de literatuur van de hadith kan als volgt door zijn werk beoordeeld worden:

1. Al-Irshād fi Usūl al-hadith.

2. At-Taqrīb wa t-Taysīr fi Ma ‘rifat as-sunna al-Bachir wa n- Nadhir.

3. Riyad as-Salihīn min Hadith Sayyid al-Mursalin.

4. Al-Adhkār al-Muntakhaba min Kalām Sayyid al-Abrār.

5. Al-Arba’in.

6. Al-Khulasa fi Ahadith al-Ahkā.

7. Al-Minhāj fi Sāhih Muslim bin al-Hajjaj.

8. Sharh Sahih al-Bukhāri.

9. Sharh Suan Abi Dā ‘ūd.

10. Al-Imla’ ‘ala hadith al-A ‘mal bin Niyyat.

11. Al-Minhāj fi Sharh Muslim bin al-Hajjaj (Sharh Muslim).

 Zijn andere werken.

Aangezien het grootste deel van de basiswerken waren voltooid vóór de tijd van al-Nawawi, schreven de latere geleerden verkortingen en uiteenzettingen en konden zij door middel van goede argumenten de voorkeur vaststellen. Al-Nawawi heeft een substantiële en fundamentele bijdrage geleverd aan de studies over fiqh. Zijn werken worden beschouwd als authentieke bronnen van het Shāfi‘ite juridish denken en worden altijd geciteerd als referentie voor beslissingen. Zijn bijdragen op dit gebied kan worden beoordeeld door zijn werken die hieronder worden gegeven.

1. Ar-Rawda.2. Al-Minhāj. 3. Al-Idah fil-Manāsik. 4. Al-Majmū’ Sharh al-Muhadhdhab. 5. Daqā’ iq al-Minhāj wa ﷺ‬-Rawda. 6. Sharh al0-Wasīt. 7. Al-Masā’ il al-Manthura. 8. Adāb al-Mufti wa l-Mustafi. 9. Masā ‘il Takhmis al-Ghamā’im. 10. Tuhfat al-Talib an-Nabih. 11. Muhimmat al-Ahkām. 12. Al-Usūl wad-Dawābit. 13. At-Tahqīq fil fiqh. 14. Tabaqāat al-Fuqahā. Ofschoon zijn hoofdzakelijke bijdragen op het gebied liggen van hadith, fiqh en lugha, schreef hij ook werken op ander gebied. Hieronder volgen sommige van zijn werken die niet vallen onder de bovengenoemde categoriën: 1. At-Tibyān fi Adāb Hamala al-Qur ‘an. 2. Al-‘Umda fi Tashih at-Tanbih. 3. Bustān al-‘Arifīn. 4. Manāqib ash-Shāfi ‘i. 5. Mukhtasar al-Gaba. 6. Mukhtasar at-Tadhnib. 7. At-Tarkhīs f l-Ikrām wa Oiyām.

Zijn dood: Kort voor al-Nawawi’s dood keerde hij terug naar zijn geboorteplaats Nawa. Niet lang daarna werd hij ziek en stierf hij. Hij overleed op dag 24 van de maand Rajab 676 A.H. op de leeftijd van 44 jaar. Moge Allah hem zegenen en vergiffenis schenken.

Hadith 1: Daden worden beoordeeld op intenties De leider der gelovigen Abū ‘Umar inb al-Khattāb (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: ‘Ik hoorde de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) zeggen: “Handelingen worden alleen bepaald door hun intentie en ieder mens zal alleen dát krijgen wat met zijn bedoeling samenhangt. Als iemand emigreert omwille van Allah en Zijn Boodschapper, dan is dat een emigratie voor Allah en Zijn boodschapper en als iemand emigreert omwille van een wereldse zaak of om een vrouw te trouwen, dan is zijn emigratie datgene waarvoor hij emigreert.” Dit werd overgeleverd door de twee meest vooraanstaande geleerden, Bukhāri en Muslim, elk in hun ‘Sahih,' dit zijn de belangrijkste verzamelingen van authentieke hadiths

 Achtergrond

Deze hadith werd door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) verteld in de tijd dat mannen van Mekka naar Medina emigreerden gedurende de Hijrah (pelgrimstocht), om een vrouw te trouwen. Deze hadith wordt beschouwd als één van de belangrijkste in de Islam. Volgens Imam al-Shāfi‘i bevat deze hadith de kennis van de Islam en kan het gerelateerd worden aan meer dan 70 onderwerpen van fiqh. Imam al-Ahmed (met een referentie naar Imam al-Shāfi‘i’s verklaring) zei: “De Islam is gebaseerd op drie fundamenten of principes:”

1. De handelingen van het hart; onze interne handelingen.

2. De handelingen van de ledematen; onze externe handelingen.

3. Interactie tussen mensen; onze dagelijkse omgang of ‘muāmalāt’ met mensen. Deze drie principes worden vastgelegd in de volgende drie hadiths van de collectie van al-Nawawi’s 40 hadiths, zoals overeengekomen door al-Bukhāri en Muslim:

Hadith 1: “Daden worden beoordeeld op intentie (handelingen van het hart).”

Hadith 5: “Wie aan deze zaak van ons (de Islam) iets toevoegt,wat er niet bij hoort, zal daar zelf de gevolgen van ondervinden.”

Hadith 6: “Het is duidelijk wat halal en haram is; daartussen bestaan twijfelachtige zaken, waarvan veel mensen niet weten wat ze ermee aan moeten.”

Deze hadiths kunnen worden gezien als de drie criteria om moslims te helpen evalueren en beoordelen wat zij doen en zeggen als ibādah (handeling van aanbidding) in hun dagelijkse leven. Intentie, of Niyyah, heeft twee betekenissen:

1. De intentie vóór het verrichten van ibādah (b.v. gebed, vasten)

2. De bereidwilligheid in het verrichten van een handeling.

 Lessen

In deze hadith begint de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) met het principe (daden worden beoordeeld op intenties) en geeft daarna drie praktische voorbeelden. Dit is de methodeleer die gebruikt werd door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) wanneer hij de boodschap van de Islam overbracht. De voorbeelden helpen ter illustratie van het principe, zodat het gemakkelijker is voor mensen om dit principe in andere gelijkwaardige situaties toe te passen. De drie voorbeelden bestaan uit een enkele goede intentie (migratie voor de zaak van Allah en Zijn Boodschapper) en twee inferieure intenties (migratie voor de zaak van wereldse doelen of huwelijk). Deze hadith benadrukt het belang van Ikhlās (oprechtheid, eerlijk en trouw zijn aan Allah alleen; een daad doen voor Allah ’ s zaak, waarbij men verder geen getuigen zoekt, behalve Allah). Ikhlās is één van de voorwaarden voor de aanvaarding van goede daden. Een andere voorwaarde is dat de handelingen moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de Shari’ah (Islamitische wet), zoals zal worden uitgelegd in hadith 5. De onderlinge afhankelijkheid van deze twee voorwaarden wordt duidelijk geïllustreerd in de Shahādah (verklaring van geloof):

“Ik geloof dat er geen andere god bestaat dan Allah ,” is Ikhlās; zeker zijn dat we onze handelingen alléén voor de zaak van Allah  uitvoeren.

“Ik geloof dat Mohammed de boodschapper is van Allah,” is Sunnah (de gezegden, handelingen en instemmingen) van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam, wat de manifestatie is van de Koran. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) is ons voorbeeld en het beste voorbeeld wat we kunnen volgen. Het volgen van zijn Sunnah in onze ibādah, akhlāq (ethiek) en mu ‘āmalāt (handelingen), zorgt ervoor dat we handelen in overeenstemming met de Shari ‘ah.  Dus de Shahādah laat ons zien wat de voorwaarden voor het uitvoeren van een handeling – en de aanvaarding van deze handelingen zijn.

a. Het moet worden gedaan omwille van Allah, Hij is de Enige die we aanbidden en

b. Het moet in overeenstemming zijn met de Sahri ‘ah.

Om Ikhlās te bereiken moeten we shirk (anderen associëren met Allah , wat resulteert in onoprechtheid) vermijden. Imam al-Harawi zegt dat er 7 vormen van menselijke verlangens zijn:

 1. Het zichzelf ‘goed voordoen’ in de harten van anderen.

 2. De eer zoeken bij anderen.

 3. Voorkomen dat men de schuld krijgt van anderen.

 4. Verheerlijking zoeken bij anderen.

 5. Geld of rijkdom bij anderen zoeken.

 6. Zoeken naar diensten of liefde bij anderen.

 7. Hulp zoeken bij anderen voor jezelf.

Er zijn verschillende manieren waarop men Ikhlās kan bereiken:

• Meer goede daden; hoe meer goede daden we doen, hoe dichter we bij Allah komen en Insha Allah (als God het wil) hoe oprechter we zullen worden.

• Het zoeken naar kennis; vóór we een goede daad doen moeten we kennis zoeken (‘ilm). Onze handelingen en daden moeten gebaseerd zijn op kennis om er zeker van te zijn dat we ze uitvoeren in overeenstemming met de Shari’ ah.

• Het vermijden van het geven van valse impressies; we moeten anderen niet laten geloven dat een handeling goed is, wanneer dat niet zo is.

• Het controleren van de intentie; Imam Ahmed zei: “Vóór je iets doet, controleer je je intentie (niyyah); stel jezelf de vraag voor je iets doet: Is dit voor de zaak van Allah?” Ibn al-Qayyim zegt: “Elke handeling die we doen kan om drie redenen gebrekkig zijn:”

1. Het zich ervan bewust zijn dat anderen onze handelingen opmerken.

2. Een beloning zoeken voor de handeling.

3. Tevreden zijn met de handeling. Hoe kan men Ikhlās bereiken? Enkele voorbeelden:

• We moeten niet trots zijn op onszelf en denken dat we beter zijn dan anderen als we eerder bij de masjīd (moskee) aankomen voor de salāt (gebed). Zelfs als we op de eerste rij zitten of eerder aankomen dan de Imam. We moeten Allah prijzen, omdat Hij ons in staat stelt om zonder moeilijkheden naar de masjīd te gaan om te bidden.

• Na elk gebed moeten we tegen onszelf zeggen dat we het beter kunnen doen en dat we ons in het volgende gebed zullen verbeteren.

Wat, als onze intenties veranderen terwijl we een handeling uitvoeren? Ibn Rajab zei dat (volgens de ‘ulama, of geleerden) als de intenties aan het einde van de handeling overeenkomen met het begin (d.w.z. een handeling doen voor de zaak van Allah), elke verandering in het midden niet van belang is of zal worden vergeven, insha Allah. Als de niyyah (intentie) echter aan het einde niet overeenkomt met die van het begin (d.w.z. we doen de handeling niet voor de zaak van Allah), dan is het nodig berouw te tonen.

Er zijn 4 dingen die in tegenspraak zijn met Ikhlās:

1. Ma ‘siyat; zondigen, dit zal Ikhlās verzwakken.

2. Shirk; anderen associëren met Allah .

3. Riyā; het uitvoeren van een ibādah met de intentie te pronken bij anderen.

4. Nifāq; hypocrisie. Ofschoon we er ons altijd van moeten verzekeren dat onze handelingen niet afwijken van Ikhlās, zijn er handelingen die automatisch beschouwd worden als goede intenties. Bijvoorbeeld het zoeken van kennis in de Islam, helpen in de samenleving en da‘wah (het prediken en verspreiden van de boodschap van de Islam). Sommige geleerden hebben uitspraken afgeleid die gebaseerd zijn op deze hadith:

• Wanneer iemand ‘zweert’ bij Allah en ‘Wallāhi’ (in de naam van Allah) zegt, maar zijn intentie is eigenlijk om niet te zweren bij Allah, dan wordt dit als zinloos beschouwd.

• Als iemand gevraagd wordt een eed af te leggen, wordt hij beoordeeld op zijn intentie wanneer hij de eed aflegt.

• Er kan een combinatie zijn tussen het uitvoeren van ibādah en het onderwijzen van anderen; we doen een goede daad voor de zaak van Allah en we doen het met de intentie anderen te onderwijzen. Bijvoorbeeld, toen de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de Hajj deed, deed hij dat voor de zaak van Allah evenals het onderwijzen van zijn metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn).

• Een man kan het proces van de scheiding van zijn vrouw doorlopen; verbaal, in of buiten de rechtszaal. De validiteit hangt af van zijn intentie.

• Wat gezien kan worden als ghībah (roddelen, praten over iemand achter zijn rug, zelfs al zijn dit feiten), kan gewoon een grap zijn of een du‘a (smeekbede). Als iemand slecht spreekt over een ander is het de intentie wat bepaald of het ghībah (roddel) is of niet.

 Conclusie

Onze handelingen worden bepaald of aangetast door onze intentie; of ze goed, of slecht zijn. Daarom moeten we altijd onze intentie in de gaten houden. We moeten er zeker van zijn dat de handeling voor Allah  is, geaccepteerd zal worden door Hem en dat we ervoor beloond zullen worden.

 Hadith 2 : Islam, Iman, Ihsan, Qadar

Ook van ‘Umar (Allah’s welbehagen zij met hem) die gezegd heeft: “Toen wij op een dag bij de Boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) zaten, verscheen er een man voor ons in stralend witte kleren en met gitzwarte haren, aan wie niet te merken was dat hij een lange reis had afgelegd. Niemand van ons kende hem. Hij ging voor de profeet (Allah's zegen en vrede zij met hem) zitten, met zijn knieën tegen die van de profeet en met zijn handen op zijn dijen en zei: “O Mohammed vertel me wat Islam is.” De profeet (Allah’s zegen en vrede zij met hem) antwoordde: “Islam houdt in dat je getuigd dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de Boodschapper van Allah is. Dat je het gebed verricht, de zakat betaald, tijdens de maand Ramadan vast en de bedevaart naar het huis verricht als je daartoe in staat bent.” Waarop hij zei: “ﷻ‬ heeft juist gesproken.” Wij waren erg verbaasd dat hij hem eerst iets had gevraagd en daarna het antwoord bevestigde. Daarna zei hij: “Vertel mij wat Iman is.” Hij antwoordde: “Het houdt in dat je gelooft in Allah, in Zijn boeken, in Zijn profeten en in de laatste dag en dat je gelooft dat zowel het goede als het slechte voorbeschikt is.” “ﷻ‬ heeft juist gesproken” zei hij en daarna: “Vertel mij wat Ihsan is.” De profeet antwoordde: “Het houdt in dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet en als je Hem niet ziet, beseft dat Hij jou wel ziet.” Toen zei hij: “Vertel mij over het Uur.” De profeet antwoordde: “Dat de slavin haar meester zal baren en dat je ziet dat op blote voeten lopende, naakte behoeftige schaapherders met elkaar wedijveren in het bouwen van hoge huizen.” Hierna ging hij (de vreemdeling) weg en ik bleef enige tijd zitten, totdat hij (de profeet) vroeg: “O, Omar, weet jij wie die vraagsteller was?” Ik antwoordde: “Allah en Zijn Boodschapper weten het ’t beste.” “Het was Gabriël” zei de profeet. |Hij kwam om jullie je godsdienst te leren.” (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond

Imām Muslim zei: “Aan het einde van het leven van Abdullah bin ‘Umar (de zoon van Umar bin al-Khattāb) vertelden twee mensen aan hem dat er een nieuwe Islamitische sekte was ontstaan vanuit Irak. Zij werden ‘al-Qadariyya’ genoemd en zij ontkenden al-qadar (het lot). Abdullah bin ‘Umar vertelde deze hadith, die het lot vermeld als een van de pilaren van Imān (geloof) om de misvattingen te weerleggen.”

Lessen

Deze hadith onderwijst de adāb (ethiek) van het zoeken naar kennis:

• We moeten zorgen dat we schoon zijn en schone kleren dragen.

• We moeten op een goede manier en dicht bij degene zitten die spreekt.

• We moeten vragen stellen om het onderwerp beter te kunnen begrijpen.

• We moeten de kennis zoeken bij een goede bron en autoriteit.

De methode van het zoeken naar kennis kan ook d.m.v. vragen stellen:

• De vragen die we stellen moeten zinvol zijn; dit zal leiden tot waardevolle kennis en goede handelingen.

• Goede vragen stellen resulteert in zowel beter leren als beter onderwijzen. Degenen die present zijn wanneer de vragen worden gesteld, zullen ook leren van de antwoorden; dus de vraagsteller onderwijst anderen.

• Toen Ibn Abbas, een van de grootste geleerden onder de metgezellen van de profeet, gevraagd werd hoe hij aan al zijn kennis kwam, zei hij: “Door een nieuwsgierige tong (d.w.z. hij stelde altijd vragen) en een overpeinzend hart.”

• In vele hadiths begint de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zelf met het stellen van vragen, vóór hij de kennis overbrengt. Door het stellen van vragen worden de geest en het hart voorbereid op de antwoorden, d.w.z. de kennis – klaar om opgevangen en geleerd te worden. In deze hadith noemt hij Gabriël ‘de vraagsteller’ wat waardering en aanmoediging in het stellen van vragen impliceert, vooral vragen die leiden tot het verkrijgen van meer kennis.

• In de Koran staan meer dan 1200 vragen. Deze vragen hebben verschillende doelen. Bijvoorbeeld om te provoceren en de lezer te laten nadenken over wat hij leest.

Geleerden zeggen dat qadar op twee verschillende manieren kan worden gezien of begrepen:

1. We geloven dat Allah met Zijn ultieme kennis wist van alle handelingen die Zijn creaties zouden gaan uitvoeren, zelfs vóór Hij ze gecreëerd had. Allah registreerde’ al deze kennis in Al-Lauh al-Mahfūz;

‘Het Welbewaarde Boek.’

2. We geloven dat het de wil van Allah is dat deze dingen gebeuren, ongeacht of ze goed of slecht zijn. Allah creëerde en gaf ons een wil (vrije keuze) en de mogelijkeid dingen te doen; we kunnen alleen iets doen als we dat willen en als we daartoe in staat zijn. Hoe dan ook zijn we verantwoordelijk voor de keuzes die we maken.

 Misvattingen over Qadar

Veel Moslims geloven dat de reden van handelingen die zij zullen gaan verrichten al beschreven staat in Al-Lauh al-Mahfūz. Met dit idee verwarren zij oorzakelijkheid met associatie. Wat we hier zien is in het algemeen associatie en niet ‘oorzaak.’ Wat we doen is niet het gevolg van wat beschreven is door Allah. Allah met Zijn ultieme kennis, wist daarvóór al wat we zullen gaan doen. Hij kan gemakkelijk de goede mensen in het paradijs laten en de kwade mensen in het Hellevuur, maar Allah is rechtvaardig. Niettemin creëerde Hij ons in dit leven om te testen welk pad wij zullen gaan kiezen. Alles wat we doen in ons leven komt overeen met dat wat al beschreven is, maar het is niet een kwestie van oorzaak en gevolg; wat we doen komt vanuit onze wil en vermogen en we zijn volledig verantwoordelijk voor de keuzes die we maken.

Begeleiding en Misleiding Begeleiding (hidāyah) is een geschenk van Allah. Hij creëerde ons en gaf ons een verstand om het voor ons mogelijk te maken in het algemeen goed en kwaad te kunnen onderscheiden. Het is Allah Die ons heeft voorzien van fitrah (natuurlijke aanleg), om te houden van de waarheid en wat goed is en om een afkeer te hebben van wat verkeerd en slecht is. Het is Allah Die ons de Boodschapper heeft gestuurd met de boodschap ons te begeleiden in het leven; soms gaat dat ons begrip te boven en kunnen we ons dat niet voorstellen of begrijpen. Dus als het gaat over de begeleiding: het is een geschenk van Allah.

“En toen zij afdwaalden deed Allah hun hart zich afwenden, want Allah leidt het opstandige volk niet.” (soera al-Saff:5) Niettemin zijn er mensen die de boodschap van de Islam -of welke begeleiding dan ook- niet hebben ontvangen, of de boodschap heeft hen niet in de duidelijkste vorm bereikt, d.w.z. incompleet of vervormd. Deze mensen worden Ahl al-Fatrah genoemd en zullen worden vrijgesteld en niet worden gestraft, zelfs al zijn zij misleid. Er zijn bepaalde situaties waarin we wat kunnen doen aan onze qadar (lot), bijvoorbeeld:

• Ziekte is qadar, maar we hebben de opdracht gekregen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) om te zoeken naar genezing, mochten we ziek worden. Het vinden van een remedie is ook qadar. Dus de ene qadar kan behandeld worden met de andere qadar.

• Als ons iets overkomt, bijvoorbeeld als we ons werk verliezen, moeten we niet te snel zeggen dat het qadar is en een verslagen houding aannemen en niets aan de situatie doen. We moeten de qadar optimistisch benaderen en ander werk zoeken; het gevolg van dat is een andere qadar. ‘Umar bin al-Khattāb reisde met een groep metgezellen gedurende zijn Khilāfah (leiderschap). Toen zij aankwamen bij een stad hoorden ze dat er een besmettelijke ziekte heerste: cholera. ‘Umar vroeg aan de groep of zij door wilden reizen of dat ze terug wilden gaan naar Medina. De meerderheid van de groep zei dat ze terug wilden gaan, maar sommigen zeiden dat ze verder wilden gaan. Toen zei een van de metgezellen dat hij een hadith kende waarin de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Als je hoort, dat er een besmettelijke ziekte heerst in een land, ga daar dan niet heen.” Dus ‘Umar besloot terug te gaan. Een andere metgezel (waarschijnlijk van de tweede groep) vroeg hem of hij qadar wilde ontvluchten. ‘Umar antwoordde dat ‘zij zich verplaatsten van de ene qadar naar de andere qadar.’ Vandaar dat we élk probleem dat op ons pad komt moeten oplossen, verwijderen, beperken en overwinnen. Sommige geleerden (zoals Imam al-Jīlāni) gebruikten de term ‘qadar overwinnen’.  In een hadith zegt de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Let goed op alles wat je ten gunste kan komen. Zoek de hulp van Allah. En wees niet roekeloos.” Deze hadith impliceert dat we ons moeten inspannen om het juiste te doen. Het juiste concept van qadar is: ‘We zijn verantwoordelijk voor alles wat we doen.’ Bijvoorbeeld: als we roekeloos rijden en het resulteert in een ongeluk waarbij iemand overlijd of gewond raakt, kunnen we niet simpel zeggen dat dit qadar is, omdat dat misbruik is van het concept van qadar, om zo onze fouten te rechtvaardigen. Hoewel het ongeluk plaatsvond als gevolg van qadar, met de permissie van Allah. Desalniettemin zijn we nog steeds verantwoordelijk voor de dood of verwonding omdat het door onze roekeloze handelingen veroorzaakt is. Daarom moeten we de consequenties dragen in de rechtbank wanneer we schuldig worden bevonden. Als we qadar zouden kunnen gebruiken als excuus, zouden er veel misdaden ongestraft blijven; een dief kan simpel beweren dat zijn diefstal qadar was. Degenen die het concept van qadar misbruiken, zijn degenen die falen in de verantwoordelijkheid. Zij misbruiken het om hun falen te rechtvaardigen. De correcte manier om qadar als excuus te gebruiken is in situaties als deze: iemand doet moeite om een verplichting te vervullen, maar vanwege een onvermijdbare omstandigheid (buiten zijn schuld) kan hij deze verplichting niet vervullen; in dit geval kan hij worden vrijgesteld. Een ander voorbeeld: een student heeft hard gestudeerd voor zijn examen, maar wordt ziek, of het is voor hem niet mogelijk de examens bij te wonen. Hij zou dan kunnen zeggen dat het qadar is en dat het de wil van Allah is. Wanneer het gaat over religieuze verplichtingen is de kwestie hetzelfde. We kunnen qadar niet de schuld geven als we misdaden begaan of falen in wājib (verplichting), zoals sommige moslims doen. We moeten weten dat we verantwoordelijk zijn. Het kan zijn dat we in een zwakke toestand van Imān geraken, wanneer we een misdaad begaan of een wājib uitstellen. De Islam is een praktische religie die ons in staat stelt om berouw te tonen, om zo onszelf terug te brengen op het rechte pad. In de hadith hierboven definieert de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) ‘al-Islam’ d.w.z. de vijf pilaren, als de uiterlijke handelingen van de ledematen, Imān wordt geassocieerd met geloof; de innerlijke acties van het hart, en al-Ihsān als het hoogst bereikbare niveau. Maar de twee definities kunnen met elkaar worden uitgewisseld; soms kan Islam worden gebruikt om interne acties te beschrijven en kan Imān ‘externe acties’ betekenen. Er zijn een paar hadiths waarin de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt dat er meer dan 70 handelingen bestaan die worden beschouwd als Imān. Als de term ‘Islam’ onafhankelijk wordt gebruikt, omvat het alle drie de componenten: Islam, Imān en Ihsān. Evenzo als Imān onafhankelijk wordt gebruikt betekent het Imān, Islam en Ihsān. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt aan het einde van de hadith dat de Dīn (Islamitische manier van leven) betaat uit deze drie dingen (Islam, Imān en Ihsān). Als de Imān zwak is, zal dat invloed hebben op al-Islam (goede daden en handelingen). Volgens Imam Abu Hanifa: zelfs al zijn al-Imān en al-Islam verschillend; al-Imām maakt handelingen (al-Islam) noodzakelijk. Sommige geleerden zeggen dat moslims worden gezien als vreemden onder de gelovigen en dat de Mu‘minūn (gelovigen) gezien worden als vreemden onder de moslims; en dat de Muhsinūn (degenen die goed doen) worden gezien als vreemden onder de Mu‘minūn. Ihsān (het hoogste niveau van Imān, waarin we Allah aanbidden alsof we Hem zien, terwijl we Hem niet zien, maar we er ons van bewust zijn dat Hij ons ziet) gaat over het vrezen van Allah. Dit zal ons leiden om te streven ons best te doen in het verrichten van onze ‘Ibādah; we zullen eerlijker zijn in onze ‘Ibādah. Dus Ihsān gaat ook over de beste handelingen van het hart. De handelingen die leiden naar Ihsān, zijn: Het meest houden van Allah; Allah het meest vrezen; hopen op Allah , dat Hij ons genade en begeleiding zal geven om ten volle ons vertrouwen bij Allah te kunnen leggen. Toen Gabriël ‘alayhissalām de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vroeg over het Uur (de Dag des Oordeels), antwoordde de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dat noch hij, noch Gabriël het antwoord weet. Dit is een goed voorbeeld van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) omdat zelfs hij met zijn eindeloze kennis toegeeft dat hij niet álles weet. Imam Mālik kreeg ooit 40 vragen van iemand en op de meeste antwoordde hij: “Ik weet het niet; Allah weet het beter.” De man was verrast en Imam Mālik zei hem terug te gaan naar zijn stad en dat hij tegen zijn mensen moest vertellen dat hij Imam Mālik vragen heeft gesteld waarop Imam Mālik geen antwoord had. Imam Mālik wilde niet aansprakelijk zijn voor het geven van verkeerde antwoorden. Dus als we leraar of geleerde willen worden, moeten we ook de moed hebben om toe te geven dat we iets niet weten. We moeten geen antwoord geven wat eventueel incorrecte informatie bevat. De tekens van Ākhirah genoemd in deze hadith zijn klein in tegestelling tot de voornaamste. We geloven in deze tekens maar we moeten onszelf er niet te veel zorgen over maken wanneer zij zullen verschijnen. We moeten voorzichtig zijn, omdat sommige van deze tekens slechte daden zijn waarvan we ons moeten distantiëren.

Conclusie

Deze hadith verklaard de voornaamste principes van de Islam: de vijf pilaren van de Islam, de geloofsovertuigingen die deel uitmaken van Imān (inclusief het geloof van het lot, of qadar), het bereiken van het hoogste niveau van Imān, wat Ihsān is en de ādāb van het zoeken naar kennis en onderwijs.

 Hadith 3: De vijf pilaren van de Islam

Abū ‘Abd ar-Rahman ‘Abdullah, de zoon van ‘Umar ibn al-Khattab (Allah's welbehagen zij met vader en zoon ) heeft gezegd: “Ik hoorde de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) zeggen: “De Islam is op vijf (zuilen) gebouwd: 1) getuigen dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper van Allah is 2) het verrichten van de gebeden 3) het betalen van de zakat (armenbelasting) 4) het verrichten van de bedevaart naar het Huis (in Mekka) en 5) het vasten in Ramadan.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim) Deze hadith is een gedeelte van de vorige hadith (2). De meeste geleerden zeggen dat de reden waarom Imam al-Nawawi deze hadith heeft opgenomen in zijn collectie, het belang van de vijf pilaren in de Islam is, ook al worden gedeelten van hadith nr 2 herhaald. Deze hadith benadrukt de fundamentele aspecten van de uiterlijke onderwerping aan Allah. Deze onderwerping is gebaseerd op vijf pilaren, gelijk de structuur van een gebouw. Als iemand deze aspecten vervuld heeft hij een solide basis gelegd voor zijn Dīn zoals een ‘huis.’ De andere handelingen van de Islam die genoemd worden in de voorgaande hadith -maar niet genoemd worden in deze- kunnen worden beschouwd als afwerking om de structuur te voltooien. Als iemand faalt in het vervullen van deze verplichtingen van het handhaven van de vijf pilaren, dan zal de hele structuur van zijn Dīn, of Imān in gevaar komen. Het gevaar hangt af van hoeveel er wordt geschonden en de schennis van de Shahādah (geloofsgetuigenis) is de meest gevaarlijke.

 Lessen

 Het gebruik van metaforen en uitgebreide vergelijkingen.

Deze hadith gebruikt een metafoor (d.w.z. het vergelijken van de Islam met de structuur van een gebouw) om belangrijke principes te bevestigen. Het gebruik van metaforen en uitgebreide vergelijkingen kan men in vele soera’s (hoofdstukken) van de Koran en in de hadiths vinden. Bijvoorbeeld:

• In soera al-Tawba:109, waar een soortgelijke metafoor is  gebruikt; de structuur van de Dīn van de gelovige (mu ‘min) is gevestigd op solide grond, terwijl de structuur van de Dīn van een ongelovige is gevestigd op een zwakke grond wat kan leiden tot het instorten van de structuur, zodat de ongelovige het Hellevuur zal binnengaan.

• Soera al-Nūr:35, gebruikt de metafoor van Allah’s licht als zijnde de bron van begeleiding in het hart van de gelovigen.

• Soera al-Jumu ‘ah:5, hier wordt een metafoor gebruikt om degenen die falen in het vervullen van hun amānah (religieuze verplichtingen) te veroordelen. Het Banū Isra ‘il wat faalde in het gehoorzamen aan Allah’s geboden in de Torah, wordt beschreven als een ezel die zware boeken op zijn rug draagt, maar niets begrijpt van deze boeken. Geleerden zeggen dat deze metafoor ook op andere volkeren -die falen in het vervullen van hun amānah- kan worden toegepast.

• In een hadith onderscheidt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de status van zijn volgelingen (ummah) in drie categorieën: degenen die voordeel halen uit de Boodschap; degenen die gedeeltelijk voordeel halen en degenen die hier totaal in falen. Hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) gebruikte de metafoor van regen (als de Boodschap) die neervalt op verschillende soorten grond, met verschillend resultaat. Het gebruik van metaforen voor het mededelen van de Boodschap is een belangrijk hulpmiddel en het is de methodeleer die gebruikt is in de Koran en gebruikt werd door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Er zijn vele manieren van uitdrukken gebruikt in de Koran en de hadiths en zij worden voor verschillende doelen gebruikt. Bijvoorbeeld wanneer men te maken heeft met misverstanden en valse veronderstellingen van de ongelovigen, gebruikt de Koran en de Sunnah het rationeel denken. De stijl die gebruikt is bij het beschrijven van de Jennah (Paradijs) en het Hellevuur in de Koran en de Sunnah, is de visuele manier van uitdrukken. Zowel het Paradijs als het Hellevuur worden tot in detail beschreven, alsof men deze plaatsen vóór ons kan zien. Een van de metgezellen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat hij de Jennah en het Hellevuur al had gezien. De andere metgezellen waren verbaasd en vroegen hem hoe dat mogelijk was omdat niemand dit kan zien, alleen in het  hiernamaals. Hij antwoordde: “Ik zag het door de ogen van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Als ik de kans had dit met eigen ogen te zien, zou ik het niet vertrouwen. Ik vertrouw de ogen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) meer dan die van mijzelf.” Hieruit kunnen we concluderen dat als we de Koran en de hadiths lezen en begrijpen, wij ook het Paradijs en het Hellevuur kunnen zien op een manier dat ons geloof zal doen toenemen. Deze manieren van uitdrukken (denkstijlen) die in de Koran en de Sunnah gebruikt zijn, moeten goed begrepen en gebruikt worden door de moslims vandaag de dag, om de Boodschap van de Islam over te brengen wanneer men da ‘wah doet en omdat dit de meest effectieve manier is. Men moet verschillende stijlen gebruiken om verschillende mensen te bereiken en te overtuigen; sommigen zijn emotioneel, sommigen zijn meer rationeel etc.

 De eerste Pilaar: De Shahādah.

Het eerste deel van de Shahādah is getuigen dat er niemand waardig is aanbeden te worden, behalve Allah . Zoals verklaard door de geleerden zijn er zeven voorwaarden verbonden aan de Shahādah:

•   Kennis; begrijpen wat het betekent.

• Zekerheid; geen twijfel hebben over wat er is bevestigd in de Koran en de auhentieke Sunnah.

• Acceptatie; met de tong en met het hart wat de Shahāda impliceert.

• Onderwerping en naleving; de werkelijke fysieke vaststelling d.m.v. daden.

•   Eerlijkheid; het oprecht verklaren van de Shahādah.

•  Oprechtheid; het uitsluitend doen voor de zaak van Allah.

•  Liefde; houden van de Shahādah, haar implicaties en

vereisten en waar het voor staat. De Shahādah is niet slechts een uitdrukking van de tong. De voorwaarden moeten worden vervuld. Als we de Shahādah uitspreken op een eerlijke, oprechte manier, zullen we niets doen wat in strijd is met de Shahādah of de Shahādah zal schenden. Het tweede gedeelte van de Shahādah brengt de volgende voorwaarden met zich mee:

• Geloven in de profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam)en in alles wat hij ons verteld heeft en overgedragen heeft.

• Hem te gehoorzamen in alles wat hij ons opgedregen heeft.

• Weg te blijven bij -of vermijden- wat hij ons heeft verboden te doen.

• Hem te volgen en te evenaren in onze Ibādah (daden van aanbidding), Akhlāq (ethiek) en zijn manier van leven.

• Meer van hém te houden dan van onszelf, onze familie of andere dingen in deze wereld.

• Het begrijpen, practiseren en promoten van zijn Sunnah op de beste manier, zonder dat het leidt tot chaos, vijandschap of schade.

 De tweede pilaar: Het tot stand brengen van de gebeden (salāt)

Sommige interpretaties van deze hadith vertalen ‘iqāmat al-salāt’ als het ‘uitvoeren’ van het gebed. In de realiteit is ‘iqāmat al-salāt’ een breder concept dan wat de term ‘uitvoeren’ betekent, n.l.:

• Het verrichten van de wudū’ (rituele wassing) op de juiste manier.

• De salāt op de juiste tijd doen.

• Te bidden in congregatie (jamā‘ah), waar de beloning 27 keer meer is dan wanneer men alleen bidt.

• Het vervullen van de 6 voorwaarden van de salāt.

• De goede manieren (adāb) van het gebed in acht nemen, zoals nederigheid en onderdanigheid.

• Het volgen van handelingen die de voorkeur hebben. (Sunnah) Het is belangrijk dat we deze condities volgen en deze niet overtreden, als we de tweede pilaar van de Islam willen vervullen. We moeten niet vergeten dat Allah ons aanvankelijk opdroeg om 50 keer per dag te bidden en dat het uiteindelijk gereduceerd werd tot 5 dagelijkse gebeden. Ondanks het feit dat het teruggebracht is tot 5 gebeden per dag, is de beloning hetzelfde als die van 50 gebeden per dag. De gebedstijden zijn op een redelijke manier over de dag verspreid en dit kan ons helpen onze dag in te delen en zelfs onze zaken te regelen n.l. door het mogelijk te maken dat de moslimgemeenschap elkaar kan ontmoeten tijdens de congregaties van gebeden. Dit zal leiden tot een hechtere samenleving. Dus de gebeden moeten niet als ‘last’ worden gezien, zoals sommige moslims het vandaag de dag beschouwen.

 De derde pilaar: Zakāt.

Het betalen van ‘zakāt’ is door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) voor verschillende dingen aangewezen, berekend in bepaalde richtingen of percentages en onder bepaalde condities. De geleerden zeggen dat kennis van de details van de zakāt alleen verplicht wordt, wanneer iemand land of andere zaken bezit wat hem ertoe verplicht zakāt te betalen. Bijvoorbeeld boeren, handelaren of eigenaren van onroerend goed; zij moeten de condities en percentages weten van de zakāt die zij verplicht zijn te betalen. Met de hulp van de computer in deze tijd kan dit snel en gemakkelijk gebeuren.

 De vierde pilaar: de Hajj.

De Hajj, of pelgrimstocht naar het Huis (Ka‘bah) is een verplichting die we éénmaal in ons leven moeten verrichten, maar het is alleen verplicht als de benodigde condities kunnen worden vervuld. Bijvoorbeeld, als we financieel capabel zijn en er geen belemmering voor reizen is in termen van veiligheid en vrede. Als we deze condities hebben moeten we de Hajj zo spoedig mogelijk uitvoeren en vooral niet uitstellen. Als we de financiele mogelijkheid hebben om de Hajj meer dan eens te kunnen uitvoeren, is het volgens sommige geleerden beter voor ons dit geld te gebruiken om anderen te helpen in het vervullen van hun verplichtingen. Insha Allah zullen we dan voor hún pelgrimstocht worden beloond. Het geld kan ook gebruikt worden voor het verbeteren van de samenleving. Er zijn voorwaarden, Sunnah en ethiek (adāb) die voor elk van deze pilaren in acht moeten worden genomen. We horen vaak dat jaarlijks honderden moslims sterven of gewond raken tijdens de Hajj. Waarom gebeurd dit? De meeste ongelukken gebeuren door de onwetendheid en nalatigheid van de juiste ethiek, of door schending van de Sunnah. Neem bijvoorbeeld het gooien van stenen naar de Jamrāt (pilaren):

• Ondanks het feit dat we kleine kiezelsteentjes zouden moeten gebruiken, zijn de mensen geneigd grote stenen te gebruiken die ze roekeloos en op grote afstand gooien. Dit kan anderen verwonden.

• Mensen volgen vaak niet de specifieke richtingen wanneer zij bewegen; zo worden veel mensen verpletterd door de mense-lijke golven die zich in verschillende richtingen begeven.

• Mensen die aandringen op het gooien van stenen in de piek- uren, d.w.z. de drukste periode van de dag, wat de voorkeur heeft. Ouderen, vrouwen en gehandicapten zouden alleen moeten gaan wanneer het niet zo druk is.

 De vijfde pilaar: Vasten (Saum)

De Ramadanmaand is een periode van training, waarin alle moslims worden aangemoedigd om goede daden te doen; om zo steeds beter te worden. Niettemin zouden we na de Ramadan door moeten gaan met het verrichten van goede daden, het bidden in de moskee, Tahajjud, Qiyāmullail, het reciteren van de Koran, het helpen en zorgen voor anderen etc. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) werd gevraagd naar de beste manier van het lezen van de hele Koran en hij antwoordde dat het binnen een maand gelezen zou moeten worden, d.w.z. een Juzu’ of hoofdstuk per dag. Dit is iets wat we altijd zouden moeten doen en niet alleen in de Ramadanmaand. Als dit niet mogelijk is moeten we tenminste proberen om één of twee bladzijden per dag te lezen (een kwart van een hizb). Op dezelfde manier zouden we moeten proberen de nachtgebeden te doen. (Tahajjud), al zijn het dan twee raka’at in de nacht; anders dan in de Ramadan. We moeten onszelf niet de vrijblijvende gebeden opleggen: de Shari‘ah heeft het zo niet bedoeld. Als iemand zichzelf vrijblijvende gebeden opdringt kan dat leiden tot overbelasting, wat kan resulteren in het afschaffen van de handelingen. Het zou voldoende moeten zijn als het op eigen gemak wordt gedaan, op voorwaarde dat het voortdurend wordt gedaan. Een vaste lijn in een daad, hoe klein deze ook is, is méér geliefd dan een daad die in grote hoeveelheden zelden uitgevoerd wordt.

 Conclusie

Alle pilaren van de Islam hebben regels, voorwaarden en hebbelijkheden (ahkām wa ādāb) op hen toegepast. Het is belangrijk dat we deze ahkām en ādāb kennen en onszelf er regelmatig aan herinneren, vooral vóór de Ramadan en vóór het uitvoeren van de Hajj, zodat we de pilaren op een goede manier en in overeenstemming met de Shari’ah uitvoeren.

 Hadith 4: De creatie van de mens: al-Qadar.

Abu ‘Abd ar-Rahmān ‘Abdullah ibn Mas'ud (Allahs welbehagen zij met hem) heeft gezegd: De boodschapper van Allah (Allahs zegen en vrede zij met hem) -en hij is de waargetrouwe, degene die geloofd wordt- heeft ons verteld: “De schepping van ieder van jullie vindt plaats wanneer hij wordt geassembleerd in de buik van de moeder, voor veertig dagen is hij als een druppel vloeistof, dan wordt het een stolsel voor een vergelijkbare periode. Daarna is het een brok en lijkt het alsof erop is gekauwd voor eenzelfde periode. Dan wordt er een engel naar hem gestuurd die hem de levensadem inblaast en die belast is met een opdracht ten aanzien van vier zaken: het opschrijven van zijn levensonderhoud, zijn levenstijd, zijn daden en of hij gelukkig of ongelukkig zal worden. Bij Allah, buiten Wie er geen god is, één van jullie zal werkelijk het soort daden doen van de mensen die naar het paradijs gaan, totdat de afstand tussen hem en het paradijs nog maar een armslengte is en dan overkomt hem datgene wat voor hem beschikt is en hij handelt als iemand die naar de Hel gaat en daar zal hij terechtkomen. En één van jullie zal het soort daden doen van de mensen die naar de Hel gaan, totdat de afstand tussen hem en de Hel nog maar een armslengte is en dan overkomt hem datgene wat voor hem beschikt is en hij handelt als iemand die naar het paradijs gaat en daar zal hij terechtkomen.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim)

 Achtergrond.

Deze hadith werd door zowel Bukhāri als Muslim, als door andere geleerden overgeleverd. Afgezien van Abdulla ibn Mas‘ud, werd deze hadith ook overgeleverd door vele andere metgezellen van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

De toevoeging (in de Arabische tekst) van het woord ‘nutfah’ (druppel vloeistof): Dit woord wordt in Bukhāri’s noch in Muslim’s overlevering niet genoemd. Het is echter toegevoegd aan andere verhalen -inclusief dat wat gekozen is door Imam al-Nawawi- om een goede interpretatie te geven. Niettemin onstaan er door deze toevoeging twee tegenstrijdige standpunten over de creatie van de mensheid wat betreft het gebied van de ontwikkelingsstatus van de foetus:

Het eerste standpunt:

Er zijn drie ontwikkelingsfases van de foetus. Elke ontwikkeling bestaat uit 40 dagen. Vandaar dat het 120 dagen nodig heeft om de drie fases te voltooien. Het is pas na deze 120 dagen dat de ‘rūh’ (geest) wordt ‘ingeademd,’ of ‘geblazen’ in de foetus. Dit bevat ook de registratie van de voorzieningen, de levensduur, daden en het lot van de foetus. Dit standpunt (wat het woord ‘nutfah’ insluit) is het standpunt van de meerderheid van de geleerden. Desalniettemin zijn er vragen gekomen over dit standpunt. Ondanks het feit dat de moderne wetenschap het eens is met de ontwikkelingsfasen genoemd in deze interpretatie van de hadith stemt het tijdstip van de gebeurtenissen niet overeen met de interpretatie van deze hadith. Een ander probleem heeft betrekking op de Fatwa (wettelijk standpunt van de geleerden) wat bertreft abortus. De geleerden zeggen dat abortus is toegestaan (mits er een goede reden is b.v. als het leven van de vrouw in gevaar is) vóór de ‘rūh’ in de foetus is ingeblazen, dus vóór de 120 dagen, in tegenstelling tot de 40 dagen in het tweede standpunt wat hieronder volgt.

Tweede standpunt

Het woord ‘nutfah’ behoort niet tot de tekst van de hadith. Dit veranderd de betekenis van de hadith die verklaard dat de drie fasen van de foetus plaatsvinden in de eerste 40 dagen. Dit standpunt komt overeen met wetenschappelijke feiten. En dit betekent, dat de ‘rūh’ ná de 40 dagen wordt ingeblazen en niet na 120 dagen. Dus de Fatwa op abortus verklaard dat abortus alleen is toegestaan vóór de 40 dagen zijn beëindigd.

De kwestie van wat er geschreven is:

Er zijn drie andere hadiths verzameld door al-Bukhāri en Muslim, die hetzelfde onderwerp betreffen. Maar er zijn enige verschillen tussen de teksten van die drie hadiths en deze hadith. Die hadiths vertellen dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Eén van jullie zal de handelingen uitvoeren van de mensen van het paradijs, zoals weergegeven in de ogen van het volk.” Dit lijkt op de ‘Munāfiqūn,’ of hypocrieten; zij handelen als de mu‘minūn (gelovigen). Zij lijken in onze ogen de beste daden te doen als de mensen van het Paradijs, maar Allah weet het best. Zij zullen eindigen in het Hellevuur. Doordat zij ‘Munāfiqūn’ zijn, ontkennen ze eigenlijk de boodschap van Allah diep in hun harten. Hun uiterlijke handelingen vermommen slechts wat er werkelijk in hun harten zit. Deze uitleg van de andere genoemde hadiths is belangrijk voor het begrijpen van deze hadith.

Lessen

 1. Het begrijpen van een hadith met behulp van andere hadiths

Geleerden uit de geschiedenis en uit deze tijd hebben verklaard dat wanneer we een zaak of kwestie –zoals genoemd in een bepaalde hadith- gaan onderzoeken, we niet moeten vertrouwen op één enkele hadith, maar moeten zoeken naar gelijkwaardige hadiths die over hetzelfde onderwerp gaan. We moeten niet vergeten dat sommige overleveraars van hadiths een hadith overleveren in overeenstemming met haar betekenis en niet hoe het precies was gezegd door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Sommigen van hen zijn misschien de exacte woorden of termen vergeten die zijn gebruikt door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Niettemin begrijpen zij nog steeds de feitelijke betekenis van wat er gezegd is. We moeten de teksten van verschillende hadiths met hetzelfde onderwerp met elkaar vergelijken om een complete interpretatie en een beter begrip in de hand te hebben. Sommige mensen die de hadith hierboven lezen en er verder geen uitleg bij vinden of zoeken, kunnen wanhopig worden en vrezen dat zij bij de eerste groep mensen behoren die hierboven genoemd wordt. Dit is verkeerd, omdat dit leid tot de interpretatie van de mensen van ‘Jabariyyah’ (3) die menen dat een persoon geen vrije wil heeft en geen kracht heeft om dingen te doen en dat alles in het leven al beschreven of vooraf bepaald is, ongeacht wat iemand doet. Zij geloven ook dat er geen reden is om goede daden te doen. Dit is een verkeerde houding omdat dit gebaseerd is op een verkeerde perceptie. Allah is rechtvaardig. We moeten ons vertrouwen plaatsen bij Allah. Als we goed zijn voor Allah en we vertrouwen Hem, zal Hij goed zijn voor ons. We moeten het optimistisch bekijken. We volgen Allahs bevelen, doen moeite om goede moslims te zijn en moeten niet wanhopen.

 2. Eerlijk zijn ten opzichte van Allah en hopen.

Eens, tijdens een veldslag hoopte een metgezel van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) op een specifieke manier te sterven, n.l. dat een pijl hem zou treffen in zijn hals en hem zou doorboren tot in zijn rug. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Als je eerlijk bent ten opzichte van Allah, zal Hij eerlijk zijn naar jou.” De metgezel stierf exact zoals hij hoopte te sterven. De woorden van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn hier algemeen en kunnen in alle situaties gebruikt worden. Als we echt eerlijk zijn naar Allah, zal Hij ons niet in de steek laten; hij zal ons helpen en begeleiden.

 3. Afwijkende sekte.

Dus het laatste gedeelte van deze hadith is een uitzondering en geldt alleen voor sommige mensen zoals de Munāfiqūn (hypocrieten). Maar aan de andere kant betekent dit niet dat ons leven gebaseerd moet zijn op hoop alléén. De geleerden zeggen dat hoop en vrees gecombineerd moeten zijn. Hoop en vrees voor Allah moet hand in hand gaan wanneer we Allah aanbidden. Het is goed om Allah te vrezen. Het zal ons kalmer en vrediger maken. Dit verschilt van een ander type van vrees; als we bang zijn voor iets gaan we dat uit de weg, bijvoorbeeld angst voor vuur of gevaarlijke dieren.

 3. Liefde, Hoop en Vrees.

Geleerden zeggen dat onze hoop op Allah gelijk moet staan aan onze vrees voor Allah. Als dat zo is zullen we een beter niveau van Imān (geloof) bereiken. Dit leidt niet tot wanhoop en tegelijkertijd zal er geen buitensporige hoop (overmoed) zijn, wat kan leiden tot luiheid en het niet vervullen van onze verplichtingen. In het aanbidden van Allah moeten we drie dingen combineren: liefde, hoop en vrees.

 4. Al-Qadar; het lot.

De hadith hierboven heeft betrekking op Allah’s Schepping en Qadar (lot). De verklaring: “....en dan overkomt hem datgene wat voor hem beschikt is..” moeten we positief bekijken en niet negatief. Allah  wist met Zijn ultieme kennis van alle toekomstige gebeurtenissen zoals uitgelegd in de vorige hadith. Al-Qadar kan als volgt worden ingedeeld: Al-Qadar al-Kulliy’; de algemene qadar wat ‘geregistreerd’ is door Allah  in Al-Lawh al-Mahfūz (het Welbewaarde Boek), 50.000 jaar vóór de schepping van de Hemelen en Aarde.

Al-Qadar al-Omari; dit is de qadar die wordt genoemd in deze hadith. Dit vindt plaats op de tijd van de schepping van elk individu. Het komt overeen met het hogere type van qadar; al-qadar al-kulliy’.

Al-Qadar al-Sanawiy; de jaarlijkse qadar die eens per jaar plaatsvindt tijdens de laylat al-qadar, wat overeenkomt met wat al geschreven is in Al-Lawh al-Mahfūz. Wat al geschreven is in Al-Lawh al-Mahfūz weet alleen Allah. Het is niet aan ons geopenbaard. Niemand weet zijn lot, zijn rizq (voorzieningen) en wanneer of waar onze laatste bestemming zal zijn. Voor ons is dit het onbekende of al-ghayb. De vertaling van het woord ‘overkomt’ in deze hadith kan een valse perceptie geven als het zou worden bedoeld om te zeggen dat álles wat de engelen ‘opschrijven’ zal worden opgelegd in het leven van iemand. Er wordt ons gewoon simpel verteld over de ‘ilm,’ of ultieme kennis van Allah. Wat geschreven is laat ons niet doen wat we doen. Het is geen ‘oorzaak en gevolg’ situatie zoals veel moslims geloven.

Veel moslims geloven dat -omdat het al is geschreven- het ertoe zal leiden dat we doen wat er geschreven is. Dit is een verkeerde interpretatie. De waarheid is dat ondanks het feit dat we zullen gaan doen wat al geschreven is, de daadwerkelijke handeling niet te wijten is aan het feit dat het al geschreven is. Allah met Zijn ultieme kennis heeft dit geschreven omdat Hij wist wat er zou gaan gebeuren. Het is eigenlijk een associatie, of een overeenkomst. Wat we zullen gaan doen valt samen met de kennis van Allah, omdat Allah’s kennis ultiem is. Met andere woorden: wat we zullen gaan doen valt samen met dat, wat al geschreven is. Dit laat de Glorie en de ultieme kennis van Allah zien. Dus we moeten niet geloven dat dingen aan ons worden opgelegd. Een dergelijke overtuiging zal het hele concept van Imān (geloof), schepping etc. teniet doen.

 5. De verantwoordelijkheid van de handelingen.

We zijn verantwoordelijk voor wat we kiezen en doen. Het laatste gedeelte van deze hadith refereert naar ‘waar het definitieve lot van een persoon veranderd op het laatste moment’. Wat dit betreft horen we verhalen van mensen die zich op het laatste moment bij de Islam aansluiten. Er is een hadith van de sirah, die verteld over een metgezel die zich aansluit bij de Islam en daarna in een strijd terecht kwam en gemarteld werd. Sommigen van hen hebben niet één goede daad gedaan. Er zijn tegenwoordig zoveel voorbeelden van niet-practiserende moslims of van degenen die slechte dingen hebben gedaan en in die de laatste fasen van hun leven aankomen (de leeftijd van 50-60 jaar), berouw tonen en uiteindelijk veranderen in een goede moslim. Hetzelfde gebeurd elk jaar met duizenden ‘nieuwe’ moslims.⁴ Deze mensen zullen verontschuldigd worden volgens de wil van Allah en zullen het Paradijs binnengaan. Er zijn ook andere scenario’s waarin iemand zijn hele leven goede daden doet en aan het einde van zijn leven slechte daden doet, wat leidt tot het binnengaan van de Hel (zoals vermeld wordt in de hadith). Zo’n situatie heeft effect op een beperkt aantal mensen, in vergelijking tot het eerste voorbeeld. Dit gebeurd door de persoon zelf, zoals in het geval van de hypocrieten. ⁴ De verzen van de Koran vermelden: “Elk kind wordt als Moslim geboren, het zijn de ouders die hen tot Moslim, Christen of Jood maken.” Dus als iemand besluit om terug te keren naar de Islam, wordt dit beschouwd als ‘terugkeer’.

 6. De Goddelijkheid van de Koran en de Hadith.

Om het correcte concept van qadar te kunnen begrijpen, hebben we meer kennis nodig over de creatie van de mensheid. Wat in de hadith genoemd wordt is eigenlijk een wonder. Het beschrijft de fasen van de foetus en de schepping van de mens, 1.400 jaar vóór de wetenschap en de technologie het als een feit bevestigd. (Deze beschrijving van de fasen van de foetus kunnen we ook vinden in de Koran, maar zonder het vermelden van de perioden van tijd) M.a.w. de wetenschappers waren alleen in staat dit fenomeen waar te nemen, terwijl het honderden jaren geleden al in de Koran en hadith besproken werd. Dit laat de goddelijkheid zien van de Koran en de Hadith. Enige jaren geleden werd er in Europa een conferentie gehouden over de schepping van de mens en sommige moslimgeleerden waren uitgenodigd om dit bij te wonen. Toen deze geleerden vertelden over het Islamitische perspectief aangaande de fasen van de foetus –om te laten zien dat dit gedocumenteerd was in de Koran en de Hadith- sloten sommigen van de aanwezigen zich aan bij de Islam, omdat zij ervan overtuigd waren dat dit een goddelijke openbaring is.

 7. De spirituele samenstelling van de mens

Om ons te helpen qadar op een positieve manier te bekijken, is het nodig dat we de spirituele samenstelling van de mens begrijpen. De mens bestaat uit de volgende vijf componenten:

• Het intellect (‘aql): tot op bepaalde hoogte stelt dit ons in staat om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Het intellect is een deel van onszelf, een gedeelte van de creatie van Allah. Om deze reden wordt een persoon beschouwd als mukallaf, d.w.z. iemand voor wie de verplichtingen van de Islam verplicht zijn n.l. iemand die de puberteit heeft bereikt, gezond is en de boodschap van de Islam heeft ontvangen. Iemand die geestelijk gestoord is of ongezond is, is geen mukallaf.

• De natuurlijke aard of het aangeboren natuurlijke instinct (al-fitrah): we zijn geboren met een natuurlijke aanleg wat ons in staat stelt het goede lief te hebben en het kwade te haten. Het bestaat uit liefde en haat. Ofschoon dat we geschapen zijn met deze fitrah, is deze onderhevig aan externe invloeden zoals het geloof van onze ouders, onze opvoeding etc. Daarom bestaan er mensen die houden van het kwade, vanwege hun beschadigde of aangetaste fitrah. De geleerden zijn van mening dat de fitrah nog steeds in deze mensen zit; als we proberen de fitrah te ontwaken, dan zullen deze mensen weer gaan houden van het goede en zullen ze het kwade weer gaan haten.

• Onze belofte aan Allah (alleen Hem te aanbidden) vóór onze geboorte terwijl we nog in onze spirituele vorm waren. Dit is gerelateerd aan de fitrah. Dit zorgt ervoor dat we een natuurlijke aanleg hebben om het goede lief te hebben en het kwade te haten.

• De bereidwilligheid (‘Irādah) en de kracht (Qudrah):

Allah heeft ons voorzien van bereidwilligheid, kracht en bekwaamheid. Een handeling zal niet plaatsvinden zonder deze bereidwilligheid en kracht; we doen alleen iets als we dat willen en als we er de kracht voor hebben. Toch is bereidwilligheid en kracht neutraal en kan dit gemanipuleerd worden, of op een goede of slechte manier gebruikt worden.

• Verlangens (Shahawāt): we zijn ook gecreëerd met verlangens en de aanwezigheid van die verlangens in ons, kan onze bereidwilligheid of kracht naar het goede of kwade manipuleren.

Verlangens zijn een deel van wat we ‘interne uitdagingen’ noemen; de dingen die onze bereidwilligheid en bekwaamheid beīnvloeden. De innerlijke uitdagingen bestaan uit: Shahawāt of Hawa (menselijke verlangens) Al-Nafs (de ego), waarvan er drie verschillende aspecten zijn:

1. Al-Nafs al-Ammārah Bissū; dit moedigt ons aan slechte daden te doen.

2. Al- Nafs al-Lawwāmah; dit verwijt ons onze slechte daden of gedachten over slechte daden (als we Imān en kennis hebben) bijvoorbeeld: onze nafs zegt: “Schaam je jezelf niet dat je alcohol drinkt?”

 8. Al-Nafs al-Mutma ‘innah; dit is de nafs in vrede; kalm en rustig.

We kunnen met deze drie aspecten van de nafs op dezelfde tijd te maken hebben, bijvoorbeeld: 1. We beginnen te denken dat we een slechte daad gaan doen, wat wordt veroorzaakt door Al-Nafs al-Ammārah Bissū, wat het eerste aspect van onze nafs is, maar 2. vanwege ons geloof voorkomt ons geweten dat we dit doen, wat leidt tot 3. het aspect van de vredige ‘eigen ik.’ Er zijn ook externe uitdagingen (die invloed hebben op de interne uitdagingen).

• De bestaande Muharramāt (verboden); b.v. het eerste aspect van nafs zal de hawa activeren en de hawa zal ons aanzetten tot denken aan -en doen van slechte daden.

• De insinuatie, of het fluisteren (waswasah) van Satan; al wat Satan kan doen is insinueren. Hij zal proberen ons te overtuigen slechte daden te doen, door het kwade aan te moedigen en het verleidelijk en acceptabel te maken. Bijvoorbeeld: als we goede moslims zijn, zal Satan proberen ons het uitvoeren van het gebed te laten uitstellen, of ons doen stoppen in sadaqah, door sadaqah voor ons te laten lijken op een financiele last. Zoals we kunnen zien is in beide gevallen onze perceptie van wat goed en kwaad is vervaagd. We kunnen zien dat sommige elementen van de mens ons helpen, terwijl andere ons zullen uitdagen. De fitrah en aql zijn sterke elementen die ons aanmoedigen goede dingen te doen. Niettemin heeft ons intellect haar grenzen en om deze reden heeft Allah boodschappers gezonden met de openbaringen om ons te begeleiden. Allah’s begeleiding helpt ons door te vertellen wat goed en slecht is en ons bewust te maken van de invloeden van Satan. Wanneer we de Koran met volle aandacht reciteren komen we tot inzicht (basīrah), wat het geweten en de nafs al-mutma ‘innah zal doen gloeien.

 Het leven is een Test

De Koran verteld ons dat we zijn geschapen om door Allah getest te worden: (Allah) “Die de dood en het leven heeft ingesteld, opdat Hij u moge beproeven wie onder u zich het beste gedraagt.” (soera al-Mulk:2)

De Koran verteld ons waar we op worden getest en de hierboven genoemde scenario’s beschrijven de aard van de test. Dit is de barmhartigheid van Allah; Hij geeft ons de kracht, de wil, de fitrah, de aql, de Boodschap, de begeleiding etc. Maar Hij waarschuwt ons dat wij intern en extern getest zullen worden. De kracht en bereidwilligheid zijn neutraal, maar dit kan beïnvloed worden tot goed of slecht. Als we inzicht (basīrah) hebben, als we de Koran reciteren, als we dicht bij Allah zijn, als we de wijsheid (hikmah) bezitten, dan zal de gezonde geest worden geactiveerd en zal de shahawāt onder controle zijn en worden we er niet door misleid. Satan zal dan niet dicht bij ons komen omdat hij weet dat hij ons niet kan beïnvloeden. Als we het op deze manier bekijken is ons leven een uitdaging, het is een echte test die we moeten doorstaan.

 Tawfīq

Zelfs met al deze componenten waarmee Allah ons heeft uitgerust, hebben we nog steeds tawfiq (zegeningen) nodig van Allah. Zonder tawfiq zullen we door onze verlangens worden misleid of worden beïnvloed door Satan. Dus we moeten dichter tot Allah komen. We moeten du‘a maken naar Allah (Hem aanroepen) op alle tijden en ons hart aan Hem geven zodat we voortdurend Zijn hulp, toevlucht en begeleiding zoeken. Dit is voor ons de reden om 17 keer per dag tijdens ons gebed te zeggen: “Leidt ons op het rechte pad.” Er zijn twee vormen van begeleiding: 1. Begeleiding binnen het pad d.w.z. moslim worden en 2. Vasthouden aan het pad en niet afwijken of zwerven. De geleerden zeggen dat we elke seconde van de dag begeleiding op het pad nodig hebben; we hebben Allah’s begeleiding meer nodig dan de lucht die we inademen.

 De Genade van Allah

De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)verteld in een hadith dat Allah een man creëerde op een eiland waar niemand anders woonde. Allah voorzag hem met rizq d.m.v. fruit, wat hem in leven hield. De man leefde 70 jaar en aanbad alleen Allah, omdat er voor hem geen uitdagingen waren. Toen hij op sterven lag, gaf Allah de engelen de opdracht zijn ziel bij Hem te brengen. Allah vroeg de man: “O Mijn dienaar, is het vanwege Mijn Genade of vanwege je ‘amal’ (goede daden)?” De man antwoordde: “O Allah, het is vanwege mijn amal (daden). Ik heb ﷻ‬ veertig jaar aanbeden. Ik heb geen slechte dingen gedaan, maar alleen goede door ﷻ‬ te aanbidden.” Toen droeg Allah de engelen op om de ‘gave van het zicht’ (het kunnen zien) te nemen en het op een van de schalen te leggen. Toen droeg Hij de engelen op om de waarde van de 70 jaren van goede daden op een andere schaal te leggen. De ‘gave van het zicht’ woog zwaarder dan die van 70 jaar goede daden.

Dus als we 70 jaar Allah, aanbidden, goede daden doen en afzien van slechte daden, is het nog steeds onmogelijk om Allah, te vergoeden voor een van Zijn gunsten. De geleerden zeggen, dat als je wilt weten wat Allah’s gunsten voor jou zijn, je gewoon je ogen moet sluiten en jezelf moet voorstellen dat je niet langer kunt zien, en dat je moet proberen uit te vinden hoe je leven zal zijn zonder zicht. Alleen dan kan iemand de Genade waarderen van Allah.

 Conclusie

De hadiths zijn de bronnen van onze Imān (geloof), kennis en begeleiding zoals we zijn onderwezen door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Het bestuderen en begrijpen van de hadiths zal ons inzicht (basīrah) activeren, onze harten verlichten en onze zielen verheffen. Met de hulp van Allah zal dit ons op het rechte pad leiden en houden, tot aan het einde.

 Hadith 5: Ibadah & Bidah. (innovatie)

De moeder der gelovigen Umm ‘Abdullah ‘Aishah (Allah’s welbehagen zij met haar) heeft gezegd: “De boodschapper van Allah (sallallāhu ‘alayhi wasallam) heeft gezegd: “Wie aan deze zaak van ons (de Islam) iets toevoegt, wat er niet bij hoort, zal daar zelf de gevolgen van ondervinden.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim) In een versie van Muslim kunnen we lezen: ‘Wie iets doet wat niet in overeenstemming is met onze zaak, zal daar zelf de gevolgen van ondervinden.'

 Achtergrond

Zoals hadith nr1 is deze hadith een van de meest belangrijke in de Islam. Volgens Imam al-Nawawi moet deze hadith door elke moslim worden gememoriseerd.

Deze hadith wordt als maatstaf of standaard voor het beoordelen van externe handelingen of daden van aanbidding (‘ibādah) gebruikt. Het volgende is gebaseerd op de tekst van deze hadith: ‘als een handeling niet wordt uitgevoerd in overeenstemming met de Shari’ah of de Sunnah van de profeet vzmh zal deze niet worden geaccepteerd door Allah. Deze hadith is een aanvulling op hadith nr1, wat een maatstaf is voor het beoordelen van de intenties of innerlijke acties van het hart. De geleerden zeggen dat de acceptatie van de handelingen van ‘ibādah op basis van 2 voorwaarden beoordeeld zullen worden:

1. De intentie: de handelingen moeten oprecht worden uitgevoerd, omwille van Allah.

2. In overeenstemming met de Sunnah; in overeenstemming met de lessen en voor beelden van de profeet vzmh afgezien van hadith 1 en 5, kunnen acceptaties van handelingen ook gevonden worden in Soera al-Kahf:110 : “.....Laat daarom degene, die op de ontmoeting met zijn Heer hoopt, goede daden verrichten en bij de aanbidding van zijn Heer niemand anders met Hem vereenzelvigen.” Het evenaren en volgen van de voorbeelden van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) is een Koranische verplichting. Allah zegt: “Voorwaar, gij hebt in de profeet van Allah een prachtig voorbeeld voor ieder die Allah en de Laatste Dag vreest, en die Allah vaak herdenkt.” (soera al-Ahzab:21) “Zeg: Indien gij Allah liefhebt, volgt mij, Allah zal u liefhebben en uw zonden vergeven.” (soera Ali-Imrān:31)

Lessen

Deze hadith bespreekt een belangrijke basis in de Islam: het belang van het volgen van de Sunnah en: tegengestelde handelingen (van dit geloof) zullen leiden tot bid’ah of afdwaling (wat in hadith 28 in detail besproken zal worden).

1. De Sunnah

Geleerden classificeren de handelingen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) in twee:

1. Handelingen ten behoeve van ibādah (het aanbidden van Allah).

2. Handelingen met een ander doel dan ibādah; culturele of gebruikelijke handelingen, spontane handelingen etc. verschil kan worden gemaakt om deze twee vormen van handelingen te onderscheiden, d.w.z. bevelen om iets te doen of niet te doen etc. Men verwacht van moslims dat zij alleen het eerste type van de Sunnah volgen.

 1.1. Handelingen uitgevoerd ten behoeve van ‘Ibādah.

Handelingen (vormen van ‘Ibādah) moeten uitgevoerd worden in overeenstemming met de Shari’ah of de Sunnah van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Bij het uitvoeren van een daad van ‘Ibādah zijn vijf elementen waar we ons bewust van moeten zijn, om zo onze handelingen onder controle te houden en er zeker van te zijn dat ze gedaan worden in overeenstemming met de Shari’ah of de Sunnah.

1. De tijd van de handeling. Veel vormen van ‘Ibādah moeten worden uitgevoerd op een aangeduide of specifieke tijd of periode. Bijvoorbeeld, de tijden van de vijf gebeden staan vast; het vasten is verplicht in de Ramadanmaand en alleen tussen zonsopgang en zonsondergang. Evenzo is er een specifieke tijd in het jaar voor de Hajj, dat is van 8 tot 12 Dhul-Hijjah.

2. De plaats waar de ‘Ibādah wordt uitgevoerd. De Shari’ah specificeert dat bepaalde ‘Ibādah op bepaalde aangewezen plaatsen uitgevoerd moeten worden. Bijvoorbeeld: de plaatsen om de Hajj en I’tikāf uit te voeren worden bepaald door de Shari’ah. De plaatsen om in de staat van Ihrām te komen worden ook gespecificeerd door de Shari’ah. Soms overtreden moslims dit, wanneer zij in de Ihrām komen (beginnen met talbiyah en niyyah voor de Hajj) in Jedda en niet op de daarvoor bestemde plaatsen. Dit is fout.

3. De hoeveelheid van Ibādah, of het aantal keren dat Ibādah is uitgevoerd. Voor de meeste ‘Ibādah heeft de Shari’ah een bepaald aantal tijden gespecificeerd waarin de ‘Ibādah of haar componenten moeten worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld de gebeden; zij hebben een bepaald aantal raka’as en sujūd, en voor Tawāf (rondgang) is er een vastgesteld aantal rondes etc. We moeten deze regels niet opzettelijk schenden. Het opzettelijk schenden kan leiden tot de afwijzing van de ‘Ibādah.

4. De wijze waarop we de ‘Ibādah uitvoeren.  De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) is het beste voorbeeld dat we kunnen volgen en evenaren. Elke vorm van aanbidding (‘Ibādah) is door hem beschreven of vertoond. Dit moet niet geschonden worden door het tegenovergestelde te doen. Er zijn bijvoorbeeld verschillende manieren om verschillende gebeden uit te voeren; salāt al-Janāzah heeft geen ruku of sujūd. Zelfs de maat van de kiezelstenen die worden gebruikt om te gooien naar de Jamrāt (pilaren) tijdens de Hajj is gespecificeerd door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam; de maat van deze kiezelstenen mag niet groot zijn. Vóór we de ‘Ibādah uitvoeren moeten we de juiste manier leren, zoals de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) deze uitvoerde. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Bidt zoals je mij hebt zien bidden.” Veel Moslims schenden deze manier van ‘Ibādah tegenwoordig vanwege onwetendheid, of ze doen geen moeite dit te leren en uiteindelijk voeren ze de Ibādah op de verkeerde manier uit.

5. De vorm of het type van het object dat gebruikt wordt voor Ibādah. De Shari’ah associeert sommige ‘Ibādah met bepaalde soorten objecten. Bijvoorbeeld het soort dier dat gebruikt wordt voor udhiyyah (offeren) is gespecificeerd in de Shari’ah en dit mag niet overtreden worden. Onlangs heeft iemand in een van de moslimlanden een fatwa uitgesproken n.l. dat moslims kippen kunnen gebruiken om te offeren; dit is een duidelijke schending van de ‘Ibādah; als een moslim het zich niet kan veroorloven een ram te offeren moet hij daar vanaf zien, omdat het geen wājib (verplichting) is. Gedurende verschillende jaren werd er door sommige metgezellen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) opzettelijk niet geofferd, zodat de mensen niet konden denken dat het wājib was. Men moet onderscheid maken in de handelingen van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: of ze nu en dan, of van tijd tot tijd uitgevoerd worden, of continu op een regelmatige basis. Bijvoorbeeld, sommige van de nawāfil zijn extra handelingen die hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) van tijd tot tijd uitvoerde. Dit moeten we in acht nemen. Een voorbeeld is de recitatie van bepaalde sūrat op bepaalde dagen: er is verklaard dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) soms soera al-Sajdah en soera al-Insān reciteerde in de fajr gebeden op de vrijdagen. Maar tegenwoordig zien we dat moslims deze twee soera’s élke vrijdag reciteren tijdens de fajr gebeden. Dit is een klassiek geval van regularisatie van af en toe plaatsvindende handelingen. We moeten ons daarvan bewust zijn omdat -als we het regelmatig doen- we andere mensen misleiden en laten denken dat het wājib is, zelfs als dat niet zo is. Als de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) iets af en toe deed, dan moeten wij dat ook af en toe doen, vooral in congregatie.

 1.2 Handelingen die ‘Ibādah niet als doel hebben.

Dit zijn handelingen die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) spontaan, of zo maar uitvoerde. Er waren ook dingen die hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) deed omdat dat gebruikelijk was in die tijd. Dit soort handelingen hebben ‘Ibādah niet als doel. Daarom moeten wij ze ook niet uitvoeren als ‘Ibādah. Als we ze uitvoeren, moet onze intentie hetzelfde zijn als van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Hieronder volgen wat voorbeelden:

• De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) had de gewoonte zijn haren op schouderlengte te hebben omdat men in zijn tijd de haren lang liet groeien; dit werd niet gedaan met het ‘Ibādah als doel. Dus als iemand vandaag zijn haren laat groeien moet dat niet met de intentie van ‘Ibādah zijn.

• De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) liet altijd een of meerdere knopen van zijn gewaad open, vanwege de hitte en niet met ‘Ibādah als doel.

• De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) droeg een tulband omdat het de gewoonte was voor mannen om een tulband te dragen.

• Sommige hadiths verklaren dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) een (wandel) stok gebruikte. Dit gebeurde niet ten behoeve van ‘Ibādah. Willen we de handelingen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) uitvoeren, dan moeten we ze niet ten behoeve van ‘Ibādah uitvoeren, maar in plaats daarvan zouden we ze moeten uitvoeren uit liefde voor hem.

 2. Onderscheid maken tussen ‘Ibādah en non-‘Ibādah

Hoe kunnen we de handelingen onderscheiden die gedaan worden ten behoeve van ‘Ibādah en de handelingen die dit niet als doel hebben? Volgens de geleerden wordt een handeling als ‘Ibādah beschouwd als de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) heeft:

• opgedragen de handeling uit te voeren, of

• verboden heeft deze uit te voeren, of

• gezegd dat deze handeling wordt beloond, of

• gezegd dat wanneer wij deze handeling uitvoeren, we daarvoor gestraft zullen worden.

 3. De volmaaktheid van de Islam

De kwestie van het invoeren van iets wat niet in de Shari’ah thuishoort, versterkt het feit dat de Islam een volmaakte religie is, zonder gebreken of behoefte aan toevoegingen: “Nu heb Ik uw godsdienst voor u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooid en de Islam voor u als godsdienst gekozen.” (soera al-Mā’idah:3)

 4. Gebrek aan respect voor de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam

Vanwege het feit dat de Islam volmaakt is, is het niet nodig iets toe te voegen of te verwijderen. Daarom is het beledigend als men iets nieuws toevoegd of iets verwijderd; het is een gebrek aan respect voor Allah en de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

 5. Het vermijden van Bid’ah

Imam al-Shātibi zegt dat als er bepaalde zaken gezien worden als ‘Ibādah, terwijl ze dat niet zijn, dit zal leiden tot Bid’ah. Er is een hadith die verteld over drie mannen die continu goede daden wilden doen. De eerste man zei dat hij nooit zou gaan trouwen, de tweede man zei dat hij de hele nacht zou bidden en niet zou slapen en de derde zei dat hij elke dag zou gaan vasten. Toen de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dit hoorde zei hij dat hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de meest vrome en rechtvaardige onder de mensen is, maar niet doet wat de andere drie mannen trachten te doen. Dit laat zien dat de handelingen waarvan de mannen dachten dat het ‘Ibādah was, resulteert in Bid’ah omdat zij niet werden gepractiseerd door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

 6. Het kiezen van de gemakkelijke manier van ‘Ibādah.

Al-Shātibi zegt ook dat men zich niet moet onthouden van bepaalde soorten voedsel ten behoeve van ‘Ibādah. We kunnen dit doen voor de gezondheid maar niet ten behoeve van ‘Ibādah. Verder zegt hij, dat als er meer dan één manier bestaat om een verplichting na te komen, we de gemakkelijkste manier moeten kiezen om deze uit te voeren. Bijvoorbeeld, als het buiten koud is en we de keuze hebben tussen koud en warm water voor de (rituele) wassing (wudū), dat we dan warm water moeten gebruiken. We moeten niet het koude water gebruiken en het onszelf ongemakkelijk maken, om te laten zien dat we sterke moslims zijn en denken dat we door dit ongemak een extra beloning krijgen.

Een ander voorbeeld: als er een keuze is om naar twee masjīd (moskeëen) te gaan met verschillende afstanden, zouden we naar de dichtstbijzijnde moskee moeten gaan. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) passeerde een plaats en zag iemand in het midden van de straat in de zon staan. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vroeg aan zijn metgezellen wat deze man aan het doen was. Zij vertelden hem dat de man de belofte had gedaan om te vasten terwijl hij in de zon staat. De man werd verteld dat hij het vasten af moest maken, maar uit de zon moest gaan. Er werd hem verteld dat hij het vasten moest voltooien omdat dit een goede handeling is; het nakomen van een belofte is een verplichting, terwijl het minder schadelijk en gemakkelijker is om uit de zon te gaan om de ‘Ibādah uit te voeren.

 7. De Shari’ah is gebaseerd op gemak.

De geleerden zeggen dat we geen ongemak moeten verbinden aan onze ‘Ibādah, met de hoop dat het ons meer zal belonen. De Shari’ah is gebaseerd op gemak. Daarom moeten we altijd de gemakkelijkste weg kiezen wanneer we een ‘Ibādah uitvoeren, want dit stelt ons in staat het correct te doen; als we de moeilijke route zouden kiezen dan kunnen we na enige tijd problemen krijgen in het houden van onze belofte om de ‘Ibādah uit te voeren. Een ongemak verbinden aan ‘Ibādah wat niet in de Shari’ah is gespecificeerd, moet vermeden worden.

 8. Het afwijzen van ‘Ibādah.

De geleerden vermelden ook, dat als iemand de Shari’ah schendt door iets nieuws toe te voegen aan een ‘Ibādah, deze ‘Ibādah verwijderd wordt. Dit hangt af van de soort van overtreding. Als iemand bijvoorbeeld de voorwaarden van het gebed overtreed, zal zijn ‘Ibādah niet worden geaccepteerd. Als een handeling Bid’ah is wordt deze verwijderd en degene die het doet zal ondervraagd worden op de Dag des Oordeels en zal aan straf worden onderworpen. Is er is echter een goed excuus voor deze handeling, dan wordt deze niet beloond en kan het zijn dat de persoon verontschuldigd wordt door Allah  of niet wordt gestraft.

 9. Twee aparte handelingen die gelijktijdig worden uitgevoerd.

De omgang met wereldse zaken (mu’āmalāt): als iemand de principes van het handelen wijzigt of veranderd en het de Shari’ah wet schend, dan wordt de transactie verworpen. Bijvoorbeeld als de handel op Harām principes is gebaseerd. Ibn Rajab zegt dat de geleerden een verschillend standpunt hebben over de twee aparte handelingen die gelijktijdig worden uitgevoerd waarbij een van hen de Shari’ah overtreedt, terwijl de ander dat niet doet. Bijvoorbeeld: een man die tijdens zijn gebed zijden kleding draagt of een man die bidt in een huis wat gestolen is of met geweld van de rechtmatige eigenaar is afgenomen.

Wordt in zo’n situatie zijn gebed geaccepteerd? De meeste geleerden zijn van mening dat zijn ‘Ibādah wordt geaccepteerd, maar zij zeggen dat de persoon ondervraagd zal worden over zijn overtredingen. (het dragen van zijde of het bidden in een gestolen accomodatie)

 Conclusie

Deze verzameling van hadiths van Imam al-Nawawi is geselecteerd op basis van principes en criteria wat de moslim zal helpen de Islam te practiseren om zo zijn dagelijkse religieuze verplichtingen met gemak te vervullen.

Hadith 5 stelt het criterium voor de moslim om zijn handelingen te kunnen beoordelen en evalueren en om hun juistheid en aanvaardbaarheid te kunnen waarborgen.

 Hadith 6: Reiniging van het hart.

Abū ‘Abdullah al-Nu'mān, de zoon van Basjir (Allah’s welbehagen zij met vader en zoon) heeft gezegd: ‘Ik hoorde de boodschapper van Allah (sallallāhu ‘alayhi wasallam)) zeggen: “Het is duidelijk wat halal en haram is; daartussen bestaan twijfelachtige zaken, waarvan veel mensen niet weten wat ze ermee aan moeten. Degene die zich verre houdt van twijfelachtige zaken heeft zich daarmee weten te zuiveren voor wat zijn religie en eer betreft. Degene echter die zich met twijfelachtige zaken bezighoudt, komt in het verboden gebied terecht, net als de herder die zijn kudde vlakbij de weide van iemand anders laat grazen en daardoor grote kans loopt dat ze daarin gaan grazen. Is het niet zo dat elke koning zijn eigen domein heeft en dat (de grenzen van) Allah’s domein de verboden dingen zijn? Zo bevind er zich in het lichaam een vleesklompje: als dat gezond is, dan is heel het lichaam gezond en als het ziek is, dan is het hele lichaam ziek. Dit nu is het hart.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim)

 Achtergrond

Wat opvalt is dat Imam al-Bukhāri deze hadith als eerste in zijn Boek van Handel (Kitāb ul-Buyu’) heeft geplaatst. Sommige geleerden zeggen dat Imam al-Bukhāri niet alleen een muhaddith was die hadiths memoriseerde, verzamelde, registreerde en samenstelde; hij was ook een faqih (jurist) en zijn fiqh (jurisprudentie) kan op vele manieren worden opgemerkt. Een ervan is de manier waarop hij elk hoofdstuk van een titel voorzag. Hij koos voor een bepaalde uitspraak die hij dan gebruikte als titel voor het hoofdstuk. Deze titel reflecteert zijn fiqh. Ook de manier waarop de hadith is overgeleverd, waar het is geplaatst, in welk hoofdstuk en het feit dat een hadith soms herhaald wordt in meerdere hoofdstukken; dit alles reflecteert de fiqh van Imam al-Bukhāri. Maar waarom begon Imam al-Bukhāri zijn kitāb ul-buyu’ met deze hadith? Wat betekent dit? Er zijn vele implicaties. Een ervan is, dat deze twijfelachtige zaken gerelateerd zijn aan de dingen die we kopen en verkopen. Er wordt gezegd dat zijn vader hem eens vertelde dat hij in 40 jaar nooit iets bedenkelijks mee naar huis heeft gebracht. Hier kunnen we zien dat Imam al-Bukhāri op twee manieren is beïnvloed door zijn vaders houding:

1. Zijn vader bracht alleen dat wat halāl was, mee naar huis. Wat de familie at, dronk, gebruikte of droeg (kleding) was halāl. Er waren geen bedenkelijke artikelen. In deze omgeving is Imam al-Bukhāri opgegroeid. Er wordt ook verteld dat wanneer zijn vader du’ā (smeekbede) naar Allah verrichtte, zijn du’ā beantwoord werd vanwege het feit dat hij zich niet met bedenkelijke zaken bezighield. Dit kwam tot uiting in het gedrag en de houding van Imam al- Bukhāri. Vandaar dat deze hadith de openingshadith was van kitāb ul- Buyu’.

2. Imam al-Bukhāri staat ook bekend als een groot muhaddith. Een van de dingen waar een muhaddith mee te maken heeft, is al-Jarh wa al-Ta ‘dīl; de status van de overleveraars van hadith n.l. of zij beschouwd kunnen worden als sadiq (betrouwbaar en geloofwaardig) of anders, d.w.z. degenen die liegen kunnen niet als betrouwbare overleveraars van hadiths worden beschouwd. De muhaddithūn gebruikten specifieke termen om de status van een overleveraar aan te geven. Wanneer het gaat over de status van leugenaars of van degenen waarop we niet kunnen vertrouwen, gebruikte Imam al-Bukhāri een nogal verbazingwekkende stijl van al-Jarh wa al- Ta ‘dīl; het gebruik van indirecte termen. Deze stijl weer- spiegelt zijn vroomheid en zijn oprechtheid. Hij zou nooit simpel iemand een leugenaar noemen. In plaats daarvan zou hij zeggen: “Hij wordt bestempeld als leugenaar.” Wanneer er controversiële kwesties of tegenstrijdige standpunten waren, volgde hij een voorzichtige benadering. Bijvoorbeeld, wanneer er tegenstrijdige standpunten waren of iets verplicht is of niet, zoals de recitatie van soera al-Fātihah tijdens de gebeden van de ma’mum⁵ )Ma‘mum: degenen die bidden achter de Imam in het gezamelijk gebed.(  in congregatie, dan zou hij er voor kiezen om dit te behandelen als een verplichting. Een andere denkwijze kan een andere benadering hebben, waar sommige geleerden zullen volgen ongeacht waar het bewijs hen naartoe leidt mits het deugdelijk en authentiek is.

 Lessen

 1. Categorieën van handelingen

De geleerden zijn van mening dat de grote meerderheid van handelingen onder een van de twee eerste categorieën valt; het is duidelijk geoorloofd of ongeoorloofd. Slechts een klein aantal handelingen valt onder de 3e categorie: de handelingen die bedenkelijk zijn

 2. Het gebruik van analogie

Er dient te worden opgemerkt dat de Profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) analogie gebruikte als een manier om zijn boodschap over te brengen. Gebaseerd op de bewoordingen van de analogie (d.w.z.“...net als de herder die zijn kudde vlakbij de weide van iemand anders laat grazen en daardoor grote kans loopt dat ze daarin gaan grazen..”) kunnen we zeggen dat bedenkelijke dingen geassocieerd kunnen worden met ongeoorloofde dingen.

 3. Het belang van de Verheerlijking van Allah.

In deze hadith wordt het belang van het verheerlijken van Allah benadrukt. Dit houdt in: het vervullen van de verplichtingen en het vermijden van wat Allah heeft verboden. Een Imam zei eens: “Kijk niet naar de kleine zonde die je hebt begaan maar kijk naar de glorie van Degene waaraan u ongehoorzaam bent geweest” d.w.z. Allah. Het maakt niet uit hoe klein de zonde is, het is een bewijs op zich met betrekking tot de ongehoorzaamheid jegens Allah. Dit is op zich een handeling van het trotseren van de verheerlijking van Allah en de verheerlijking van Allah  is één van de fundamentele principes van Tawhīd.

 4. De principes van Tawhīd

Zoals vermeld in hadith nr1 worden belangrijke handelingen of de principes van Tawhīd uitgevoerd door het hart. Daarom wordt het hart vermeld aan het einde van deze hadith. In de eerste instantie kan men zichzelf afvragen wat het hart te maken heeft met deze hadith. In het hart verheerlijken we Allah. Het hart verhindert ook dat we dingen doen die harām zijn. Dus als het hart sterk, gezond, vrij van zwakheden en vol van Imān is, zal het ons hinderen in dat, wat harām is d.w.z. muharramat (zondige daden) en de makrūhat (ongewenste handelingen). Alleen degenen die een sterk en gezond hart hebben (d.w.z. een hart vol liefde en vrees voor Allah) zijn capabel om dat, wat bedenkelijk is te vermijden. Degenen met een verziekt hart en wiens Imān (geloof) zwak is, zullen om de zaken heen draaien en dat is bedenkelijk. Beetje bij beetje en op een geleidelijke manier zal de eigenaar van zo’n hart toegeven aan wat makrūh is en dit zal hem leiden tot het plegen van wat harām is. Een voorbeeld van makrūh is het uitstellen van het verplichte gebed op de voorgeschreven tijd terwijl een voorbeeld van harām, het afgelasten van de verplichte gebeden is. Zulke zaken worden besloten door de conditie van het hart. Het is de reinheid van het hart wat dit bepaalt en daarom leggen de geleerden er nadruk op. Op dezelfde manier kunnen we moslims samen zien bidden in de masjīd, maar wat elk individu onderscheid is de conditie van het hart d.w.z.: of het verbonden is aan Allah of anders. Hier moeten we ons mee bezighouden, terwijl we tegelijkertijd met anderen moeten wedijveren in goede daden. We moeten goed voor ons hart en haar reinheid zorgen en proberen elke vorm van ziekte te verwijderen. We moeten ons hart sterk maken om het levend te houden. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) onderscheidde ooit de Imān van Abu Bakr al siddīq Radi Allahu Anhu met dat van de rest van de Ummah. Als je het Imān van alle moslimnaties op een schaal zou leggen en de Imān van Abu Bakr al-Siddīq op een andere schaal, dan zou de schaal van Abu Bakr al-Siddīq zwaarder wegen dan die van de hele Ummah! De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei ook dat er iets in het hart van Abu Bakr al-Siddīq is wat hem doet onderscheiden van de rest, en om deze reden staat hij bekend als ‘al-Siddīq’ (de waarheidslievende). De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei ook: “Wanneer ik iemand tot de Islam roep, zal dit individu enige aarzeling hebben, behalve Abu Bakr al-Siddīq RadiAllahu Anhu. Vanaf het moment dat ik met hem sprak over de Islam, geloofde hij onmiddellijk in Allah en dat ik de boodschapper van Allah ben.” Dus het is zijn hart wat hem kenmerkt als al-Khalifatul-Awwal (de eerste Kalief) en als de eerste metgezel van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam). Gebaseerd op de hierboven verklaarde redenen kunnen we samenvatten dat elke moslim goed voor zijn/haar hart moet zorgen. Dit kan men doen door het beoefenen van de fundamentele principes van Tawhīd: door Allah lief te hebben, Allah te vrezen en op Allah te vertrouwen. Men zou ook het vertrouwen en de hoop alleen bij Hem moeten leggen. Hiertoe behoort ook het zoeken van hulp en toevlucht bij Hem alleen, om ervoor te zorgen dat het hart levend is en gevuld is met Imān (geloof). Op dezelfde manier moet men er zeker van zijn dat zijn/haar hart gezond is, en vrij is van elk type van ziekte, zoals bijvoorbeeld hebzucht, arrogantie etc.

 5. Het hart

Een andere hadith vertelt dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat ons hart keer op keer blootgesteld zal worden aan fitan (6) (‘Fitan’ heeft vele betekenissen zoals: beproevingen, slechte daden, twijfels, misvattingen en menselijke verlangens) Het hart wat beïnvloed is met fitnah zal een zwarte vlek hebben, terwijl een hart wat capabel is om zo’n fitnah te overwinnen een witte vlek zal hebben. Uiteindelijk zal het hart één van de twee zijn. Het zal de éne zijn die rein is, of de ándere die verzegeld is na de invloed van verboden of bedenkelijke zaken. Het laatste -ondanks- het feit dat het hart nog steeds bloed pompt en klopt- is eigenlijk dood. Dit is vanwege het feit dat de Imān (geloof) zwak is en dit het ongezond maakt. Vandaar dat het vermijden en het uit de buurt houden van fitan belangrijk is voor een zuiver hart. Men kan dit punt niet genoeg benadrukken, vooral omdat er tegenwoordig te veel negatieve afleidingen zijn die het hart verleiden. De misdadigers bevorderen het kwade en dringen het op aan anderen. Dus als een moslim niet goed oplet, zal zijn/haar hart capabel zijn om verslaafd of ‘gestolen’ te worden, zoals sommige geleerden het uitleggen. En misschien gebeurd dit wel zonder dat de eigenaar zich er van bewust is. Als je hadiths leest, zul je merken dat het meestal begint met het bespreken van een bepaalde kwestie, zoals het aanmoedigen van een goede handeling of afraden wat slecht is. Daarna wordt het principe uitgelegd. Gewoonlijk staat het principe of het belangrijkste van de hadith op de laatste regel van de conclusie van de hadith. In relatie tot de hadith hierboven, waar gesproken werd over datgene wat halāl, harām is en wat bedenkelijk is. Het eindigt dan met de woorden over het hart, wat eigenlijk het kernpunt is van de hadith d.w.z.: we moeten ons hart beschermen door uit de buurt te blijven van wat harām of bedenkelijk is. We moeten ons hart zuiveren om te garanderen dat het leeft en gezond is.

 6. Het vermijden van dubieuze zaken.

In deze hadith kunnen we de leermethode van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zien, die erg effectief is. Hij begint met het bespreken van het algemene concept vóór de toepassing van het principe. Zo’n principe maakt het niet alleen mogelijk voor ons de verschillende concepten die in deze hadith worden besproken te begrijpen, maar het stelt ons ook in staat hetzelfde principe te gebruiken wanneer andere vergelijkbare feiten en situaties zich voordoen. Imam al-Bukhāri registreerde deze hadith in Kitāb ul-Buyu’ (Boek van Handel). Dit is vanwege het feit dat er veel dingen bedenkelijk zijn in de handel, bijvoorbeeld oplichting. Om deze reden moeten we er voor zorgen dat alle handelingen op een professionele manier moeten worden uitgevoerd. M.a.w. onze handelingen moeten gebaseerd zijn op dat, wat duidelijk en wettig is. Vandaar dat alles wat dubieus is vermeden moet worden. De bovenstaande kwestie staat in verhouding met de kwestie van ma‘kulat (voedsel), waarin we veel bedenkelijke ingrediënten vinden die we consumeren. Als we de ingrediënten die gebruikt worden om voedsel te produceren (d.w.z.: koekjes, ingeblikt en geconserveerd voedsel) zouden onderzoeken, zouden we ons afvragen wat hun origine en toelaatbaarheid is. Lecitine bijvoorbeeld wordt in veel westerse producten gebruikt en deze artikelen worden door veel moslimlanden geïmporteerd. Als het niet duidelijk beschreven zou staan op het etiket of de container etc. dat het komt van soya of halāl extracten, dan zou men kunnen zeggen dat de lecitine hoogstwaarschijnlijk komt van khinzir (varken), omdat dit goedkoop is om te produceren. Een ander algemeen voorkomend ingrediënt is de emulgator. Emulgeermiddelen worden geëtiketteerd met de letter ‘E,’ gevolgd door een serie van nummers. Sommige emulgeermiddelen bevatten verboden bestanddelen. Sommige moslim wetenschappers doen pogingen om deze ingrediënten te identificeren. Deze informatie kan gebruikt worden als controlelijst wanneer we voedsel kopen voor onze familie. We moeten altijd voorzichtig zijn als we de etiketten van voedsel lezen, om er voor te zorgen dat we alleen eten wat halāl is. In een andere hadith wordt vermeld dat onze smeekbede niet zal worden vervuld als we harām voedsel eten. We moeten goed op onze gezondheid letten. Een groot aantal producten bevat tegenwoordig veel conserveringsmiddelen, kleurstoffen en chemicaliën.  Ondanks het feit dat zulke additieven in het algemeen toelaatbaar zijn, kan het effect hebben op onze gezondheid als we ze overdadig gebruiken. Daarom moeten we als Moslims voorzichtig zijn en er niet te veel van eten om zo onze gezondheid niet te schaden.

 7. De toestand van het hart

Sommige vertalers van deze verzameling van 40 hadiths, identificeren zaken die bedenkelijk zijn of vermelden controversiele kwesties indien dit betrekking heeft op zaken die gebaseerd zijn op bewijzen van de Koran en Sunnah die tegenstrijdig lijken te zijn en wanneer er geen oplossing lijkt te kunnen worden gevonden voor zulke conflicten. Zij vermelden ook de verschillende standpunten over deze onderwerpen die tegenstrijdig lijken te zijn. Ze kunnen zelfs een aantal zaken noemen die geoorloofd zijn, maar dit kan een dergelijk individu ertoe leiden om een handeling te plegen die harām is of hem leiden tot het verwaarlozen van een verplichting. Sommige geleerden zeggen dat het makrūh is om laat op te blijven zonder reden, zoals bijvoorbeeld voor nutteloos geklets. Ondanks het feit dat dit geoorloofd is, zal het zo’n individu wegleiden van hetgeen wajib is d.w.z. het verrichten van de salātu al-fajr in congregatie in de moskee. Geleerden zeggen ook dat er sommige zaken zijn die kunnen zijn afgeleid of besloten op basis van een bepaalde hadith, waarbij de authenticiteit van de hadith twijfelachtig is. Dit kan ook behandeld worden als dubieuze zaak. Nogmaals, het belangrijkste punt wat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) verklaard heeft in deze hadith, is het belang van de staat van het hart. Als het hart gezond, sterk, vol van Imān (geloof) is, zullen we verantwoordelijker en bewuster zijn van hetgeen we verondersteld worden te doen en hetgeen we niet moeten doen. Ondanks het feit dat sommige vertalers ons hebben voorzien van principes om zaken te onderscheiden die als dubieus beschouwd moeten worden, kunnen dergelijke zaken nog steeds ter discussie worden gesteld of besproken worden. Niettemin, als de staat van het hart van iemand gezond en goed is dan -als Allah wil- zal hij geen moeite hebben met het onderscheiden van wat twijfelachtig is en wat dat niet is. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij de eigenaar van het hart niet weet of iets bedenkelijk is, terwijl de handeling harām is, maar niettemin doorgaat met het plegen van zo’n handeling, vanwege de zwakke en ongezonde conditie van zijn hart. Zoals benadrukt, is het hart het kernpunt in het behandelen van twijfelachtige zaken. Als we werkelijk belang hechten aan de staat van onze Imān (geloof) dan handelen we op een verstandige manier en zijn we er zeker van dat onze harten in een goede conditie zijn. Dan is het met de genade van Allah mogelijk om onszelf te redden, als Allah ons wil begeleiden door ons hart te verlichten met Zijn ‘nūr’ van begeleiding. Dit op zichzelf zal ons helpen de twijfelachtige zaken te identificeren en vermijden. Ook zijn er oefeningen die we kunnen doen om twijfelachtige zaken te kunnen identificeren en vermijden:

• Al-Muhāsabah: verantwoordelijkheid voor de eigen daden

• Al-Murāqabah: jezelf weerhouden iets slechts te doen

• Dhikrullāh: het gedenken van Allah . Imam Nawawi heeft ook een ander boek samengesteld: het ‘Boek van Adhkār’ waarin hij de hadiths van adhkār heeft geregistreerd. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat het gedenken van Allah het hart zuivert. Niettemin moeten we het correct en voortdurend doen. Deze adhkār worden gewoonlijk ná de gebeden uitgevoerd.

8. Het respectvol begroeten van de Profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) Het is ook erg belangrijk dat we voortdurend bewust zeggen en schrijven: ‘al-salātu ‘alā an-Nabi’ (gebeden en zegeningen sturen naar de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam). We moeten de afkorting VZMH (vrede zij met hem) of SAW (sallallāhu ‘alayhi wasallam) niet  gebruiken. Deze zinnen zijn eigenlijk du’a (smeekbedes). Vanwege deze reden moet zo’n du’a niet worden afgekort. Een ander punt om over dit onderwerp na te denken is: Waarom hebben we een afkorting nodig? Is dit om tijd uit te sparen? Of om inkt te sparen? De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Kennen jullie de hebzuchtigen? Dat zijn degenen die mijn naam horen en niet ‘sallallāhu ‘alayhi wasallam’ zeggen.” In een andere hadith zegt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dat als we ‘al-salātu ‘alā an-Nabi’ in praktijk brengen, Allah Zijn gebeden en zegeningen naar ons zal sturen (yusalli ‘alayh). Wat betekent dit? Geleerden zeggen dat Allah de persoon zal begeleiden die al-salātu ‘alā an-Nabi’ practiseert en hem het licht geeft voor het onderscheiden van goed en kwaad. Het is een licht dat in het hart zal zijn. Dit wordt ‘as-salātu minallāhi ‘ala al-‘abd’ genoemd. Bovendien worden we tien keer beloond voor elke keer dat we ‘sallallāhu ‘alayhi wasallam’ zeggen. Vandaar dat we moeten streven al deze goede daden te doen. We moeten meer van onze profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) houden dan van onszelf, onze familie, onze ouders, onze kinderen en alle andere dingen.

 Conclusie

Een moslim kan in zijn/haar dagelijkse handelingen en activiteiten met twijfelachtige zaken worden geconfronteerd. Deze hadith helpt de moslim bij de aanpak van zulke zaken. Er zijn wat handelingen die ons kunnen helpen in het volbrengen van deze taak: hayā (bescheidenheid), murāqabah, muhāsabah, dhikr (het gedenken van Allah) en ‘al-salātu ‘alā an-Nabi’ sallallāhu ‘alayhi wasallam. Dit zijn dingen, die insha Allah ons kunnen helpen onze harten te verlichten en te zuiveren, wat vervolgens ons zal helpen de dubieuze zaken te identificeren en te vermijden; dit is het kernpunt, de sleutel en het principe van deze hadith. “Zo bevind er zich in het lichaam een vleesklompje: als dat gezond is, dan is heel het lichaam gezond en als het ziek is, dan is het hele lichaam ziek. Dit nu is het hart.”

 Hadith 7: Nasihah

Volgens Tamim Ibn Aus al-Dāri (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft de Profeet (Allah’s zegen en vrede zij met hem) gezegd: ‘Godsdienst is oprechtheid.’ Wij zeiden: 'Ten opzichte van wie?' Hij zei: ‘Ten opzichte van Allah, Zijn Boek, Zijn Boodschapper, de leiders van de moslims en hun gemeenschap.’ (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond

Er is geen exacte vertaling voor het woord ‘nasihah,’ omdat we hier te maken hebben met een breed concept. Sommigen gebruiken de term ‘oprechtheid’ (dit is alleen een klein gedeelte van het concept) om bedrog en oplichting tenniet te doen. Volgens Imam Ibn al-Salah is nasihah ‘oprecht zoeken naar het beste op het gebied van intentie en handeling voor degene tot wie hij nasihah richt.’ Deze hadith is een diepzinnige uitspraak. Sjeikh Jamaal al-Din Zarabozo zegt dat in deze korte verklaring de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de essentie van de Islam beschrijft. Vandaar dat nasihah het grootste deel en de meest belangrijke pilaar van de Islam vormt, omdat het Islam, Imān, en Ihsān (die in hadith 2 zijn besproken) insluit

Lessen

1. Nasihah voor Allah

Ten eerste moet nasihah aan Allah worden gericht. Dit houdt in: het vervullen van de verplichtingen op de best mogelijke manier (Ihsān), wat het grootste doel in het leven van iedere Moslim moet zijn. Dit houdt ook in: streven om zo dicht mogelijk bij Allah te komen, niet alleen door de verplichtingen na te komen maar ook dat, wat de voorkeur heeft. Men moet niet vergeten om zich te onthouden van wat verboden is en vermijden wat slecht is.

 Nasihah voor Allah omvat het volgende:

 • Geloven in Allah en niemand naast Hem plaatsen.

• Geloven in Zijn namen en eigenschappen.

• Zijn bevelen gehoorzamen.

• Zijn opdrachten vervullen en afzien van wat Hij verboden heeft.

• Hem gedenken op een goede manier; in alle situaties en omstandigheden.

• Houden van datgene waar Hij van houdt en haten wat Hij haat; ongeacht of het objecten, personen, handelingen of gezegden etc. zijn.

• Zijn zegeningen erkennen die Hij ons heeft geschonken en Hem correct bedanken voor deze zegeningen. Iemand die nasihah naar Allah wenst te doen moet de correcte intentie hebben d.w.z: het vervullen van de rechten van Allah, zelfs als hij niet in staat is of vrijgesteld is van het uitvoeren van zo’n verantwoordelijkheid. Ondanks het feit dat iemand misschien niet in staat is een verplichting uit te voeren (vanwege ziekte of gebrek aan middelen) is het minste dat er van hem kan worden gezegd, dat hij de juiste niyyah (intentie) heeft in het vervullen van zijn verantwoordelijkheid naar Allah. De handelingen van het hart (d.w.z. geloven in de genade van Allah, Hem vertrouwen, vrezen en toevlucht zoeken bij Hem) en de handelingen van de ledematen (gebeden, zakāh etc.) vallen ook onder nasihah aan Allah. Eerlijkheid is ook een van de aspecten van dit belangrijke concept. Men moet altijd eerlijk zijn en Ikhlās⁷ praktiseren in wát men ook doet. In feite zou Ikhlās het eerste moeten zijn waar een Moslim naar streeft wanneer hij nasihah aan Allah geeft.

 2. Nasihah voor Zijn Boek

Dit omvat het volgende:

• Geloven dat de Koran het Woord van Allah is en dat dit niet gelijk staat aan de woorden van mensen.

• De Koran lezen en practiseren in overeenstemming met iemands vermogen.

• Haar vermaningen, lessen en parabels bestuderen.

• Anderen aansporen geloof te zoeken in de Koran.

•De Koran verdedigen en beschermen tegen elke vorm van vervorming of misinterpretatie.

• De Koran verdedigen tegen elke valse claim die er al is, of tegen wordt gemaakt.

• De Koran respecteren en op een correcte manier behandelen. Bijvoorbeeld: gooi niet zomaar een papiertje weg waarop een āyah (vers van de Koran) staat (of b.v. een artikel uit een blad etc.) omdat het dan misschien op de grond terecht komt en er iemand over kan lopen. Als we zo’n stuk papier op de grond zien liggen, moeten we dat oprapen en veilig opbergen of verbranden zodat het niet op een oneerbiedige manier behandeld kan worden. ⁷ Ikhlās: oprechtheid.

 3. Nasihah voor Zijn Boodschapper.

Dit omvat:

• Geloven in de Boodschap, geopenbaard door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

• Geloven dat alles wat aan hem (sallallāhu ‘alayhi wasallam) geopenbaard is, goddelijk is geïnspireerd.

• Meer van hem (sallallāhu ‘alayhi wasallam) houden dan van onszelf en onze familie. Dit is het tweede niveau van liefde na de liefde voor Allah.

• Onze liefde voor hem (sallallāhu ‘alayhi wasallam) moet ons leiden tot het vervullen van onze verplichtingen, zoals het hem gehoorzamen.

• In relatie tot degenen die leefden in zijn tijd, hem helpen en verdedigen en tegelijkertijd zijn speciale status respecteren.

• Voor degenen van de laatste generaties kan het bewijs van de liefde van een persoon ten opzichte van zijn Sunnah bekend worden door te kijken naar de manier waarop een dergelijk persoon Zijn Sunnah observeerde, respecteerde en liefhad.

• Zeggen: “sallallāhu ‘alayhi wasallam” wanneer zijn naam wordt genoemd.

• Zijn Sunnah accepteren als een criterium waarmee we dingen, acties en uitspraken over een bepaald onderwerp beoordelen.

• Hem (sallallāhu ‘alayhi wasallam) accepteren als de ware leider van de Ummah ten aanzien van zaken van de religie (Dīn); zijn woorden zijn een autoriteit op zichzelf, terwijl verklaringen of meningen van iemand anders op de tweede plaats komt.

• Houden van degenen die hem liefhebben en degenen haten die hem haten.

• Het doen herleven van zijn Sunnah d.m.v. studeren, begrijpen, onderwijzen en verspreiden. Toch moet worden opgemerkt dat wanneer we mensen over de Sunnah vertellen, - zoals Imam Ahmed adviseerde – we dat op een prettige, vriendelijke en correcte manier moeten doen, zodat we niet eindigen met ruzie of gevecht. Een van de grootste problemen tegenwoordig is, dat moslims zich niet bewust zijn van de Sunnah. Dus één van de dingen die we moeten doen is hen bewust maken van de Sunnah. We moeten hierin niet agressief of confronterend handelen, omdat de mensen die we aanspreken zich misschien verward of beledigd gaan voelen. Dit kan resulteren in afwijzing van de Sunnah. Er wordt tegenwoordig veel bid’ah gepraktiseerd door de moslims. Een van de manieren om de bid’ah te verwijderen is het doen herleven van de Sunnah. Zoals werd gezegd door en van de vroege geleerden: “Bid’ah ontstaat alleen als de Sunnah onbekend is of niet gepraktiseerd word.” Om de Sunnah te doen herleven moet men niet beginnen met het veroordelen van de bid’ah, maar eerder door het introduceren van de Sunnah. Het onderwijzen van de Sunnah moet op een vriendelijke, prettige en correcte manier gebeuren; door een rolmodel te zijn voor degenen die de Sunnah liefhebben en volgen. Op deze manier kunnen degenen die zich er niet van bewust waren de Sunnah liefhebben, begrijpen en waarderen, wanneer ze zelf de schoonheid van de Sunnah zien.

Zij zullen dan de Sunnah gebruiken als maatstaf voor het meten van de waarde van een bepaalde handeling etc. Langzaam insha Allah, zullen de bid’ah verminderen en minimaliseren. Terwijl we de mensen vertellen over de Sunnah, dient nodige zorgvuldigheid te worden uitgeoefend om ervoor te zorgen dat mensen zich niet richten op onbelangrijke zaken. De Sunnah is gecategoriseerd in verschillende niveaus en vóór men de details bestudeert, moet men de basiselementen bestuderen. We moeten zorgen dat de mensen ook begrip, liefde en waardering voor de Sunnah krijgen op een fundamenteel en elementair niveau, vóór we op de fijnere details ingaan. Insha Allah zal dit leiden tot een heropleving van de Sunnah.

• Houden van zijn familie en van zijn metgezellen. De meeste Islamitische sekten houden van de één of van de ander; maar niet van beiden. Er zijn enkele afwijkende Islamitische sekten die hun valse geloof verspreiden door twijfel te zaaien over de metgezellen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) met de intentie dat de mensen hen dan gaan haten. Dit zal leiden tot afwijzing van de Sunnah. Sommigen sekten geloven dat de Sunnah afkomstig is van hun Imams en niet van anderen.

• Houden van mensen die de Sunnah volgen en verdedigen en die ernaar streven om de Sunnah van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) te doen herleven.

 4. Nasihah voor de moslimleiders

Het woord ‘leider’ staat zowel voor ‘ulama’(Ulama: (m.v.) een Arabische term voor geleerden van de Islam, die de religieuze kwesties bestudeerd hebben. In enkelvoud wordt de term ‘Alim’ gebruikt) als voor degenen die (op elk niveau) autoriteit hebben. Nasihah moet worden gegeven aan alle leiders, zonder te letten op rang of stand. In de Islam staat niemand boven de wet en iedereen heeft advies nodig. Zelfs de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zocht advies bij zijn metgezellen wanneer hij dat nodig vond. Hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) overlegde met zijn metgezellen bij het maken van een plan voor een gevecht tegen de kuffar, gedurende de strijd van Khandaq. In sommige andere gevallen boden de metgezellen zelf advies aan, zoals bij de strijd van Badr. Nasihah is ten voordele van iedereen die gezag heeft. Dit betekent dat de bestuurder, leider of de geleerden de éérste moeten zijn die oprecht advies ontvangen.

 Nasihah voor moslimleiders omvat het volgende:

• Hen helpen met dat wat goed en nuttig is.

• Hen gehoorzamen in wat goed is.

• Hen er op wijzen wanneer zij een fout maken of iets     vergeten zijn.

• Geduld met hen hebben wanneer zij dingen doen waar we een hekel aan hebben. We moeten proberen nasihah te geven en hen tegelijkertijd tolereren, omdat het tegenovergestelde instabiliteit creëert in de moslimsamenleving.

• Jihād met hen doen en niet rebelleren tegen hun autoriteit.

• Het maken van du’a naar Allah, om hen begeleiding en religieuze ijver te geven.

• In het advies voor hen de juiste methode, manier en weg kiezen. De geleerden verklaren dat het geven van nasihah aan de leiders op de volgende manier gedaan moet worden:

1. Men moet een goede intentie hebben (Ikhlās).

2.Het moet op een milde wijze worden gebracht d.w.z. men moet hen met respect behandelen.

3.Men moet hardheid vermijden en hen niet in verlegenheid brengen.

4.Vertel anderen niet over hun fouten, omdat dit tot meer problemen in de samenleving zal leiden.

5. Geef de nasihah privé en niet publiekelijk.

• Als men door een leider gevraagd wordt een ma ‘siyah of zoned te plegen, of iets dat tegenstrijdig is met de Shari’ah, moet men nóóit gehoorzamen. Niettemin moeten we dit op een rustige manier doen, omdat het ons doel is hen erop te wijzen dat wat zij doen verkeerd is zodat zij zullen veranderen en zij ons niet niet zullen vragen om ma ‘siyah te doen.

Onze nasihah is wat betreft de geleerden om kennis te zoeken bij hen:

• We volgen hen (de geleerden) als hun mening gebaseerd is op deugdelijke bewijzen en indicaties.

• We zoeken of wijzen niet naar hun fouten. Er zijn mensen die graag fouten van geleerden bekend zouden willen maken.We moeten dit vermijden omdat geleerden vrome mensen zijn en zo’n handeling er voor kan zorgen dat Allah  ontevreden is over ons. Het kan ook chaos veroorzaken

in de samenleving.

• We moeten hen niet blindelings volgen.

• We moeten hen respecteren.

 Nasihah voor de moslimsamenleving.

Dit omvat:

• De rechten van andere moslims in acht nemen; het voldoen van de verplichtingen naar andere moslims. Deze verplichtingen verschillen afhankelijk van de groep van moslims (d.w.z. ouders, kinderen, familie, buren etc.) Sommige van deze verplichtingen zijn: het groeten, de zieken bezoeken, du‘ā doen voor hen, het geven van oprecht advies als zij erom vragen, salātul janāzah bidden voor degene die sterft etc.

 • Het concept van al-walā’ in acht nemen, wat betekent:

1. Elke moslim liefhebben.

2. Zorgen voor alle moslims.

3. Andere moslims helpen.

4. Andere moslims verdedigen en beschermen.

 Al-Walā’ & Al-Barā’ah

Het concept al-walā’ gaat verder dan liefde, zorg en affiniteit voor elkaar omwille van Allah. Het omvat de handelingen die hieruit voortvloeien. Als men niet liefheeft, zal men niet zorgen. Als men niet zorgt, zal men niet helpen. Als men niet helpt, zal men niet beschermen. De reden waarom moslims tegenwoordig niet voor andere moslims zorgen of hen niet helpen is omdat zij iets tekort komen in hun geloof, of walā’. We moeten andere moslims liefhebben en vooral degenen die lijden, zodat we voor hen zullen zorgen en hen zullen helpen. De geleerden zijn van mening dat het minste wat we kunnen doen is hen bij te staan d.m.v. du‘ā voor hen te maken. Het concept van al-walā’ heeft een tegenhanger en dat is al-barā’ah (vijandschap en disassociatie met mensen van ongeloof en valsheid). Dit wordt gewoonlijk gebruikt om te voorkomen dat anderen kwaad doen. Niettemin moet al-bara’ah worden vermeden als:

1. Het wordt gedaan uit eigenbelang.                             

2. Het niet zal leiden tot verbetering van de manieren van de ander, maar we moeten onszelf niet distantieren van een dergelijk persoon. We kunnen beter beginnen met het geven van goed en oprecht advies en onderwijs aan hem/haar. We moeten onze liefde en zorg tonen en zorgen voor nasihah op een goede manier. Alleen als elke poging mislukt kunnen we het concept van disassociatie gebruiken en dat is alléén als dit de persoon van gedachte zal doen veranderen. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Hij is een echte moslim als hij degene is waarbij andere Moslims veilig zijn voor zijn tong en zijn hand.” De ware moslim is degene die anderen verbaal of fysiek, op welke manier dan ook, geen kwaad doet. Genade voor de jongeren en respect voor de ouderen is een gedeelte van het verheerlijken van Allah de Almachtige. Zoals gezegd in een hadith: “Hij, die geen respect toont voor de ouderen en de jongeren niet vergeeft, behoort niet onder ons.” Ook moeten we tijd, moeite en geld etc. besteden aan de Moslimgemeenschap.

Als we zijn belast met autoriteit, moeten we oprecht handelen naar Moslims en het beste voor hen doen. We moeten nasihah geven aan de mensen door te doen wat het beste is voor de Ummah n.l. het verdedigen van de samenleving en eerlijke gekwalificeerde mensen op de juiste positie zetten. Elk soort van leiderschap of autoriteit, van welke rang of stand ook, zal ondervraagd worden door Allah op de Dag des Oordeels over degenen die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. (b.v. ouders, leiders, opzichters, managers, onderwijzers etc.)

 Conclusie

Gebaseerd op alle verplichtingen hierboven genoemd, kunnen we zien dat nasihah alles omvat in Islam, Imān en Ihsān.

 Hadith 8: Het concept van de Jihād.

Volgens de zoon van ‘Omar (Allah’s welbehagen zij met vader en zoon) heeft de Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) gezegd: .‘Ik heb de opdracht gekregen de mensen te bestrijden totdat ze getuigen dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper van Allah is, totdat ze gebeden verrichten en de zakat (armenbelasting) betalen. Als ze dat doen, dan zullen ze van Mij bescherming krijgen voor wat hun leven en hun eigendom betreft. Dit (behalve wanneer ze daden verrichten die strafbaar zijn) volgens de Islam. En de eindbeoordeling berust bij Allah, de Almachtige.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim)

 Achtergrond

De meerderheid van de geleerden zegt dat het woord ‘mensen’ in deze hadith betrekking heeft op de Arabische polytheïsten. Dezelfde interpretatie kan ook gevonden worden in de Koran in soera al-Nasr. Anderen zeggen dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) refereerde naar álle mensen, behalve de Ahlul Kitāb d.w.z. de mensen van Het Boek. Er werd gezegd dat deze hadith werd ingetrokken door de latere uitspraken aangaande jizyah (compensatie). In een derde interpretatie van de hadith zegt men dat mensen de overheersing en suprematie van de Islam moeten accepteren; dat de Islam de dominante religie is. Deze doelstelling moet hoe dan ook worden bereikt, of het nu is door te vechten of door middel van vreedzame instemming.

Lessen

De Islam is de enige ware religie. Het is de waarheid: het is het Pad van Allah. Een van de goddelijke Wetten sinds Allah Subhānahu Wa Ta’ala de aarde heeft gecreëerd: het kwaad heeft altijd de waarheid bevochten. De waarheid moet worden beschermd en dit vereist kracht. Dit is de voornaamste filosofie in de Jihād; de Jihād bestaat om de waarheid en de rechtvaardigheid vast te stellen en te behouden. De Jihād is niet alleen beperkt tot vechten. Er zijn andere vormen van Jihād die niet vaak, of gematigd uitgevoerd worden zoals da‘wah, het verspreiden van kennis en het onderwijzen van anderen, het maximaliseren van het goede en het minimaliseren van het kwade, het bijleggen van conflicten en ruzies tussen moslims en streven naar verbetering van de samenleving. Wat doen we met het concept van Jihād in ons huidige leven? Er bestaan onderdrukte moslimgemeenschappen waar vechten misschien de keuze is. En vooral voor de moslims waar men het land is binnengevallen en in beslag genomen heeft. Het is hun goed recht dit te verdedigen. Hoe dan ook, in het algemeen kunnen we de hierbovenstaande vraag beantwoorden door te handelen met de interne en externe uitdagingen waar de moslim Ummah mee wordt geconfronteerd.

 Interne uitdagingen waar Moslims mee geconfronteerd worden.

Jammer genoeg is de moslim Ummah tegenwoordig niet verenigd. Het is verdeeld in groepen en sekten: religieus of politiek. Er bestaan overal conflicten tussen moslims. In deze situaties kan de Jihād de eenheid van de moslimgemeenschappen en de Ummah in zijn geheel opnieuw vestigen. Dit betekent ook het verwijderen of verminderen van conflicten en discussiepunten. Een andere uitdaging is het gebrek aan begrip van de moslims zelf. Tegenwoordig berijpt de meerderheid van de moslims de ware betekenis van de Islam niet, zelfs niet de basisconcepten. Hier is de Jihād nodig in de vorm van het verspreiden van de ware boodschap van de Islam onder de moslims in de vorm van onderwijs, zodat zij hun Dīn gaan begrijpen. Sinds de meerderheid van de moslims de Islam niet goed begrijpt, practiseert zij deze niet, of niet correct of compleet. Dit betekent dat de Shahādah (getuigenis van geloof van de moslim) van de Ummah tegenwoordig niet overtuigend is. We presenteren onszelf als rolmodel naar andere landen, terwijl we er niet naar handelen. Om hiertoe in staat te zijn moeten we de grote waarden, concepten en principes van de Islam beoefenen en de uitspraken en richtlijnen volgen.  Als we dit doen kunnen we het ware imago van de Islam laten zien en het perfecte rolmodel worden voor andere gemeenschappen en landen. Alleen dan, zullen niet-moslims zich aangetrokken voelen tot de Islam en zullen zij in staat zijn de dominantie van de Islam te accepteren in hun samenleving, omdat zij dan zien dat de dominantie van de Islam recht, goede normen en waarden, en welzijn van de mensen etc. betekent. Dit is een goede Jihād die we op ons moeten nemen, ofschoon het inspanning en tijd zal kosten dit te vestigen. We moeten stap voor stap beginnen met deze Jihād, door verschillende dingen te ondernemen. Bijvoorbeeld door de moslims te onderwijzen over hun grote religie, hen de dingen in praktijk laten brengen, ons inspannen om een goed rolmodel voor anderen te zijn, ons inspannen om een grote moslimnatie te maken evenals de Ummah te verenigen. Als we kijken naar de moslim Ummah waar we nu in leven, dan zien we dat we het basisconcept -dat zorgt voor eenheid- missen: het concept van al-walā’ (wat besproken is in hadith 7). Al-walā’ bevat vier categoriën: zorg, liefde, hulp en bescherming. Deze fundamentele eigenschappen ontbreken in de moslim Ummah en daarom moeten we ze doen herleven teneinde de Ummah te verenigen. Dit is de situatie van de moslims vandaag de dag. Hoe kunnen we over de suprematie en dominantie van de Islam spreken als de moslims vandaag de dag in zo’n zwakke toestand verkeren, met zo veel verschillen, contradicties, obstakels en tekortkomingen? Dit zijn de gebieden waar grote inspanningen en een grote Jihād nodig zijn. Maar om Jihād op een krachtige manier uit te voeren d.w.z. door fysiek te vechten is geen goed idee en dit kan alleen maar meer problemen opleveren. Er zijn tegenwoordig groepen moslims die Jihād beperken tot vechten en geloven dat dit de enige manier is om de hierboven genoemde doelen te bereiken. Dit is het vernietigen van het imago van de Islam en dit werkt de moslims tegen. Deze mensen interpreteren deze hadith in de betekenis van vechten, maar dit is niet toepasbaar in de situatie van de moslims tegenwoordig waar vechten alleen maar grotere schade veroorzaakt.

 Externe uitdagingen waar moslims mee geconfronteerd worden.

De moslimsamenleving wordt ook geconfronteerd met externe uitdagingen, die hen worden opgelegd door de opponenten van de Islam. Deze opponenten komen op verschillende manieren naar voren om tegen de moslims te ‘vechten’ en te proberen de moslimwereld te overheersen. Deze externe uitdagingen omvatten alle aspecten van globalisatie: moderniteit, veranderende leefstijlen, misbruik van de technologie, het veranderen van de normen en waarden etc. Het strijdveld van deze uitdagingen bevindt zich in de geest en de houding van de moslims -vooral bij de jongere generatie- gericht op het beïnvloeden van hun gedrag, door het beïnvloeden van hun manier van denken en het veranderen van hun percepties. De opponenten van de Islam bevorderen kwade en negatieve concepten d.m.v. nieuwe manieren en middelen. Een van die manieren is het veranderen van onze perceptie over dingen- waarin verkeerd handelen en slechte daden acceptabel zijn, of zelfs de voorkeur hebben. De laatste bevindingen op het gebied van de cognitieve psychologie worden gebruikt om de wereld te beïnvloeden -inclusief de moslims, om hun gedrag, waarden en normen en zelfs het geloof te veranderen. Als we de situatie zoals die nu is accepteren en er niets aan doen, zullen de negatieve consequenties in de toekomst groter zijn. Het heden en de toekomst is al gepland en ontworpen, maar de moslims zijn zich daar niet van bewust. We zijn ons er niet van bewust dat we het onderwerp zijn van gemene spelletjes van anderen; dat we gebruikt worden en tot slachtoffer worden gemaakt als doelgroep waar de geesten van de moslims worden gemanipuleerd en gehersenspoeld. Daarom moeten we deze externe uitdagingen bestrijden. Dit is een grote Jihād, omdat de tegenstanders van de Islam dergelijke middelen en manieren gebruiken om onze waarden, overtuigingen en identiteit als moslims te bedreigen. We moeten ons van de situatie bewust zijn en denken over wat er voor ons ontworpen is om ons te beïnvloeden en we moeten deze middelen gebruiken om de negatieve invloeden te bestrijden. De methode van beïnvloeden van de opponenten staat gelijk aan de insinuatie van Satan. Deze insinuatie –die we in de Koran kunnen vinden- wordt door Satan uitgevoerd om onze percepties te veranderen. Zoals Allah zegt, zal Satan onze perceptie zó veranderen, dat we het kwade gaan zien als het goede, óf hij beïnvloedt ons en kan zo voorkomen dat we goede dingen doen. Als we bijvoorbeeld sadaqah willen geven, zal Satan ons zó beïnvloeden, dat we gaan denken dat dit een financiele overbelasting is en dat het beter is om het geld niet weg te geven. Er wordt ook in de Koran vermeld dat Satan onder de moslims conflicten en ruzies creëert, ook d.m.v. het veranderen van hun perceptie. Een woord of term kan verschillende betekenissen en verschillende interpretaties hebben, die op hun beurt zullen leiden tot verschillende opvattingen. Dus als iemand een woord gebruikt met meer dan één betekenis, zal Satan de ander insinueren om zo de betekenis te misinterpreteren en dit kan leiden tot ruzies en conflicten. Dit is de manier waarop ruzies vaak ontstaan tussen man en vrouw, broers, vrienden en andere mensen. Dezelfde methode van het veranderen of manipuleren van onze perceptie wordt tegenwoordig gebruikt door slechte mensen die het kwade aanmoedigen d.m.v. media en tehnologie. Of het nu gebeurd door middel van films, gesproken of geschreven woorden; deze methoden worden gebruikt om onze perceptie te veranderen en te wijzigen en om onze houding en de manier waarop we tegen de wereld aankijken te beïnvloeden. Technologie kan op een positieve en negatieve manier worden gebruikt. We moeten dit beheersen en onder controle houden; het in ons voordeel gebruiken en niet als louter passieve gebruikers. Als we gebruik maken van de technologie, bijvoorbeeld internet, moeten we dat op zo’n manier gebruiken dat wíj degene zijn die het onder controle hebben en niet toestaan dat het gebruikt wordt door onze opponenten als instrument voor manipulatie. We zouden dit moeten gebruiken in onze da‘wah (oproep tot de Islam) als middel om manipulatie tegen te gaan. Of om de perceptie van de moslimgemeenschap terug te brengen naar haar originele, positieve vorm van normen en waarden, geloof en gedrag. We kunnen ook de Koranische stijl van da‘wah gebruiken; het gebruik van metaforen en analogieën. In deze methodeleer zijn we jammer genoeg erg zwak. Metaforisch en analytisch denken zijn krachtige vaardigheden die we moeten leren. Dit is feitelijk de stijl van de Koran. Zelfs al lijkt het of deze denkstijlen van het westen komen: in werkelijkheid zijn ze meer dan 1400 jaar geleden door de Islam gevestigd. Deze zogenaamde in het westen ontworpen concepten van ongeveer 50 jaar geleden, zijn feitelijk Islamitische concepten, maar zijn verloren geraakt doordat de moslims deze middelen niet gebruiken. Dus we moeten deze methoden bestuderen en gaan gebruiken. We moeten begruik maken van beeldspraak en vergelijkingen in ons dialoog wanneer we da‘wah verrichten, omdat het gemakkelijker is voor mensen om de boodschap te begrijpen. Een gedeelte van onze Jihād en verplichting is om onszelf aan te passen en onszelf uit te rusten met de juiste hulpmiddelen. Bereidwilligheid en enthausiasme alléén is niet genoeg. We moeten leren om de juiste hulpmiddelen te benutten, om tegen te gaan wat aan ons door de boosdoeners wordt opgedrongen.

 Conclusie

Om in staat te zijn de hedendaagse uitdagingen onder ogen te zien en op een goede manier te weerleggen moeten we:

• Onszelf begrijpen

• De Islam begrijpen

• Anderen onderwijzen over de Islam

•De hedendaagse uitdagingen analyseren en begrijpen

• Onzelf met de juiste middelen uitrusten.

Als we praten over het concept van Jihād moeten we niet alleen het algemene begrip van Jihād bespreken. We moeten niet emotioneel worden en onszelf vergeten, of de wereld waarin we leven en de situatie van onze Ummah, of de uitdagingen waarmee we tegenwoordig worden geconfronteerd. Dus het is niet gemakkelijk om de verschillende aspecten van Jihād te begrijpen en hoe deze te implementeren in de wereld van vandaag. Wanneer we spreken over het concept van Jihād moeten we de conflicten die in onszelf bestaan oplossen -de conflicten tussen realiteit en de ideale situatie. De grootste inspanning die we moeten maken, is vaststellen hoe we de kloof tussen de ideale situatie en de echte wereld kunnen overbruggen. Om de conflicten binnen onszelf op te lossen, hebben we psychologische en sociale aanpassingen nodig. We leven in een gemeenschap die op de een of andere manier is aangetast, maar we onderhouden onze waarden en en proberen de situatie te verbeteren. Zonder deze aanpassingen kunnen we confronterend en agressief worden, of geven we toe aan de moderne manier van leven en verwerpen we onze waarden en ons geloof. Beide extremen zijn onacceptabel. Wat we nodige hebben is assertiviteit, een sociale en psychologische aanpassing. We moeten vaststellen hoe we als goede moslim kunnen leven in deze moderne wereld met behoud van onze identiteit en morele waarden. Dit zijn de grote uitdagingen waarmee we tegenwoordig geconfronteerd worden. We moeten practisch handelen bij de aanpak van deze uitdagingen. Wanneer we over de Islam praten, doe we dat gewoonlijk in de theoretische zin, b.v. wat Taqwa (vroomheid) en Ikhlās (oprechtheid) betekent etc. We moeten in staat zijn deze concepten in ons dagelijks leven te implementeren, vooral als we geconfronteerd worden met al deze uitdagingen. Dus we moeten de concepten van de Islam in de realiteit bespreken, binnen de context van de huidige situatie van de hedendaagse samenleving.

 Hadith 9: Hoe moeten we onze verplichtingen

vervullen? Abu Hurayra ‘Abd al-Rahman Ibn Sakhr (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: Ik hoorde de boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) zeggen: “Jullie moeten je ver houden van datgene wat ik jullie verbied, verricht zo veel mogelijk als jullie kunnen van datgene wat ik jullie opgedragen heb. Waarlijk, degenen die voor jullie leefden zijn door hun vele vragen en meningsverschillen met hun profeten, te gronde gegaan.”(Overgeleverd door Bukhāri en Muslim)

Achtergrond

Het is erg belangrijk dat we de sabāb al-wurūd (redenen en achtergrond van een hadith) begrijpen, omdat dit ons in staat stelt de betekenis van de hadith te begrijpen. Deze hadith begrijpt men beter wanneer men haar achtergrond kent. Er is verteld dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) tijdens een incident zei: “Allah heeft jullie opgedragen de Hajj uit te voeren, dus doe dat dan ook, o dienaren van Allah.” Toen stond er een man op en die vroeg: “ O Profeet van Allah, moeten we dit elk jaar doen?” Toen zei de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Vermijdt dát, wat ik verbied en wat ik je opdraag te doen, doe dat zo vaak als je kunt.”

 Lessen       

Het incident hierboven is uit de tijd van de openbaringen. Te veel vragen stellen over een verplichting kan tot complicaties en verwarring leiden. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) was niet blij met deze vraag, omdat dit ertoe kan leiden dat de Hajj een jaarlijkse verplichting wordt voor elke moslim over de gehele wereld (als de profeet ‘ja’ zou hebben gezegd tegen de man). Vragen die op een goede manier worden gesteld zijn welkom in de Islam. Dit kan men verifiëren wanneer men de tweede hadith van dit boek leest en begrijpt. Zoals de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de methode van vraag en antwoord gebruikte als een methode van onderwijs voor zijn metgezellen radiyallahū anhūm. Als algemene richtlijn worden vragen die leiden tot het bevorderen van kennis en goedheid, aangemoedigd. Degenen die ontmoedigd zijn, zijn degenen die verwarrring, twijfel en chaos veroorzaken in de samenleving. Dit kan gebeuren wanneer er onnodige vragen worden gesteld, of wanneer er teveel details gevraagd worden. Een essentieel fundamenteel kenmerk van de Shari’ahwet is flexibiliteit en uitvoerbaarheid. Iemands capaciteit wordt in acht genomen bij het beslissen of hij de verplichting in kwestie moet vervullen. Een moslim wordt alleen ontmoedigt goede daden te doen als hij daartoe niet in staat is. Als voorbeeld kunnen we kijken naar de verplichting om de Hajj uit te voeren. De pelgrimage naar Mekka is alleen verplicht voor een moslim, wanneer hij/zij de capaciteiten en mogelijkheden daartoe heeft. Dit betekent niet alleen financieel; ook de fysieke mogelijkheden en andere factoren kunnen een rol spelen. Als bijvoorbeeld de moslim die de Hajj wil gaan doen een vrouw is, mag zij die alléén doen als ze wordt vergezeld van een mannelijke mahram (bloedverwant). Evenzo, als iemand onbetaalde leningen heeft openstaan, moet hij vóór hij de Hajj gaat doen eerst deze leningen afbetalen. Het is belangrijk te weten dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) in zijn hele leven maar éénmaal de Hajj heeft uitgevoerd. Dus er is geen reden voor iemand, oud of jong, om dit vaker te doen. De dalīl (het bewijs) kunnen we vinden in het volgende vers van de Koran: “....En de bedevaart naar het Huis is door Allah aan de mensen opgelegd die een een weg naar toe kunnen vinden.....” (soera Ali-Imrān:97) Wat betreft andere handelingen zoals de salāt (gebed) zei de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Doe het zo vaak mogelijk.” Dit betekent ook dat de gebeden op de juiste tijden en op de juiste manier moeten worden uitgevoerd (congregatie). Niettemin wordt er flexibiliteit getoond als men door onvermijdbare omstandigheden op andere tijden bidt, als het uitgevoerd wordt in de gespecificeerde periode. Evenzo, als de moslim niet in staat is om het gebed staande te verrichten, kan hij dat zittend doen. Dit concept van flexibiliteit wordt ook toegepast op andere handelingen van aanbidding zoals het vasten, waar de moslim toestemming krijgt zijn vasten te breken als hij op reis gaat, of wanneer hij ziek is. Desalniettemin wordt van hem verlangd dat hij zijn verplichting (d.w.z. het vasten) vervuld wanneer hij daartoe in staat is (d.w.z. de dagen waarop niet wordt gevast moet men inhalen en men moet staande bidden wanneer dat weer mogelijk is etc.) Dat, wat verboden is moet absoluut vermeden worden door moslims; alle handelingen die harām (verboden) zijn moeten vermeden worden, zelfs al heeft degene niet de intentie er zich aan over te geven. Het vermijden van handelingen die kunnen leiden tot een verboden actie, is eigenlijk een methode die wordt toegepast in de Islam; dit voorkomt dat de volgelingen vervallen in dat wat verboden is. De verklaring: ‘verricht zoveel als je kunt’ zoals gezegd door Imam al-Shafi in hadith 5, betekent dat ondanks het feit dat het een verplichting is, een moslim zich geen ongemakken moet opleggen in het uitvoeren van goede daden of handelingen. Men moet altijd de gemakkelijkste weg zoeken als deze opties beschikbaar zijn. Bijvoorbeeld de wudū: als er voor de moslim de moelijkheid is om gebruik te maken van koud en warm water voor de wudū, moeten we dát nemen wat gemakkelijker is (d.w.z. warm water).

De Shari’ah heeft ongemak nooit aangemoedigd voor haar volgelingen. Niettemin zal het ongemak wat hij ondergaat voor het vervullen van zijn verplichting beloond worden met een grotere beloning als er geen ander alternatief is voor de moslim in dit geval. Het zelfde principe wordt toegepast op mandūb (goede daden die niet verplicht zijn, maar aangemoedigd worden). We moeten altijd proberen dit soort handelingen zoveel mogelijk uit te voeren. Volgens het gezegde van een groot geleerde van de Islamitische jurisprudentie, Imam al-Shatibi Rahimahullahi Ta ‘ala, moet men zichzelf geen verbintenis opleggen van deze mandūb handelingen, door het voor zichzelf een verplichting te maken. Dit betekent dat iemand zichzelf niet moet opleggen deze handeling uit te voeren met een vaste routine, of met een vaste regelmaat. Hij of zij moet dit op zijn/haar gemak doen, binnen zijn/haar mogelijkheden. Men moet dit binnen de mogelijkheden doen, maar het nooit tot een wājib (verplichting) maken. Men moet zich vrij voelen om deze routine van tijd tot tijd te doorbreken. De reden hiervoor, is de vrees voor overbelasting in het uitvoeren van deze aanbevolen daden van aanbidding. Wanneer men door zo’n daad wordt overbelast, kan men zich gaan vervelen en het totaal opgeven. Over deze kwestie zei de Profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “O mensen, doe deze daden als je daartoe in staat bent, omdat Allah de Almachtige er niet moe van wordt, maar jullie wel.” In een andere hadith zegt de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “De handelingen die Allah de Almachtige het meest van houd, zijn de handelingen die voortdurend worden uitgevoerd, zelfs al zijn ze klein.” (overgeleverd door Imam Muslim) Er zijn situaties waarin de hadith van profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam) m.b.t. het vermijden van wat harām is, niet toepasbaar is. Een situatie waarin het nodig is te kiezen tussen het ‘kleine kwaad’ en ‘het grote kwaad.’ Bijvoorbeeld een situatie waarin men veel honger lijdt en men voedsel tot zich neemt wat harām is, omdat men anders misschien sterft; dit is toegestaan. Zo’n principe wordt erkend door de fiqh- (jurisprudentie) geleerden van de Islam, als balans tussen het heilzame en het schadelijke.

 Conclusie

Het begrijpen en waarderen van de schoonheid van zulke principes in de Islam, zoals vastgelegd in deze hadith, zal bijdragen in de manier waarop we onze religie uitoefenen, zonder te vervallen in dat, wat extreem is of op een andere manier dan onze geliefde Profeet van de Islam de religie heeft uitgeoefend.

 Hadith 10: Zuiver zijn

Abu Hurayrah (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: De boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) heeft gezegd: “Allah, de Almachtige, is zuiver en accepteert alleen het zuivere.’ Allah heeft de gelovigen gezegd: ‘O, boodschappers! Eet goede dingen en verricht goede werken.' En Allah, de Almachtige heeft gezegd : ‘O, jullie die geloven! Eet van de goede dingen, waarmee Wij jullie voorzien hebben.' Daarna vertelde hij over een man, die een lange reis achter de rug had en met verwarde haren en kleren onder het stof, zijn handen ter hemel strekt (en zegt): ‘O, Heer! O, Heer!’ Dit, terwijl zijn eten, zijn drinken, zijn kleding en zijn voedsel harām was. Hoe kan hij ooit verhoord worden!” (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond

Het woord ‘al-Tayyib’ wordt gebruikt in de Koran en Sunnah om handelingen, goede daden, mensen, dingen, taal etc. te beschrijven. De term wordt gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. Letterlijk betekent het ‘iets goeds’. Ibn Rajab interpreteert het woord als ‘al-tāhir,’ wat ‘zuiver’ betekent. De zin die in deze hadith gebruikt wordt is ‘Allah, de Almachtige, is zuiver,’ dit betekent dat Allah  alle eigenschappen en kenmerken heeft die perfekt en compleet zijn, zonder gebreken, zwakheden of vereisten. De zin..... ‘en accepteerd alleen het zuivere’ betekent dat Allah  geen daden accepteert die aan de buitenkant voor Hem lijken te worden uitgevoerd, maar in de realiteit gebreken bevatten. Dit kan gebeuren als men het bijvoorbeeld doet om op te scheppen naar andere mensen. deze handelingen lopen de kans niet geaccepteerd te worden, omdat het voortkomt uit een onzuivere bron. Bijvoorbeeld: donaties in de vorm van geld met een onzuivere bron -wat harām is- zullen niet worden geaccepteerd door Allah. Allah heeft de gelovigen (mu‘minūn) op dezelfde manier bevolen als de boodschappers: “O, gij Boodschappers, eet van hetgeen rein is.” (soera al-Mu‘minūn:51) “O, gij die gelooft! Eet van de goede dingen waarmede Wij u hebben voorzien...” (soera al-Baqarah:172)

 Lessen

De verzen hierboven en deze hadith bevatten de volgende heilzame en nuttige regels:

• De criteria voor acceptatie van onze handelingen door Allah zijn:

◦ Het geld dat men verdiend moet zuiver en legaal zijn.

◦ Het voedsel wat men consumeert moet halāl en toelaatbaar zijn.

◦ Het geld waarmee men voedsel koopt, moet uit een wettige bron komen.

• De vraag of iets toelaatbaar of verboden is wordt bepaald door de wil van Allah. Allah, de Meest Barmhartige Die uitlegt, leid en verteld of iets halāl is of anderszins. Zoals beschreven in de Nobele Koran, hebben zich in het verleden situaties voorgedaan, waarbij mensen iets harām verklaarden terwijl Allah het anders heeft beschreven. Alleen Allah heeft het recht om iets wettig te verklaren of anderszins. Niemand anders heeft het recht om een dergelijke uitspraak te doen.

 • Geld verdienen en consumeren op een manier wat halāl is, is een belangrijke voorwaarde voor de aanvaarding van onze smeekbeden (du’a) voor Allah. Manieren om du’a uit te voeren. De adāb (manieren) van du’a worden genoemd in deze hadith:

• De periode waarin men reist is een van de situaties waarin de kans groter is dat de du’a wordt aanvaard door Allah. Andere situaties die in andere hadiths genoemd worden zijn: wanneer men ziek is, wanneer we ons neerbuigen voor Allah, in tijden van regen en tijdens het laatste derde deel van elke nacht. Deze kansen mogen niet worden veronachtzaamd, omdat op deze tijden de du’a geaccepteerd worden door Allah.

• Het uitvoeren van een dergelijke du’a moet niet in hoogmoed en arrogantie maar op een bescheiden manier worden gedaan.

• We moeten onze handen omhoogbrengen bij het uitvoeren van een dergelijke du’a.

• De du’a moet worden gedaan in vol verlangen. Dit kan worden gedaan door Allah aan te roepen met deze zin: “ya Rab, ya Rab, ya Rab,” wat betekent: “O god, o god, o god.” Hier moet worden opgemerkt dat du’a een vorm van Ibādah (daad van aanbidding ) is, dus dit moet door de moslims in vol verlangen en enthousiasme gepraktiseerd worden. Het is een hoge vorm van Ibādah, zoals blijkt uit onze afhankelijkheid van Allah hulp. We hebben Allah’s genade harder nodig dan de lucht die we inademen. We hebben altijd behoefte aan hulp, begeleiding en genade van Allah -ongeacht tijd of dag- ;in elke beweging die we maken. Falen in het observeren van deze adāb (manieren) kan leiden tot het niet reageren van Allah op onze du’a. Vandaar –als we willen dat Allah onze du’a beantwoord- dat we zuivere en geoorloofde dingen moeten eten (halāl).

• Een andere uitspraak van de hadith is, dat sadaqah (naasten- liefde) alleen wordt geaccepteerd als dit afkomstig is van wettige bronnen. Dit is is gebaseerd op ‘Allah is zuiver en aanvaard alleen wat zuiver is.’ Rijkdom wat verkregen wordt uit onwettige bronnen, mag niet als sadaqah worden gegeven of gebruikt worden om de Hajj uit te voeren. Een voorbeeld hiervan is als iemand gestolen geld gebruikt om de Hajj te verrichten. In deze context zei Ibn Abbas: “Vuil kan niet boeten voor vuil.” Als iemand geld steelt, moet dat worden teruggebracht en niet worden weggegeven aan liefdadigheid, volgens de geleerden. Dit is met name van toepassing in het geval van iemand die zich wil bekeren (taubah) na het stelen van geld. Dit persoon moet het geld terugbrengen naar de rechtmatige eigenaar. Als dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld als de eigenaar niet bekend is of niet gevonden kan worden dan zijn de geleerden van mening, dat het geld dat bedoeld was om het gestolen geld te vervangen, kan worden gebruikt voor openbaar nut zoals het maken van openbare wegen of het kan namens hem worden gegeven als sadaqah. Een uitleg van de hadith, zoals gegeven door Jamaal al-Din Zarabozo is, dat deze hadith zinspeelt op het belang van het ondersteunen van zichzelf d.m.v. geoorloofde middelen. Men moet leven met de middelen die men heeft. Als de verdiensten van geoorloofde middelen komen, dan zal dat door Allah gezegend worden. Een andere uitleg die de geleerden geven is m.b.t. publieke bezittingen, zoals het igendom van een bedrijf, organisatie of een instelling. Dit is een belangrijke kwestie die men in acht moet nemen, omdat publieke bezittingen die ten onrechte worden meegenomen beschouwd worden als ghulūl (een soort van stelen, of het illegaal nemen van iets; een praktijk die niet is gecompenseerd, zelfs als iemand Jihād verricht voor Allah) totdat men het heeft terugbetaald. Dit is verklaard in een hadith over een martelaar die een klein gedeelte nam van de oorlogsbuit. Tegenwoordig nemen veel moslims deze kwestie van ghulūl niet zo serieus. Bijvoorbeeld het nemen van schrijfbehoeften van kantoor voor persoonlijk gebruik: dit is niet eerlijk. Een ander voorbeeld is het persoonlijk gebruik van het kopieerapparaat, auto van het werk, telefoon, bedrijfsgeld of elk ander werktuig, zonder de toestemming van de eigenaar. We worden ook aansprakelijk gesteld als we openbaar bezit beschadigen of vandaliseren. Umar Ibn Abdul Aziz, de vijfde Kalief (leider) in de Islam toonde een goed voorbeeld over dit onderwerp. Hij gebruikte altijd twee kaarsen om zijn kamer of huis te verlichten. Tijdens de uitoefening van zijn publieke taak stak hij een kaars aan, die was betaald met het geld van de baitulmāl (Het huis van eigendom. De schatkist van een Islamitische staat die de heerser niet mag gebruiken voor persoonlijke uitgaven, maar alleen voor algemeen belang). De tweede kaars was betaald met eigen geld wat hij gebruikte voor persoonlijke zaken. Wanneer hij stopte met werken in zijn openbare kantoor, stopte hij met het gebruik van de kaars die was betaald met het geld van de baitulmāl en nam de kaars die met eigen geld betaald was. Deze handeling moeten we volgen en zeker in het geval van het gebruik van artikelen op het kantoor. Deze mogen alleen gebruikt worden om ons werk uit te voeren. We moeten er ook voor zorgen dat we het licht en andere publieke voorzieningen uitschakelen. Zulke handelingen maken van ons goede moslims en zorgen ervoor dat onze du’a (smeekbeden) beantwoord worden door Allah.  De bewustwording onder de moslims moet worden verhoogd, om verantwoordelijker te zijn en niet toe te geven aan dat, wat ghulūl (ongeoorloofd gebruik maken van publieke voorzieningen) is. Een actueel onderwerp dat met deze hadith verbonden is, is dat we moeten letten op het voedsel dat we consumeren:

1. We moeten ons bewust zijn van de ingrediënten van het voedsel dat we eten in een restaurant, of dat wat verpakt of ingeblikt is. We moeten extra voorzichtig zijn wanneer deze geïmporteerd zijn, en er zeker van zijn dat ze uit wettige bronnen komen.

2. Veel van het voedsel dat consumenten eten leidt tot

problemen voor onze gezondheid. We moeten ons bewust zijn van de afkomst van deze voedingsmiddelen en we moeten er zeker van zijn dat ze zuiver zijn. Universiteiten moeten gezondheidseducatie introduceren zodat het publiek kennis kan vergaren over gezond voedsel. Moslims moeten goed geinformeerd zijn over de conserveringsmiddelen, kleurstoffen en chemicaliën die gebruikt worden in het voedsel. Voedsel wat een schadelijke inhoud bevat is niet tayyibāt (zuiver).

 Conclusie

Geleerden zeggen dat álles wat we eten effect heeft op onze denkwijze en ons gedrag. We moeten zuiver (al-tayyib) voedsel eten en op de juiste manier eten zoals voorgeschreven door de Islam, d.w.z. niet overmatig eten. Als we hier op letten zal dat –als Allah dat wil- ons tot goede moslims maken met een beter niveau van Imān en een zuiver hart gewijd aan Allah. Dan kan alles wat we doen worden omschreven als al-tayyib. Deze status bereikt men wanneer we de geode manieren in acht nemen en we er zeker van zijn van dat wat we eten, drinken en verdienen tayyib is, en we aan naastenliefde doen van de tayyib. We zijn dan tayyibān; zuiver en gezegend door Allah.

Hadith 11: Het vermijden van dubieuze handelingen Abū Muhammad al-Hasan de zoon van ‘Ali ibn Abi Talib en de kleinzoon van de boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) en zijn oogappel (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: ‘Ik heb van de boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) het volgende onthouden:”Laat dat wat je in twijfel brengt, voor dat waar je geen twijfel over hebt.” (Overgeleverd door Tirmidhī en Nasa'i. Tirmidhī heeft gezegd dat het een goede en betrouwbare hadith is)

 Achtergrond

Deze hadith stemt overeen met hadith 6. In deze hadith heeft de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) een criterium gesteld waarmee moslims kunnen bepalen of iets geoorloofd is of niet. Er is een andere versie van deze hadith, waar de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dit nader bespreekt door te zeggen: “Voorwaar, waarheid is rust en bedrog is twijfel.” Dit betekent dat de waarheid zal leiden tot rust en dat de leugen zal leiden tot twijfel. Dus het criterium van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) staat ons toe te oordelen tussen dat wat vals of verkeerd is (wat ons doet twijfelen) en dat wat juist is (iets waar we zeker van zijn en waar we overtuigd van zijn dat het correct is en waar we ons gelukkig en rustig bij voelen). Deze hadith stelt een principe dat in alle aspecten van het leven toegepast kan worden. Het wijst ook de weg naar waarheid en oprechtheid. Vandaar dat deze hadith van zeer groot belang is.

 Lessen

Deze hadith indiceert dat men alleen een daad of handeling (die geoorloofd en gepast is) moet verrichten als men er zeker van is en als men er postief over is. Het verrichten van deze daad zal leiden tot een soort van rust of geluk in dit leven en in het  hiernamaals; dit is een van de voordelen van het toepassen van de hadith. In de andere versie van deze hadith –hierboven genoemd- leid bedrog tot twijfel en nooit tot rust. Dus als een gelovige zijn hart verstoord voelt door iets (d.w.z. hij/zij voelt zich onzeker of twijfelt) dan moet hij/zij daarvan wegblijven. Het hart van de ware gelovige is rustig als hij waarheid en gerechtigheid ziet of voelt. En het hart wordt onzeker en wankel van bedrog en onrechtmatigheid. We kunnen concluderen dat dit criterium alleen van toepassing is voor de begeleide, rechtvaardige moslim die verlicht is door wahi -d.w.z. door de Koran en de Sunnah- en deze leidraad naleeft. Dit criterium werkt niet voor een moslim die toegeeft aan verboden handelingen, omdat zijn/haar hart niet gevoelig is voor dat waar hij/zij mee geconfronteerd wordt. Het criterium van de hadith heeft bepaalde condities of voorwaarden:

• Kennis

• Imān

• Het naleven van de verlichting van de wahi.

Met andere woorden: dit criterium kan alleen bestaan als iemand zich houdt aan de geboden van Allah en de geboden van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Alleen dán kan iemand zo’n status of niveau bereiken. Maar dit criterium werkt niet voor degenen die toegeven aan muharramāt (verboden) en degenen die de wajibāt (verplichtingen) niet in acht nemen. Zelfs als een dergelijk criterium bestaat is het niet betrouwbaar omdat het beschadigd is door de zonden van de betrokkene.Soms zijn er mensen die proberen dubieuze zaken te vermijden, terwijl ze zich overgeven aan een muharram (verbod). Bijvoorbeeld, na al-Husseyn ‘alayhi al salam gedood te hebben (de broer van de verteller van deze hadith d.w.z. al-Hassan ‘alayhi al salam) begonnen de mensen die hem vermoord hadden te discussiëren om een uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van het doden van muggen! Er zijn veel zaken of kwesties m.b.t. de Shari’ah waar de geleerden tegenstrijdige standpunten of meningen over hebben. Sommige geleerden zeggen bijvoorbeeld dat het wajib is soera āl Fatiha te reciteren in het gezamelijke gebed, terwijl andere geleerden het tegengestelde zeggen. Een ander voorbeeld is het betalen van zakāh voor de sieraden van de moslimvrouwen: of een vrouw moet betalen voor de sieraden die zij gebruikt en niet voor de sieraden die ze heeft als investering; dit is een ander probleem dat tot op de dag van vandaag onopgelost is. Kan de moslim het criterium van deze hadith toepassen in deze situaties? Volgens sommige geleerden is dat toegestaan; dit staat bekend als ‘voorzichtige benadering.’ Dit werd een bekende aanpak voor sommige geleerden die het gebruikten wanneer er tegenstrijdige opvattingen waren. Dus w.b. de kwestie van het reciteren van soera al-Fatiha: voor degenen die beweren dat het gebed zonder reciteren ongeldig is, volgen de geleerden de voorzichtige benadering met te zeggen dat ze het moeten reciteren. De voorzichtige benadering in de kwestie van de zakāh m.b.t. tot de sieraden is, dat er moet worden betaald ongeacht of het gedragen wordt of anderszins. Er zijn veel handelingen die niet totaal goed of slecht zijn. Er zijn zelfs andere situaties waarbij een handeling zowel goed als slecht is. Het toepassen van een voorzichtige benadering stelt voor dat we het voordeel en het nadeel van een handeling moeten afwegen. Dit betekent het toepassen van de principes, gewonnen uit de twee belangrijkste bronnen van de Islamitische jurisprudentie b.v.: De edele Koran en de authentieke hadiths van onze geliefde profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Het volgen van de principes die zijn gebaseerd op deze twee belangrijke bronnen, zal ons tot de conclusie doen komen dat het geoorloofd is om een klein voordeel op te geven ter voorkoming van grote schade. Het is ook geoorloofd om een kleine schade te tolereren ten behoeve van het vermijden van een grote schade, of voor het verwerven van een groot voordeel. Er is een andere benadering van geleerden die stellen dat dit geen kwestie is van tegenstrijdige standpunten, maar eerder een kwestie van authenticiteit en soliditeit van de bewijzen. Als er een solide dalīl (bewijs) is, dan zullen de geleerden het toepassen. Als we kijken naar de Islamitische geschiedenis, dan kunnen we zien dat sommige geleerden kozen voor de ene aanpak terwijl andere geleerden voor een andere aanpak kozen. Toch is het niet cruciaal voor ons om te bepalen welke van de twee benaderingen de beste is. In situaties waarbij er tegenstrijdige meningen bestaan over een bijzonder onderwerp en waarbij iets bekend staat als ‘zeker’ in tegenstelling tot een situatie die gebaseerd is op louter gissingen, dan zal wat meer bekend staat om haar zekerheid voorrang hebben. Dit is een van de belangrijkste principes van fiqh. Bijvoorbeeld: als we weten dat er op een lap stof een vlek zit, maar we weten niet exact waar, dan is het beter om de hele lap te wassen. Een ander voorbeeld: als we twijfelen aan het aantal raka‘ah (cirkels van gebeden) die we hebben gedaan tijdens de salāt (d.w.z. of het er twee of drie zijn). In een dergelijke situatie is ons gebed gebaseerd op het aantal waarvan we zeker zijn. Als we er zeker van zijn dat we één raka’ah hebben gebeden, moeten we doorgaan met het uitvoeren van onze tweede raka’ah. Een ander belangrijk principe is, dat we geen ijtihād (herinterpretatie) mogen maken als iets duidelijk en definitief wordt vermeld in de Koran en de authentieke hadith. De ijtihād is in deze situatie niet nodig als het bewijs op basis van de edele Koran en/of de authentieke hadith duidelijk de hukm (uitspraak van de Shari’ah) heeft aangegeven. Er is geen rechtvaardigheid of vroomheid in het vermijden van iets wat duidelijk en onbetwistbaar halāl is d.w.z. iets dat wettig en duidelijk door de Sharia’ah geoorloofd wordt. Als voorbeeld m.b.t. het voedsel dat we consumeren, is men niet geoorloofd om zich te onthouden van het eten van vlees, op grond dat een dergelijke onthouding een indicatie van gerechtigheid is. Een dergelijk persoon zal er niet voor worden beloond. Er is een hadith die het verhaal verteld over drie mannen; één beloofde de hele nacht niet te slapen om zo de hele nacht te kunnen bidden, de tweede beloofde elke dag te vasten zonder het vasten te breken en de derde beloofde nooit te zullen trouwen. Al deze beloften werden gedaan op basis van gerechtigheid. De handelingen die deze mannen beloofden niet uit te voeren (slapen, eten en trouwen) zijn wettige `handelingen die niet alleen toegestaan zijn, maar ook aangemoedigd worden. Toen de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) hoorde over de beloften van deze drie mannen, was hij erg teleurgesteld. Hij (sallallāhu ‘alayhi wasallam) riep hen en vertelde hen dat hij de meest rechtvaardige en vrome onder hen is en toch slaapt, eet en trouwt. Bovendien stelde hij een principe m.b.t. deze zaak door te zeggen: “Dit is mijn manier, en wie daar van afziet is geen deel van mij.” Dus als iets duidelijk geoorloofd is in de Shari’ah heeft het geen zin om zich daarvan te onthouden met de intentie dat het een ibādah is. Tenzij het om goede redenen gebeurd d.w.z. het vermijden van vlees omwille van de gezondheid; dit zou het toelaatbaar maken.Een van de trucs van Satan is dat hij verboden handelingen kan laten weergeven alsof het een toelaatbare handeling is. Men moet zich er altijd van bewust zijn zich niet door Satan te laten misleiden. Als iets muharram is, zal dat altijd verboden zijn. We moeten Satan nooit toestaan onze waarneming te beīnvloeden of te veranderen door te denken dat iets wat verboden is, misschien niet heel slecht en toegestaan is. Sjeik Jamaal al-Din Zarabozo zegt in zijn uiteenzetting van Imam al-Nawawi’s veertig hadiths, dat er in deze hedendaagse tijden zakelijke transacties zijn die impliciete aspecten kunnen bevatten van ribā (rente/woekerwinst). Er zijn veel nieuwe situaties of kwesties waarbij mensen in de war zijn of iets nu geoorloofd is of niet. Hij zegt dat het beter is handelingen te vermijden waar we niet zeker van zijn of waar de geleerden geen duidelijke opvatting over hebben. Soms worden deze kwesties besproken door de geleerden, maar hun opvattingen worden niet voldoende gestimuleerd in de moslimwereld, zodat de kennis niet op een regelmatige basis wordt verspreid. Veel van de vermaarde hedendaagse Islamitische geleerden hebben jaarlijkse bijeenkomsten, waar zij hedendaagse zaken bespreken die daarna worden gepubliceerd in een speciaal tijdschrift. Jammer genoeg worden deze tijdschriften niet wijd verspreid en zijn niet veel mensen (inclusief onderwijzers en andere geleerden) zich bewust van het bestaan van deze tijdschriften. We moeten altijd proberen onszelf op de hoogte te houden van de laatste opvattingen van de geleerden over zaken die betrekking hebben op onze manier van leven vandaag de dag, vooral op het gebied van het bankwezen, verzekeringen etc.

 Conclusie

Deze hadith voorziet moslims van een practisch criterium om twijfelachtige handelingen en situaties te kunnen beoordelen en de juiste keuzes te kunnen maken. Hoe dan ook moeten moslims begrijpen hoe dit criterium correct toe te passen om niet te worden misleid door verkeerde waarnemingen of persoonlijk belang.

Hadieth 12: Bezig zijn met nuttige zaken

Abu Hurayra (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: De boodschapper (Allah’s zegen en vrede zij met hem) heeft gezegd: ‘‘Het behoort tot iemands goede Islam, dat hij zich niet bemoeit met datgene wat hem niet aangaat.“ (Een goede hadith, op deze wijze door Tirmidhi overgeleverd)

 Achtergrond

Ibn Rajab, een van de commentatoren van Imam al-Nawawi’s veertig hadiths zegt dat deze hadith het fundament is van manieren, gedrag en etiquette in de Islam. Ibn Rjab citeert ook Imam Ibn Zayd al-Qayrawānī, een Imam van de Māliki school, die zegt dat de volgende vier hadiths de belangrijkste concepten neerleggen voor goede manieren en goed gedrag:

• De hierboven genoemde hadith

• De hadith: “Laat hem, die gelooft in Allah en de Laatste Dag ofwel iets zeggen of zwijgen.” (Bukhāri en Muslim; zie hadith 15 van deze collectie)

• De hadith: Een man zei tegen de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Geef me advies.” Hij zei: “Wordt niet kwaad.” De man herhaalde (zijn verzoek) verschillende keren en hij zei: “Wordt niet kwaad.” (al-Bukhāri; zie hadith 16 van deze collectie)

• De hadith: “Niemand van jullie gelooft tot hij wenst voor zijn broeder wat hij voor zichzelf wenst.” (al-Bukhāri; zie hadith 13 van deze collectie)

Lessen

Deze hadith verklaard dat een gelovige dingen moet vermijden die voor hem niet van belang zijn. Ze hebben in dit leven noch in het  hiernamaals geen nut op het gebied van geloof, taal of handeling. In de motivering van dit punt zei Māliki jurist Imam al-‘Arabi dat iemand niet in staat is om te zorgen voor alle noodzakelijke aangelegenheden, laat staan betrokken raken bij onnodige zaken die voor hem niet van belang zijn. Sjeik Jamaal al-Din Zarabozo, een van de hedendaagse commentatoren van Imam al-Nawawi’s veertig hadiths, zegt dat de Islam de samenleving als geheel beschermd tegen elke vorm van kwaad. Veel van de schade die aan de maatschappij wordt toegebracht, komt door mensen die toegeven aan nodeloze zaken, zoals het zich bemoeien met andermans zaken waar zij geen recht toe hebben. Dit soort praktijken leidt gewoonlijk tot grote problemen in de maatschappij. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) adviseerde een manier om sociale ziekten -die tegenwoordig een groot probleem zijn- te voorkomen. Waarschijnlijk meer dan de helft van de problemen die vandaag ontstaan zouden kunnen worden opgelost; de wereld zou dan een betere plaats zijn om in te leven als iedereen deze hadith zou observeren. Hij benadrukt een belangrijk punt: een gelovige zou zichzelf moeten trainen zich te concentreren op positieve zaken, zodat dit het natuurlijke gedrag wordt van iemand. Verspil geen tijd, inspanningen en geld aan zaken die geen nut hebben voor een persoon in dit leven en in het hiernamaals. Een andere kijk op deze hadith is: een deel van de perfectie van het geloof (Imān) is om belang te hebben in zaken die goed zijn voor dit leven en voor het  hiernamaals. Dit wordt benadrukt in een andere hadith: “Let goed op wat nuttig is voor je, zoek hulp van Allah en wees niet overmoedig.” (Thirmidhi)   Moslims hebben voldoende zaken om zich mee bezig te houden, zelfs zóveel dat men misschien geen tijd genoeg heeft om alles te behandelen. Dit heeft betrekking op de kwestie van tijdbeheer. We moeten ons alleen bezighouden met zaken die van belang zijn voor ons. Een belangrijke vraag m.b.t. deze hadith is: wat zijn de dingen waar een gelovige zich mee bezig moet houden? Het antwoord op deze vraag stelt ons in staat deze hadith op een goede manier uit te oefenen. Om deze zaak aan te pakken, moet een moslim zich bezighouden met het volgende:

• Het vervullen van de verplichtingen (wajibāt) in de Islam. Dit houdt in: het streven om de religieuze verplichtingen uit te voeren, zo vaak als men daartoe in staat is, gevolgd door het uitvoeren van de aanbevolen handelingen (mandūbat), zo veel als een persoon in staat is om te doen. Daarnaast moet een moslim zijn best doen om het verbodene (harām) te vermijden en zoveel mogelijk makrūh (ongewenste handelingen) te vermijden.

• Het vervullen van de Farā-‘ain, wat een individuele verplichting is. Dit zijn zaken van belang voor ieder van ons d.w.z. zaken die betrekking hebben op de daad van aanbidding en smeekbeden.

• Het vervullen van de Fard-Kifāyah, wat de gemeenschappelijke brede collectieve verplichtingen zijn.  Als zodanig moeten deze handelingen niet worden verwaarloosd en moet dit ook een kwestie van belang zijn voor iedere moslim. Een voorbeeld is: te werken aan het verbeteren van de samenleving; iedereen met zijn eigen beroep en expertise heeft een belangrijke rol bij te dragen aan de gemeenschap.

• Het goede aanbevelen en het slechte verbieden. Dit is een handeling om de gemeenschap te beschermen tegen het vervallen in fouten en zonden, net zo goed als muhasabah en Ihsān te beoefenen in alles wat we doen. In de Koran zegt Allah: (Het is Allah) Die de dood en het leven heeft ingesteld, opdat Hij u moge beproeven wie onder u zich het beste gedraagt: en Hij is de Almachtige, de Vergevingsgezinde.” (Soera al-Mulk:2) Zoals verteld wordt in hadith 17 van deze collectie: “Waarlijk, Allah heeft uitmuntendheid (Ihsān) voorgeschreven in alle dingen. Dus als je doodt, doodt dan op een goede manier; en als je slacht, slacht dan op een goede manier. Laat ieder van jullie zijn messen scherpen en spaar het dier te lijden wanneer hij geslacht wordt.”

• Nadenken over het eigen persoonlijk welzijn, het welzijn van de samenleving en het welzijn van de hele moslimsamenleving (Ummah). Dit is een andere zaak van belang, vaak verwaarloosd en zeer gebrekkig onder de moslims. We moeten nadenken over hoe we de situatie van de moslims kunnen verbeteren en niet slechts tevreden zijn met de huidige situatie. Dit geld voor alles wat we doen, of we nu aanbidders, onderwijzers, professionelen of predikers zijn. We moeten alleen dienaren van Allah zijn en niet anders. Vandaar dat we iet verslaafd moeten zijn aan huidige methoden of routines om dingen te doen. We moeten creatief denken om onze situatie te verbeteren en op een manier die niet in strijd is met de Shari’ah. In deze context kunnen hulpmiddelen zoals het genereren van ideeën en het oplossen van problemen van groot nut zijn. We moeten ons bezighouden met de grotere uitdagingen waar de gemeenschap mee geconfronteerd wordt. In dit tijdperk van technologische en communicatieve revolutie zijn velen van ons intellectueel verslaafd. We moeten denken en plannen maken voor onze toekomstige generatie, omdat we bij Allah verantwoording zullen moeten afleggen. We moeten onze kennis toepassen en verspreiden en niet slechts ‘reservoirs’ van kennis bouwen. We moeten onze toekomst vorm geven en niet slechts passief aan de kant staan om anderen te laten ontwerpen zodat zij hun vooropgezette scenario’s aan ons op kunnen leggen.

 Conclusie

Zaken die van belang zijn voor de moslims omvatten de persoonlijke, gemeenschappelijke en de zaken van de hele moslimsamenleving (Ummah). We moeten bewustzijn creëren onder elkaar bij het aanpakken van de problemen en uitdagingen van de Ummah. Een voorbeeld van hoe dit kan worden gedaan is door dialogen en gesprekken aan te gaan. De autoriteiten hebben een grotere verantwoordelijkheid bij de uitvoering van deze taak. We moeten onszelf de voorwaarde stellen geen tijd en inspanning te verspillen in zaken die voor ons niet van belang zijn. We moeten onszelf bezighouden met zaken die voor ons van nut zijn en die voor de Ummah van nut zijn.

 Hadith 13: De verplichting van het liefhebben van alle Moslims.

Volgens Abu Hamzah Anas ibn Mālik, (Allah’s welbehagen zij met hem) de dienaar van de boodschapper van Allah, (Allah’s zegen en vrede zij met hem) heeft de profeet (Allah’s zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Niemand van jullie gelooft (werkelijk) totdat hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim)

 Achtergrond

Er staat in de musnad van Imam Ahmed, dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “De dienaar bereikt de realiteit van het geloof niet totdat hij wenst voor anderen wat hij ook voor zichzelf wenst.” In Sahih Muslim van Abdullah Ibn ‘Amr ibnul-“As zegt de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “........Wie niet het vuur, maar de tuin wil binnegaan moet sterven met geloof in Allah en de Laatste Dag en moet de mensen behandelen zoals hij door hen behandeld wil worden...........” (Sahih Muslim; boek 020, nr. 4546)

 Lessen

Deze drie hadiths dragen soortgelijke betekenissen: voor andere moslims wensen wat men ook voor zichzelf wenst. Ze voorzien in een zeer belangrijk principe voor het gedrag van de moslims ten opzichte van elkaar. Een echte Islamitische gemeenschap is gebouwd op liefde en compassie voor haar leden. Elk lid moet voor anderen zorgen en hen helpen. Ze moeten anderen behandelen zoals zijzelf behandeld willen worden. Een echte Islamitische gemeenschap die het Islamitische concept van broederschap en liefde implementeert, kan alleen bereikt worden als alle bestaande belemmeringen, die bestaan als gevolg van ras, kleur, madhhab, groep of rang, verwijderd zijn. Andere belemmeringen die verwijderd moeten worden zijn: jalouzie, egoisme en afgunst.

Dat liefhebben wat goed is voor anderen, is ook een deel van het liefhebben van hen. We wensen goede dingen voor hen zoals we goede dingen voor onszelf wensen. We behandelen hen zoals we zelf behandeld willen worden. Wanneer we te maken krijgen met andere moslims in de samenleving, moeten we op de beste manier met hen omgaan. We moeten de beste woorden gebruiken in onze conversaties. De Koran zegt: “O, jullie die geloven, vreest Allah en spreekt het ware woord.” (Soera al-Ahzāb:70) “En zeg tot Mijn dienaren dat zij spreken wat het beste is. Voorwaar, Satan sticht onenigheid onder hen.” (Soera al-Isrā:53) Goede woorden verkleinen de kans op ruzie en confrontatie onder de leden van de moslimsamenleving.  Er moet genade en compassie zijn in de omgang met anderen. Dit heeft te maken met een heel belangrijk concept in de Islam; de al-walā. Het betekent niet alleen bescherming zoals sommigen het interpreteren, maar het omvat ook liefde, zorg en hulp. Dit zijn de vier belangrijkste aspecten van al-walā die gewoonlijk door de geleerden genoemd worden. Al deze vier aspecten zijn met elkaar verbonden. Bijvoorbeeld: het zorgen voor anderen komt ná het houden van hen. Daarom verteld deze hadith ons dat moslims moeten zorgen voor elkaar en moeten houden van andere moslims. Een ander belangrijk gedragspunt waar we voorzichtig mee moeten omgaan is arrogantie. Arrogantie heeft verschillende vormen zeggen de geleerden. Bijvoorbeeld: het kleineren van anderen, neerkijken op anderen, jezelf voordoen als superieur of je beter voelen dan anderen etc. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Hij, die in zijn hart het gewicht heeft van een mosterdzaadje van trots, zal het Paradijs niet binnengaan.” Iemand onder de luisteraars zei: “Waarlijk, iemand houdt ervan als zijn kleding en schoeisel goed zijn.” De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) merkte op: “Waarlijk, Allah is Waardig en hij houdt van genade. Trots is minachting van de waarheid (uit verwaandheid) en minachting voor het volk.” (Sahih Muslim) Daarom moeten we bescheiden zijn en genade tonen naar anderen. Een deel van het wensen van goede dingen voor anderen is onderling overleg, het aanbevelen van het goede en het verbieden van het kwade. Wanneer we anderen adviseren moeten we dat op een goede manier doen, gebaseerd op onze liefde voor hen en niet om persoonlijk belang te zoeken. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) toonde gewoonlijk zijn liefde voor anderen wanneer hij ze advies gaf. Het kan ook beter zijn de betrokkenen expliciet op de hoogte te brengen dat we hen adviseren omdat we van hen houden en voor hen willen zorgen. Als een advies voor iemand persoonlijk is, dan moeten we dat onder vier ogen doen om te voorkomen dat we de persoon beledigen. Fudhayl Ibn ‘Iyād ging een stap verder door deze hadith in praktijk te brengen. Hij zei: “We moeten niet alleen wensen dat anderen zijn zoals wij, maar ook wensen dat ze beter zijn dan ons.” Toch zei hij dat dit niet verplicht (wājib) is. Ibn Rajab zei dat we moeten wensen dat andere moslims beter zijn in aanbidding (Ibādah) en gedrag (akhlāq) dan wijzelf. Niettemin moeten we ook voor onszelf voortdurende zelfverbetering wensen. Het is niet voldoende om slechts te wensen voor andere moslims, terwijl we zelf gebrekkig zijn en niet streven om zelf als moslim verbeteren. Het is uit goedheid van de Islam dat we hebben bereikt dat er goedheid bestaat in onszelf. Dus moeten we hetzelfde wensen voor andere moslims. Het is niet eerlijk als we voor hen de tekortkomingen wensen, die we zelf ook hebben. Daarom is het een kwestie van voortdurende competitie onder ons om het goede te bereiken. Een gerelateerde hedendaagse kwestie is de definitie van broederschap in de Islam. Welk criterium moet worden gebruikt bij de beslissing wie de broeders in de Islam zijn om hen te kunnen steunen? Er zijn veel moslims in de wereld vandaag, maar de meesten van hen zijn zwak in Imān, behalve degenen waar Allah zich over ontfermd. Bovendien schenden sommigen van hen de principes van de Islam. In het verleden waren dit soort mensen in de minderheid en dissocieerden de goede moslims zich van zulke mensen. Hoe dan ook, zo’n principe van dissociatie is in deze tijd niet gepast en zelfs mensen met een kleine kennis van de Islam moeten we zien als broeders in de Islam. Vandaar dat we voor hen moeten wensen wat we voor onszelf wensen. Als zij iets verkeerds willen doen, moeten we wensen dat zij daar vanaf zien. We moeten hen adviseren uit liefde voor hen.

 Conclusie

Deze hadith kan op elk niveau, op elke tijd en naar elke moslim uitgevoerd worden. Het kan op verschillende manieren: in de vorm van aanbidding, liefdadigheid, het aanmoedigen van het goede en het verbieden van het kwade. De verschillende aspecten van deze hadith en de met elkaar verbonden concepten, moeten bij het uitvoeren van deze hadith in acht worden genomen. Een begrip kan niet afzonderlijk worden waargenomen, omdat dat kan leiden tot onbegrip en tot een onjuiste toepassing van het concept zelf.

 Hadith 14: De waarde van het menselijk leven.

Ibn Mas'ūd (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: De Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) heeft gezegd: “Het is niet toegestaan om het bloed van een moslim te vergieten, behalve in drie gevallen: iemand die getrouwd is en overspel pleegt, een leven voor een leven (moord) en de afvallige die uit de gemeenschap treedt.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim)

 Achtergrond

Vóór de komst van de Islam had het menselijk leven geen waarde. Een persoon kon gemakkelijk om verschillende redenen worden gedood, zoals uit wraak of voor het verheerlijken van de eigen stam. Het doden van pasgeboren meisjes was een gewoonte, uit angst dat zij schande voor de familie zou brengen. Met de komst van de Islam kwam de wijsheid dat elk menselijk leven kostbaar is. Elk menselijk leven is heilig en mag niet geschonden worden, tenzij het om een wettige reden is zoals in gevallen waar ernstige schendingen van de Shari’ah zijn. De Islam heeft ook duidelijk gemaakt dat het wegnemen van een menselijk leven de verantwoordelijkheid is van de hoogste autoriteit, d.w.z. de rechter. Dit, om te voorkomen dat de toepassing misbruikt wordt voor persoonlijk belang. De Islam heeft wet- en regelgeving vastgelegd voor de samenleving, die de noodzaak van het uitvoeren van het nemen van een leven minimaliseert, of het nu een man of een vrouw is zoals geoorloofd in de drie gevallen die in deze hadith worden genoemd. De Islam is een vreedzame religie en heeft regels vastgelegd waarin mensen elkaar moeten respecteren en rustig moeten samenleven, zonder dat er levens worden bedreigd. Voor zinā (overspel en ontucht) heeft de Islam regels die relaties in een moslimgemeenschap regelen. Als deze regels en voorschriften in acht worden genomen, dan is het zeer onwaarschijnlijk dat de wet wordt overtreden. Wat betreft het deserteren van de religie: de moslimgemeenschap is gebaseerd op kennis, waar Ilm (kennis) en da’wah (oproep tot Islam) continu worden verspreid en medegedeeld. Dus de mensen zijn zich bewust van hun religieuze verplichtingen en de geest van de samenleving is goed beschermd tegen manipulatie. Al deze maatregelen zijn door de Islam ingesteld om de gebeurtenissen van deze uitzonderlijke gevallen waarbij het nemen van een menselijk leven is toegestaan, te minimaliseren. Dit zijn echt uitzonderlijke gevallen, omdat er in de tijd van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) (en later in het tijdperk van de rechtgeleide Kaliefen) een paar gevallen waren, waar zulke schendingen of problemen voorkwamen. Deze hadith moet vanuit een positief standpunt worden gezien en begrepen; het is niet geoorloofd om een moslim te doden, behalve in een van de drie genoemde situaties. Het feit dat deze drie zaken uitzonderlijk zijn, laat zien dat het bloed van een moslim kostbaar en gezegend is door Allah. Tijdens de laatste preek van zijn afscheidshajj (pelgrimage naar Mekka) benadrukte de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) het principe van deze hadith d.w.z. de heiligheid van het bloed van een moslim. De Islam raadt moslims aan om elke vorm van geweld of onrecht dat leidt tot schending van dit principe, te voorkomen. Dit alles laat zien hoe belangrijk het is om het bloed van een moslim niet te vergieten.

 Lessen

Wat gezien wordt als een ernstige of wrede straf is eigenlijk een noodzakelijke maatregel die gebruikt wordt om de moslimgemeenschap te beschermen. De Islam neemt de nodige stappen om ervoor te zorgen dat slechte daden (of het schenden van deze principes) worden geminimaliseerd. M.a.w: de Islam bevordert een hoge moraal en kuisheid; het bevordert het huwelijk als instituut (d.w.z. de wettige relatie tussen man en vrouw) en het ontmoedigt handelingen die kunnen leiden tot de schending van dit principe, bijvoorbeeld zinā. De Islam maakt duidelijk wat de taken en verplichtingen zijn van de moslim als individu en als gemeenschap; hoe we elkaar moeten behandelen en respecteren. De Islam benadrukt het belang van een zorgzame maatschappij waar de mensen –ongeacht rijk of arm- zorgen voor elkaar. Dit reduceert haat en vijandschap naar elkaar en dit resulteert in de vermindering van conflicten en moorden. Het naleven van de leer van de Islam (d.w.z. vasthouden aan de religie) is een ander middel om de uitzonderlijke gevallen die in de hadith genoemd worden, tot een minimum te beperken. Het bewijs is gevestigd en de da‘wah brengt de boodschap, dus de moslimgemeenschap is goed opgeleid en deskundig. Zij kennen en begrijpen de religie en haar verplichtingen. Ze zijn er trots op om moslim te zijn en te leven in een moslimsamenleving en zij waarderen de gaven van Allah. Zij zullen er nooit over denken om hun religie te verlaten. Maar het probleem tegenwoordig is dat de moderne technologie en de media, internet, amusement etc. wordt misbruikt om de drie negatieve zaken-hierboven genoemd- te bevorderen; 1) overspel en ontucht, 2) geweldpleging en moord, 3) afvalligheid. Onder het mom van vermaak wordt zulk gedrag afgeschilderd als ‘normaal’. De wereld van vandaag heeft een slecht, onacceptabel gedrag en negatieve elementen omgezet in iets wat normaal en acceptabel is, terwijl daarentegen goede daden belachelijk worden gemaakt en bespot worden. Dit zijn serieuze uitdagingen voor de moslimsamenleving vandaag de dag. We moeten daar erg voorzichtig mee omgaan, zonder de onderliggende principes van deze hadith te negeren. We moeten besluiten hoe we de moslimsamenleving kunnen beschermen tegen het schenden van deze principes. De leiders en du’at (predikers) van de samenlevingen moeten bepalen hoe we de negatieve invloeden van de media kunnen tegengaan of minimaliseren, vooral op het gebied van amusement. (t.v, bioscoop etc.) We moeten bestuderen waarom het percentage huiselijk geweld, overspel, scheidingen en ontucht binnen de moslimgemeenschap zo hoog is. We moeten de ware functie van ouders, du’at (predikers), onderwijzer en leiders van de gemeenschap die de belangrijkste groepen vormen in de samenleving, doen herleven om hen in staat te stellen dit probleem op te lossen. We moeten vooral bezorgd zijn over de bescherming van het verstand en de akhlaq (waarden) van de jongeren. Er zijn veel onderzoeken en studies verricht die de negatieve invloeden van de media tonen, vooral de invloed van televisie op de samenleving; sociale studies⁷ ( Bijvoorbeeld het boek: “Vier argumenten om de televisie weg te doen,” geschreven door professor Jerry Mander; en “Het opvoeden van positieve kinderen in een negatieve wereld,” geschreven door Zig Ziglar) hebben aangetoond dat televisie kinderen fysiek en mentaal lui maakt. In feite heeft dit ook effect op hun academische vooruitgang en het veranderd hun gedrag. De moslims moeten van deze onderzoeken leren om er voor te zorgen dat onze kinderen niet in dezelfde valkuil vallen. Een ander probleem is het gebrek aan steun en zorg op het gebied van educatie, gezonheidszorg, spirituele begeleiding en financiën binnen de moslimgemeenschappen. Vandaar dat wanneer sommige mensen van bepaalde moslimgemeenschappen dringend hulp nodig hebben, er alleen een paar groepen te hulp komen. In plaats daarvan kunnen er Christelijke missionarissen gaan en misbruik maken van de situatie. Zij bieden zowel financiële als spirituele hulp. Er zijn landen waar moslims hun kinderen naar Christelijke scholen sturen omdat deze scholen meer zorg tonen voor het welzijn van de kinderen. In feite voorzien zij in sommige gevallen in beter onderwijs en een betere toekomst. Dit leidt tot afvalligheid onder de moslims. Om bovengenoemde redenen kunnen we gerust stellen, dat het de moslims zélf zijn die verantwoordelijk moeten worden gehouden voor het aantal afvalligen, wat het resultaat is van het niet zorgen voor elkaar. Tegenwoordig zijn veel moslims gehersenspoeld door de misverstanden die zijn gecreëerd door de westerse oriëntalisten en andere niet-moslim intellectuelen. Het resultaat hiervan is dat moslims zich minder bezighouden met het beoefenen van hun religie en wel in die mate dat als we naar een moslim kijken, we zullen zeggen dat het een moslim is, maar dan alleen van naam en geboorte. Als we naar haar/hem kijken in de zin van mentaliteit en praktijk, zullen we geen spóór van Islam in een dergelijk persoon zien. Dit leidt tot een ander probleem, n.l. het gebrek van een moslimidentiteit binnen de moslims als individu en als deel van de moslimgemeenschap. Op dit moment zijn er moslims die de niet-moslim identiteit bevorderen of lovend spreken over andere culturen. Dit leidt tot een negatieve impact binnen de Islamitische gemeenschap waarin moslims neerkijken op hun eigen religie. We moeten onze eigen identiteit altijd behouden en aanmoedigen. Uiteraard kunnen we voordeel halen uit de technologische vooruitgang wat het produkt is van de niet-moslims. Desondanks moeten we dat op een positieve manier doen, zonder toe te staan dat het imago en de waarde van de Islam in gevaar wordt gebracht. We moeten deze onderwerpen (die een ware uitdaging zijn voor de moslims tegenwoordig) bespreken. We moeten over zo’n kwestie niet slechts op een theoretische manier praten of zonder dit in verband te brengen met de realiteit. We moeten dieper ingaan op de fundamentele zaken en de uitdagingen en strategieën overwegen die we nodig hebben om de moslimgemeenschap te helpen positiever, tevredener en trotser te laten zijn op de Islamitische identiteit. We moeten bezinning creëren in de moslimgemeenschap, zodat zij zich bewust worden van hun rol en verantwoordelijkheid. We moeten kijken hoe we de originele concepten van de Islamitische waarden en normen kunnen doen herleven, op een manier die werkt en die praktisch is in de wereld van vandaag.

 Conclusie

Deze hadith moet positief worden bekeken; er wordt speciale aandacht gegeven aan de waarde van het menselijk leven en niet aan de straffen die voor de drie genoemde zaken geoorloofd zijn. De Islam heeft een systeem ingevoerd dat het gebeuren van de drie zaken minimaliseert. Tegenstanders van de Islam kijken op een negatieve manier naar de hadith en beschuldigen de Islam van moorddadigheid en barbaarsheid. De waarheid is echter, dat de Islam het menselijk leven nét zo waardeert als dat het kuisheid (‘iffah, of tahārah) waardeert; een degelijkheid die zijn waarde heeft verloren in deze hedendaagse tijden omdat het kwade via media en technologie wordt aangemoedigd door de opponenten van de Islam. Deze negatieve invloeden hebben ook sommige moslims ertoe gebracht om deze hadith op een negatieve manier te interpreteren. Omdat er meer uitdagingen zijn dan voorheen, moeten we er voor zorgen dat de uitleg van de hadith rekening houdt met de huidige bestaande problemen die de heiligheid van de beginselen schenden, zoals in de bovenstaande hadith wordt vermeld. We moeten verschillende manieren zoeken in hoe we kunnen bijdragen aan de promotie en verspreiding van de beginselen, zoals deze in de hadith worden genoemd.

Hadith 15: Goede manieren: gedrag jegens buren en gasten Volgens Abu Hurayra (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft de boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Laat hij die in Allah en de Laatste Dag gelooft het goede zeggen of zwijgen. Laat hij die in Allah en de Laatste Dag gelooft zijn buren respecteren. En laat hij die in Allah en de Laatste Dag gelooft zijn gast eren.” (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim)

 Achtergrond

Deze hadith bevat uitspraken inzake de ‘tong’ en het gedrag van moslims jegens anderen. Het benadrukt ook dat we verantwoordelijk zijn voor wat we zeggen. Imam Haithami wijst erop dat deze hadith in haar betekenis te vergelijken is met hadith 13: “Niemand van jullie gelooft (werkelijk) totdat hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst.” Hij zegt dat iedereen een buur is van iemand anders. Als deze hadith goed toegepast wordt, dan zal er binnen de samenleving of gemeenschap een sterke band en liefde zijn.

Lessen

De verantwoordelijkheid van de moslim in wat hij/zij zegt wordt op de volgende manier in de Koran vermeld: “Hij (de mens) uit geen woord of er is een bewaker bij hem, die altijd klaarstaat.” (Soera Qaf:18) Er is een hadith, overgeleverd door Imam al-Bukhāri, die verklaard dat de moslim voorzichtig moet zijn met wat hij zegt. Als de woorden die hij uitspreekt Allah behagen, dan kunnen deze hem op een hoger niveau brengen. Maar als zijn woorden Allah mishagen, kan hij in het Hellevuur worden geworpen. Dit laat zien dat het gesproken woord een direct effect kan hebben: of het ons ten goede zal komen of niet. Er is een andere hadith, overgeleverd door Imam Abū-Dā ‘ūd, wat het slechte resultaat illustreert van de uitspraken van een persoon, uitspraken waar Allah ontevreden over was. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vertelde het verhaal van een vrome man van Bani Israel, die regelmatig een man zag die altijd zondigde. Op een dag zwoer de vrome man: “Ik zweer bij Allah, Hij zal je nooit vergeven.” Allah was niet blij met de woorden van de vrome man en strafte hem, omdat alléén Allah ons lot kent, en weet of iemand het Paradijs of het Hellevuur verdiend. Van deze hadith kunnen we leren dat we altijd heilzame en goede woorden moeten gebruiken, óf moeten zwijgen. Er zijn veel Islamitische richtlijnen die ons helpen om het goede te zeggen en om af te zien van de woorden die Allah mishagen. Wanneer we spreken met anderen -of het nu vreemden, vrienden, familie of buren zijn- moeten we altijd de beste woorden en termen gebruiken. Dit moeten we op een goede manier doen. We moeten zorgen dat we op een simpele en een gemakkelijk te begrijpen manier spreken. Als we dat niet doen, kan dat tot misverstanden en conflicten leiden. Als toehoorder moeten we positief luisteren en dat, wat we horen op een goede manier interpreteren. We moeten niet ‘ruim’ interpreteren en niet ‘tussen de regels inlezen.’ Dus als spreker zeggen we de dingen op een positieve manier en als toehoorder interpreteren we de dingen op een positieve manier. Door dit te doen moedigt de Islam ons aan geschillen en conflicten te minimaliseren. Als we onszelf in het midden van een geschil vinden tussen twee mensen -bijvoorbeeld familie- moeten we geen partij kiezen. We moeten altijd proberen te helpen het geschil bij te leggen, of het probleem op te lossen, om zo het geschil te beëindigen. Als we door iemand geraadpleegd worden en advies moeten geven, moeten we ons best doen om goed advies te geven. Het advies dat we geven moet hen helpen en het moet voor het bestaande probleem geen grotere verwarring creëren. Als we niet over genoeg kennis beschikken en niet in staat zijn tot het geven van goed advies, is het beter dat we zwijgen. We moeten ook zwijgen als we informatie hebben, wat niet mag uitlekken of bekend mag worden gemaakt bij anderen; dit kan leiden tot een nóg groter probleem. Nutteloze praatjes moeten zoveel mogelijk vermeden worden. Mensen kunnen uren praten, maar veel van wat er wordt gezegd heeft geen waarde en is niet in het voordeel van de luisteraar. In feite leidt zo’n conversatie ons op een niveau waarop we dingen kunnen gaan zeggen die Allah kunnen mishagen. Er zijn veel manieren waarop we goede dingen kunnen zeggen: dhikrullah (het gedenken van Allah, het reciteren van de Koran, du’ā (smeekbeden) en nasihah (oprecht advies geven). Dit zijn allemaal dingen die Allah behagen. Als we mensen ontmoeten die ziek, droevig, depressief zijn of in een slechte gemoedstoestand verkeren, moeten we altijd dingen zeggen die hen beter doen voelen. We kunnen hen aanmoedigen om geduld te hebben met hun ellende en hen aanmoedigen om sterk en positief te zijn. Dit noemen we al-mu’āsah; bemoedigende woorden gebruiken bij degenen met problemen en hen kalmeren zoadat ze niet in paniek raken. De geleerden definiëren sabr (geduld) op de volgende manieren: ‘niet in paniek raken, de situatie in de hand houden en niet klagen.’Het klagen over simpele zaken kan leiden tot ongeduld. Dit kan effect hebben op ons gedrag en uiteindelijk effect hebben op ons werk. Als we willen klagen moeten we dit rechtstreeks naar Allah doen. Zo’n handeling noemen we munājah; wat weer een vorm van Ibādah is. Klagen naar anderen noemen we Tashakki; hier schenden we de Ibādah zelf: sabr (geduld). Dus we moeten leren om het klagen te verminderen om er uiteindelijk helemaal mee te stoppen. We moeten ons bedwingen in het zeggen van dingen die niet waar zijn of slecht zijn. We moeten altijd verifiëren wat tot ons komt, vóór we het nieuws verspreiden of herhalen naar anderen. Dit voorkomt het verspreiden van leugens en geruchten. We moeten ons ook bedwingen in het volgende:

• Het verspreiden van geruchten; vooral geruchten die de gemeenschap kunnen schaden.

• Laster, roddel etc.

• Sarcasme en anderen uitlachen; dit is een van de meest voor-komende sociale ziekten tegenwoordig. Het is een zonde om anderen uit te lachen. Soms worden we geconfronteerd met situaties die fitnah (beproeving) met zich mee brengen; we moeten voorzichtig zijn met wat we zeggen. Sommige mensen kunnen misbruik maken van de situatie en dingen zeggen die de situatie verergert. Wanneer er een fitnah is, raken de mensen in paniek en geloven misschien van alles. Daarom moeten we voorzichtig zijn met wat we zeggen omdat het de angst en bezorgdheid onder de mensen kan verhogen. Het is beter om woorden te gebruiken die positief zijn, om hoop te geven en de geest te verheffen van degenen die met de problemen worden geconfronteerd. Het tweede gedeelte van deze hadith benadrukt het hoffelijk en gul zijn naar onze buren en gasten; dit staat ook in de Koran:“......en bewijst vriendelijkheid aan ouders, verwanten, wezen, de behoeftigen en aan de nabuur, die een vreemdeling is en de nabuur, die een bloedverwant is en aan de metgezel, de reiziger en aan degenen die onder uw macht zijn.” (soera an-Nisa’:36) In een van de hadiths zegt de Profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Jibril bleef me steeds adviseren omtrent de buren en wel zó dat ik dacht dat hij van zijn buren zou gaan erven.” (Al-Bukhāri en Muslim) In een andere hadith, ook overgeleverd door Al-Bukhāri en Muslim, staat: “Degene die in Allah en de Laatste Dag geloofd, doet zijn buren geen kwaad.”  Een andere hadith vertelt dat de Profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)zei, dat iemand die geen compleet geloof (Imān) heeft degene is, wiens aangelegenheden voor de buur niet veilig zijn. Al-Bukhāri en Muslim verklaren in een andere hadith: ‘Wanneer je een stoofschotel maakt, moet je wat water toevoegen en een gedeelte van het gerecht aan je buren geven.’ Het delen van voedsel onder buren zal de relatie versterken. We moeten aardig zijn voor onze buren en voedsel delen, zelfs als het geen moslims zijn. We moeten geduld hebben met onze buren, zelfs als zij ons irriteren. In een andere hadith zegt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)dat er drie typen van mensen zijn waar Allah van houdt. Een van hen is iemand die veel last heeft van zijn buren, maar geduldig en tolerant blijft t.o.v. zijn buren. De ‘gast’ die genoemd wordt in het laatste gedeelte van de hadith, wordt gewoonlijk geïnterpreteert als iemand die op doorreis is en voor een kort verblijf komt. In een andere hadith zegt de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Degene die gelooft in Allah en de Laatste dag moet royaal zijn naar zijn gasten. Zijn speciale geschenk (aan de gast) is een dag en een nacht. Hij (de gast) moet drie dagen beziggehouden worden. Alles daarbuiten is liefdadigheid. Het is niet toegestaan voor een gast om zó lang te blijven, dat hij het de gastheer moeilijk maakt.”(Al-Bukhāri) Dus de gast moet geen misbruik maken van zijn gastheer. De meerderheid van de geleerden is het erover eens dat onderdak verlenen, in het algemeen, een aanbevolen handeling is (mustahab) en dat het niet verplicht (wājib) is, zelfs al is dit een voorname en nobele handeling. Volgens veel geleerden is de aanbevolen handeling van het verlenen van onderdak niet van toepassing op boosdoeners en ketters. Maar sommige hedendaagse geleerden zijn van mening dat we zelfs de zondaars zouden moeten bezighouden. Dit, om het feit dat als we goede moslims zijn, we door hen onderdak te verlenen en goed voor hen te zijn, we hen misschien kunnen beïnvoeden en veranderen zoadat zij goede mensen worden. Niettemin moeten we erg voorzichtig zijn wanneer we dit soort mensen onderdak verlenen en we moeten het alleen doen als we weten dat het ons geen kwaad kan toebrengen. Onderdak verlenen aan zondaars volgt een algemeen principe van fiqh dat ons in staat stelt een klein kwaad te tolereren, (een zondaar toestaan in je huis) om een groot voordeel te bereiken. (hen zo te beïnvloeden dat het goede moslims worden)

 Conclusie

Deze hadith leert ons de goede manieren met betrekking tot spraak en het bezighouden van gasten. Het volgen van het advies dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) gaf, leidt tot een vredigere en harmonieuzere gemeenschap in dit leven en het verwerven van Allah’s genoegen in het  hiernamaals.

Hadith 16: Hoe kan men zijn woede beheersen, Abu Hurayra (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: ‘Een man zei tegen de profeet (Allah’s zegen en vrede zij met hem): “Geef me goede raad!' Hij zei: ‘Wordt niet boos!' De man herhaalde (zijn vraag) diverse malen en hij zei (steeds): “Wordt niet boos!'' (Overgeleverd door Bukhāri; vol.8, nr. 137)

 Achtergrond

Deze hadith wordt ook overgeleverd door andere hadithgeleerden. In een andere versie wordt verteld: “Een man kwam bij de boodschapper van Allah en zei: “boodschapper van Allah, leer me wat woorden voor het leven, maar niet te veel want dan vergeet ik ze.” De boodschapper van Allah zei: “Wordt niet boos.” Sommige geleerden zeggen dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) wist dat de man erg vaak kwaad werd en hem daarom dit advies gaf. Deze visie kan echter leiden tot het beperken en limiteren van de voordelen van de hadiths, terwijl daarentegen de hadith veelomvattend, ingrijpend en toepasbaar is op alle moslims omdat iedereen wordt blootgesteld aan woede. Er zijn andere verzen in de Koran en hadiths die benadrukken dat het goed is om je boosheid in bedwang te houden. Allah noemt de kwaliteiten van de muttaqūn (de rechtvaardigen): “Zij, die in voorspoed en tegenspoed wel doen en zij, die toorn onderdrukken en mensen vergeven; Allah heeft hen die goed doen, lief.” (soera al-Imran:133-134) In een andere hadith verklaard Abu Hurayrah dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Een sterk persoon is niet degene die zijn tegenstanders tegen de grond gooit. Een sterk persoon is degene die zichzelf beheerst wanneer hij kwaad is.” (al-Bukhāri; boek 47, nr. 47.3.12) En van de du‘ā (smeekbede) van de Profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Ik vraag u, O Allah, voor de verkondiging van de waarheid gedurende de tijden van plezier en boosheid.” (Nasā‘i en Ahmed)

 Lessen

Er zijn vier standpunten over de interpretatie van de verklaring (‘wordt niet boos’) van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam, waarvan er twee van de vroege geleerden zijn en twee van hedendaagse geleerden:

 1. Iemand moet leren hoe hij zijn karakter kan veranderen en hoe hij zich kenmerken zoals vrijgevigheid, vriendelijkheid, bedaardheid, bescheidenheid, geduldig zijn en vergevingsgezindheid, eigen kan maken. Als iemand deze eigenschappen aanneemt kan hij in staat zijn zich te bedwingen wanneer hij boos wordt.

 2. Men moet niet handelen op basis van woede of wanneer men woedend is.

 3. Wanneer iemand boos wordt moet hij zichzelf onder controle houden, geduldig zijn en zijn woede temperen. Dit is een hedendaags standpunt van Sjeik al-Bitar.

 4. Ustādh Jamaal al-Din Zarabozo zegt dat de tekst als volgt geïnterpreteert kan worden:

‘een moslim moet nadenken vóór hij handelt of spreekt. Wanneer het gevoel van woede verschijnt, dan is het nodig na te denken waaróm dit zo is en of het nodig is boos te zijn. Tijdens het stellen van deze vragen moet iemand Allah Subhānahu Wa Ta’ala’ en het hiernamaals (Ākhira) niet vergeten. Dit zal ertoe leiden dat men kalmeert en niet boos wordt.’ Al deze interpretaties kunnen als verschillende strategieën in het omgaan met boosheid en in verschillende situaties worden toegepast. Als iemand boos wordt is het nodig om een muhasabah uit te oefenen, om de fouten bij zichzelf aan te rekenen en na te denken over wat hem ertoe heeft geleid en hoe dit in de toekomst te voorkomen. Dit is een belangrijke training die ons helpt onszelf te verbeteren. In verschillende hadiths leert de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) ons, hoe we onze woede onder controle kunnen houden, bijvoorbeeld: De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Ik ken een woord en de uitspraak ervan zal hem (de boze man) rustig maken als hij het zegt. Als hij zegt: ‘Ik zoek mijn toevlucht bij Allah voor Satan’, dan zal zijn woede verdwijnen.” (Al-Bukhāri, vol. 4, nr. 502) De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Ik ken een zin en wanneer men deze herhaalt, kan men zich ontdoen van boze gevoelens.” Zij vroegen: “Wat is het, Apostel van Allah?” Hij antwoordde: “Hij moet zeggen: Ik zoek mijn toevlucht bij Allah tegen de vervloekte duivel.” (Abū Dā’ud; boek 41, nr. 4762) Daarom is één van de manieren om woede onder controle te houden, toevlucht zoeken bij Allah tegen Satan, omdat Satan ons beïnvloedt door was-wasah (influisteringen en insinuaties) wat effect heeft op onze waarneming. Het beïnvloeden van de menselijke waarneming is de manier van Satan om het kwade te bevorderen en om geschillen te creëren tussen de gelovigen zoals in vele verzen van de Koran word vermeld: “En zeg tot mijn dienaren dat zij spreken wat het beste is. Voorwaar, Satan sticht onenigheid onder hen. Voorwaar, Satan is de mens een verklaarde vijand.” (soera al-Isra:53) Als iemand een vaag woord gebruikt in zijn spraak, dan ‘fluistert’ Satan een verkeerde interpretatie of begrip in de luisteraar, wat effect kan hebben op de relatie tussen hen. Dit is hoe relaties in familie tussen man en vrouw, broers, zussen en vrienden worden verbroken. In een andere hadith leert de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)ons over de wijze van omgaan met boosheid: “Boosheid komt van de duivel, de duivel is gemaakt van vuur en vuur kan alleen worden gedoofd met water; dus als je boos wordt, moet je de ‘wassing’ uitvoeren.” (Abū Dā’ūd, boek 41, nr. 4766) Abū Dharr zei: ‘De Apostel van Allah Subhānahu Wa Ta’ala’ zei tegen ons: “Wanneer iemand van jullie boos wordt terwijl hij staat, moet hij gaan zitten. Als de boosheid verdwijnt is dat goed; anders moet hij gaan liggen.” (Abū Dā’ūd, boek 41, nr. 4764) In een andere hadith zegt de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Als iemand van jullie boos wordt, moet hij zwijgen.” Dit is een belangrijk advies omdat we tijdens woede verkeerde dingen kunnen zeggen waar we later misschien spijt van hebben. Overgeleverd door ‘Abdur Rahmān bin Abi Bakrah: Abū Bakr schreef aan zijn zoon die in Sijistan verbleef: ‘Oordeel niet tussen twee personen wanneer je kwaad bent, want ik hoorde de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zeggen: “Een rechter moet niet oordelen tussen twee mensen wanneer hij in een boze stemming is.” (Al-Bukhāri, vol.9, nr.272) Deze hadith is gerelateerd aan de vorige hadith (15); met een uiteenzetting hoe we onrechtvaardig oordelen kunnen voorkomen. Er is echter ook prijzenswaardige woede, zoals weergegeven in de voorbeelden van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Hij werd nooit boos, behalve wanneer de geboden van Allah geschonden werden. Niettemin, als we boos willen worden voor de zaak van Allah moeten we voorzichtig zijn met het volgende:

a. We moeten niet boos worden om onszelf of om onze belangen.

b. We moeten het op een goede manier doen: geen

onrechtmatige handelingen plegen of vulgaire woorden zeggen uit boosheid.

c. We zijn in staat om het voordeel te bereiken zoals de Shari’ah het bedoeld. Als deze handeling leidt tot méér kwaad dan voordeel, dan moet dit vermeden worden op basis van het principe van voor- en nadeel. Het geven van oprecht advies bijvoorbeeld, moet op een goede manier worden gedaan -met de juiste woorden en voorzichtig- om geen ruzie te krijgen. Het is algemeen bekend vandaag de dag dat woede en boosheid veel gezondheidsproblemen kan veroorzaken, vooral als men deze niet onder controle kan houden. Er is wijsheid achter de Shari’ah bevelen en het is een feit dat de capaciteit van iemand om zijn woede onder controle te houden gunstig is voor zijn gezondheid.

 Conclusie

Maatschappelijk gezien bevorderd deze hadith goede relaties tussen mensen. We moeten ons beheersen in onze woede en altijd geduldig zijn. We kunnen een hekel aan iets hebben in dit leven, maar het kan voordeel brengen wat we niet kunnen voorzien. Ons geduld voor anderen die hard zijn voor ons, kan ervoor zorgen dat zij zich bewust worden van hun manieren en het kan hen later ten goede veranderen. Moslims moeten een rolmodel zijn voor anderen, zodat zij van ons kunnen leren.

 Hadith 17: Het concept van Ihsān.

Volgens Abū Ya'lā Shaddād ibn Aus (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft de Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Allah heeft voorschreven dat je alles op de beste wijze moet doen. Dus als je iemand doodt, doe dat dan op de beste wijze en als je slacht, slacht dan op de beste wijze. Laat ieder van jullie zijn mes goed slijpen en bespaar het te slachten dier nodeloos lijden.” (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond

Ihsān is een veelomvattend concept. Het bestaat uit vier componenten:

1. Oprechtheid. 2. Volledigheid.

3. Sierlijkheid (iets op een goede en prettige manier doen) 4. Correctheid (iets op de juiste manier doen) Het betekent ook: de dingen oprecht, volledig, aardig en op een smaakvolle manier doen. Dit concept wordt door commentatoren en vertalers vertaald als ‘uitmuntendheid.’ Als totaalconcept kan de term ‘Ihsān’ niet gemakkelijk worden vertaald omdat er in de Nederlandse taal geen equivalent is wat een exacte betekenis geeft. Daarom is het beter de term te gebruiken zoals hij is. De Islam beveelt moslims de Ihsān in al hun handelingen te beoefenen en toe te passen; vandaar dat dit een verplichting (wājib) is. In de Koran zegt Allah: “Voorwaar, Allah gelast u goed met goed (te vergelden) en wel te doen aan anderen en te geven als aan verwanten.....” (soera an-Nahl:90) In soera al-Mulk:2 wordt dit concept genoemd als twee van de voornaamste doelstellingen van de schepping van de mens, wanneer Allah zegt: “Die de dood en het leven heeft ingesteld opdat Hij u moge beproeven en wie onder u zich het beste gedraagt....”

Lessen

De hadith bevat een principe en geeft een voorbeeld van de toepassing van dat principe. Dit is een profetische methode -zoals eerder vermeld- om de moslims in staat te stellen hetzelfde principe in andere situaties toe te passen. Er kan ook worden gezegd dat het verstrekken van het voorbeeld een manier is om het principe uit te leggen, zodat het gemakkelijk begrepen kan worden. De meeste van de 40 hadiths die door Imam al-Nawawi verzameld zijn, zijn van deze aard. Er werd ook eerder vermeld dat moslims de neiging hebben het voorbeeld te nemen en het principe te vergeten. Misschien verklaard dit waarom moslims eens per jaar, gedurende de Eid ul-Adha (pelgrimsfeest) aan deze hadith herinnerd worden. Het concept van Ihsān betekent dat een moslim iemand is, die verantwoordelijk is en aandacht schenkt aan de kwaliteit van zijn/haar handelingen. En wanneer hij een handeling uitvoert, hij deze op een hele goede manier uitvoert; op een manier die correct, volledig en smaakvol is. Hij is met niets anders tevreden dan een hoogwaardige goede baan en is gemotiveerd door het besef dat Allah Ihsān voor alles en alle daden heeft voorgeschreven. De term ‘amalan’ in haar selecte vorm –zoals genoemd in soera al-Mulk:2 (in de Arabische tekst)- impliceert elke vorm van daad. Het wordt niet beperkt tot alleen religieuze daden (Ibādah), maar geldt ook voor alle daden die wettig zijn. Het moet volgens het concept van Ihsān worden gedaan en we moeten ons inspannen om de implicaties hiervan na te leven. Ihsān moet in alles wat we doen in acht worden genomen en uitgeoefend worden: de manier waarop we kijken, waarop we ons kleden, eten, slapen, werken, de da’wah verrichten, onderwijzen, leren en in het bevorderen van relaties met onze familie, buren en anderen in het algemeen. Wanneer deze handelingen en goede daden oprecht en mét Ihsān worden uitgevoerd, kunnen deze worden beschouwd als Ibādah. De superlatieve vorm van het werkwoord –genoemd in hetzelfde vers d.w.z. ahsan- betekent dat alle goede daden en handelingen die we doen op een competatieve manier moeten worden gedaan. Competitie in de Islam is er echter niet voor het bereiken van persoonlijk belang, maar eerder voor het zoeken naar de tevredenheid van Allah. De hadith vertelt ons hoe we met dieren moeten omgaan en hoe we genadig voor hen moeten zijn als we ze slachten. In een andere hadith zegt de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “Wie ook genade toont, zelfs wanneer hij een vogel slacht; Allah zal genade met hem hebben op de Dag des Oordeels.” (overgeleverd door al-Bukhāri) In een andere hadith vertelt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dit verhaal: “Er was eens een man die op reis was. De reis en de hitte maakte hem erg dorstig. Hij zocht naar water en vond een put, maar er was geen emmer of touw. Hij moest naar beneden klimmen om water te kunnen drinken. Toen hij weer uit de put kwam, zag hij een dorstige hond. Hij zei tegen zichzelf: ‘deze hond heeft net zoveel dorst als ik,’ dus klom hij weer naar beneden en vulde zijn schoenen met water voor de hond. Allah was erg blij met hem en vergaf de man zijn zonden vanwege zijn vriendelijkheid voor de hond.” (overgeleverd door al-Bukhāri) In een andere hadith waarschuwt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) ons om dieren niet bang te maken. Toen hij met zijn metgezellen ergens was, vond hij een vogel die een verdrietig geluid maakte. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Wie heeft deze vogel bang gemaakt door haar jongen weg te nemen?” Vervolgens gebood hij: “Breng haar jongen terug.” In een andere hadith waarschuwt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) om dieren geen kwaad te doen. Hij zei: “Een vrouw werd in het Hellevuur gegooid omdat zij haar kat had vastgebonden en geen eten of drinken gaf, noch op zoek liet gaan naar voedsel.” Hier nog een uitspraak over vriendelijkheid voor dieren om te voorkomen dat zij worden misbruikt, wanneer men de dieren bepaald werk laat doen waarmee zij overbelast worden (d.w.z. door hen te gebruiken als lastdier). In een hadith, wat een profetisch wonder laat zien, passeerde de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) een boerderij in Medina en zag hij een kameel. De kameel benaderde de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) alsof hij hem wat wilde vertellen. De Profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) riep de eigenaar van de kameel en zei: “Uw kameel klaagt dat u hem overbelast met werk en hem te weinig te eten geeft.” (een authentieke hadith, overgeleverd door Abū Dā’ūd, al-Hākim, Imam Ahmed e.a.) sjeik Abdullah bin Jibrin, is van mening dat dieren niet gebruikt mogen worden voor laboratoriumexperimenten. Dit op basis van een elementaire uitspraak die is afgeleid van deze 17e hadith, waarin word verboden een dier te schaden. De testen worden alleen toegestaan als men ervoor kan zorgen dat het dier niet word geschaad. Dit alles laat zien dat de Islam de religie is van Ihsān en genade, wat het tegenovergestelde is van het imago dat het westen verspreid heeft over de Islam. Dit niet alleen: het bewijst duidelijk dat degenen in het wésten de dieren misbruiken en schaden. Zelfs in de Jihād (het bestrijden van vijanden) moeten moslims Ihsān toepassen. Ouderen, kinderen, vrouwen en degenen die niet vechten tijdens de oorlog, mogen niet worden geschaad. Bij het doden van de agressieve vijand -die het verdient te worden gedood- moet Ihsān worden toegepast en nageleefd om er voor te zorgen dat de vijand niet onnodig lijd. Gevangenen moeten ook met Ihsān behandeld worden. De Islam introduceerde een nieuwe manier van omgaan met gevangenen. Uit het voorbeeld van de ‘slag van Badr’: de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) liet zijn gevangenen vrij op voorwaarde dat zij nuttige kennis zouden overbrengen aan de moslims. Tegnwoordig zijn er wapens die massavernietiging veroorzaken en die door het westen worden gebruikt in oorlogvoering. Het gebruik ervan is in strijd met het concept van Ihsān. Dan ontstaat er echter een probleem: wat, als de vijanden van de Islam deze wapens tegen ons gebruiken? Sommige hedendaagse geleerden zijn van mening dat in deze gevallen de moslims ze ook mogen gebruiken, maar alléén als respons en uit zelfverdediging.

 Conclusie

Door te leven volgens het concept van Ihsān en door het toe te passen op alles wat de moslim doet, zal hij/zij worden beloond en worden overladen met genade en vergeving van Allah. Bovendien zal een moslim er voor zorgen dat hij de rest goed doorstaat en dat hij gaat behoren tot degenen die het beste zijn in gedrag.

 Hadith 18: Het concept van Taqwa.

Volgens Abū Dharr Jundub ibn Junādah en Abū ‘Abdul-Rahmān Mo'ādh bin Jabal (Allah’s welbehagen zij met hen) heeft de boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Vrees Allah waar je ook bent en laat een goede daad volgen op een slechte daad om deze uit deze uit te wissen, en gedraag je goed ten opzichte van de mensen.” (Overgeleverd door al-Tirmidhī, die gezegd heeft dat het een goede hadith is. Bij enkele versies van de hadithverzameling van Tirmidhī staat dat het een betrouwbare hadith is)

 Achtergrond

Taqwa is één van de belangrijkste en omvangrijke Islamitische concepten. De term is afgeleid van de wortel ‘waqayah’, wat ‘bescherming’ betekent. Daarom betekent Taqwa: ‘het zichzelf beschermen tegen de zware straf van Allah, d.m.v. het observeren van Zijn leidraad.’ Sommigen vertalen Taqwa als: ‘Allah vrezen’. Echter, Allah vrezen is één aspect van dit veelomvattende concept. Ali ibn Abi Talib radiyallāhu ‘anhu omschrijft Taqwa als: Allah vrezen, trouw blijven aan Zijn bevelen, tevreden zijn met waar Hij in voorziet en klaar zijn voor de Dag des Oordeels. Mohammad Asad vertaald het als: ‘je bewust zijn van Allah. Volgens sommige moslim taalkundigen is het misschien beter om de transliteratie van de Koran te gebruiken en het te houden zoals het is. De term wordt zowel in de Koran als in de Sunnah vaak genoemd. Allah zegt: “O gij die gelooft, vrees Allah zoals Hij gevreesd behoort te worden en sterf niet, behalve als oprechte moslims.” (soera al-‘Imrān:102) Door de realisatie van Taqwa worden veel gunsten en zegeningen toegekend aan de moslim. Onder deze zijn: de liefde van Allah, het kunnen oordelen tussen goed en slecht, het oplossen en overwinnen van moeilijke problemen, vergeving van zonden, het verkrijgen van begeleiding en hulp van Allah, het verwerven van nuttige kennis, welvaart en succes.

 Lessen

Zowel volgens Imam Rajab als volgens andere geleerden is Taqwa het vervullen van verplichtingen en het vermijden van verboden en dubieuze zaken. Het is het advies van Allah aan de profeten ‘alayhimus salām en aan de gehele mensheid. De profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam) adviseerde en herinnerde zijn metgezellen regelmatig aan Taqwa in al zijn gesprekken en bij verschillende gelegenheden. Degenen die Taqwa omschrijven als ‘het vrezen van Allah kijken naar het concept als een motivatie, omdat volgens de vroege geleerden het minimale niveau van ‘het vrezen van Allah dát is, wat moslims motiveert in het vervullen van hun verplichtingen en hen weg houd van verboden. Taqwa betekent niet ‘perfectie’. Degenen die Taqwa hebben zijn onderworpen aan te begane zonden. Echter, als zij dat doen hebben zij meteen berouw en doen na de slechte daad meteen een goede om de slechte daad ‘uit te vegen’ zoals vermeld in deze hadith. Dit verduidelijkt het probleem tussen sommige geleerden of het wel of niet vermijden van kleine zonden als een aspect van Taqwa wordt beschouwd. Allah en de Genadevolle heeft de deur van vergiffenis open staan voor de verschillende manieren waarop de straf van een zonde zou kunnen worden verwijderd. Na een slechte daad een goede daad doen, is een manier om de slechte ‘uit te vegen’ zoals Allah zegt in de Koran: “Voorzeker, goede werken verdrijven kwade werken.” (soera Hūd:114) Er zijn andere manieren waardoor zonden worden vergeven zoals wordt vermeld in de Koran en de Sunnah:

 • Istighfār (het zoeken van Allah’s vergiffenis d.m.v. smeekbeden)

 • Taubah (berouw)

 • Du‘a’ (smeekbeden) van moslims voor elkaar

 • De tussenkomst (shafā‘ah) van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)

 • De tussenkomst (shafā‘ah) van vrome moslims

 • De vijf dagelijkse gebeden regelmatig en op tijd     uitvoeren

 • Beproevingen

 • De kwelling in het graf

 • De verschrikkelijke situaties en gebeurtenissen van de Laatste Dag

• De Genade en Vergiffenis van Allah. Wanneer we een goede daad verrichten zal Allah ons belonen door ons te begeleiden naar een andere goede daad. Een slechte daad doen zonder daar spijt van te hebben, zonder Istighfār of zonder er een goede daad tegenover te stellen, zal zeer waarschijnlijk leiden tot een andere slechte daad van hetzelfde soort of een ander soort. Het verrichten van een slechte daad zonder wroeging zal de persoon in herhaling doen vallen. Wanneer dit gebeurd wordt de slechte daad een regel, tot het hart van de persoon is ‘verzegeld’ en hij een overtreder wordt. Het is voor iedere moslim verplicht om anderen goed te behandelen en om op een goede manier interactie te hebben. Ibn Rajab zegt in zijn commentaar: “Een goed karakter is een kenmerk van Taqwa.” Taqwa is incompleet zonder een goed karakter. Het wordt hier genoemd om dit punt expliciet uit te leggen. Veel mensen denken dat Taqwa betekent: ‘het vervullen van de rechten van Allah zonder de rechten van de mensen te vervullen.’ Daarom verklaarde de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) expliciet dat wij op een vriendelijke manier met mensen moeten omgaan. Deze regel wordt in vele andere hadiths benadrukt: “Vroomheid en oprechtheid getuigd van een goed karakter.” (overgeleverd door Imam Muslim) “De gelovige met het meest volledige Imān (geloof) is degene met het beste gedrag.” (overgeleverd door Imam Ahmed en Abu Da ‘ūd) “Er is niets zwaarder in de (weeg) schalen dan een goed karakter.” (overgeleverd door Imam Ahmed en Abu Da ‘ūd)

 Conclusie

Allah vrezen, Zijn bevelen opvolgen, na een slechte daad een goede daad doen om de slechte uit te vegen, andere mensen goed behandelen en een zedelijk gedrag hebben: dit zijn de belangrijkste aspecten van Taqwa.

 Hadith 18: Allah’s bescherming.

Abū al-‘Abbās ‘Abdullah, de zoon van ‘Abbās (Allah’s welbehagen zij met vader en zoon), heeft gezegd: ‘Op zekere dag zat ik achter de profeet (Allah’s zegen en vrede zij met hem) en hij zei tegen mij: “Jongeman, ik zal je iets leren. Wees je bewust van Allah, dan zal Allah jou beschermen. Wees je bewust van Allah, dan zal je Hem vóór je vinden. Als je iets vraagt, vraag het dan aan Allah. Als je hulp zoekt, zoek dan hulp bij Allah. Weet, dat als heel de gemeenschap bij elkaar zou komen om jou enig voordeel te verschaffen, dat dat alleen mogelijk zou zijn als Allah dat al voor jou bepaald had. En als men bij elkaar zou komen om jou schade te berokkenen, dan zou men dat alleen kunnen doen als Allah dat al voor jou bepaald had. De pennen zijn van het papier gelicht en de bladzijden zijn al opgedroogd.” (Overgeleverd door Tirmidhī die gezegd heeft dat het een goede en betrouwbare hadith is) In een andere versie die niet van Tirmidhī is, staat: “.....Wees je bewust van Allah, dan zal je Hem voor je vinden. Zorg dat je Allah kent als het goed met je gaat; dan zal Hij jou kennen bij tegenspoed. Weet dat wat aan jou is voorbijgegaan, jou ook niet moest overkomen en dat wat er met jou is gebeurd, niet aan jou voorbij kon gaan. En weet dat de overwinning met geduld samengaat, vreugde met droefenis en verlichting met moeilijkheden.”

 Achtergrond

Deze hadith bevat een zeer belangrijk advies en algemene uitspraak in de Islam bij het zoeken naar de bescherming van Allah. Ibn Rajab citeerde een geleerde, die zei: “Wat jammer voor degene die deze hadith niet kent en die weinig begrip heeft van de betekenis.”

 Lessen

De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) begint met de hadith met aandacht trekken van Ibn ‘Abbās door te zeggen: “Jongeman, ik zal je iets leren.” Omdat hij ‘jongeman’ zei, wist Abbās dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) speciaal tegen hem sprak. En door te vervolgen met: ‘ik zal je iets leren’ wist Ibn Abbās radiyallāhu anhuma dat er belangrijke woorden gingen komen van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Vandaar dat de woorden in het begin van de hadith alle aandacht kreeg van Ibn Abbās radiyallāhu anhuma. Dit leert ons dat wanneer we een gesprek hebben of een toespraak houden, we moeten beginnen met woorden die de aandacht trekken van het publiek. Dit, om er voor te zorgen dat onze adviserende woorden (in onze toespraak) niet in dovemansoren vallen. De zin ‘wees je bewust van Allah’ betekent:

 • Het in acht nemen of vervullen van Allah’s verplichtingen

 •  Je houden aan Zijn geboden

 •  Zijn verboden vermijden

 Sommige dingen die we moeten doen om Allah’s bescherming te krijgen zijn:

 • De dagelijkse gebeden op tijd en op een goede manier uitvoeren

 •  Reinheid en zuiverheid handhaven

 • Onze eed observeren; als we zweren bij Allah dat we een handeling uit zullen voeren, moeten zulke verplichtingen worden vervuld.

 • Onze zintuigen bewaken; we moeten zorgen dat wát we ook zien, horen of zeggen, Allah zal behagen. We moeten Allah vrezen en deze zintuigen niet op een verkeerde manier gebruiken.

 • We moeten er voor zorgen dat we niets eten of drinken wat niet halāl is.

 • We moeten observeren dat onze handelingen en transacties halāl zijn.

• We moeten onze harten beschermen tegen betrokkenheid van ma ‘siyah (slechte daden), b.v. zinā (overspel); op het moment dat een persoon zwak is en hij/zij een zonde begaat of ma ‘siyah, moet hij/zij berouw tonen vanwege zijn/haar angst voor Allah. Als we ons bewust zijn van Allah d.w.z. als we Zijn verplichtingen vervullen en observeren, dan zal Hij ons beschermen. Er zijn twee vormen van bescherming van Allah:

1. Allah zal Zijn dienaren beschermen en voor hen zorgen in de wereldse zaken. Bijvoorbeeld onze gezondheid en onze zintuigen: we genieten van de genade en de gunsten van Allah in zien, horen en spreken en zelfs als we oud worden, staat Allah ons toe zowel van deze zintuigen als van ons intellect en mentale zintuigen gebruik te maken. Allah beschermd ook onze familie, ons bezit, ons toebehoren en ons geld. Als iemand zich bewust is van Allah tijdens zijn jeugd, dan zal Allah hem beschermen tijdens zijn volwassenheid.

2. Allah beschermd de din (religie) en de Imān van Zijn dienaren. Hij beschermd ons tegen misverstanden en misleiding en zorgt dat we niet worden beīnvloed door misvattingen en verlangens. Hij helpt ons en begeleid ons zodat we beschermd zijn tegen negatieve invloeden. Allah beschermd ook onze din d.w.z. Hij beschermd ons tegen de pogingen van Satan om ons op het slechte pad te brengen op de laatste momenten van ons leven. Dit zorgt er voor, dat we dit leven verlaten met de Imān van een mu‘minūn (gelovige). Misschien zijn we ons niet bewust van Allah’s bescherming van onze din. We kunnen er zelfs ontevreden over zijn. Er kan b.v. een situatie zijn, waarin Allah ons belet iets te doen wat we willen doen. Dit is eigenlijk bescherming van Allah; Hij beschermd ons, door ons niet toe te staan een bepaalde handeling uit te voeren en dit voorkomt onheil, het plegen van zonden of problemen. Als we ons bewust zijn van Allah zal Hij dicht bij ons zijn. Allah is dicht bij Zijn dienaren (mu‘minūn) door het geven van begeleiding, steun, hulp, bescherming en zegen.  Een andere vertelling van deze hadith verklaard dat als we ons tijdens gemakkelijke tijden bewust zijn van Allah, Hij ons zal helpen gedurende moeilijke tijden. Daarom moeten we als we met gemak en voorspoed gezegend zijn, de zegen gebruiken om de tevredenheid van Allah te krijgen. Hij zal in tijden van ontbering, zwakheid, ziekte etc. voor ons zorgen. Zelfs als we niet langer in staat zijn om iets goeds te doen -wat we normaal gesproken doen in tijden van gemak- zal Allah ons voor dat handelen belonen. De verklaring waarin de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) tegen Abdullah bin Abbās zegt: “Vraag het Allah” en “Zoek hulp bij Allah” is de basis van Tawhīd. Dit zeggen we in elk gebed in soera al-Fātihah (“iyyāka na ‘budu wa iyyāka nasta ‘in”). Dit laat het belang van du’a zien en het belang van het aldoor vragen om steun en begeleiding. We moeten laten zien dat we Allah nodig hebben en dat we totaal afhankelijk van Hem zijn bij het uitvoeren van zulke vormen van Ibādah. Allah heeft al in Al-Lauh Al-Mahfūz geschreven over dat, wat er gaat plaatsvinden. Er gebeuren dingen met ons waar we geen controle over hebben (b.v. ziekte, het verlies van een geliefde, ellende etc.) en om deze gebeurtenissen op een goede manier onder ogen te kunnen zien hebben we tevredenheid nodig. Deze tevredenheid moet worden beoefend. Rida is het hoogste niveau wat we kunnen bereiken, waar we accepteren en blij zijn of tevreden zijn met alles wat Allah voor ons heeft gekozen, of dat nu positief of negatief is. Het op één na hoogste niveau is geduld (sabr) waarin we tolerant, geduldig en kalm moeten zijn, zonder iets te zeggen wat Allah zou kunnen mishagen. Er zijn verschillende verzen in de Koran die dezelfde betekenis benadrukken die onder aan de hadith wordt genoemd: “En als Allah u door het kwade treft, is er niemand die dit kan verwijderen dan Hij, en als Hij het goede voor u wenst, is er niemand die Zijn genade kan beletten. Hij kent haar toe aan degene van Zijn dienaren die Hem behaagt.” (soera Younus:107) “Wat Allah de mens aan barmhartigheid schenkt, is door niemand tegen te houden; en wat Hij terughoudt kan buiten Hem niemand schenken.” (soera Fātir:2) “Er gebeurd geen ongeluk op aarde of aan uzelf, zonder dat het is opgetekend in het Boek voordat Wij het openbaren.” (soera al-Hadid:22) Allah ‘registreerde’ het lot (qadar) van alle scheppingen 50.000 jaar vóór Hij de hemelen en de aarde schiep. (Sahih muslim) In een andere Sahih Muslim hadith vraagt een man aan de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) of wat we vandaag doen iets is dat al is geregistreerd of dat het iets is dat net is gebeurd. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) antwoordde dat wát er ook gebeurd, in overeenstemming is met wat al is geregistreerd. Toen vroeg de man waarom dat hij dan iets zou moeten doen? De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)gaf de opdracht (niet alleen aan de man, maar aan de hele moslim ummah) om goede daden te doen: iedereen wordt geleid naar datgene waar hij/zij voor is geschapen. Al-Qadar kan grofweg worden gesplitst in twee categorieën: Er gebeuren dingen waar we geen controle over hebben. We moeten ons overgeven aan de wil van Allah en geduldig zijn. Er gebeuren dingen waar we controle over hebben. Deze dingen gebeuren als gevolg van onze roekeloosheid, luiheid, nalatigheid etc. Op het moment dat deze dingen gebeuren, zijn ze al qadar en degenen die verantwoordelijk zijn voor deze daden moeten verantwoording afleggen. Een voorbeeld: bouwvakkers die bouwen, artsen zorgen voor patienten, autorijden etc. Dus wat we doen moeten we op een zorgvuldige en volledige manier doen en naar het beste van ons vermogen. In het algemeen zijn we verantwoordelijk voor alles wat we doen, of het nu wereldse zaken zijn of dat het in onze Ibādah is. We moeten altijd streven onszelf te verbeteren en onszelf steeds vertellen dat we het beter kunnen doen. We moeten ook wegblijven van dingen die vermeden kunnen worden. Wat betreft onze gezondheid bijvoorbeeld: we moeten vermijden dat we iets eten wat schadelijk kan zijn voor ons lichaam. Bijvoorbeeld voedsel met een hoog cholesterolgehalte, wat hartproblemen kan veroorzaken. M.a.w. we moeten er goed aan denken de dingen te vermijden die slecht voor ons zijn en dit niet afschuiven op qadar, als het gebeurd uit eigen roekeloosheid of nalatigheid. Het zoeken naar genezing voor een ziekte is niet in tegenspraak met qadar. Als we geconfronteerd worden met een probleem, moeten we moeite doen om dit op te lossen of te minimaliseren en geen dingen doen die de situatie zal doen verslechteren. Veel moslims hebben de neiging om deze hadith over qadar negatief te interpreteren. We moeten qadar op een positieve manier begrijpen. We moeten onderscheid maken tussen de dingen waar we geen controle over hebben en de dingen waar we wel controle over hebben i.p.v. alleen te accepteren wat heeft plaatsgevonden als qadar, zonder te analyseren waarom dit heeft plaatsgevonden. We moeten pogen de situatie te verbeteren en nadenken over hoe we dit kunnen voorkomen. We zijn verantwoordelijk voor alles wat we doen en voor alle keuzes die we maken.

 Conclusie

Deze hadith leert ons hoe we een vredig en gelukkig leven kunnen leiden, door ons bewust te zijn van Allah en door Hem te vertrouwen en te aanbidden. Een goed begrip van qadar op een positieve manier leidt ons tot het verkrijgen van een tevreden leven zonder stress. We zullen dan minder bezorgd zijn over onze toekomst en de gevolgen van onze handelingen en beslissingen. We zullen in staat zijn om ons best te doen om Allah’s verplichtingen na te komen en we zullen een volledig vertrouwen hebben en accepteren wat Hij voor ons wil.

 Hadith 20: Het concept van Al-Hayā’(bescheidenheid).

Abū Mas'ūd ‘Uqba bin ‘Amr al-Ansāri al-Badri (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: De Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) zei: “Wat de mensen zich van de uitspraken van vroegere profeten herinneren is dit: Als je geen schaamte hebt, doe dan maar wat je wilt.” (Overgeleverd door Bukhāri)

 Achtergrond

‘Hayā’ kan vertaald worden als: bescheidenheid, verlegenheid of schuchterheid zoals aangegeven door Jamaal al-Din Zarabozo. Het woord ‘hayā’ is afgeleid van het woord al-hayā,’ wat ‘leven’ betekent, alsof iemand zonder ‘hayā’ is als iemand die dood is. De Islam bevordert en waardeert al-hayā, of bescheidenheid. Het is een van de meest belangrijke kenmerken die elke moslim dient te verwerven en te bezitten. Hier volgen een paar hadiths waarin deze goede eigenschap wordt benadrukt: “Hayā’ (bescheidenheid) en Imān (geloof) zijn twee dingen die samengaan; als het ene wordt ingetrokken is het andere ook ingetrokken.” (overgeleverd door al-Hākim)  “Al-Hayā’ is een gedeelte van Imān.” “Hayā produceert niets dan goedheid.” (overgeleverd door al-Bukhāri en Muslim)

 Mogelijke interpretaties van de tekst

Vanwege de vorm van de tekst kan het op veel verschillende manieren worden geïnterpreteerd. Imam Ibn Rajab wijst op twee interpretaties van de tekst volgens vroege geleerden: 1) ‘Als je geen schaamte hebt, doe dan wat je wilt en Allah zal je daarvoor straffen.’ Deze wijze van uitdrukking in de Arabische taal is bekend en wordt gebruikt als een vorm van dreiging. Deze wijze is ook gebruikt in de Koran, bijvoorbeeld hier: “Voorzeker, zij die Onze tekenen verdraaien zijn niet voor Ons verborgen. Is dan hij die in het Vuur geworpen wordt beter dan degene die veilig blijft op de Dag der Opstanding? Doe wat gij wilt. Voorwaar, Hij ziet alles wat gij doet.” (soera Fussilat:40)

2) Indien je er over denkt om een handeling te verrichten waarvoor je geen reden hebt om je te schamen voor Allah of voor iemand anders, dan kun je deze handeling uitvoeren. In deze interpretatie wordt schaamte gebruikt als maatstaf bij de beslissing of men een bepaalde handeling moet verrichten. Het gebod hier geeft de toelaatbaarheid aan. Er is een deugdelijke derde interpretatie, gegeven door Ibn al-Qayyim, een geleerde uit de 8e eeuw van de Hidjra. Hij is van mening dat het gebod niet de toelaatbaarheid betreft, maar dat het eerder een vaststelling is van een feit. Dit betekent dat wanneer iemand geen schaamte kent, er niets is wat hem belet iets te doen. Hayā’ is een van de meest belangrijke factoren wat er voor zorgt dat iemand geen zonde begaat. Als iemand geen hayā’ heeft, zal hij/zij bijna alles doen.

 Lessen

Er zijn twee aspecten van hayā’: ‘natuurlijke hayā’ en ‘verworven hayā’. De laatste wordt bereikt als gevolg van het bewustzijn en de realisatie van de glorie van Allah en Zijn eigenschappen. Er zijn veel vormen van hayā’ zoals genoemd door Ustadh Jamaal al-Din Zarabozo in zijn toelichtingen op de veertig hadiths:

• Hayā’ naar Allah. Een moslim zou zich moeten schamen als Allah iets ziet of hoort wat Hem mishaagt, vooral als die moslim alleen en uit het zicht van anderen is.

Hayā’ naar de engelen. Een moslim moet zich schamen om engelen te hebben (wat nobele en waardige schepselen zijn) die getuige zijn van menselijke handelingen en die hem dan onwettige handelingen zien uitvoeren.

• Hayā’ naar andere mensen, dit is een essentieel kenmerk wat mensen tegenhoudt om elkaar pijn te doen of om iets onfatsoenlijks te doen. Een moslim moet zich schamen als andere mensen hem een ongeoorloofde handeling zien verrichten.

• Hayā’ naar jezelf Iemand moet zich schamen wanneer hij schandelijke dingen doet. Als hij zich realiseert dat zijn niveau van hayā’ laag is, dan moet hij zichzelf verbeteren door Allah Subhānahu Wa Ta’ala te gedenken, om dichter bij Hem te komen en Hem te vrezen. Dit voorname concept van hayā’, of schaamte, moet op alle mogelijke manieren en op alle niveaus worden aangemoedigd door iedereen; opvoeders, onderwijzers, ouders en du’at (predikers). Het is jammer dat de vooruitgang van de technologie en het op een onverantwoordelijke manier gebruik maken hiervan, deze geweldige leer uitdaagt. Vandaar dat moslimpredikers, ouders, opvoeders etc. een grote verantwoording op hun schouders hebben. De overtreders bevorderen handelingen die hayā’ verstoren en beschadigen. Het moderne westerse perspectief van entertainment daagt ook het concept van haya uit. Als hayā’ verstoord is, dan kan de Imān (geloof) verstoord zijn. Dan zal de kans op het begaan van zonden en kwaad groter zijn en de kans op het uitstellen of verwaarlozen van de verplichtingen zal dan ook groter zijn. Zelfs de kans om misdaden te plegen zal groter zijn vanwege nieuwe vormen van entertainment, waarin misdaden zoals moord, drugsverslaving, verraad en overspel worden gezien als vormen van entertainment. Halfnaakte mensen en liedjes die het kwaad bevorderen zijn voorbeelden van nieuw entertainment. Jammer genoeg lenen wij als moslims mediamateriaal uit het westen zonder goede evaluatie, censuur of klassificatie. De organisaties van de media moeten meer instructies en richtlijnen verstrekken over de aard van de films en televisie. Er moeten ook programma’s komen die de bewustwording creëren van de mogelijke schade van deze vorm van entertainment. Hayā’ wordt soms misbruikt om zorgeloosheid, onverschilligheid, of het verwaarlozen van een verplichting te rechtvaardigen. Hayā’ wordt gebruikt als excuus om te zwijgen of om passief te zijn bij leugens en onderdrukking, of voor het niet aanmoedigen van het goede en het ontmoedigen van het kwade. Men wordt echter verontschuldigd als er een reden is om dit te doen b.v. als men meer schade verwacht als gevolg. Een ander voorbeeld van het misbruiken van hayā’ is het te gebruiken als excuus om niet op zoek te gaan naar kennis. In veel moslimculturen heeft het spreekwoord of cliché, wat zegt: ‘men moet zich niet schamen om vragen te stellen over religieuze zaken’, verwarring gecreëerd of wordt verkeerd begrepen. Dit spreekwoord lijkt alleen te worden beoefend wanneer men te maken krijgt met gevoelige kwesties. Maar als het gaat over het zoeken naar kennis in een klaslokaal, dan worden de meeste moslims verlegen en gebruiken ze bescheidenheid als excuus. Ouders thuis, onderwijzers op school en zelfs docenten op universiteiten vergroten dit probleem, doordat zij het stellen van vragen soms zien als een vorm van agressie of onbescheidenheid. Een dergelijke houding dient te worden veranderd. Soms wordt hayā’ ook gebruikt als excuus als men geen goede daden doet. Bijvoorbeeld als iemand weet dat er iets moet worden gedaan en de handeling is goed en is zelfs mogelijk een aanbevolen of verplichte handeling. Echter, de persoon doet niets of negeert de handeling vanwege hayā’. Sommige voorbeelden van dit fenomeen zijn: het niet geven van sadaqa (naastenliefde) aan een behoeftige in het bijzijn van anderen; het niet verwijderen van schadelijk afval op straat of op het pad van andere moslims; het niet helpen van invaliden of andere personen wanneer zij de straat oversteken. woord is afgeleid van de stam ‘qiyyam’ wat ‘de continuïteit van iets doen’ betekent, gevolgd door: ‘er voor zorgen dat het op de juiste manier wordt gedaan en dat daar niet van wordt afgeweken.’ Deze term is in vele verzen van de Koran gebruikt. Allah zegt: “Blijf daarom standvastig zoals u is bevolen en ook degenen die zich met u hebben bekeerd en overtreedt de grenzen niet, want Hij ziet voorzeker, wat gij doet.” (soera Hud:112) Ibn Abbās zei dat dit vers het zwaarste en moeilijkste vers was van de Koran aan de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Het is inderdaad een moelijke taak om Istiqāmah te verwezelijken, vandaar dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Blijf op het rechte pad of blijf er dichtbij.” “Nodig hen daarom hiertoe uit. En wees standvastig zoals u is geboden en volg hun slechte begeerten niet.” (soera al-Shura:15) Uit deze twee verzen kan worden opgemaakt dat Istiqāmah betekent: stevig en standvastig houden aan wat Allah ons heeft bevolen, d.w.z. het vervullen van onze verplichtingen en het vermijden van het verbodene. We moeten onszelf ook niet toestaan om misleid te worden door verlangens (of het nu onze verlangens of verlangens van anderen zijn) omdat het ons op een dwaalspoor brengt en ons van het rechte pad doet afwijken.

 Lessen

Volgens Ibnul-Qayyim zijn er vijf voorwaarden om Istiqāmah te verwezelijken in onze daden:

 1. De handeling moet alléén omwille van Allah  worden uitgevoerd.

 2. De handeling moet worden uitgevoerd op basis van kennis (ilm).

 3. De handeling van aanbidding (ibādah) moet op dezelfde manier worden uitgevoerd, zoals het ons bevolen is te doen.

 4. De handeling moet op de best mogelijke manier worden uitgevoerd.

 5. Wanneer men deze goede daden verricht moet men zich beperken tot het geoorloofde.

 Stappen om Istiqāmah te bereiken.

Volgens andere geleerden van sulūk d.w.z. gedrag, zijn er bepaalde stappen te volgen om Istiqāmah te bereiken.

1. Men moet zich altijd bewust zijn van de uiteindelijke

bestemming d.w.z. de Dag des Oordeels (Ākhīrah) en dit bewustzijn op een positieve manier gebruiken als motivatie om goede daden te doen. Een manier om dit te bereiken is om te onthouden dat de reis naar Ākhīrah begint op het moment dat men sterft en men deze wereld verlaat. Een van de salaf (vroege geleerden in de Islam) zei: “Als je leeft tot de volgende ochtend, wacht dan niet op de avond en als je leeft tot de avond, wacht dan niet op de ochtend.”

2. Doe een toezegging (mushāratah). Men moet zich inzetten om standvastig te zijn, de dingen op een zo goed mogelijke manier doen en zich houden aan de bevelen van de Islam. Jammer genoeg zijn er veel moslims toegevend en niet standvastig aan hun toezegging.

3. Voortdurend en met uiterste inspanning streven (mujāhada) om deze toezegging te realiseren. Sommige moslims durven de toezegging te doen, maar zij doen geen inspanning om deze te realiseren.

4. Altijd daden controleren en beoordelen (murāqabah). Ben eerlijk tegen jezelf zodat er geen valse excuses worden gemaakt voor het niet vervullen van een belofte.

5. Ben altijd verantwoordelijk voor jezelf (muhāsabah). Dit moet op twee manieren gebeuren: Ten eerste: vóór we iets gaan doen, moeten we er zeker van zijn dat het Allah zal behagen; dat we het alleen voor Hem doen en dat we ernaar streven om het op een goede manier te doen.

Ten tweede: nadat de handeling is uitgevoerd, moeten we controleren om te bepalen of er sprake is van gebreken of tekortkomingen en we moeten niet tevreden zijn met wat we hebben gedaan, maar in plaats daarvan denken aan hoe we het beter kunnen doen. We moeten ook controleren of ons doel is bereikt.

6. Geef jezelf de schuld voor het niet perfekt uitvoeren van de handeling. Hier wordt ‘jezelf de schuld geven’ positief bekeken als motivatie voor verbetering en met de intentie om de dingen de volgende keer beter te doen. Dit zal leiden tot het maken van een andere toezegging en voortdurende toezeggingen, om onze prestaties te verbeteren.

7. Het streven naar verbetering (Tahsīn). We moeten een doel stellen om onszelf altijd te verbeteren in alles wat we doen (dagelijkse activiteiten, werk, handelingen, goede daden, Ibādah etc.)

8. Nederig zijn t.o.v. Allah; erkennen dat níemand perfekt is, alléén Hij en bij Hem vergiffenis, begeleidingen steun zoeken. Hier moet worden benadrukt dat de hierboven genoemde stappen en voorwaarden op zowel wereldse zaken als op Ibādah en religieuze zaken van toepassing zijn.

 Factoren die Istiqāmah verzwakken.

Er zijn factoren die vermeden moeten worden omdat zij leiden tot het verzwakken van Istiqāmah. Deze factoren worden hieronder vermeld en toegelicht:

1. (herhaaldelijk) Zondigen (ma’siyah) zonder istighfār (Allah om vergiffenis vragen) en zonder berouw.

2. Shirk (het associëren van partners aan Allah), tegen anderen opscheppen over onze goede daden, waardering zoeken bij anderen, vermijden om door anderen beschuldigd te worden, bang zijn van iemand of een beloning zoeken bij anderen dan Allah. Dit is een gedeelte van shirk en wordt ook riyā, of pronken genoemd.

3. Nifāq (hypocrisie). Er zijn twee vormen van hypocrisie: in geloof en in handelen. De moslim die zich totaal overgeeft aan de wil van Allah en de Islam accepteert op basis van vrije wil, is vrij van de eerste vorm van nifāq. Echter iedere moslim is onderworpen aan de tweede vorm van nifāq, waarvoor de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) ons waarschuwde. Deze vorm van nifāq bevat handelingen zoals het niet nakomen van beloften of deze beloften zonder enige reden of excuses continu breken; het niet nakomen van afspraken die we maken met anderen; agressief of onoprecht zijn naar anderen in ruzies of conflicten; het zich niet houden aan verantwoordelijkheden waarmee we zijn belast etc.

4. Schendingen van Ibādah; echte overtredingen (het uitvoeren van Ibādah die niet zijn beschreven door de Shari’ah d.w.z.openbaring) of relatieve overtredingen (niet aan de eisen voldoen om de Ibādah in acht te nemen; de vijf criteria die besproken worden in hadith 5) zullen leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de goede daden of Ibādah. Er zijn andere factoren die ook bijdragen aan het verzwakken van istiqāmah zoals roekeloosheid, onwil, achteloosheid, overweldigd worden door een misleidend genot en misleid worden door eigen ineteresses en verlangens. De toepassing van de acht stappen -zoals hierboven genoemd- en het vermijden van de vier factoren die Istiqāmah doen verzwakken, zal ons helpen al deze obstakels en blokkades te overwinnen.

 Conclusie

Istiqāmah is een belangrijk Islamitisch concept, aangezien dit er voor zorgt dat we standvastig op het rechte en ware pad blijven en voorkomt dat we daar van afwijken. De betekenis ervan is duidelijk omdat elke moslim verplicht is om 17 keer per dag soera al-Fatiha te reciteren; zoekend naar Allah’s begeleiding op het rechte pad.

 Hadith 22: Daden die leiden naar het paradijs (I)

Volgens Abū ‘Abdullah Djabir, de zoon van ‘Abdullah al-Ansari (Allah’s welbehagen zij met vader en zoon): ‘Een man vroeg aan de Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem): “Denkt u, dat wanneer ik de verplichte gebeden verricht, in de Ramadan vast, me de zaken die halal zijn, toesta en die harām zijn, ontzeg en verder niets meer doe, dat ik dan in het paradijs kom?” Hij zei: “Ja”. (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond.

Imam al-Nawawi zei dat ‘het je ontzeggen van wat harām is’ betekent, dat je handelingen moet vermijden die verboden zijn. En dat: ‘het toestaan van zaken die halāl zijn’ betekent, dat je handelingen moet uitvoeren waarvan je gelooft dat ze geoorloofd zijn. Ibn Rajab geeft twee andere interpretaties: ‘Het toestaan van zaken die halāl zijn’ betekent: te geloven dat wat is toegestaan, geoorloofd is en dit uit te voeren, terwijl ‘het je ontzeggen van wat harām is’ betekent: te geloven dat het verboden is, en dat vermijden. ‘Het rechtmatige te behandelen als toelaatbaar, is de handeling uitvoeren.’ Rechtmatig betekent hier: ‘niet verboden’; wat wājib (verplichte daden), mustahab (daden die de voorkeur hebben), en mubāh (geoorloofd) inhoudt. Een opmerking over de hadith is dat de hajj en zakāh niet worden genoemd, hoewel ze deel uitmaken van de vijf pilaren van de Islam. Volgens sommige geleerden is degene die deze opmerking maakte, gestorven (in de strijd van Uhud) vóór de Hajj verplicht werd. Het is mogelijk dat de zakāh toen ook nog niet verplicht was, óf de persoon die hiernaar vroeg was misschien niet rijk genoeg en daarom niet verplicht om de zakāh te betalen.

 Lessen

Deze hadith geeft aan dat degene die de verplichtingen vervult en de verboden vermijd het paradijs zal binnengaan. Dezelfde boodschap is in een aantal andere hadiths benadrukt. Deze hadith benadrukt de noodzaak van overgave aan de Wil van Allah. We moeten accepteren wat toegestaan of verboden wordt door Allah. Deze hadith benadrukt ook de basis van de Islam zelf, omdat ‘Islam’ betekent: ‘volledige overgave aan de Wil van Allah en alles accepteren wat bevolen is door Allah. In onze hedendaagse tijd kunnen we zien dat veel moslims zich niet volledig houden aan de Shari’ah, d.w.z. Allah’s bevelen. Als dit voorkomt bij nieuwe moslims of bij moslims die in een afgezonderd gebied leven waar sprake is van gebrek aan kennis of slechte verspreiding van informatie (b.v. als er geen geleerden zijn voor advies), dan is dit gebrek aan naleving vergeeflijk. Als een moslim er echter voor kiest om opzettelijk de verplichtingen en de verboden -ingesteld door Allah te negeren of te verwerpen, dan kan hij gevaar lopen zijn Islamitische identiteit te verliezen. De verplichte handelingen -genoemd in de hadith- die een persoon naar het paradijs zal leiden, vereisen een sterk geloof in Allah, betrokkenheid en voortdurende inspanningen. Alleen dán zal het een gemakkelijk te realiseren taak zijn. Deze hadith betekent dat men geen handelingen moet verrichten die mustahab of Sunnah (handelingen die de voorkeur hebben) zijn, met het idee zo het paradijs binnen te kunnen gaan. Het meest belangrijke is het vervullen van de verplichtingen. Maar we worden aangemoedigd om deze handelingen -wanneer mogelijk en naar capaciteit- uit te voeren. Het belang van het uitvoeren van handelingen die de voorkeur hebben is, dat deze ons helpen om dichter bij Allah te komen. Daarnaast compenseren deze handelingen eventuele tekortkomingen in onze prestaties van de verplichte handelingen. Sommige geleerden zijn in de veronderstelling dat de persoon die in de hadith de vraag stelt een nieuwe moslim was. Dit biedt inzicht aan geleerden (murabbi) en predikers (du’āt) om de volgende lessen in acht te nemen bij het omgaan met nieuwe bekeerlingen in de Islam:

• De murabbi, of geleerde, moet rekening houden met de achtergrond of status van de vraagsteller vóór het beantwoorden van zijn/haar vragen. Verschillende mensen met verschillende achtergronden vereisen verschillende antwoorden en verschillende benaderingen in het overbrengen van de antwoorden. Dit is omdat iemand die uit een andere cultuur komt of in een ander millieu leeft dan de geleerde mogelijk de uitleg niet volledig begrijpt, omdat deze niet aan zijn situatie of ervaring kan worden gerelateerd.

• Als de murabbi, of geleerde, de achtergrond niet weet van de vraagsteller (b.v. als de vragen per mail, telefoon of radio worden gesteld) dan is het nodig dat hij zoveel mogelijk over de vraagsteller te weten komt, vóór hij antwoord geeft. Sommige geleerden proberen te speculeren over de status van de vraagsteller door b.v. ‘tussen de regels in te lezen’ van de tekst van de vraag. Het eindresultaat is dat de geleerden niet voorzien in een ‘vast’ antwoord, er zullen meerdere antwoorden zijn: ieder van toepassing op een andere situatie.

• De murabbi, of geleerde, moet de nieuwe moslims niet overbelasten door hen te vragen of hen aan te moedigen om de handelingen die de voorkeur hebben uit te voeren. De murabbi moet hen eerst laten beginnen met de verplichte handelingen. Wanneer zij teveel te doen krijgen, kunnen zij het misschien niet volhouden en hun interesse in de Islam helemaal verliezen. De geleerde moet langzaam beginnen; wanneer de nieuwe moslims gevestigd zijn en zij de verplichte handelingen uitvoeren, kunnen de handelingen die de voorkeur hebben geïntroduceerd worden.

• Ook tegenstrijdige zaken of standpunten in de Islam moeten in het begin niet aan nieuwe moslims worden geïntroduceerd. Men moet hen bijvoorbeeld niet vertellen over de vier verschillende manieren van denken (madhhab), of hen vragen te kiezen om een van die manieren te volgen. Dit zal alleen voor verwarring zorgen bij de nieuwe moslims. De murabbi, of du’āt moet het de bekeerlingen gemakkelijk maken om aan hun nieuwe leven in de Islam te beginnen. Zulke kwesties moeten alleen veel later met hen worden besproken.

• Hetzelfde kan worden gezegd over de ‘awam (het algemene publiek). Geleerden moeten hen niet overbelasten of bombarderen met te veel verplichtingen of concepten. Dit is ook een les die we kunnen leren van deze hadith: de murabbi, of geleerde, moet van zowel de vraagsteller als het algemene publiek de achtergrond in acht nemen. Een gebied dat verband houdt met dit onderwerp is de kwestie van de Islamitische websites op internet. Een website is toegankelijk voor mensen van over de hele wereld; mensen met verschillende achtergronden en culturen. We moeten voorzichtig zijn met de informatie die we op deze websites plaatsen. Jammer genoeg zijn er websites die controversiële kwesties en tegenstrijdige standpunten bevatten, waar verschillende moslimgroeperingen en sekten alleen hún mening aanmoedigen en andere groepen bekritiseren. Dit zal niet alleen de geinteresseerden in de Islam of de nieuwe of bestaande moslims in de wereld in verwarring brengen, maar het zal ook een negatieve indruk aan de niet-moslims geven. Het verschaft informatie aan de tegenstanders van de Islam, om het te gebruiken als middel om mensen te ontmoedigen de Islam te omarmen. Islamitische websites zouden neutraal en eerlijk moeten zijn en niet eenzijdig of controversieel, omdat het aanmoedigen van de Islam het doel moet zijn en niet het veroordelen ervan.

 Conclusie

Deze hadith laat een duidelijk kenmerk van de Islam zien n.l: de Islam is een religie, die gebaseerd is op gemak. Er is een minmum aan vereisten te vervullen voor iedereen: het beoefenen van de verplichtingen en het vermijden van de verboden. Door hier aan te voldoen verdient iemand het Paradijs binnen te gaan. Handelingen die een voorkeur hebben worden aangemoedigd, en gebaseerd op de capaciteit en het vermogen van iemand.

 Hadith 23: Hoe men zichzelf kan bevrijden.

Abū Mālik al-Hārith ibn ‘Āsim al-Ash'ari (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: De Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) zei: “Reinheid is het halve geloof. Het zeggen van: ‘Al-Hamdulillah’ (Allah zij geprezen) vult de schalen en ‘Subhānallah’ (Glorie zij aan Allah) vult de ruimte tussen hemel en aarde. Het gebed is een licht, liefdadigheid is een bewijs, geduld is een lichtgloed en de Qur'ān is een argument dat vóór of tegen je spreekt. Iedereen begint zijn dag en verkoopt daarbij zijn ziel. Ofwel men bevrijdt zichzelf, ofwel men richt zichzelf te gronde.” (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergond

Deze hadith laat het belang zien van deze grote daden in de Islam, waardoor iedere moslim op de Dag des Oordeels zichzelf kan bevrijden van de straf van Allah. Men moet zichzelf bevrijden van elke vorm van verslaving, behalve de verslaving aan Allah. Men moet alléén dienaar of slaaf zijn van Allah en niet van iets of iemand anders.

 Lessen       

Er kunnen vele lessen worden ontleend aan deze belangrijke hadith. De meest opvallende, opgesomde punten zijn: zuivering, dhikrullah (gedenken), salāh (gebed), sadaqah (naastenliefde), sabr (geduld), de Koran en jezelf bevrijden van Allah’s straf.

 Zuivering

Imam Ibn Rajab vermeld dat er in deze hadith verschillende denkbeelden en interpretaties gebruikt worden voor de term ‘al-tuhūr’. Hij zegt dat sommige geleerden ‘al-tuhūr’ hebben geinterpreteerd als ‘het vermijden van zonden’. Maar Ibn Rajab is het niet eens met deze interpretatie, vanwege het volgende:

1. Er wordt in een andere versie van de hadith gezegd dat wudū, of reiniging, de helft van Imān is. Dus de term ‘al-tuhūr’ refereert naart de rituele zuivering met water (wudū).

2. Imam Muslim en sommige andere geleerden hebben deze hadith opgetekend in hoofdstukken m.b.t. de rituele wassing. Slechts een paar geleerden hebben ‘al-tuhūr’ geinterpreteerd als ‘het vermijden van zonden’, terwijl de meerderheid van de geleerden ‘al-tuhūr’ refereert aan zuivering met water. De term ‘shatr’, of ‘half’ (zoals genoemd in de zin: reiniging is de helft van Imān) had ook verschillende interpretaties onder de geleerden. Ibn Rajab zegt dat er verschillende standpunten zijn die de betekenis van de term ‘shatr’ uitleggen:

1. Sommige geleerden zeiden dat ‘shatr’ ‘deel’ betekent en niet ‘half’. Ibn Rajab zegt dat dat een zwakke interpretatie is, omdat ‘al-shatr’ taalkundig ‘half’ betekent en niet alleen ‘deel’. Ten tweede; de hadith zelf verklaard duidelijk dat wudū (reiniging) de helft van Imān (geloof) is en niet ‘een deel’ van Imān.

2. Een tweede standpunt van geleerden is, dat ‘al-tuhūr’ betekent dat de beloning van de rituele wassing wordt vermenigvuldigd met de hélft van de beloning van de Imān. maar Ibn Rajab zegt dat dit standpunt ook geen gezonde interpretatie is.

3. In het derde standpunt is de betekenis: Imān maakt alle grote zonden ongedaan, terwijl wudū de kleine zonden ongedaan maakt. Dus in dit opzicht is wudū gelijk aan de helft van Imān.

4. Het vierde standpunt is dat ‘al-tuhūr’ ‘Imān’ betekent en samen met wudū zonden elimineert en ongedaan maakt. Dus volgens dit standpunt is wudū de helft van Imān; maar ook hier vindt Ibn Rajab dit een zwakke interpretative is.

5. Het vijfde standpunt is, dat Imān in deze hadith salāh (gebed) betekent, zoals genoemd in de Koran in soera al-Baqarah:143. In deze āyah noemt Allah als Imān en de salāh wordt niet geaccepteerd tenzij er wudū is. Dus dat is waarom de reiniging overwogen kan worden als de helft van de salāh. Ibn Rajab gaf geen commentaar over dit standpunt, maar hij is het niet eens met alle genoemde standpunten hierboven.

6. In een zesde standpunt verteld Ibn Rajab impliciet zijn eigen standpunt. Hij verkiest dit boven alle andere weergaven omdat hij in de eerdere interpretaties slechts standpunten van andere geleerden aanhaalde en deze voorzag van commentaar. Hij zegt: “Natuurlijk zijn de delen die Imān vormen -zoals woorden en handelingen- er allen om het hart en de inwendige delen van het lichaam te reinigen. En er is ook een reiniging voor het uitwendige lichaam met behulp van water en rituele wassing;dit is specifiek voor het lichaam alleen. Daarom zijn er twee onderdelen van Imān: het eerste onderdeel reinigt het hart en het inwendige lichaam en het tweede onderdeel reinigt en zuivert het uitwendige lichaam. Dus in dit opzicht zijn beide onderdelen twee gelijke delen van Imān.”

 Dhikrullah

De hadith verteld dat de uitdrukking ‘al-Hamdulillah’ de mīzān (schalen) vult en ‘Subhānallah’ en ‘al-Hamdulillah’ de ruimte tussen de hemelen en de aarde vult. De hadith toont het belang, grootheid en de gewichtigheid van dhikrullah, of het gedenken van Allah. Door bijvoorbeeld slechts één zin te reciteren zoals Subhānallah, zal de reciteur beloningen krijgen die de hemelen vullen! Dit geeft aan hoe belangrijk deze woorden zijn voor iedere moslim. Al-Haithamy, een van de grote moslimgeleerden, verklaarde dat men de volledige beloning van dhikr krijgt als men tijdens het reciteren aan de betekenis en aan de implicaties hiervan denkt. De hadith toont in feite de grootheid van deze zinnen: al-Hamdulillah, Subhānallah wa al-Hamdulillah. De zin Subhānallah (al-Tasbīh genoemd) kan afzonderlijk gereciteerd worden of samen met al-Hamdulillah (al-Tahmīd), zoals gezegd in de tekst van deze hadith. Dit toont de waardigheid van al-tasbīh, het verheerlijken van Allah en al-tahmīd, het danken en loven van Allah. Volgens Ibn Rajab is al-tahmīd beter dan al-tasbīh. Dit is omdat al-tahmīd erkentelijkheid en dankbaarheid toont naar Allah, wat een positief concept is, terwijl al-tasbīh het ontkennen van negatieve eigenschappen of onvolkomenheden van Allah betekent. Op dit punt is al-tahmīd beter dan al-tasbīh. Bovendien is al-Hamdulillah niet alleen ‘dankbaarheid naar Allah. Het gaat om meer algemene aspecten, omdat het zowel uitgedrukt kan worden in woorden als handelingen. Als je bijvoorbeeld goede daden doet, houdt het al-Hamdulillah in, net als wanneer je goede woorden gebruikt. Ibn Rajab zegt dat in de hadith al-tasbīh eigenlijk samenkwam met al-tahmīd; het wordt meestal in één adem genoemd met al-tahmīd. Maar al-tahmīd kan afzonderlijk worden vermeld, zonder al-tasbīh, zoals we in deze hadith en andere hadiths en in vele verzen van de Koran kunnen zien. Dus hoewel elke term haar eigen betekenis heeft, is al-Hamdulillah superieur en belangrijker dan Subhānallah. Deze hadith toont ons de waardigheid van dhikrullah in het algemeen. Het is erg belangrijk en nuttig en elke moslim moet Allah de hele tijd gedenken. In de Koran is dhikrullah het enige wat Allah ons geboden heeft om regelmatig te doen. Er zijn verschillende vormen van dhikr. Volgens sjeik Abdul Rahman al-Sa’adī (een prominente hedendaagse mufassir d.w.z een schrijver die toelichting geeft op de Koranverzen) is de minimale dhikr wat een moslim verplicht is te doen, het volgende:

1. Adhkāru-al-Salawāt. Dit zijn de adhkār na elke salāh (gebed). Deze vorm van dhikr neemt een paar minuten in beslag, maar de beloning is groot. Tegenwoordig haasten de mensen naar buiten na het gebed, zonder de aanbevolen dhikr te reciteren. Zelfs als we haast hebben en meteen moeten vertrekken, zouden we dit nog moeten reciteren terwijl we lopen. Tegenwoordig haasten de Imams van de moskeeën zich naar de du’ā, na de gebeden. Zij wachten niet op de mensen om de aanbevolen dhikr te reciteren na het gebed. Adhkār u-al-Salawāt is in principe een deel van onze rituele verplichtingen die aan ons zijn opgedragen en dus zouden we deze verplichting moeten vervullen.

2. Adhkāru-al-Sabāhi wal-masā’. Volgens sommige geleerden moet deze vorm van adhkāru gereciteerd worden ná het Fajr gebed in de ochtend en ná het Magrib gebed in de avond. Andere geleerden zeggen dat het wordt aanbevolen vóór zonsondergang en vóór zonsopgang. Hoe dan ook, deze adhkār bestaan uit hele belangrijke du’ā die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) ons heeft geleerd. Er zijn veel du’ā in deze adhkār inbegrepen, maar we hoeven ze niet allemaal te lezen of te memorizeren. Sommige geleerden zeggen dat we van de adhkāru-al-Sabāhi wal-masā’ een paar kunnen kiezen, maar we moeten ze regelmatig elke dag onderhouden. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) las gewoonlijk sommige van deze ad’iyyah (meervoud van du’ā) in de ochtend en avond, dus wij zouden op dagelijkse basis hetzelfde moeten doen. Het is gemakkelijk en neemt slechts 15 minuten van onze tijd in beslag. Imam al-Nawawi heeft een boek samengesteld dat ‘Kitab adhkāru al-yawmi wal-layla’ heet en in detail dit type van adhkār bespreekt.

3. Adhkāru al-Ahwāl. Deze adhkār wordt gereciteerd tijdens specifieke gelegenheden, bijvoorbeeld, als je gaat eten wordt je verondersteld ‘Bismillah’ te reciteren en wanneer men klaar is met eten reciteert men een du’ā. Op dezelfde manier zijn er du’ā voor het binnengaan van de moskee, het binnengaan van je huis etc. Een moslim moet deze ad’iyyah lezen en memorizeren. Ze zijn eenvoudig te memorizeren en gemakkelijk te reciteren. We moeten ze tot een integraal onderdeel van ons leven maken. Dit type van du’ā is zeer aan te bevelen als men op reis is, terugkomt van de reis, tijdens storm en ook bij vele andere gelegenheden. Volgens sjeik al-Sa’di, een van de hedendaagse mufassir, wordt iemand die deze drie typen van adhkār regelmatig onderhoud gezien als een van degenen die altijd in Allah’s gedachten zijn, zoals vermeld in vele verzen van de Koran. Dus men moet dit soort van dhikrullah lezen en behoeden. In het algemeen kan ‘al-dhikr’ vrij worden gereciteerd en is er geen limiet aan de hoeveelheid van dhikr dat men kan reciteren. Sjeik al-Sa’di zei verder, terwijl hij commentaar gaf op de āyat in soera al-ahzab, dat dhikrullah een verplichting is die we moeten vervullen.

Een ander belangrijk punt van dhikr is, dat men de betekenis van de dhikr die men reciteert moet begrijpen. Ibn al-Haitham zei dat al-dhikr met het volle bewustzijn gereciteerd moet worden en niet alleen door de woorden op te zeggen zonder het te begrijpen. Als iemand de adhkār leest met volledig begrip zal hij of zij meer worden beloond. En hij of zij zal het genoegen voelen van Imān en ook de Imān zelf zal toenemen.  Dus uit het bovenstaande kunnen we leren dat er drie voorwaarden zijn om meer beloningen te krijgen in onze dhikr. De eerste voorwaarde is het lezen van de drie soorten dhikr in hun specifieke gelegenheden. Op de tweede plaats komt het reciteren van dhikr met het volle bewustzijn en met begrip van de betekenis. En ten derde: de recitatie van deze dhikr regelmatig voortzetten en onderhouden.

 Salāh         

Het derde gedeelte van de hadith gaat over het gebed (salāh) en haar positie in de Islam. De hadith zegt: ‘al-salāh (het gebed) is licht.’ Volgens Ibn Rajab is het gebed inderdaad een licht in het leven van de gelovigen. Het is een licht in de harten en het behaagt de andere delen van het lichaam. Zij zullen begeleid worden door de salāh en zij zullen verlichting en tevredenheid in hun hart krijgen. Dit is waarom de salāh een genot is voor de ogen van de rechtvaardige mensen. Imam Ahmed registreerde een hadith waarin verteld wordt dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)altijd zei: “De vreugde en het plezier van mijn ogen ligt in de salāh.” In een andere hadith zegt de profeet sallallāhu‘alayhi wasallam: “Wanneer een dienaar van Allah de salāh bewaart en beschermt en perfekt uitvoert in termen van rituele wassing, de sujūd en rukū, dan zal het gebed hem zeggen: ‘moge Allah je bewaren en beschermen zoals jij mij bewaard en beschermd hebt’, daarna zal het gebed door de engelen mee naar de hemelen worden genomen terwijl het nog verlicht is, totdat het Allah bereikt en het zal shafa’ah, of tussenkomst geven voor de dienaar van Allah.” In een andere soortgelijke hadith die is overgeleverd door Imam Ahmed in zijn al-Musnad, zegt de profeet sallallāhu‘alayhi wasallam: “Wie de salāh onderhoud, zal op de Dag des Oordeels een lichte, veilige plaats hebben.” De hadith noemt ook het belang en relevantie van de salāh voor de gelovigen die het altijd op de juiste manier en op de juiste tijd uitvoeren.

 Sadaqa

De hadith legt verder de rol van sadaqa uit (naastenliefde). Het zegt dat naastenliefde een burhān (test) is voor de moslim. Burhān betekent letterlijk ‘zonlicht’ in het Arabisch. Dit benadrukt dat de daad van naastenliefde een helder en duidelijk bewijs is, vergelijkbaar met zonlicht. Het is een bewijs dat de Imān van de gelovige reflecteert. Mensen die regelmatig aan naastenliefde doen voor de zaak van Allah, getuigen van een sterke Imān. Zij voelen de vreugde van Imān in hun harten. Imam ibn Rajab zegt dat de reden waarom naastenliefde een bewijs van Imān is, is omdat mensen normaal gesproken van weelde en geld houden; als ze deze andere liefde gaan voelen en hun hebzucht overwinnen voor de zaak van Allah, dan hebben zij inderdaad een sterke Imān.

 Sabr

Deze hadith zegt dat geduld ‘diya’ is, of ‘helderheid’. Volgens Imam ibn Rajab verschilt al-diya’ (helderheid) taalkundig van al-nūr (licht). Al-diya’ is sterker dan al-nūr, omdat het niet alleen licht, maar ook warmte geeft. Dit is waarom in de Koran de term diya wordt gebruikt voor zonlicht, wat naast licht ook warmte heeft of een hoge temperatuur, terwijl de term al-nūr gebruikt wordt voor het maanlicht, wat licht- maar geen warmte uitstraalt. Geduld hebben is een erg moeilijke en pijnlijke ervaring. Het vereist veel inspanning en strijd binnen onszelf. Dus wanneer mensen in staat zijn zichzelf onder controle te houden en hun ongeduld kunnen overwinnen, ontwikkelen ze een goede gewoonte van zelfbeheersing en hebben ze de macht over zichzelf. Dit is de werkelijke betekenis van al-sabr, of geduld. Al-sabr betekent letterlijk ‘iets inhouden of onder controle hebben’. Het betekent het onder controle hebben van nafs (verlangens) en controle hebben in panieksituaties of wanneer men ongeduldig is. Het betekent ook: ‘het voorkomen dat de tong gaat klagen of negatieve dingen gaat zeggen.’ Helaas beoefenen mensen dit niet genoeg. Zij worden voor het minste geringste ongeduldig. Zij lijken tégen de qadar en de plannen van Allah te zijn in hun leven. Imam ibn Rajab zegt dat er drie soorten van al-sabr, of geduld zijn in de Islam:

1.Al-Sabru ‘ala Tā’ atillahi; geduld hebben in het uitvoeren van de handelingen van aanbidding (Ibādah) van Allah.

2. Al-Sabru ‘an ma ‘āsīyatillahi; geduld hebben met de

handelingen die zonden (ma‘asi) of ongehoorzaamheid

aan Allah voorkomen.

3. Al-Sabru ‘ala aqdārillahi; geduld hebben met de qadar van Allah; Zijn plannen die zijn voorbestemd door Hem en wat ons overkomt in ons leven. Sommige geleerden voegen een vierde soort van al-sabr toe: al-Sabru ‘ala al-bida’; geduld hebben met kwesties die verband houden met religieuze innovaties (maar dit kan worden opgenomen onder de ma’asi (zonden) of ongehoorzaamheid). Op de vraag, welke van deze drie typen van al-sabr het meest belangrijk is, zegt Imam ibn Rajab dat het geduld hebben met Ibādah en het vermijden van zonden deugdzamer is. Eén daad van Ibādah, die al deze drie vormen van al-sabr bevat is het vasten. Tijdens het vasten gehoorzaam je Allah; door de handeling van het vasten uit te voeren vermijd je de zonden van het eten tijdens de dag en geloof je dat dit het plan is van Allah en dat dit dus een test voor je is.

 De Koran

Deze hadith legt ook de rol uit van de Heilige Koran in ons leven. Het stelt dat ‘de Koran ofwel een argument of bewijs voor- of tegen je is’. In soera al-Isra:82, zegt Allah: “En Wij zenden (dat) van de Koran neer wat genezing en barmhartigheid voor de gelovigen is. En het vermeerdert voor de onrechtvaardigen slechts verlies.”

Dus mensen die de Koran reciteren en bestuderen en de regels uitvoeren, zijn mensen die ‘de mensen van de Koran’ worden en dit (de Koran) zal een bewijs voor hen zijn. Degenen die de Koran negeren, nooit lezen of beoefenen in hun leven, zullen de Koran tegen zich hebben op de Dag des Oordeels. Een van de hedendaagse geleerden merkte op dat er mensen zijn die de Koran nooit lezen, behalve wanneer er iemand doodgaat. De wijze waarop zij handelen is het reciteren van de Koran bij het dode lichaam. De Koran reciteren bij een dood lichaam is niet het hoofddoel van de openbaring van de Koran. De Koran is geopenbaard als een richtsnoer voor degenen die nog in leven zijn en niet voor degenen die overleden zijn.

 Jezelf bevrijden van de straf van Allah.

Ten slotte vermeld de hadith een zeer belangrijke kwestie: hoe bevrijden we onszelf van de straf van Allah? De hadith zegt dat iedereen ’s morgens naar buiten gaat om zichzelf te verkopen, hetzij ten goede of ten slechte. Elke ochtend verkopen we onszelf, hetzij door onszelf te bevrijden van de straf óf we vernietigen onszelf en leiden onszelf naar de straf. Imam Ahmed registreerde een andere soortgelijke hadith in zijn Musnad. In soera al-shams, āyah 9-10, vermeldt Allah dezelfde betekenis: “Voorwaar, geslaagd is hij die haar (de ziel) lastert en voorzeker hij gaat te gronde die haar te gronde richt.” Imam ibn Rajab zei toen hij commentaar gaf op de betekenis, dat degene die worstelt om Allah te aanbidden en Hem gehoorzaamd, degene is die zichzelf bevrijd, en dat degene die zich overgeeft aan zonden, degene is die zichzelf vernietigd. De hadith zegt: ‘Elke ochtend wanneer de mensen hun huizen uitgaan, behalen zij ofwel beloningen en winst, of lijden zij verlies. Als zij werken voor en Hem gehoorzamen, zijn zij winnaars, maar als zij de regels van Allah schenden en Hem niet gehoorzamen, verliezen ze alleen maar.’ Dit is ook duidelijk uitgelegd in de Koran in soera al-Zumar:15.

 Conclusie

Deze hadith begeleid ons in de manier waarop we grote beloningen kunnen krijgen en ook hoe we onszelf van de straf van Allah kunnen redden. Bijvoorbeeld: door het beoefenen van de handelingen van zuivering, dhikrullah, gebed, naastenliefde en vele andere simpele maar belangrijke daden, om zo onszelf te bevrijden van de straf van Allah.

 Hadith 24: Verbod van onrecht en onderdrukking: op zoek naar de leiding van Allah.

Volgens Abū Dhar al-Ghifāri (Allah’s welbehagen zij met hem) zei de profeet van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) dat Zijn Heer, de Machtige en Verhevene hem dit heeft overgeleverd: “O, Mijn dienaren! Ik heb voor Mijzelf onrechtvaardigheid beslist uitgesloten en heb dat ook aan jullie onder elkaar verboden. Behandelt elkaar dus niet onrechtvaardig. O, Mijn dienaren! Jullie dwalen allemaal, behalve degene die Ik geleid heb; vraagt Mij dus om leiding en Ik zal jullie leiden. O, Mijn dienaren! Jullie lijden allemaal honger, behalve degene die Ik gevoed heb; vraagt Mij dus om voedsel en Ik zal jullie voeden. O, Mijn dienaren! Jullie zijn allemaal naakt, behalve degene die Ik gekleed heb; vraagt Mij dus om kleding en Ik zal jullie kleden. O, Mijn dienaren! Jullie maken dag en nacht fouten en Ik vergeef alle zonden; vraagt Mij dus om vergiffenis en Ik zal jullie vergeven. O, Mijn dienaren! Jullie zijn niet in staat om Mij nadeel toe te brengen en jullie kunnen Mij dus ook geen nadeel berokkenen; jullie zijn niet in staat Mij van nut te zijn en jullie kunnen dus ook niet nuttig voor Mij zijn. O, Mijn dienaren! Al zouden jullie van de eerste tot de laatste mens en djinn net zo vroom zijn als de vroomste ziel onder jullie, dan zou dat niets aan Mijn heerschappij toevoegen. O, Mijn dienaren! Al zouden jullie van de eerste tot de laatste mens en djinn net zo laaghartig zijn als de meest laaghartige onder jullie, dan zou dat niets aan Mijn heerschappij afdoen. O, Mijn dienaren! Al zouden jullie van de eerste tot de laatste mens en djinn, allemaal op één open vlakte staan en zouden jullie je verlangen aan Mij kenbaar maken, dan zou Mijn bezit -al zou Ik iedereen geven wat hij verlangde- niet méér verminderen, dan dat wat een naald aan de zee onttrekt, wanneer zij daarin gedoopt wordt. O, Mijn dienaren! Jullie daden zijn (uitsluitend) voor jullie rekening en daar zullen jullie voor beloond worden. Laat daarom iemand die iets goeds ontvangt Allah prijzen en laat degene die iets anders ontvangt, niemand anders dan zichzelf daar een verwijt van maken.” (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond

Deze hadith benadrukt het verbod op alle vormen van onrecht en onderdrukking in de Islam. Het geeft de volgelingen de opdracht om gerechtigheid uit te oefenen, wat een van de belangrijkste doelstellingen is van de Shari’ah. Het moedigt moslims aan om begeleiding te zoeken van Allah, d.m.v. smeekbeden (du’ā) en door alleen te vertrouwen op Allah (tawakkul). Hoewel we worden geboden ons best te doen bij het uitvoeren van onze dagelijkse activiteiten, moet men niet materialistisch zijn of alleen op eigen inspanningen vetrouwen. Alléén met Allah’s toestemming, steun en begeleiding (tawfiq) zullen onze inspanningen succesvol worden. Vandaar dat deze hadith bepaalde aspecten van al-qadar bevestigd waar al eerder op is gewezen.

 Lessen

Zoals ook in vele verzen van de Koran is vermeld, bevestigd Allah Zijn absolute gerechtigheid en ontkent Hij dat Hij enige vorm van onrecht aan iemand heeft toegezegd. Sommige verzen van de Heilige Koran in dit opzicht zijn: “En uw Heer is in het geheel niet onrechtvaardig jegens Zijn dienaren.” (soera Fussilat:46)  “Wij deden hun geen onrecht, doch zij waren het die zichzelf onrecht plachten te doen.” (soera Zukhruf:76) “Allah wil Zijn dienaren geen onrecht aandoen.” (soera Ghafir:31) “.........Allah wenst de werelden geen kwaad toe.” (soera al-Imran:108)  “Waarlijk, Allah doet in het geheel geen onrecht aan.....” (soera al-Nisā:40) “.........en uw Heer zal niemand onrecht aandoen.” (soera al-Kahf:49) De verboden onrechtvaardigheden (zulm) omvatten alle vormen. De hoogste en meest extreme vorm van onrecht is al-Shirk, of het associëren van partners aan Allah. In de Koran zegt Allah: “......ken geen medegoden aan Allah toe; afgoderij is inderdaad een grote ongerechtigheid.”(soera Luqmān:13) De tweede vorm is het onrecht naar zichzelf, zoals het plegen van zonden. De derde vorm is het onrecht naar anderen, hetzij mensen of andere schepselen. Het is een must voor een moslim om onrecht te voorkomen omdat dit Allah mishaagt en omdat dit leidt tot zware straffen van Hem. Ibn Taymiyah wijst erop dat goed en kwaad gerelateerd kan worden aan het wereldse leven, of aan de religie van iemand. De begeleiding en de vergiffenis van Allah wat in de Koran en de hadith wordt vermeld, heeft betrekking op de religie van iemand, terwijl voedsel en kleding betrekking hebben op de wereldse behoeften van iemand. Dit zijn voorbeelden van wat ieder van ons nodig heeft. De hadith laat ons zien dat mensen altijd grote behoefte aan Allah hebben. We hebben Allah voor alles nodig omdat we arm en behoeftig zijn. Allah is de Enige Die niemand en niets nodig heeft. Hij is de Almachtige en de Meest Krachtige. Dus een moslim moet laten zien dat hij Allah nodig heeft en hij moet in alles wat hij doet steun en tawfiq zoeken bij Allah. De voortdurende recitatie van dhikr drukt onze behoefte aan Allah uit. Met de hulp van Allah zijn we in staat om dingen te doen zoals bewegen, lopen, praten, slapen, ontwaken en alle andere activiteiten. Al onze interne lichaamsfuncties zoals ademen, de bloedcirculatie, de spijsvertering etc. zijn afhankelijk van Allah’s Wil. Als één van deze stopt met werken, kan niemand behalve Allah dit doen herleven. Dus we moeten Allah altijd dankbaar zijn. De meesten van ons denken alleen aan Allah wanneer er een probleem is. Bijvoorbeeld: als we gewond raken of pijn hebben gedenken we Allah en denken we aan wat Hij ons heeft gegeven. Maar we zouden niet moeten wachten tot er zich een probleem voordoet om dan pas dankbaar te zijn. We moeten altijd dankbaar zijn voor al Zijn ni’mah (gunsten) aan ons. Dit zal onze Imān (geloof) versterken: hoe vaker we tonen dat we Allah nodig hebben, hoe vaker we Zijn gunsten waarderen. Mensen die ondankbaar zijn naar Allah worden als arrogant beschouwd omdat zij de gunsten niet erkennen die Allah hen heeft gegeven. Begeleiding is een grote genade en ni’mah van Allah. Het is voor elke moslim erg belangrijk te realiseren dat de meest waardevolle zaak in ons leven de begeleiding van Allah is. De begeleiding in de vorm van de Koran van Allah die geopenbaard is aan ons door Zijn boodschapper Mohammed sallallāhu‘alayhi wasallam. We moeten de Koran en de Sunnah volgen en beiden aannemen als de belangrijkste bronnen van begeleiding, in alles wat we doen in ons leven. Onze eigen inspanningen alleen zullen ons niet begeleiden. Ook al hebben we onze eigen vrije wil en keuze; deze zijn niet onafhankelijk. Ze zijn afhankelijk van Allah’s wil en keuze en deze behoren tot Hem. Wij hebben een verstand (aql), en ook dit is door Allah gecreeërd. Allah heeft ons het rechte pad laten zien wat we moeten volgen en Hij heeft ons gewaarschuwt voor Satan -die onze grootste vijand is- en voor onze overtredingen en misleiding. Allah heeft ook onze innerlijke verlangens gecreeërd en ons laten zien hoe daar mee om te gaan. Hij heeft ons laten weten dat we ons niet moeten laten misleiden door deze verlangens, waar we dienovereenkomstig controle over moeten hebben. Wanneer het gaat om misleiding, moeten we accepteren dat dit uit eigen vrije wil en keuze gebeurd en dat het door de houding en het gedrag van iemand komt dat hij of zij wordt misleid. Takabbur (arrogantie) bijvoorbeeld, is een bron van misleiding, maar het is het karakter en de houding van iemand wat het hart beïnvloed en misleiding veroorzaakt. Dus als iemand er voor kiest niet toe te geven of zich niet onderwerpt aan de Wil van Allah, dan wordt hij/zij misleid door zijn/haar eigen keuze. Deze staat van misleiding gebeurd in werkelijkheid alleen door de wil van Allah en komt als straf voor zo’n persoon- en er zal geen hulp of steun komen (tawfiq). Als iemand echter door externe factoren wordt misleid waar hij/zij geen controle over heeft, zal hij/zij worden vrijgesteld. Bijvoorbeeld, als iemand de boodschap van de Islam nooit of niet op de juiste manier heeft ontvangen, dan zal hij/zij voor die misleiding worden vrijgesteld. De mensen die leefden in de periode tussen twee profeten (ahlul Fatrah) worden beschouwd als zijnde in de groep van mensen die worden vrijgesteld omdat zij in die periode de boodschap van Allah niet konden ontvangen. Aan het einde van deze hadith wordt vermeld en benadrukt, dat wanneer iemand iets goeds ontvangt, men dankbaar moet zijn naar Allah en Hem moet prijzen daarvoor en dat, wanneer men iets anders ontvangt d.w.z. iets slechts, men niemand anders de schuld moet geven behalve zichzelf. Dit is een duidelijke verklaring die laat zien dat men voor de eigen handelingen verantwoordelijk is. Allah is al-Ādil, of rechtvaardig. Hij doet Zijn dienaren nooit onrecht aan. In de Koran kunnen we vele verzen vinden die uitleggen hoe mensen zichzelf de schuld geven op de Dag des Oordeels voor het niet volgen van het juiste pad. Het zijn de mensen zelf die er voor kiezen te worden misleid en dat hebben zij aan zichzelf te wijten. Dit is ook een belangrijk aspect van al-qadar dat begrepen moet worden.

 Vormen van begeleiding

Volgens geleerden zijn er drie vormen van begeleiding:

1. Begeleiding die nodig is voor het welzijn in het wereldse leven. Dit is een algemene begeleiding voor alle levende wezens. Hiertoe behoren moslims en niet-moslims, de dieren en alle andere schepselen. Alles wordt door Allah begeleid voor hun welzijn in dit leven.

2. Begeleiding ten gunste van de mensheid in het belang van de religie. Dit type van begeleiding is gunstig voor het leven in het  hiernamaals.

3. Begeleiding van Allah in het plaatsen van geloof en begeleiding in het hart van een persoon. Alleen Allah is hiertoe in staat, zoals vermeld in soera al-Kahf:17.

4. Begeleiding in het  hiernamaals zoals vermeld in soera  Yunus:9. Deze begeleiding is het resultaat van de 2e vorm van begeleiding, hierboven genoemd. Degenen die de boodschap van Allah volgen, worden begeleid naar het rechte pad en zullen ook in het  hiernamaals begeleid worden. De deur naar Taubah (berouw) staat open voor iedereen. De Islam is een praktische religie en erkent de zwakke punten van de mens. Mensen zijn altijd onderhevig aan wandaden. Zij kunnen het uitvoeren van de verplichtingen (wājib) uitstellen, verwaarlozen, of zelfs toegeven aan zonden (ma’siyah).

Maar Allah is Vergevingsgezind en Zijn deur van genade staat open voor alle zondaren die Zijn barmhartigheid wensen te verwerven. We krijgen de kans om berouw te tonen om zo terug te komen op het rechte pad van Allah. Dit is een zegening van Allah. Als we echt berouw tonen aan Allah zullen onze zonden worden vergeven en zullen zelfs de slechte aantekeningen worden veranderd in goede. Allah vertelt ons dat Hij Vergevingsgezind, Genadevol en Mededogend is. Hij wil dat we naar Hem komen om vergiffenis te vragen. Als we ’s nachts iets verkeerd doen, moeten we ’s morgens naar Hem teruggaan en als we ’s morgens iets verkeerd doen, moeten we vergiffenis vragen in de nacht. We worden altijd aangemoedigd om Istighfār te doen; Allah gedenken en Hem prijzen door het reciteren van Zijn dhikr. We moeten deze Istighfār regelmatig uitvoeren, bijvoorbeeld tijdens de ochtenden en avonden. Het reciteren van de adhkār wordt ook aanbevolen na de salāh en tijdens sommige andere specifieke tijden (zoals wordt vermeld in hadith 23). De hadith toont de vrijgevigheid van Allah. Hij geeft Zijn dienaren grenzeloze gaven en gunsten. Hoe meer zij Hem vragen, hoe meer Hij hen overstelpt met Zijn ni’mah en ontelbare gunsten. Hij wil dat wij dingen aan Hem vragen en dat wij Zijn hulp en steun zoeken. Dit is een groot verschil met het karakter van de mensen, omdat mensen het niet prettig vinden als er regelmatig om hulp wordt gevraagd. Hoe vaker je iets aan mensen vraagt, hoe meer ze een hekel aan je krijgen en uiteindelijk zullen ze uit je buurt blijven. Maar hoe meer we vragen van Allah, hoe meer Hij ons zal geven. Hij wil dat we dichter bij Hem komen en dat we onze behoeften en nederigheid tonen. Hij zal blij zijn met ons veelvuldig taubah (berouw). Dit is ook een vorm van Ibādah (aanbidding) wat toegepast moet worden. De vroege geleerden zochten voor alles hulp bij Allah, zelfs als hun schoen was gescheurd vroegen zij Allah hen te helpen de schoen te repareren. Dit toont hun totale vertrouwen in Allah in hun dagelijkse leven. We moeten altijd afhankelijk zijn van Allah. We moeten niet afhankelijk zijn van materiele aspecten zoals geld en rijkdom omdat (alleen) dit niets voor ons kan doen. Allah is de Enige Die het verdient te worden ingeroepen. Dus iedere moslim moet dichter bij Allah komen en Hem om hulp en steun vragen. Dit geeft ons kracht in ons geloof (Imān). Het geeft ons ook meer barakah (zegeningen) voor onze daden en handelingen zoals in vele verzen van de Koran wordt uitgelegd. Istighfār is ook een manier om goede risq, of rijkdom te verkrijgen. Wanneer we Istighfār doen, krijgen we barakah in onze risq. Het zijn de barakah (zegeningen) van Allah die onze rijkdom meer voldoening geven, ongeacht de hoeveelheid. Er zijn mensen die veel geld verdienen maar geen barakah in hun rijkdom hebben omdat zij geen Istighfār doen, noch dankbaar zijn naar Allah. Allah is de Meester en de Beheerder van deze wereld en alles wat bestaat; daarom moeten we onze behoefte en nederigheid naar Hem tonen.

 Conclusie

De hadith toont ons de goede relatie tussen de mensheid en Allah. Het toont ons de vele eigenschappen van Allah zoals Zijn Barmhartigheid, Zijn Vergevingsgezindheid, Zijn Kracht en Zijn Mededogendheid. In tegenstelling tot dit zijn de mensen arm, behoeftig en zwak en hebben we altijd behoefte aan Allah, onze Schepper en Behoeder. We hebben Zijn begeleiding, hulp en steun nodig. Daarom moeten we op zijn minst 17 keer per dag in elke raka’ah van onze salāh de ‘Ummu al-Kitāb’ d.w.z. soera al-Fātiha reciteren, om ons te herinneren aan de extreme behoefte aan onze Heer en Zijn begeleiding en steun. Dit zal ons geloof versterken.  In vele verzen van de Koran en in de hadith van de Profeet sallallāhu‘alayhi wasallam worden we vaak herinnerd aan het belang van het tonen van onze behoeften en nederigheid naar Allah en de waarde van veelvuldige taubah (berouw) naar Hem. Allah heeft beloofd te luisteren en onze du’ā (smeekbede) en taubah (berouw) te accepteren. Hij zal blij zijn met onze du’ā en onze gebeden en zal ons overstelpen met Zijn Genade en Zegeningen die we voortdurend nodig hebben. We willen begeleid, gesteund en vergeven worden en we moeten voortdurend het genoegen van Allah zoeken. Dit is het belangrijkste wat een moslim zou moeten bereiken in het leven. Degenen die dit bereiken worden beschreven als ‘Fā’izun’ (de meest succesvolle mensen)

 Hadith 25: Liefdadigheid (I).

Ook volgens Abū Dharr (Allah’s welbehagen zij met hem): ‘Enkele van de metgezellen van de boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) zeiden tegen de profeet (Allah’s zegen en vrede zij met hem): “O, boodschapper van Allah! De vermogenden strijken altijd de grootste beloning op: zij bidden zoals wij bidden, zij vasten zoals wij vasten en zij bedrijven liefdadigheid uit hun overtollige bezit.” Hij zei: “Heeft Allah jullie geen dingen gegeven om liefdadigheid mee te bedrijven? Waarlijk, elke tasbiha is liefdadigheid, elke takbira is liefdadigheid, elke tahmida is liefdadigheid, elke tahlila is liefdadigheid; het aansporen tot goede daden is liefdadigheid, het weerhouden van slechte daden is liefdadigheid en de geslachtsdaad van een ieder van jullie is liefdadigheid.” Zij zeiden: “O, Boodschapper van Allah! Als iemand zijn sexuele begeerte bevredigt, zal hij daarvoor een beloning krijgen?” Hij zei: “Geloven jullie niet dat als je het op een buitenechtelijke wijze zou doen, dat je daarmee straf verdient? En daarom krijg je er een beloning voor als je het op de toegestane wijze doet.” (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond

In een andere hadith die zowel door Muslim als door Bukhāri is overgeleverd, wordt gezegd dat de vraagstellers behoorden tot de behoeftigen van de muhajirrūn (immigranten van Mekka). Ibn Rajab zegt dat deze hadit laat zien dat arme mensen dachten dat het geven van naastenliefde (sadaqa) alleen d.m.v. geld uitgevoerd kan worden; iets wat zij zich niet konden veroorloven. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vertelde hen dat álle goede daden worden beschouwd als charitatieve handelingen.  Er zijn andere versies van deze hadith van Abū Dharr en er zijn ook andere hadiths die dezelfde betekenis hebben. Een van deze kunnen we vinden in Sahih Muslim, waarin wordt gezegd dat ‘elke goede handeling een charitatieve handeling is.’ In een andere hadith lezen we: “Uw glimlach naar uw broeder is een charitatieve handeling. Het verbieden van het kwade is een charitatieve handeling. Iemand met een slecht gezichtsvermogen helpen is een charitatieve handeling. Het verwijderen van een steen of afval is een charitatieve handeling. Je kopje leegmaken in het kopje van je broeder is een charitatieve handeling.” Ook in de sahihayn (de twee collecties van al-Bukhāri en Muslim) wordt gezegd dat ‘het geld wat een man besteed aan zijn vrouw’, naastenliefde is. In een andere hadith van de sahihayn wordt vermeld dat ‘als een moslim een boom plant of zaad in de grond stopt, wat daarna wordt opgegeten door een vogel of een ander dier, zijn handeling beschouwd zal worden als naastenliefde.’

 Lessen

Volgens Imam ibn Rajab toont de hadith dat de metgezellen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) erg graag goede daden deden. Zij hadden sterke verlangens om al-khair (het goede) en naastenliefde te tonen om Allah te behagen. Sommige van de andere metgezellen waren verdrietig omdat zij het zich niet konden veroorloven om geld te geven zoals een aantal van de andere metgezellen deden. Zij wilden ook de beloningen (thawāb) van naastenliefde, zoals de rijkere metgezellen. Zij waren in staat om de salāh te doen, te vasten en andere Ibādah, maar iets wat ze niet konden doen was geld geven, omdat ze dat niet hadden. Maar er werd hen verteld om meer dhikr te doen, wat gelijk staat aan het geven van geld of naastenliefde in termen van beloning. Om Allah te behagen zou elke moslim dit verlangen van de metgezellen (betreft het uitvoeren van alle vormen en daden van Ibādah) moeten volgen. In ieder geval moeten we het verlangen hebben om dit te doen, zelfs al zijn we er niet toe in staat. Imam ibn Rajab zegt dat het Islamitische concept van naastenliefde in brede zin kan worden verdeeld in twee soorten:

1. De daden van goedheid en vriendelijkheid naar andere mensen. Ibn Rajab gaf wat voorbeelden, zoals: mensen verlichten met kennis, het onderwijzen van de Koran, het verwijderen van schadelijk afval van wegen of paden en alles doen wat bijdraagt aan het welzijn van de moslimgemeenschap. Hieronder valt ook het verrichten van du’ā (smeekbede) en istighfār (vergevingsgezindheid) voor andere moslims.

2. We moeten geen schadelijke handelingen naar andere mensen uitvoeren. Dit is het minste wat men zich kan veroorloven ten behoeve van anderen. Uit de eerste indruk, of uit de algemeen waarneembare betekenis van de tekst van de hadith, kan men begrijpen dat de charitatieve handelingen zelfs zónder niyyah, of intenties worden beloond. Ibn Rajab was echter niet blij met deze interpretatie. Hij zei dat volgens de geleerden een charitatieve handeling afhankelijk is van een goede intentie. We moeten dit doen omwille van Allah; om Hem te behagen. Volgens ibn Rajab wordt deze opvatting door twee bewijzen ondersteund:

1. In een andere versie van de hadith werd ‘goede intentie’ vermeld en vandaar dat dit een voorwaarde is om een charitatieve handeling te accepteren.

2. In de Koran zegt Allah: “Er steekt in de beraadslagingen (der huichelaars) niets goeds; in tegenstelling tot diegenen die tot liefdadigheid of goedheid, of het stichten van vrede onder de mensen aansporen. En wie dit doet wijl hij Allah’s welbehagen zoekt, hem zullen Wij een grote beloning schenken.” (soera al-Nisa:114)

Ibn Rajab zei dat in dit vers wordt gezegd dat de beloning afhankelijk is van een goede intentie. Elk van de zinnen van dhikrullah, zoals al-Tahmīd, al-Tahlīl en al- Tasbīh is een charitatieve handeling. Dit toont ons het belang van dhikrullah. Moslims moeten Allah altijd gedenken. De tijd die wordt aanbevolen om dhikr te doen is tijdens de ochtend en de avond en na de gebeden (salāt). Elke moslim moet de dhikr handhaven en observeren om een dhākirūn te worden. Handelingen die Allah plezieren zijn er genoeg en zijn voor iedereen betaalbaar. Mensen hebben verschillende vaardigheden, voorkeuren, mogelijkheden etc. Daarom heeft iedereen de capaciteit om een vorm van naastenliefde uit te voeren. We worden aangemoedigd om zoveel mogelijk goede daden te verrichten. Een moslim moet hier gebruik van maken en goede daden doen die gemakkelijk en geschikt zijn voor hem of haar. Imam al-Dhahabī vertelde een verhaal over een gesprek tussen Imam Mālik en Imam Juwayriyah. Hij zei dat ibn al-Juwayriyah een brief schreef naar Imam Mālik over Ibādah en hem adviseerde meer handelingen van aanbidding uit te voeren. Imam Mālik stond bekend om zijn lezingen in de masjid al-Nahawi, waar hij ‘ilm (kennis) en de Sunnah van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) had bestudeerd en die hij verspreidde. Ibn al-Juwayriyah stond bekend om zijn vroomheid en toewijding in aanbidding. Imam Mālik antwoordde op ibn al-Juwayriyah’s brief met deze woorden: “Allah heeft de handelingen en daden verdeeld onder de mensen zoals Hij rizq (rijkdom) onder hen heeft verdeeld. Sommigen kregen het talent in de kennis en hoe die te verspreiden, terwijl anderen het talent voor sadaqa, vasten etc. kregen.” Dus wat Imam Mālik (als talent) had gekregen is niet minder dan wat ibn Juwayriyah heeft gekregen en hij hoopte dat beiden op het rechte pad zijn en de dingen doen die Allah behagen. Ook in verhalen over de metgezellen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) kunnen we zien dat iedereen voor bepaalde handelingen talent had. We zien hier dat de talenten verdeeld zijn onder de mensen. Ibn Mas’ud radiyallāhu ‘anhu zei dat het vrijwillig vasten hem weerhield van het reciteren van de Koran. Het maakte hem zwak. Dus verkoos hij het reciteren van de Koran boven het vrijwillig vasten. Dit wordt vermeld in al-Shatibi’s boek ‘al-l’tisām’. Dus mensen hebben naar gelang hun vermogen keuzes en voorkeuren in het uitvoeren van handelingen van Ibādah, en dit is acceptabel in de Islam. Slechts een paar mensen zijn in staat om veel dingen te verrichten. Eén van hen was Abu Bakr al-Siddiq radiyallāhu ‘anhu. Hij kreeg het talent om álle vormen van Ibādah uit te voeren en was daar goed in. Ibn al-Qayyim zegt dat het wordt aanbevolen te concurreren in goede daden, zoals in de Koran wordt vermeld. Mensen mogen strijden voor goedheid en liefdadige handelingen in overeenstemming met hun talenten en vermogen. Er bestaat een verhaal over een man in Medina die altijd ging bidden met wat geld in zijn zak. Op de terugweg gaf hij het geld aan een behoeftige. Hij stond bekend om zijn daad van naastenliefde. Dan is er nog een verhaal van een man van tachtig die Mustafa heet (moge Allah zijn ziel overstelpen met genade en vergeving) en die altijd goed werk deed voor de mensen in zijn dorp. Hij liep door de straten van zijn dorp en maakte deze schoon. Elke ochtend na het Fajr gebed ging hij naar de school en reinigde de modderige en stoffige straat van de school. Hij was analfabeet en oud en toch was hij in staat om een hoop werk te verrichten voor zijn dorp, waar de andere dorpsbewoners de moeite niet namen om dat te doen. Dit ziet Allah werkelijk als een grote daad. Ieder moslim zou moeten kijken naar de mogelijkheid om daden van vriendelijkheid uit te voeren voor zijn gemeenschap; dit is gemakkelijk en eenvoudig en geeft grote beloningen. We kunnen niet álle charitatieve handelingen verrichten, maar we kunnen zoveel mogelijk doen. We moeten in ieder geval de intentie hebben om dit te doen. De hadith zegt: “Uw glimlach naar uw broeder is een charitatieve handeling.” Dit is een goed voorbeeld van dit type van Ibādah. Tegenwoordig is het gebruikelijk om moslims te zien lachen en groeten naar andere mensen. In feite voeren zij een charitatieve handeling uit. Als gevolg van hun gedrag, hebben ze een positieve invloed op het gedrag van anderen. Wanneer je lacht naar je broeder en ‘assalamu aleikum’ zegt tegen hem, maak je hem in feite gelukkig en deze actie zal leiden tot een gezond millieu tussen de moslims in de gemeenschap. Geleerden hebben het onderscheid benadrukt tussen ‘Ghibtah’ en ‘Hasad’. Al-Ghibtah betekent: het verlangen hebben om de goede eigenschappen over te nemen. Al-Ghibtah is een positief gedrag wat je motiveert om goed te doen om zo, net zo goed te zijn als anderen. Bijvoorbeeld: als je een deskundige ziet, bewonder je hem en wens je dat je net zo deskundig kunt zijn als hem. Evenzo, als je iemand veel ibādah ziet doen, wens je dat je dezelfde mogelijkheden hebt. En als je iemand ziet die rijk is en geld weggeeft aan liefdadigheid, bewonder je hem en wens je net zo gul te kunnen zijn als hem. Dus je bewondert deze mensen voor hun goede handelingen en vandaar dat je ook wenst te worden zoals zij. Al-Ghibtah is goed en wenselijk. Het beïnvloedt onze houding en ons gedrag op een positieve manier. Al-Hasad aan de andere kant, betekent ‘afgunst’. Het is een negatief gedrag wat in de Islam verboden en veroordeeld wordt. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat al-Hasad de beloningen vernietigd. Al-Hasad is het gevoel van afgunst, jaloezie en rancune wanneer je iemand met bepaalde privileges ziet, die jij niet hebt. En om dit nog erger te maken, zorgt de afgunst ervoor dat iemand wenst dat deze privileges van dit persoon worden afgenomen. En in sommige gevallen is het deze al-Hasad, die ervoor zorgt dat mensen elkaar gaan haten en er naar streven dat de privileges van iemand worden weggenomen! Het is Allah die Zijn genade geeft aan wie Hij kiest. Dus moeten we geen bezwaar hebben tegen Allah’s plannen. Dit is waarom al-Hasad wordt beschouwd als ‘slecht gedrag’ en ‘een grote zonde’. We worden aangemoedigd om handelingen uit te voeren die aansporen tot het goede en die het kwade verbieden; als we dit doen, dragen we bij aan het welzijn van de gemeenschap. We doen het om anderen te helpen en niet om iedereen te beledigen of te vernederen. Het uitdragen van dit concept zal altijd bijdragen aan de verbetering van de hele gemeenschap. We moeten dit echter met tolerantie en geduld doen zodat het acceptabel is voor de andere partij. Wanneer we een handeling met een goede intentie uitvoeren, zullen de anderen het positief zien als oprechte zorg en aandacht voor hen. We moeten dit niet op een ruwe of agressieve manier doen wat kan anderen beledigen.

 Conclusie

Deze hadith verklaard dat elke goede daad een daad van naastenliefde is. Iedere moslim zou enthousiast goede en charitatieve daden moeten doen. De geleerden bevestigen dat geoorloofde handelingen kunnen worden omgezet in Ibādah als we hen met de juiste niyyah (intenties) uitvoeren. Dus als Ibādah, kunnen deze simpele handelingen ons grote beloningen van Allah bezorgen. Daarom moeten we onszelf trainen in deze goede gewoonte die ons in het hiernamaals ten goede zal komen.

 Hadith 26: Liefdadigheid (II)

Abu Hurayrah (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: ‘De boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) heeft gezegd: “In ieder gewricht of klein gebeente (vingers, tenen) van de mens zit liefdadigheid, elke dag dat de zon opkomt. Een rechtvaardige situatie doen onstaan tussen twee mensen is liefdadigheid; iemand met zijn rijdier helpen, hem helpen opstappen en zijn bagage laden is liefdadigheid; een goed woord is liefdadigheid; elke stap die je doet om het gebed te verrichten is liefdadigheid; en iets schadelijks van de weg verwijderen is liefdadigheid'. (Overgeleverd door Bukhāri en Muslim)

 Achtergrond

Het karakter van deze hadith lijkt erg op de voorgaande hadith (25). Een mogelijke reden voor de opname hiervan kan zijn dat Imam al-Nawawi het belang van liefdadige handelingen wilde benadrukken. Een andere mogelijke reden is de invloed van Imam Muslim op Imam al-Nawawi, die commentaren heeft geschreven over de Sahih Muslim. Imam al-Nawawi registreerde veel hadiths waarin de kwestie van sadaqa werd behandeld en het is mogelijk dat Imam al-Nawawi’s grote academische onderzoek naar de uitleg en interpretatie van de Sahih Muslim zijn keuze van de 40 hadiths heeft beïnvloed. Imam ibn Rajab citeert andere hadiths met soortgelijke betekenissen, waarvan er twee zijn geregistreerd door Imam Muslim. Hieruit kan de mogelijkheid van invloed worden afgeleid. Een derde hadith, overgeleverd door al-Bukhāri en Muslim, vermeld het aantal botten in ons lichaam: 360. In deze hadith wordt het aantal botten niet vermeld; het vermeld alleen de kleinere botten. In een van deze hadiths wordt de uitvoering van het Duha gebed genoemd als vervanging van een aantal liefdadige handelingen. Een andere liefdadige handeling die genoemd wordt door ibn Rajab, is degene te helpen die behoeftig zijn. Profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam)benadrukte dit idee: “als een moslim degene die in nood is niet kan helpen, moet hij zich onthouden van het kwade en anderen niet schaden.”

 Lessen

Deze hadith weerspiegelt de grote schepping van de mens, wat benadrukt wordt in vele soera’s van de Koran. Ibn Rajab zei dat de profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de kleine botten noemde. Dit, met als doel de nadruk te leggen op de structuur en de schepping van de mens, wat op zichzelf een indicatie is van de grote gaven van Allah. Profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam) spoort ons aan om dankbaar te zijn naar Allah, omdat we met elk van deze botten charitatieve handelingen kunnen uitvoeren. Al Ustādh Jamaal al-Din Zarabozo wees op het belang van het woord ‘salameh’; het kleine bot. Dit deed hij toen hij verwees naar de kleine botten in de handen en voeten en hoe deze zijn samengesteld. Nogmaals zien we hoe geleerden door elkaar worden beïnvloed. Het is niet vreemd om de invloed van ibn Rajab op Ustādh Jamaal al-Din Zarabozo te zien, aangezien hij het meeste van ibn Rajabs werk vertaalde. Hij roept moslims op om na te denken over de prachtige structuur en complexiteit van deze botten. De interactie van deze botten maakt het mogelijk voor de mens te beschikken over flexibiliteit en snelheid in de handen. De formatie van de voeten geeft een goede balans aan het lichaam. Sjeik al-Bitār, een van de commentatoren van al-Nawawi’s 40 hadiths, zegt dat deze botten één van de belangrijkste factoren zijn van de vooruitgang en de beschaving van de mens. Deze botten stellen de mens in staat te bewegen, grijpen, samenstellen en te bouwen. De mogelijkheid van de mens om te presteren en produceren, zijn het gevolg van deze kleine botten die op zo’n opmerkelijke en prachtige manier door Allah zijn gecreëerd. Dus moet een moslim dankbaar zijn naar Allah voor deze grote zegeningen. We kunnen onze dankbaarheid tonen d.m.v. charitatieve handelingen zoals goede daden en het helpen van anderen. Volgens ibn Rajab is het uitvoeren van de genoemde handelingen in de hadith een verplichting voor elke moslim. Bovendien classificeert hij dankbaarheid aan Allah in twee categoriën:

1. Verplichte (wājib) dankbaarheid: Moslims moeten aan de verplichtingen voldoen en zich onthouden van datgene wat verboden (muharramāt) is. Dit is de kleinste vorm van dankbaarheid tonen aan Allah d.w.z.: men moet afzien van ongehoorzaamheid (ma’siyah) aan Allah, zondige daden afkeuren en voorkomen dat er misbruik wordt gemaakt van onze ledematen (jawāreh) of iets anders dat Allah, de Meest Krachtige, ons geschonken heeft. Een van de meest belangrijke gaven van Allah aan de mens, zijn de ogen. Men moet deze niet gebruiken om handelingen van ongehoorzaamheid uit te voeren. Evenzo, moet Allah’s gave van het gehoor op een nuttige manier gebruikt worden.

2. De aanbevolen dankbaarheid. Dit is voor moslims die er naar streven om tot de rechtvaardige gelovigen te behoren. Deze vorm van dankbaarheid is verdeeld in twee subcategoriën:

• Daden die nuttig zijn voor de gemeenschap, zoals wat in deze hadith wordt genoemd.

• Daden die zijn beperkt tot de persoon die het uitvoert, zoals genoemd in hadith 25.

We kunnen ook vanuit een ander perspectief naar charitatieve handelingen kijken, waar goede doelen -die de voorkeur hebben- kunnen worden verplicht.

Bijvoorbeeld: een blinde man wil de straat oversteken en jij bent de enige in zijn buurt: dan wordt het helpen een verplichting. Als er meerdere mensen aanwezig zijn die allemaal vertrouwen op anderen om hem te helpen, zal uiteindelijk niemand de blinde man helpen. Zulk soort gedrag verzwakt de band in de samenleving. Jammer genoeg bestaan dit soort ziekten tegenwoordig in de moslimgemeenschap. Wanneer één enkele moslim niet handelt in dergelijke omstandigheden, kan dit resulteren in een hele afkeurenswaardige gemeenschap. In deze hadith wordt getracht het belang te benadrukken en de moslims te herinneren aan de aanbevolen charitatieve handelingen, die van groot nut zijn voor de gemeenschap. Een andere hadith benadrukt het feit dat moslims als één enkel orgaan zijn dat verantwoordelijk is en zorgt voor andere moslims in die ene gemeenschap. We moeten zelf altijd het goede voorbeeld geven in de vorm van moraal, gedrag, waarden en normen. Dit, met als doel anderen te beïnvloeden en om er voor te zorgen dat ze luisteren naar wat we zeggen. Alleen dán zal het niveau van vertrouwen in de gemeenschap worden verhoogd tot het juiste niveau van wat er werkelijk over een moslimgemeenschap gezegd kan worden. Mensen zullen luisteren naar degenen die een goed voorbeeld geven, zoals de profeet Mohammed sallallāhu ‘alayhi wasallam, die het beste voorbeeld is voor iedereen en om na te streven tot het einde der tijden. Als moslims moeten we proberen zo veel mogelijk aan naastenliefde te doen. Dergelijke charitatieve handelingen moeten we niet op dezelfde manier bekijken als onze vijf dagelijkse gebeden. Niettemin moeten we het op ons eigen gemak doen en in overeenstemming met onze mogelijkheden. De uitvoering van zulke handelingen op regelmatige wijze, zal een gemeenschap creëeren die harmonieus en coöperatief is. Dit zal indirect het goede doen toenemen en het kwade verminderen. Dit is het belangrijkste doel van de da’wah. Deze hadith benadrukt het belang van bepaalde daden, namelijk het tot stand brengen van rechtvaardigheid tussen mensen en de verzoening tussen hen. Mensen terugbrengen in de gemeenschap die zijn afgedwaald of verstoord, is een onderdeel van Islah (verzoening). Toen de Khawārij (moslimsekte) er over dachten om hun eigen gemeenschap aan te vallen, ging Abdullah bin ‘Abbas radiyallāhu ‘anhu naar hen toe en sprak met hen, met als doel het verwijderen van de misverstanden. Hij was succesvol en bracht tweederde van hen terug in de moslimgemeenschap. Deze actie van de belangrijke metgezel van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) was een charitatieve daad op zichzelf. Zulke daden kunnen ook worden uitgevoerd d.m.v. mensen te helpen die in nood zijn. We moeten niet wachten tot we gevraagd worden te helpen. Dit is de ware betekenis van walā (loyaliteit) naar de gemeenschap. Zoals vermeld in hadith 25, wordt het uitspreken van goede woorden op zichzelf beschouwd als een daad van naastenliefde. Wanneer we iemand zien die ongelukkig is, kunnen we d.m.v. goede woorden hem een plezier doen en zo zijn zorgen of verdriet wegnemen. Ondanks het feit dat het gebed een verplichting is, wordt elke stap die naar de moskee gemaakt wordt om te gaan bidden, beschouwd als een charitatieve daad. Een moslim zal worden aangemoedigd om zulke goede daden te doen, wanneer zij worden herinnerd aan alle beloningen die ze verkrijgen bij het uitvoeren van de handeling zelf en aan de beloningen voor alle daarmee in verband houdende acties. De laatste charitatieve daad die vermeld wordt in deze hadith is die van het verwijderen van schadelijk afval op straat of van iemands pad. Er zijn mensen die denken dat dit onbelangrijk is. Het kan zelfs als vernederend worden opgevat. Toch ziet Allah dit als iets nobels en de persoon zal ervoor beloond worden. Door zoiets te doen, voorkomen we misschien een vreselijk ongeluk. Men moet zich niet druk maken over het negatieve commentaar van anderen; omdat het doel hier niet het zoeken van andermans goedkeuring is, maar de goedkeuring van Allah. We moeten dit alleen oprecht doen voor de zaak van Allah. Hoe meer we bewust zijn om onze daden alleen uit te voeren voor de zaak van Allah, hoe groter de beloning van Allah zal zijn.

 Conclusie

De Islam moedigt haar volgelingen aan om een gemeenschap op te bouwen waarin de leden zorgen voor elkaar en elkaar ondersteunen. Sociale charitatieve handelingen zoals hierboven besproken, worden beschouwd als dagelijkse activiteiten wat op zich onze dankbaarheid aan Allah toont. Dit concept moet op elke mogelijke manier in het klaslokaal, de moskee en de media worden gestimuleerd. Jammer genoeg speelt de hedendaagse media in deze zin een negatieve rol. Films bevorderen negatieve waarden die leiden tot een onverschillige samenleving wat resulteert in egoïsme, hebzucht en egocentrische persoonlijkheden. Een manier om dit negatieve element te veranderen, is door het veranderen van het concept van entertainment d.m.v. meer educatiegerichte communicatie en media-psychologische benaderingen.

 Hadith 27:  Het intern controlerend systeem.

Volgens an-Nawwās ibn Sam'ān (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft de profeet (Allah’s zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Rechtschapenheid behoort tot een goed karakter en zonde is datgene wat je innerlijk onrustig maakt en waarvan je niet graag zou willen dat de mensen het te weten zouden komen.” (Overgeleverd door Muslim) Wābisah ibn Ma'bad (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: ‘‘Toen ik bij de Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) kwam, vroeg hij mij: “Ben je gekomen om te vragen wat rechtschapenheid is?'” Ik zei: ‘Ja'. Hij zei: “Raadpleeg je hart. Rechtschapenheid is datgene waar je ziel en je hart zich rustig over voelen. En zonde is datgene wat je innerlijk onrustig maakt en wat in je borst stokt, zelfs al hebben de mensen je er herhaaldelijk een (goedkeurend) oordeel over gegeven.” (Een goede hadith, overgedragen van de beide ‘Musnads' van de twee imams Ahmed ibn Hanbal en ad-Dārimi)

 Achtergrond

Het eerste wat dient te worden opgemerkt is, dat de tweede hadith op zichzelf zwak is, maar dat het vanwege ondersteunend bewijs is gerezen tot het niveau van ‘hasan’ (authentiek). Deze twee hadiths verklaren de betekenis van rechtschapenheid en zondigheid.

 Lessen

Imam ibn Rajab zegt dat de term ‘birr’ (in de arabische tekst) in deze hadith in twee opzichten wordt gebruikt:

 1. Anderen op een goede manier behandelen

 2. Alle handelingen van goede daden en het aanbidden van Allah. Op basis hiervan kan men uit de eerste verklaring van de eerste hadith begrijpen dat het belangrijkste aspect van rechtschapenheid in elk individu, goed gedrag is.

Ibn Rajab gaat verder en zegt dat goed gedrag geïnterpreteerd kan worden als goede manieren en daden, zoals we kunnen lezen in de Koran. Allah heeft ons geschapen met een natuurlijke aanleg, beter bekend als fitrah zoals vermeld in hadith 4. Onze fitrah is: de waarheid en het goede lief te hebben en onwaarheid en het kwade te haten. Bijgevolg: goede gelovigen met een zuivere fitrah zullen nooit waarheid met leugens verwarren. De tweede hadith wijst ons op het raadplegen van onze harten, als we te maken krijgen met dubieuze zaken. Als het hart rustig is, dan betekent dat, dat de handeling een van birr, of van gerechtigheid is. Aan de andere kant moet men zich onthouden van het verrichten van een handeling, of een twijfelachtige zaak als het hart onrustig is. Fitrah is echter -zoals vermeld in hadith 4- onderhevig aan corruptie en kan worden bedorven door de invloed van een slechte omgeving; iemand het kwade en slechte gaan waarderen en kan van het goede en de waarheid een afkeer krijgen. Hier is het hart ziek, of zelfs dood. Een dergelijk persoon kan zijn/haar hart niet gebruiken als maatstaf in het beoordelen van goed en slecht, want de fitrah is al beschadigd. Een zonde doet je ziel wankelen of trillen. Dit gedeelte van de hadith definieert een zondige daad, waarvan de schuld bij de uitvoerder ligt. Imam al-Qurtubi geeft de vorige interpretatie. Al-ustadh Jamaal al-Din Zarabozo zegt dat in deze hadith de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zeer belangrijke signalen van een zonde gaf. Het eerste is een intern teken in de mens. Het is het gevoel dat de ziel in kwestie heeft met betrekking tot de handeling. Het tweede signaal is ook een intern gevoel, maar het is verbonden met de uiterlijke reaktie op de handeling zelf. Een zonde maakt een gezonde ziel ongemakkelijk en onrustig. De ziel is dan ongelukkig en bezorgd over de zonde en de gevolgen daarvan. Al-ustadh Jamaal al-Din Zarabozo merkt op, dat deze symptomen optreden omdat de persoon van nature is geneigd tot acties die leiden tot positieve resultaten en zal vermijden wat tot negatieve resultaten zal leiden. De commentatoren van deze hadith benadrukken dat ‘de mensen’ waar hier naar wordt verwezen, de rechtvaardige en gerespecteerde mensen zijn. De twee hadiths onthullen een belangrijk aspect van de Islam over een intern controle en geleidingssysteem, dat als gevolg van een aantal factoren is gevestigd:

 1. De zuivere fitrah: Allah creëerde iedereen met een zuivere fitrah. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) noemt een groot aantal factoren in de omgeving, die een invloedrijke rol spelen in het onderwerpen van de fitrah voor corruptie.

 2. De realisatie van Tawhīd: door het beoefenen van alle essenties van Tawhīd, zoals het liefhebben van Allah, het zoeken naar hulp van Allah, afhankelijk zijn van Allah (tawakkul) Allah’s genade vragen en andere handelingen die verbonden zijn aan Tawhīd.

 3. Het naleven van de Shari’ah.

 4. Het zoeken naar kennis.

 5. Tazkiyah en Tarbiyah; dat is de zuivering van de ziel en het hart van de moslim.

De hierbovengenoemde factoren en vele andere, zijn met elkaar verbonden en samen leiden ze tot de oprichting van het intern conrolerend systeem. Dit systeem moet echter regelmatig ‘geactiveerd’ en ‘opgewaardeerd’ worden door pedagogen, leerkrachten en dā’is (predikers). Het is erg belangrijk dat pedagogen en dā’is aandacht besteden aan de individuen en het ingebouwde systeem van de gemeenschap. Zij moeten bewustzijn creëren over de hedendaagse uitdagingen, zodat strategieën -om met dergelijke uitdagingen om te gaan- kunnen worden overwogen. Dit intern controlerend systeem is erg belangrijk voor de moslims vandaag de dag. Om in staat te zijn dit te activeren moeten zij hiervan op de hoogte zijn. Alleen door middel van een dergelijk goede reconstructie van het bewustzijn, kunnen we zeker zijn van de validiteit en de effectiviteit van het intern controlerend systeem. Moslims moeten zich van dit feit bewust zijn en zij moeten hun interne systeem activeren om gevoelig te zijn ten opzichte van dubieuze handelingen en zondige zaken. Als dit systeem niet correct is ‘geprogrammeerd’, ‘geinstalleerd’ of ‘bijgewerkt’, kan dit persoon niet op de juiste manier handelen. Het is zoiets als het installeren van een ‘anti-virus software’ in onszelf. Met deze software op zijn plaats, kan ons interne systeem virussen (d.w.z. slechte handelingen) in onze harten of gedachten voorkomen. Er zijn tegenwoordig veel situaties waar mensen in totale twijfel zijn w.b. de vraag of iets geoorloofd is of niet. Er zijn veel zaken waarover de moslims niet zeker weten wat de juiste antwoorden zijn, bijvoorbeeld enkele hedendaagse kwesties m.b.t. verzekeringen, voedsel, medicijnen, handel en technologie. Dit leidt op zichzelf tot een moreel conflict. In feite verergert de situatie wanneer de mensen die akhlaq (morele waarden) onderwijzen soms niet eens van deze conflicten op de hoogte zijn. Vandaag de dag worden moslims niet blootgesteld aan Islamitische standpunten over zaken waarover tegenstrijdige opvattingen bestaan. Een deel van de wijze waarop dit probleem kan worden opgelost is door meer boeken, artikelen en beschouwingen te vertalen en deze beschikbaar te stellen aan alle moslims, ongeacht hun nationaliteit. Op deze manier weten ze op zijn minst wat er moet gebeuren om de geschillen tussen hen te minimaliseren. Dit zal leiden tot eenheid en daardoor zal alles -wat tot conflicten kan leiden- verwijderd worden. Pedagogen en da’is (predikers) moeten niet alleen gebruik maken van de traditionele aanpak. We moeten ons niet beperken tot de mening van een enkele geleerde of website, over zaken zoals siddīq, tazkiyah en tarbiyah’. Dus als we de werken van sjeik Zarrouq over zaken van tazkiyah vergelijken met die van Imam al-Ghazali, zullen we zien dat beide werken totaal van elkaar verschillen. Sjeik Zarrouq gebruikt in zijn boeken ‘Qawā’id Altasarruf’ en ‘Udat Almurīd Alsādiq’ een totaal andere benadering dan Imam al-Ghazali. Sjeik Zarrouq richt zich op de problemen waar de mensen van zijn tijd mee werden geconfronteerd. We kunnen deze boeken lezen en er ons voordeel uithalen, maar we moeten gebruik maken van een andere aanpak, die beter bij de uitdagingen van onze tijd past. We moeten verschillende methoden gebruiken voor het presenteren van zaken zoals tazkiyah en tarbiyah. Alleen op deze manier kunnen we ons intern controlerend systeem opwaarderen.

 Conclusie

Zonder een volledig functionerend intern controlerend systeem, zullen moslims verschillende opstellingen hebben die tot problemen zoals extremisme kunnen leiden. Het aantal extremisten in de moslimgemeenschap zal verhogen als de problemen -die hierboven worden genoemd- niet worden opgelost. Moslims kunnen dan uiteindelijk meerdere persoonlijkheden hebben. Ze zijn moslims, maar ze plegen harām (verboden handelingen) en doen vele andere andere negatieve dingen. Ze zijn er zich niet van bewust dat ze iets verkeerds doen. Deze mensen zijn het slachtoffer van het nieuwe systeem van globalisering. Onze strategie -om deze uitdagingen aan te pakken- is het activeren en verbeteren van ons intern controlerend systeem. Pas daarna zullen moslims in staat zijn een rustig leven te leiden, zonder verwarring. Andere oplossingen zullen alleen maar van korte duur zijn, omdat er geen rust is.

 Hadith 28: Trouw blijven aan de Sunnah.

Abū Najīh al-‘Irbād ibn Sāriyah (Allah's welbehagen zij met hem) heeft gezegd: 'De Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) preekte eens op een zodanige manier, dat onze harten van vrees trilden en de tranen ons in de ogen sprongen. Wij zeiden: 'O Boodschapper van Allah! Dit lijkt veel op een afscheidstoespraak. Geef ons daarom raad'. Hij zei: “Ik geef jullie het advies om vrees voor Allah, de Almachtige, de Verhevene, te koesteren. Gehoorzaam en luister naar jullie leider, zelfs wanneer een slaaf  jullie leider wordt. Waarlijk, degene van jullie die lang zal leven, zal veel meningsverschillen zien. Je moet je dus aan mijn sunnah houden en aan de sunnah van de rechtgeleide kaliefen; klamp je daar stevig aan vast. Pas op voor nieuwe toevoegingen, want iedere toevoeging is een innovatie en iedere innovatie is een dwaling en iedere dwaling leidt naar het hellevuur.”

(Overgeleverd door Abū Dāwūd en Tirmidhī, die gezegd heeft dat het een goede en betrouwbare hadith is)

 Achtergrond

In een van de overleveringen van deze hadith werd opgemerkt dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn preek ná het Fajr gebed gaf. Op basis van andere hadiths kunnen we zien dat het de gewoonte was van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) om van tijd tot tijd zijn metgezellen te waarschuwen en dit werd gedaan zonder overbelasting en zonder hen een vervelend gevoel te geven. Ibn Rajab beschreef de kenmerken van zijn preken en waarschuwingen: kort, beknopt en op een mooie, begrijpelijke manier.

De preek bestond uit drie hoofdpunten:

1. Allah’s advies naar de mensheid om taqwa te hebben voor Allah.

2. Luisteren en gehoorzamen naar de aangewezen leiders als de zaken van de gemeenschap op een goede moeten worden verbeterd en vrede en eenheid het resultaat hiervan zal zijn. Deze hadith verteld echter het feit, dat het concept van het rechtgeleide gezag het eerste Islamitische begrip zal zijn wat zal worden geschonden.

3. De hadith anticipeert op een toekomstige gebeurtenis en feit, d.w.z. de verdeeldheid en splitsing van moslims in groepen en sekten, te wijten aan ketterijen en afwijking. Bij de aanpak van een dergelijke situatie worden we geadviseerd om ons te houden aan het belangrijkste principe d.w.z: het naleven van de Sunnah. In de hadith wordt extra nadruk gelegd op het naleven van de Sunnah en het vermijden van bid’ah (ketterij).

 Lessen

 I. Inleidende verklaringen w.b. het naleven van de Sunnah.

De handelingen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) kunnen als volgt worden ingedeeld:

1. Handelingen die specifiek voor de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn, zoals het continu- voor meer dan een dag vasten (wisāl).

2. Handelingen gerelateerd aan de cultuur van zijn tijd, zoals het dragen van een tulband, de bovenste knoopjes van de kleding openlaten, lange haardracht en het gebruik van een (wandel) stok.

3. Handelingen die volgen uit spontane of niet-geplande acties. Bijvoorbeeld: tijdens een reis stopte de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) op bepaalde plaatsen, of nam hij een bepaalde route.

4. Handelingen die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) bewust ten behoeve van Ibādah uitvoerde. De geleerden zeggen dat de moslims verplicht zijn het laatste type van handelingen te volgen. Een handeling wordt beschouwd als een Ibādah, als er een authentieke hadith is die deze actie als een Ibādah ondersteunt zodat deze wordt beloond, of als degene die dit uitvoert wordt geprezen, of dat degene die het vermijd de schuld krijgt, vervloekt wordt of gestraft zal worden. Geleerden stellen dat vóór een actie moet worden beschouwd als Sunnah er aan twee voorwaarden moet worden voldaan: de uiterlijke handelingen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn nagebootst én de intentie van de handeling moet hetzelfde zijn. Bijvoorbeeld: het dragen van een tulband moet niet worden gedaan met de intentie van het uitvoeren van een Ibādah, omdat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dit droeg vanwege zijn cultuur. Als men dit slechts doet met de intentie de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)te volgen, dan zal hij alleen worden beloond voor de intentie. (niet voor de handeling), Imam al-Shātibi stelt een principe dat, als er twee manieren zijn om een Ibādah uit te voeren -de ene gemakkelijker dan de andere- het verplicht is de gemakkelijkste weg te nemen. Bijvoorbeeld: als er op een koude winteravond de keuze is tussen koud en warm water om de wudhū uit te voeren, men dan de gemakkelijke keuze moet nemen d.w.z. warm water moet gebruiken. Dit principe is ontleend aan de Koran, soera al-Baqarah:185. Een ander principe dat Imam al-Shātibi stelt is dat wanneer men een aanbevolen handeling (mustahāb) verricht, men zich niet moet verplichten dit op een vaste wijze of met een vaste routine te doen. Bijvoorbeeld: men moet niet zeggen dat men twee juzu per dag zal lezen, of op elke maandag en/of donderdag zal vasten op continue basis, zonder van tijd tot tijd te stoppen.

De reden dit te vermijden is vanwege het volgende:

 1. Het wordt niet verplicht gesteld door de Shari’ah.

 2. Het is in strijd met de algemene principes van de Shari’ah. (al-Baqarah:185)

 3. Als men zich verbindt aan een onverplichte Ibādah op regelmatige basis, komt het dicht bij een gelofte (nadhr), wat géén aanbevolen handeling (makrūh) is.

 4. Als iemand een verbintenis aangaat en zich daaraan probeert vast te houden, kan men zich op de lange termijn verveeld gaan voelen en later misschien helemaal stoppen met het uitvoeren van de handeling.

Dus is het beter goede daden te doen die gebaseerd zijn op capaciteit en vermogen i.p.v. zichzelf een continue handeling op te leggen.

Imam al-Shātibi stelt dat er in de Ibādah twee vormen van overtredingen zijn:

1. Echte overtredingen; elke vorm van Ibādah, waar geen ondersteunend bewijs voor is van de Koran of de Sunnah.

2. ‘Relatieve’ overtredingen; elke vorm van Ibādah, waarvan het algemene bewijs uit de Koran of Sunnah komt, maar wat geen expliciet/specifiek bewijsmateriaal heeft als aanwijzing. Een voorbeeld is het zeggen van du’ā in congregatie. Er zijn algemene aanwijzingen voor het maken van du’ā, maar er zijn geen expliciete/specifieke aanwijzingen die de actie van het uitvoeren in congregatie op continue basis ondersteunen. Imam Ahmed Zarūq (899 H) voegt een derde categorie toe: bid’ah khilāfiyyah (het oneens zijn over, of discutabele ketterij). Volgens geleerden is dit een acceptabele vorm van Ibādah en volgens andere geleerden is het bid’ah in overeenstemming met het hierboven vermelde bewijs.

 2. Algemene regels en principes om onderscheid te maken tussen schendingen van Ibādah, en Sunnah (afgeleid van Imam al-Shātibi’s works).

Imam al-Shātibi geeft ons wat algemene regels en pricipes die we kunnen gebruiken om onderscheid te kunnen maken tussen wat Sunnah is en wat een schending van Ibādah is.

1. Een ‘Ibādah (ritueel van aanbidding) mag niet worden uitgevoerd ténzij er bewijs van wahi (openbaring) is. Een andere manier om dit te zeggen is, dat alle vormen van Ibādah door de Shari’ah worden beperkt. Het bewijs hiervoor is de hadith van Aisha, die vermeld dat de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam heeft gezegd: “Wie een handeling uitvoert die niet overeenstemt met onze weg, zal worden afgewezen.” (al- Bukhāri) (zie hadith 5)

2. Als er een handeling is die in de periode van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) gunstig lijkt te zijn, maar hij deze niet uitvoerde als een daad van ‘Ibādah, dan is de uitspraak zodanig dat het voor ons harām (verboden) is om dit als een daad van Ibādah uit te voeren.

 3. Een handeling van ‘Ibādah mag vanwege een aantal redenen uitgevoerd worden:  

• Als een handeling wordt beschouwd als noodzaak om lakse en nalatige mensen te motiveren, dan is de handeling een schending. Imam al-Shātibi heeft ons de algemene regels en principes gegeven die we kunnen gebruiken om onder- scheid te kunnen maken tussen wat Sunnah is en wat een schending van Ibādah is en dus niet kan worden uitgevoerd. Bijvoorbeeld: Abdul Malik bin Marwan deed de Eid Khutbah vóór de gebeden, omdat de mensen na het gebed weggingen en hij er voor wilde zorgen dat de mensen luisterden naar de Khutbah voor ze weggingen.

• Indien de desbetreffende handeling wordt beschouwd als een noodzakelijk gevolg van de natuurlijke omstandigheden van de mensen én er geen behoefte aan was in de tijd van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. In zo’n situatie wordt het beschouwd als maslahah mursalāh (algemeen belang). Bijvoorbeeld: de samenstelling van de Koran, het gebruik van de mihrāb (de indicator voor de richting van de qiblah), het huidige schoolsysteem, het gebruik van luidsprekers tijdens de Adhān etc.

4. Als de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) een handeling uitvoerde en om een specifieke reden stopte, kunnen we de handeling uitvoeren op voorwaarde dat de specifieke reden voor beëindiging van de handeling niet meer bestaat. Bijvoorbeeld de Tarāwīh gebeden; de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) beëindigde deze na een tijd omdat hij bang was dat het verplicht zou worden gemaakt. Na zijn dood is het niet mogelijk dat de Tarāwih gebeden alsnog verplicht worden omdat de periode van wahi (openbaring) is verstreken.

5. Het vermijden van handelingen van aanbidding die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) niet uitvoerde, wordt beschouwd als Sunnah. (Sunnah tarkiyyah)

6. Het uitvoeren van een handeling die ‘Ibādah gemaakt is door:

• Het generaliseren van een specifiek bewijs om een handeling te vermeerderen. Deze vorm van schending in ‘Ibādah treedt op wanneer een specifiek bewijs dat betrekking heeft op een specifieke ‘Ibādah, in de toepassing gegenerealiseerd word. M.a.w. het verwijderen van de grenzen van een handeling die door de Shari’ah bepaald is. Een voorbeeld hiervan is dat er bepaalde adhkār zijn, waarvan het aantal herhalingen beperkt is door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)b.v. de adhkār na de gebeden. Het verwijderen van deze grenzen d.w.z. toename van het specifieke aantal handelingen, is een overtreding van ‘Ibādah.

• Het beperken van een onberperkte handeling in de

Shari’ah, b.v: specifiek op vrijdag vasten en speciale gebeden uitvoeren op de vrijdagavond. Andere voorbeelden zijn de adhān oproep voor het Eid gebed (met behulp van de algemene hadith voor de adhān) en het uitvoeren van een bepaalde set van dhikr voor een bepaalde dag/tijd. Deze handelingen worden beschouwd als schendingen van de ‘Ibādah.

7. Het koppelen van een handeling van ‘Ibādah aan een onverwante actie (ofwel een natuurlijke actie of een andere handeling van ‘Ibādah) waardoor ze worden weergegeven als een continue handeling, kan een overtreding zijn of het kan leiden tot een overtreding afhankelijk van de situatie:

• Het wordt beschouwd als overtreding indien het met opzet wordt gedaan.

• Als het per ongeluk gebeurd, maar als de verbinding of opeenvolging herhaaldelijk wordt gedaan -vooral in het openbaar- dan kan dit leiden tot een overtreding in de ‘Ibādah (omdat analfabeten kunnen denken dat de

handelingen gerelateerd zijn). Een voorbeeld hiervan is: in de tijd van Imam Mālik werd gemeld dat de muadhdhin (de man die de gebeden aankondigd in de moskee) opzettelijk zijn keel schraapte voor hij met de adhān begon. Toen Imam Mālik hem vroeg daarmee te stoppen, tikte hij opzettelijk met een stok tegen de minaret voor hij met de adhān begon. Imam Mālik hield hem tegen om dit te doen en zei: “Doe niet iets wat niet door de profeet, noch door zijn metgezellen werd beoefend.” Een ander voorbeeld: het onmiddellijk opstaan na de uitvoering van de fard (verplichte) gebeden met als doel de Sunnah (aanbevolen) gebeden te gaan doen; mensen zonder kennis kunnen hier van in de war raken. Een derde voorbeeld is het starten met vasten voor de zes dagen van Shawwāl, vanaf de tweede dag van de Eid.

8. Als een onverplichte handeling, geoorloofd door de Shari’ah, herhaaldelijk in het openbaar wordt uitgevoerd zodat het op een fard lijkt, dan moet de handeling af en toe worden gestopt. Bijvoorbeeld de recitatie van soera as-Sajdah en soera al-Insān tijdens het Fajr gebed op vrijdag. Deze handeling, ofschoon ook uitgevoerd door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)mag niet regelmatig worden uitgevoerd omdat mensen kunnen gaan denken dat het een verplichte handeling is. Een ander voorbeeld is, dat de metgezellen (Abū Bakr en ‘Umar) doelbewust bepaalde jaren het ‘udhiyah slachten in Eid-al-Adha niet hebben uitgevoerd uit angst dat de mensen zouden gaan denken dat deze handeling wājib is.

9. Niet iedereen die een overtreding in ‘Ibādah begaat zal worden beschouwd als mubtadi (overtreder). Sommigen van hen zullen worden vrijgesteld. Dit principe geld ook voor iemand die handelingen van kufr (ongeloof) uitvoert, d.w.z. niet iedereen die kufr uitvoert is een kāfir (ongelovige). De excuses voor iemand in dit geval zijn:

• Als iemand ergens woont waar geen geleerden zijn om het bewijsmateriaal vast te stellen, of om misverstanden weg te nemen en goede begeleiding te geven.

• Als iemand een ‘nieuwe’ moslim is, wordt hij vrijgesteld totdat hij de desbetreffende kwesties kent.

• Als er misverstanden zijn m.b.t. de situatie, dan wordt dit persoon vrijgesteld totdat de misverstanden verwijderd zijn.

• Als de handelingen door de geleerden nog niet overeengekomen zijn.

10. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen een overtreding in ‘Ibādah, wat kufr is, of dat wat leidt tot kufr of dat, wat er niet toe leidt. Elke schending in ‘Ibādah die niet kufr is, of niet leidt tot kufr is erger dan een ma’siyat (zonde), maar met betrekking tot het  hiernamaals valt het onder dezelfde categorie als ma’siyat d.w.z. de dader kan gestraft worden óf hij kan vergeven worden en niet worden gestraft. Er wordt opgemerkt dat volgens Imam al-Tahawi en andere geleerden, er tien redenen zijn waarom een dader niet gestraft wordt; we noemen er hier een paar:

 • De goede daden van iemand wegen zwaarder dan zijn zonden.

 • De persoon onderging veel beproevingen en ontberingen in deze wereld.

 • De persoon ontvangt bemiddeling van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

 • De persoon ontvangt bemiddeling van een goede moslim.

 • De persoon onderging een straf in het graf.

11. Er zijn twee opvattingen w.b. iemand die bid’ah pleegt:

• Alleen acties die in combinatie met bid’ah worden gepleegd, worden niet geaccepteerd.

• Er zullen geen daden worden geaccepteerd van de aanbidder,tenzij hij is vrijgesteld of berouw heeft getoond. Ter verduidelijking van de tweede opvatting stelt Imam al Shātibi dat men niemand zal vinden die een overtreding pleegt van ‘Ibādah in slechts één enkele handeling, d.w.z. als iemand een overtreding begaat in de gebeden, is het waarschijnlijk dat hij overtredingen begaat in de zakāt, Hajj etc. Volgens Imam al-Shātibi kan deze visie op drie manieren worden geïnterpreteerd:

• De verklaring wordt genomen van de eerste indruk d.w.z. alle andere daden, verplicht (fard) of aanbevolen (sunnah) zullen niet worden geaccepteerd.

• Dat de schending in ‘Ibādah een fundamentele overtuiging is die alle acties van iemand kan ontkrachten. Bijvoorbeeld de schending van een afwijkende sekte die de metgezellen afwezen, wat resulteerde in het niet aanvaarden van hadith en beweringen over de onvolledigheid van de Koran.

• De manifestatie van schendingen in ‘Ibādah is een teken van gebrek aan degelijke kennis van de Shari’ah, gebrek aan respect voor de Shari’ah of het plaatsen van de intellectuele redenering voorafgaand aan de Shari’ah. Op basis van hadith 5 van Imam al-Nawawi’s collectie gaat de inclinatie naar het eerste advies, in het geval van degenen die de Sunnah in het algemeen volgen.

 Conclusie

Om zich te kunnen houden aan de Sunnah en om in staat te zijn en om de ‘Ibādah niet te schenden, moeten moslims deze principes -aangegeven door onze grote geleerden- volledig begrijpen en toepassen. Door dit te doen, kunnen geschillen en ruzies tussen de moslims over vele onderwerpen bespreekbaar worden en verminderen.

Hadith 29: Daden die leiden naar het Paradijs (II) Mu'ādh ibn Jabal (Allah's welbehagen zij met hem) heeft gezegd:  'Ik zei: 'O, boodschapper van Allah! Noem me eens een handeling waardoor ik in de hemel terecht zal komen en die me weg zal houden van het vuur van de hel'. Hij (Allah's welbehagen zij met hem) zei: “Je hebt me iets belangrijks gevraagd en toch is het zo dat het voor iedereen een eenvoudig te realiseren zaak kan zijn als Allah het je maar gemakkelijk maakt. Je moet Allah aanbidden en niemand en niets anders dan Hem. Je moet de gebeden verrichten. Je moet de zakat betalen. Je moet in de maand Ramadan vasten en je moet de bedevaart naar het Huis maken.” Toen zei hij (Allah's welbehagen zij met hem): “Zal ik je de deuren naar het goede eens laten zien? Vasten is een schild. Liefdadigheid blust de zondcn, zoals vuur door water wordt uitgedoofd. En dan is er iemands gebed in het holst van de nacht.” Hierna reciteerde hij (Allah's welbehagen zij met hem) dit: “Zij mijden hun bed en roepen hun Heer vol vrees en hoop aan. En zij geven weg wat Wij aan hen gegeven hebben. Niemand weet welke vreugde voor hun ogen verborgen is als beloning voor wat zij hebben gedaan.”(Soera al-Sadjdah:16-17) Vervolgens zei hij (Allah's welbehagen zij met hem): “Zal ik je over de hoofdzaak, de steunpilaar en het hoogtepunt van dit alles vertellen?” Ik zei: 'Ja, graag, o Boodschapper van Allah'. Hij (Allah's welbehagen zij met hem) zei: “De hoofdzaak is de Islam, de steunpilaar is het gebed en het hoogtepunt van alles is de jihād.” Verder zei hij (Allah's welbehagen zij met hem): “Zal ik je vertellen hoe je dit alles kunt beheersen?” Ik zei: 'O ja, boodschapper van Allah' en toen pakte hij (Allah's welbehagen zij met hem) bij zijn tong beet en zei: “Beheers dit!” Ik zei: 'O, Profeet van Allah, zullen we beoordeeld worden in verband met wat we zeggen?' Hij (Allah's welbehagen zij met hem) zei: “Had je moeder je maar verloren Mu'ādh! Waardoor zouden de mensen anders met hun gezicht (of hij zei: op hun neus) in het hellevuur tuimelen als het niet de oogst was van wat ze met hun tongen hebben gezaaid?” (Overgeleverd door Tirmidhī die gezegd heeft dat het een goede en betrouwbare hadith is)

 Achtergrond

Vele andere metgezellen hebben vragen gesteld, zoals de vragen in deze hadith. In het algemeen gaf de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dezelfde antwoorden. Ibn Rajab accentueert een andere overlevering van de hadith, opgetekend door Imam Ahmed, waarin staat dat Mu’adh naar de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) kwam en zei: “O boodschapper van Allah, ik wil u vragen over een kwestie wat mij ziek en brandend van binnen heeft gemaakt.” De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)zei: “Vraag wat je wilt.” Hij zei: “Noem me een handeling waardoor ik in het paradijs terecht zal komen.” Ibn Rajab zegt verder dat dit de gretigheid van Mu’adh toont, om te weten over goede daden.

 Lessen

Deze hadith bewijst dat wanneer men goede daden doet, dit het binnengaan van het paradijs vergemakkelijkt, zoals vermeld wordt in de Koran: “Dit is de tuin, die u is gegeven (als beloning) voor hetgeen gij deed.” (soera al-Zuhkruf:72) De goede daden van iemand zijn echter maar een gedeelte van Allah’s Genade en Barmhartigheid. Allah zegt: “......maar Allah heeft in uw hart het geloof dierbaar en schoon gemaakt, en ongeloof, buitensporigheid en ongehoorzaamheid afkeurenswaardig.” (soera al-Hujurāt:7) Dus de betekenis van dit vers wordt door deze hadith benadrukt. Het verrichten van goede daden is een reden om het paradijs binnen te mogen gaan, maar zelf zijn ze een geschenk van Allah. Er zijn discussies tussen sommige geleerden of we het binnengaan van het paradijs verdienen met het verrichten van goede daden, of door Allah’s Genade. Zij kwamen met vragen: Is het als een contract of overeenkomst? Of is het eigenlijk alleen maar een oorzaak, omdat men het paradijs binnengaat door Allah’s Barmhartigheid? Als we het zouden beschouwen als een overeenkomst of als een contract, dan zouden we niet in staat zijn om zelfs voor één van Allah’s barmhartigheden te kunnen betalen. De daden die in deze hadith worden genoemd zijn benadrukt in vorige hadiths, verzameld door Imam al-Nawawi. In voornamelijk hadith 2, 3, 15 en 23. Er worden echter nóg twee goede daden vermeld in deze hadith:

1. Het gebed midden in de nacht uitvoeren; volgens Ibn Rajab zijn er drie soorten mensen die dit doen:

 • Degenen die opstaan tijdens de nacht voor dhikr, du’ā of voor het bidden van tahajjud.

 • Degenen die wachten op het Isha gebed en gaan slapen na het Isha gebed.

 • Degenen die opstaan voor het Fajr gebed.

Deze drie soorten worden genoemd in de Koran. Mensen die ’s nachts wakker blijven en druk bezig zijn met zichzelf te vermaken, missen deze gezegende daden. De drie soorten mensen zijn gegarandeerd met de zegen van Allah in het  hiernamaals, waar de beloningen onvoorstelbaar zijn.

2. Jihād; waar en wanneer het een verplichting wordt d.w.z. het land te verdedigen. Deze daad wordt in andere hadiths niet duidelijk verklaard. Het uitvoeren van de Jihād is een grote zegen die de moslims dichter bij Allah brengt. Geleerden zeggen dat Jihād de grootste handeling van aanbidding is en de belangrijkste na de verplichte handelingen. Door de Jihād wordt de Islam beschermd en behouden en werd hierdoor de dominante religie, waarin andere volkeren vreedzaam onder haar heerschappij leefden en hun rechten behielden. In hadith 15 besprak de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) het belang van goede woorden en het zwijgen. In deze hadith zegt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dat als mensen in het Hellevuur worden gegooid, de ‘tong’ hier de oorzaak van is. Dit betekent dat de tong zowel op een goede als slechte manier kan worden gebruikt. De meeste mensen hebben de neiging te mild te zijn over dit onderwerp. Hoewel moslims weten dat het gebruik van slechte woorden verboden is, zeggen ze nog steeds dingen die Allah mishagen, zoals roddel, laster en het verspreiden van geruchten. We zijn allemaal verantwoordelijk voor wat we zeggen. Er zullen beloningen zijn voor het zeggen van goede dingen en er zullen straffen zijn voor het zeggen van slechte dingen. Cynisch gedrag naar anderen en dingen gewoon ‘voor de lol’ zeggen, is iets waarvoor iemand verantwoordelijk zal worden gesteld. Zelfs als een moslim dingen op een cynische manier zegt of cynische du’ā maakt (b.v: ‘moge Allah hem begeleiden’) of grappen maakt over moslims, of hen vernederd: hij zal voor de handeling verantwoordelijk worden gehouden. Zelfs het op een cynische manier gebruik maken van gebaren of attributen, wat kan worden geïnterpreteerd als het kleineren van een ander persoon, wordt beschouwd als een zondige handeling die Allah mishaagt. Een moslim moet controle hebben over zijn tong; anders kan zijn tong voor veel problemen zorgen in de gemeenschap. In de fitna (beproeving) gedurende het kalifaat van Otman radiyallāhu ‘anhu, beschouwden de metgezellen het zeggen van slechte dingen -in die cruciale situatie- als een manier om degenen te helpen die hem (Otman) hebben gedood. Dus, de moslim is altijd een goed persoon, die alleen goede dingen zegt en datgene doet wat ten voordele is van zijn gemeenschap. Hij moet geen dingen zeggen die in de gemeenschap tot conflicten kunnen leiden tussen de moslims. Iets anders wat hieraan gereleateerd is en door de geleerden genoemd wordt, is het verhaal van een man (van de stam van de mensen van Bani Israël) waarover de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vertelde: “Er waren twee familieleden, of broers. Een van hen was vroom en rechtvaardig en de andere beging zonden. De vrome probeerde altijd de zondaar hierop te wijzen, maar hij deed dat niet op de juiste manier met het maken van da’wah. Op een dag passerde hij de zondaar en zei: ‘ik zweer bij Allah dat Hij je niet zal vergeven!’ Toen zei Allah: “Wie zet zichzelf hoger dan Mijn autoriteit?” Dus Allah hield de vrome man verantwoordelijk voor wat hij zei, ook al was hij rechtvaardig.” Dit leert ons dat we op moeten letten met wat we zeggen, vooral wanneer we boos zijn. Dat is waarom de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de du’ā maakte: “Ik vraag Allah om mij in staat te stellen de waarheid te zeggen, of ik nu boos of blij ben.” Zelfbeheersing kost training en inspanning. Dat is waarom we tarbiyyah en tazkiyyah nodig hebben. Dit zal moeilijk zijn in het begin. Maar wanneer we Allah laten zien dat we het écht willen, dan zal Allah ons hulp en tawfiq (begeleiding) geven naar het rechte pad. Moslims moeten oprecht streven om een hoge graad van tarbiyyah en tazkiyyah te bereiken. Dit zal dan een gedeelte zijn van hun aklāq. Moslims hebben ilm (kennis) nodig, want als zij zich hiervan niet bewust zijn, kunnen zij dingen misinterpreteren en zonden begaan. Imam ibn Rajab zegt, dat als de moslim zijn tong beheerst, hij andere zaken ook kan beheersen. Dat is de wijsheid die moslims uit deze hadith kunnen halen. Met betrekking tot de methodeleer van onderwijzen en leren, beschrijft deze hadith een goed voorbeeld voor moslims. Mu’ādh begint met het stellen van een vraag en zegt dat hij iets wil vragen over een kwestie die ‘hem van binnen laat branden’. Als resultaat van deze vraag krijgt hij het antwoord. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Vraag wat je wilt.” Hij stond open voor alle vrag en. Als iemand een bepaalde vraag heeft, moet hij de vraag stellen en de persoon die geraadpleegd wordt moet openhartig zijn. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) begeleid Mu’ādh later in deze hadith in de vorm van vragen: “Zal ik je vertellen........?” Het stellen van vragen aan beide kanten (voor Mu’ādh als leermiddel en voor de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) een middel om te onderwijzen) is één van de effectieve manieren in de methodeleer van onderwijzen en leren. Als we willen leren, moeten we vragen stellen. Als we willen onderwijzen, moeten we op deze manier communiceren en ook vragen stellen. Het stellen van vragen trekt de aandacht van de luisteraars en laat hen nadenken over hetgeen er is gezegd.

 Conclusie

Het centrale principe in de Islam is tawhīd en taqwa (onderwerping aan Allah). Alle andere daden kunnen worden gezien als een deel van taqwa en tawhīd. Zonder een goede tawhīd zou er geen vrees zijn voor Allah. Als we Allah vrezen en het meest van Hém houden, zal dit er toe moeten leiden dat we dichter bij Hem komen. Anders is onze bewering niet geldig of incompleet. Onze taqwa en vrees moeten op het hoogste niveau zijn. Tawhīd is de essentie van de boodschap van Allah. Hij zond de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) met deze boodschap en maakte hem tot voorbeeld voor ons om te evenaren en te volgen. Dus is tawhīd, door het volgen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) (al-muttābah) een deel van de onderwerping aan Allah Subhānahu Wa Ta’ala.

 Hadith 30: Het overtreden van grenzen.

Volgens Abī Tha'labah al Khushani Jurthūm ibn Nāshir (Allah's welbehagen zij met hem) heeft de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Allah, de Verhevene, heeft religieuze plichten vastgesteld; die mogen jullie dus niet achterwege laten. Hij heeft grenzen bepaald; die mogen jullie dus niet overschrijden. Hij heeft bepaalde dingen verboden; die mogen jullie dus niet doen. Over bepaalde zaken heeft Hij gezwegen -dit was uit mededogen met jullie en niet uit vergeetachtigheid– ga hier dus niet naar vragen.” (Overgeleverd door al-Dāraqutnī en anderen en al-Nawawi heeft gezegd dat dit een ‘hasan’ d.w.z. goede hadith is.)

 Achtergrond

Deze hadith is door verschillende geleerden van de keten van Dāwūd ibn Abi Hind overgeleverd, op gezag van Makhūl van Abī Tha'labah al Khushani. Deze hadith wordt door vele geleerden zoals Bukhāri, Ahmed en Hatem, beschouwd als da’if (zwak). Er zijn drie belangrijke oorzaken voor haar gebrekkigheid:

1. Makhūl heeft de hadith niet gehoord van Abī Tha’labah.

2. Zelfs al wordt aangenomen dat hij het hoorde van Abī Tha’labah, was Makhūl geclassificeerd in de derde categorie van degenen die Tadlīs (tadlīs betekent dat wanneer iemand een hadith verteld aan een van zijn leraren maar de specifieke hadith niet rechtstreeks gehoord heeft maar via een intermediaire bron) plegen, d.w.z. er moet een directe term zijn, wat een afspiegeling is van wat men heeft gehoord. (sama’) Dit betekent dat de persoon de hadith direct hoort van zijn leraar of sjeik. Als hij ‘op gezag van’ had gebruikt, zou dit resulteren in afwijzing van de hadith.

3. Het is de vraag of dit inderdaad een hadith is of een uitspraak van een van de metgezellen. M.a.w: is het marfū of mawquf? Ondanks deze drie gebreken is de hadith geaccepteerd. Bovendien is wat er vermeld wordt in de hadith door alle juristen van de fuqahā gebruikt als een manier om de uitspraken van de Shari’ah te categoriseren. Van deze hadith zijn de regels van de vijf bekende indelingen afgeleid: Het verplichte (wājib), aanbevolene (mandūb), verbodene (harām), gehate (makrūh) en het geoorloofde (mubāh). Niet alleen de betekenis is aanvaardbaar, deze hadith wordt ook gebruikt voor het categoriseren van ahkām (uitspraken) van de Shari’ah.

 Lessen

De uitspraak: “Hij (Allah) heeft bepaalde grenzen; die mogen jullie dus niet overschrijden” wordt in vele Koranverzen benadrukt: “Dit zijn de door Allah voorgeschreven beperkingen, overschrijdt ze daarom niet; wie de door Allah voorgeschreven grenzen overschrijden, zijn overtreders.” (soera al-Baqarah:229) “Dit zijn Allah’s vastgestelde grenzen; en wie de door Allah bepaalde grenzen overschrijdt doet zeker zijn eigen ziel onrecht aan.” (soera al-Talaq:65) Een nader onderzoek van de verzen zal ons vertellen over de grenzen (hudūd) van Allah met betrekking tot familierelaties; vooral dat, wat betrekking heeft op de man-vrouw relatie. De grenzen die de relatie tussen man en vrouw bepalen staan vermeld in de twee verzen. Bovendien spreekt Allah over het erfrecht (furūd almīrāth) in soera al-Nisā:13-14. Iemand de voorkeur geven boven een ander, of iemand meer geven dan hij verdient, wordt in de Islam beschouwd als een overtreding. Het verminderen van de rechten van een ander is ook een overtreding. We moeten ons houden aan wat Allah voor ons heeft vastgesteld wat betreft de rechten en erfenis van iemand. Als er geen naleving is van de Islamitische grenzen en richtlijnen, zijn de gevolgen in familierelaties meestal onvermijdelijk negatief. Dit kan men zien in het echte leven van de moslims over de hele wereld. Als we naar de rechtbank gaan, kunnen we veel zaken tegenkomen waar overtredingen hebben plaatsgevonden. Als het gezinsleven niet in overeenstemming met de Shari’ah wordt uitgevoerd, zullen we veel mensen zien die de grenzen overtreden. De manier waarop een scheiding plaatsvindt bijvoorbeeld, is in strijd met het concept van familierelaties waarbij de echtgenoten zich niet bewust zijn van wat ze zeggen. Zij beheersen hun emoties niet en eindigen met het zeggen van dingen die ze niet menen. (b.v. het uitvoeren van talāq uit woede) Dus zullen ze later wat betreft hun handelingen verwijzen naar de rechtbank of de geleerden. Zij zullen alleen een manier vinden om het probleem op te lossen wanneer de situatie verslechterd. Als ze in de eerste instantie hun drift en tong hadden kunnen beheersen, dan zouden ze met de situatie geconfronteerd worden. In de meeste situaties gebeurd dit alleen als gevolg van hun overtreding van de voorgeschreven grenzen. Bijvoorbeeld als de man woorden of zinnen gebruikt waarvan hij onzeker is, of de verklaring van de echtscheiding geldig is. Wanneer er dergelijke woorden en zinnen worden gebruikt zullen een aantal geleerden in zo’n situatie verwijzen naar de intentie. De procedure van de scheiding zelf is vastgelegd door Allah. Er zijn bepaalde regels die door beide partijen moeten worden nageleefd, vooral door de man. Er zijn manieren om het aantal scheidingszaken te verminderen. Dit moet op een beheerste en juiste manier worden gedaan, zolang er nog ruimte is voor verzoening tussen de beide partijen. Er zijn adāb (goede manieren) die moeten worden gevolgd wanneer er een scheiding plaatsvindt. In de meeste situaties vindt een scheiding plaats tijdens een uitbarsting van woede of emotie. De gevolgen moeten serieus overwogen worden, als scheiden de enige optie is die overblijft. Het moet niet alleen uit woede, of overhaast worden gedaan. De handeling van echtscheiding mag niet tot overtreding leiden en de vrouw en kinderen mogen niet het slachtoffer worden. Om dit te garanderen moeten we ons houden aan de grenzen die door Allah zijn vastgesteld. Ze moeten de familierelatie respecteren. Er moet een goede toezegging worden gedaan, waarbij beide partijen zich aan de afspraken houden. Dit, omdat de Islam de continuïteit van relaties aanmoedigd. Dus hier hebben we twee overwegingen: 1) het respect van de toezegging en 2) de continuïteit van die toezegging. De Islam als praktische religie, geeft de ruimte om sommige dingen te laten gebeuren, ook al is het afkeurenswaardig. Dit bedoelen we eigenlijk als we het over de man-vrouw relatie hebben. De hadith legt uit dat de Koran zegt: de gelovige moet een andere gelovige (vrouw) niet haten. Als de man een hekel heeft aan één aspect van het karakter van de vrouw, moet hij andere aspecten van haar karakter of persoonlijkheid ook waarderen en vice versa. Niemand is perfect behalve de profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam). Vandaar dat de Islam ons aanmoedigt om het karakter van andere mensen te waarderen en om tolerant te zijn t.o.v. anderen. De Islam beveelt ons om rustig te zijn in de omgang met anderen. Dus echtgenoten moeten op een rustige manier met elkaar omgaan. Een hadith zegt: “Als je iemand aardig vindt, moet je dat je een hekel aan hem krijgt en als je iemand niet leuk vindt, laat dat dan niet merken, omdat je hem misschien op een dag leuk gaat vinden.” Deze hadith impliceert dat we gematigd moeten zijn in onze handelingen en onze spraak en dat we de grenzen niet moeten overschrijden. Jammer genoeg wordt dit idee tegenwoordig geschonden door media, films, liedjes etc. waar de liefde wordt beschouwd als het belangrijkste doel in ons leven. Zelden of nooit zien we een situatie waarin de liefde gematigd en in overeenstemming is met de Islamitische richtlijnen. Dit verklaard waarom we ‘hopeloze’ mensen hebben. Zij hebben hun geliefde verloren en wat belangrijker is; ze hebben de grenzen van Allah op zo’n manier overschreden, dat hun leven ellendig en zinloos is geworden. Dit is hoofdzakelijk vanwege het effect van de cultuur en het millieu rond zo’n persoon. Dus degene die de grenzen van Allah overschrijdt, geeft aanleiding tot de gebeurtenissen van problemen en rampen. Een ander gebied waarin mensen buiten de grenzen gaan is het gebied van farā’id (erfenis). Grenzen en richtlijnen zijn vastgelegd door de Koran en de hadiths van onze geliefde profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam). Wat betreft de kwestie over erfenis: het is duidelijk wie er gaat erven en hoe groot het aandeel zal zijn wat elke erfgenaam gaat erven. Dus zijn er mensen die meer recht hebben dan anderen en een groter aandeel hebben dan anderen. Moslims moeten zich realiseren dat álles wat buiten de door de Shari’ah vastgelegde grens wordt verkregen, niet halāl is en Allah zal mishagen. Zij kunnen hier voor een paar maanden of jaren van genieten, maar uiteindelijk zullen zij leiden onder de zware straf van Allah in deze wereld of in het  hiernamaals, of beiden. We kennen de verhalen van degenen die overtreden en hun familie tot slachtoffer maken. Een vers in de Koran zegt dat deze mensen worden beschouwd als overtreders en onrechtvaardigen en Allah heeft onrecht (dulm) verboden. Deze mensen zijn volledig verantwoordelijk voor wat zij hebben gedaan. Dit is een uitspraak die in deze hadith vermeld wordt en in de Koran wordt benadrukt.

 Conclusie

Alle betekenissen die in deze hadith worden genoemd zijn betrouwbaar en acceptabel, zelfs al wordt de hadith -vanwege gebreken in de keten van overlevering- als ‘zwak’ beschouwd. Een Māliki jurist, ibn al’Arabi, zei: “Deze hadith is een van de meest belangrijke uitspraken in de Islam en zou bij elke moslim bekend moeten zijn.”

Hadith 31: Het concept van al-Zuhd (ascese) in de Islam Abū al-'Abbās Sahl ibn Sa'd as-Sā‘idi (Allah's welbehagen zij met hem) heeft gezegd: 'Een man kwam naar de profeet (Allah's zegen en vrede zij met hem) en zei: “O, Boodschapper van Allah, wijs mij een daad die, wanneer ik haar verricht, mij bij Allah en de mensen geliefd zal maken.” Hij (Allah's zegen en vrede zij met hem) zei: “Als je deze wereld onbelangrijk vind Allah zal van je houden en wanneer je onverschillig bent over wat de mensen bezitten, dan zullen de mensen van je houden.” (Een goede hadith overgeleverd door Ibn Majah e.a. met goede ketenen van overleveraars)

 Achtergrond

Deze hadith is da’if (zwak), zoals door vele geleerden is opgemerkt. Ibn Rajab gaf een gedetailleerd argument over de zwakte van deze hadith, maar latere geleerden registreerden om verschillende redenen nog steeds hun commentaar op de tekst van de hadith. De belangrijkste redenen zijn als volgt:

• Ondanks het feit dat de keten van overleveraars (sanad) niet sterk is en de hadith niet wordt beschouwd als sahih (authentiek), is de betekenis correct en acceptabel.

• De hadith raakt een belangrijk element in de Islam, n.l. al-Zuhd (ascetisme). Toch is het een concept wat tegenwoordig op grote schaal verkeerd geïnterpreteerd en begrepen wordt door sommige vreemde sekten, en door degenen wier begrip van de Islam niet is gebaseerd op de Koran en de authentieke Sunnah, maar eerder op een culturele Islam, zoals aangeleerd door hun ouders, familie, gemeenschap etc. Imam ibn Rajab zegt dat deze hadith veel adviezen bevat:

• Profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat ‘het afstand doen van deze wereld’ zal leiden tot de liefde van Allah m.a.w. Allah houdt van degene die zuhd beoefend.

• Degene die zuhd beoefend zal geliefd zijn bij mensen in het algemeen. Al-Zuhd wordt in de Koran en hadith benadrukt, vooral de zuhd in deze wereld. In de Koran zegt Allah; “Het genot van de wereld is weinig en het  hiernamaals is beter voor wie (Allah) vreest en jullie worden in het geheel niet onrechtvaardig behandeld.” (soera al-Nisā:77) “Maar gij verkiest het leven dezer wereld, ofschoon het hiernamaals beter en van langere duur is.” (soera al-A’la:16-17)

• In sahih Muslim, op gezag van Jaber ibn ‘Abdullah radiyallāhu ‘anhu, lezen we: ‘Op een dag liep de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) over de markt en passeerde hij een dode geit, waar van de oren een stuk was afgesneden. Hij hield de geit bij zijn oor en vroeg wie haar wilde hebben voor 1 dirham (wat erg goedkoop was in die tijd). De mensen zeiden dat ze het zelfs niet voor niets wilden hebben. Wat zouden zij ermee kunnen doen? Toen vroeg de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) of ze het leuk zouden vinden als de geit van hen was. Ze zeiden, dat zelfs al zou de geit levend zijn ze haar niet zouden kopen omdat de oren afgesneden zijn. Dus waarom zouden ze het kopen nu het dood was? De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Dit wereldse leven is net zo klein (onbeduidend), in de ogen van Allah als dit dood dier of deze geit voor jullie is.”

• Er zijn vele andere hadiths waarin de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam de moslims beveelt om te voorkomen om dingen aan anderen te vragen -vooral geld- en om hun best te doen zich daar niet aan over te geven.

 Lessen

Abū Muslim al-Hawlāni (een geleerde uit de vroegere tijden) zei dat zuhd in deze wereld niet leidt tot het verbieden van het toegestane, of tot het verspillen van rijkdom. Zuhd is wanneer iemand zijn vertrouwen meer bij Allah legt, dan bij wat er in zijn eigen handen is. Als men getroffen wordt door een ramp, b.v. door het verlies van iets in deze wereld, dan is er meer hoop voor beloning in het  hiernamaals dan de hoop dit in deze wereld bij zich te kunnen houden. Op basis hiervan zegt ibn Rajab dat zuhd als volgt begrepen kan worden:

1. De moslim moet zich realiseren dat álle voorzieningen van Allah komen en dat dit niet alleen het resultaat is van zijn eigen handelen.

2. Als hij iets dierbaars verliest in deze wereld, moet hij niet rouwen om het verlies, maar uitkijken naar de beloning in het  hiernamaals.

3. Een moslim moet zich niet druk maken of anderen hem prijzen of iets verwijten. Hij moet niet degene zijn die lof zoekt van anderen. Zijn hart moet niet worden geraakt door dergelijke lof. En als hem iets wordt verweten mag hij zich er niet beledigd door voelen. Hij heeft niets te vrezen als hij ten onrechte wordt beschuldigd of anderszins; in plaats daarvan zou hij moeten streven om als moslim sterker te worden. We kunnen ook Imam Rajab’s opvatting van deze hadith vergelijken met die van Imam Abū Muslim, al-Hawlāni en andere geleerden. Imam Ahmed bin Hanbal werd eens gevraagd of iemand die 1000 dinar bezit nog steeds een zāhid kan zijn. Hij antwoordde dat dit persoon nog steeds een zāhid kan zijn, mits hij niet blij of verdietig wordt als het geld vermeerderd of verminderd. We moeten nooit verslaafd raken aan geld of wereldse bezittingen. We kunnen rijk zijn én zāhid en onze rijkdom op de juiste manier gebruiken. Deze opvatting werd benadrukt door Sufian ibn ‘Uyainah, een van de grote geleerden, toen hem werd gevraagd wie er beschouwd wordt als zāhid. Hij zei: “Een zāhid is iemand die Allah dankbaar is, voor de verleende gunsten en die geduld heeft tijdens een beproeving.” Een citaat van Sufyān al-Thawri vertelt, dat al-zuhd in deze wereld betekent dat je diep in je hart klaar bent voor het  hiernamaals, d.w.z. je denkt aan de dood en of je er klaar voor bent om te sterven. Dit is een definitie van zuhd. Zuhd betekent: de status van het hart wanneer iemand vreest dat hij geen lang leven zal hebben. Dit zal iemand motiveren om een goede moslim te worden. Het besef dat we deze wereld -op elk moment- kunnen gaan verlaten, zal ons dichter bij Allah  brengen, zal ons onze verplichtingen doen vervullen en ons weghouden van elke vorm van ongehoorzaamheid. Om deze reden hebben de geleerden de mening dat er verschillende soorten van zuhd zijn:

1. Het vermijden van zonden en ongehoorzaamheid.

2. Het vermijden te worden misleid door verlangens.

3. Het vermijden van het overtreden van grenzen van de toelaatbare of toegestane handelingen (mubāh). Bijvoorbeeld: we moeten de grenzen van ‘slapen’ (d.w.z. het onnodig slapen) niet overschrijden. Volgens ibn Rajab heeft iemand het hoogste niveau van zuhd bereikt wanneer hij niet hoopt op een lang leven, graag naar het  hiernamaals wil en uitkijkt naar de ontmoeting met Allah. Men moet niet kijken naar oorzaak en effect in dit wereldse leven als verwijt -zoals de verandering van dag en nacht en het bestaan van planten en dieren in de wereld. Al deze zijn gaven van Allah en zijn ten voordele van ons. Wat afkeurenswaardig is, zijn eigenlijk in feite de handelingen van de mensen in dit leven, omdat de meeste van deze handelingen niet in overeenstemming met de richtlijnen van de openbaring worden uitgevoerd. Handelingen die in overeenstemming met de openbaring uitgevoerd worden zullen leiden tot goede gevolgen en zullen niet afkeurenswaardig zijn, ongeacht het resultaat. Wanneer een handeling in strijd met de openbaring wordt uitgevoerd, zal het afkeurenswaardig zijn en resulteren in negatieve consequenties. We zouden net zo moeten zijn als de oprechte en goede mensen, die hun leven gebruikten als middel om naar de eindbestemming te komen (het hiernamaals). Zij waren tevreden met alles wat hen geschonken was. Zij bezweken niet voor hun verlangens en vervulden hun leven op een wettige manier, zonder buitensporigheden. Voldoende voedsel en rust is goed voor ons, omdat dit ons zal helpen onze verplichtingen te vervullen. Ibn Rajab zei verder, dat de vroege geleerden de geoorloofde handelingen beschouwden als middel om hun verplichtingen te volbrengen. Hij citeerde al-Hasan al-Basri, die zei: “Doen wat goed voor je is wordt niet beschouwd als de liefde van deze wereld. Daarom moeten we sommige beroepen niet kleineren maar deze zien als een deel van het wereldse leven.”  Jammer genoeg zijn er moslims die de betekenis van zuhd verkeerd begrijpen en hierdoor de betekenis beperken b.v. door zichzelf te isoleren van de rest van de gemeenschap, of door alleen te wonen met als doel Allah te aanbidden zonder rekening te houden met alles wat aan deze wereld is gerelateerd. Dit is niet de ware betekenis van zuhd. De definitie van een handeling van aanbidding is zó breed, dat het niet alleen gedefinieerd wordt als ascese. Het omvat tevens handelingen die uitgevoerd worden met het doel de gemeenschap te verbeteren en de gemeenschap van nut te zijn. Dit soort dingen kosten veel tijd en inspanning. Om deze reden hebben we mensen nodig met verschillende beroepen, ten behoeve van het verbeteren van de samenleving. Als zulke handelingen met een goede niyyah (intentie) worden verricht, totaal voor de zaak van Allah, dan wordt dit beschouwd als zuhd. Dus zuhd is het uitvoeren van handelingen op de juiste manier en met een goede niyyah voor de zaak van Allah. Ibn Rajab zei verder dat het wereldse leven vervloekt is omdat het de mensen weghoudt van het aanbidden van Allah, terwijl ze verstoken blijven van de vervulling. Zoals vermeld in soera al-Kahf:7, is dit leven eigenlijk een test. We kunnen deze test doorlopen en beloond worden als we op een juiste manier leven, óf falen en verdwalen als het leven op een verkeerde manier wordt gebruikt.

 Conclusie

Eén ding wat ons dichter bij Allah brengt en waardoor Hij van ons gaat houden, is al-zuhd. Er zijn ook andere handelingen die er voor zorgen dat Allah van ons gaat houden, n.l. als wij:

 • Echt van Allah houden.

 •Verlangen Allah te ontmoeten (zoals we in een andere hadith kunnen lezen).

 • Meer liefde voelen voor de profeet sallallāhu ‘alayhi

 wasallam in vergelijking tot de liefde die we voor onze familie of onszelf voelen.

 • Allah gedenken door dhikr te verrichten in overeenstemming met de authentieke Sunnah en niet anders.

 • De aanbevolen handelingen practiseren. We moeten bovenstaande punten gebruiken als methode om te zien hoeveel we van Allah houden. Alleen door die liefde zullen we in dit leven en in het  hiernamaals succesvol zijn.

 Hadith 32: Geen schade veroorzaken.

Volgens  Abū Sa'īd ibn Mālik ibn Sinān al-Khudri (Allah's welbehagen zij met hem) heeft de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Doe geen kwaad en vergeld geen kwaad met kwaad.” (Een goede hadith, waarvan Ibn Majah, ad-Daraqutni en anderen hebben gezegd dat het een goede isnad (keten van overleveraars) heeft. Desondanks overleverde imam Mālik in zijn al-Mowattā met een gebroken isnad; van 'Amr ibn Yahya, van zijn vader, van de profeet (Allah's zegen en vrede zij met hem), maar hierbij ontbreekt Abū Sa'īd. Deze hadith heeft lijnen van overdracht die elkaar versterken (zodat het voldoende is om als betrouwbaar te worden beschouwd)).

 Achtergrond

Er zijn verschillende vertalingen van de tekst. Een ervan is: “Geen kwaad en geen kwaad doen.” Een andere vertaling is gegeven door ustadh Jamaal Uddin Zarabozo: “Er mag geen schade worden veroorzaakt, noch mag er kwaad worden vergeld.” Er is een andere versie van de hadith, waarin de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt: “Geen schade of beschadigingen in de Islam,” met de bijkomende zin “in de Islam.” In een derde versie verteld de hadith: “Vervloekt is degene die een mu’min (gelovige) schaadt.”

 Lessen

Imam Abu Dawud zei dat deze hadith een hadith is, waarop álle zaken van fiqh draaien. Ter aanvulling leidt deze hadith tot de geboorte van nieuwe takken van fiqh, voornamelijk qawā’id fiqhiyyah (stelregels van fiqh). De tekst van deze hadith is een van de meest belangrijkste stelregels. Andere stelregels die uit de tekst van de hadith kunnen worden afgeleid zijn als volgt:

  1.Het kwaad moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

  2.Het kwaad moet worden uitgeroeid.

 3. Het kwaad moet niet door een ander kwaad verwijderd worden.

 4. Een groter kwaad mag verwijderd worden door een kleiner kwaad.

 5. Gebaseerd op de 4e stelregel hierboven; als iemand geen andere opties heeft, kan hij voor het kleinste kwaad kiezen.

 Situaties kunnen zich ook voordoen wanneer er een situatie is, waarbij er sprake is van een conflict tussen twee soorten van kwaad. In dit geval moet er voorrang worden gegeven aan het verbod van het uitvoeren van die handeling (die tot schade zal leiden).

6. Voorkoming van schade dient te prevaleren boven het verkrijgen of het bereiken van voordelen.

7. Als er een conflict is tussen factoren die een handeling verbieden of toestaan, dan moet voorrang worden gegeven aan het verbod van de handeling.

8. Dat wat schadelijk is, mag geen voorrang krijgen louter om het feit dat het al bestaat. Dus wat bestaat en schadelijk is, zou niet mogen bestaan en de oorzaak van schade mogen zijn. Het volgende waargebeurde incident kan ons helpen in het begrijpen van het 7e principe wat plaatsvond in Andalusië (moslim Spanje), waar de mensen een moskee hadden gebouwd. Om de oproep te doen voor het gebed, moest de mu’adhdhin de minaret beklimmen. Door de jaren heen waren er veel huizen gebouwd in de omgeving. Na verscheidene jaren oordeelden de fuqaha (juristen) dat de mu’adhdhin moest stoppen met het beklimmen van de minaret, vanwege het feit dat men vanuit de minaret in staat is om de huizen binnen te kijken. Dit vond men schadelijk, omdat het een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer van mensen. Een ander principe zegt dat wanneer er een conflict is tussen individueel kwaad, het verbod van de publieke schade moet prevaleren. Wanneer geleerden deze kwestie bespreken, zullen zij hun ervaring gebruiken bij het anticiperen op de vraag of een bepaalde actie tot schade zal leiden. In veel gevallen raden ze de mensen aan om voorzorgsmaatregelen te nemen, om elke vorm van schade te voorkomen. Het hierbovengenoemde principe wijst- en legt de nadruk op het belang het kwaad niet toe te staan wanneer het naar verwachting zal plaatsvinden. Mocht het kwaad zich voordoen, dan benadrukt de Islam het belang om dit tot een einde te brengen. Als het onmogelijk wordt om dit kwaad te doen stoppen, moet men zich inspannen om de gevolgen te minimaliseren. Wanneer er een conflict is tussen grote schade en kleine schade, dan moet men de grote schade vermijden. Dit betekent dat moslims de kleine schade -omwille van de grote schade- moeten tolereren. Aan de andere kant moeten we geen schade verwijderen die een vergelijkbare mate van schade zal brengen, omdat het verwijderen van de schade niets zal veranderen. In dit opzicht moet men bedachtzaam overwegen, omdat dit betrekking heeft op ma’rūf (mensen aanmoedigen goede dingen te doen) en munkar (mensen ontmoedigen schadelijke dingen te doen). De doelstelling van de Shari’ah zou worden tegengesproken als munkar verwijderd zou moeten worden wegens het voortkomen van grotere schade. Wat betreft de interpretatie van de tekst, wijst Imam ibn Rajab erop dat wat wordt gezegd in de hadith -d.w.z. drie maal het woord ‘kwaad’ gebruiken, geen kwestie is van benadrukken omdat beide verklaringen verschillende betekenissen hebben. Ibn Rajab en andere geleerden geven twee interpretaties van de term kwaad. 1. Volgens de eerste interpretatie is de eerste verwijzing naar het woord kwaad een zelfstandig naamwoord, terwijl de tweede verwijzing een werkwoord is. Kwaad wordt niet toegestaan in de Shari’ah en schade veroorzaken zonder een geldige reden wordt niet geaccepteerd en wordt afgewezen.

2. De tweede interpretatie zegt dat het ‘eerste kwaad’ betekent dat iemand schade veroorzaakt bij iemand anders, door iets te doen wat hem voordeel brengt. In het tweede deel van de hadith betekent ‘kwaad’ dat iemand schade veroorzaakt bij iemand anders, ook al komt het hem op welke wijze dan ook niet ten goede. Ervan uitgaande dat iemand zijn huis zó gaat renoveren dat het hoger zou worden dan hoe het oorspronkelijk was gebouwd, zal dit ten goede komen aan hem. Helaas zal dit ook zijn buren schaden, omdat het een inbreuk is op hun persoonlijke levenssfeer. Ibn Rajab zegt dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) het veroorzaken van schade verwerpt als er geen geldige reden is. Natuurlijk valt schade, of kwaad doen onder het strafrecht als er een straf voor wordt gegeven. Met als doel het handhaven van de rechtvaardigheid. In zo’n situatie is het schaden van degenen die onrechtvaardig zijn doordat zij een misdrijf plegen, gerechtvaardigd en geoorloofd in de wet van Allah.

 Het toebrengen van schade zonder geldige reden

1. Volgens ibn Rajab zegt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dat als de belangrijkste doelstelling voor het veroorzaken van schade daadwerkelijk is om schade te veroorzaken, dat dan een dergelijke actie totaal verboden is. Er zijn verschillende vormen van schade in de Koran:

• Wasiyyah (beschikking in testament); als iemand geld heeft en hij dit wil geven aan iemand die geen bloedverwant is, mag hij dit doen zolang hij de grens niet overtreedt, d.w.z. éénderde. De reden hiervoor is om ervoor te zorgen dat er geen schade wordt veroorzaakt aan zijn naaste familie, die het geld behoren te erven. Er kunnen zich ook situaties voordoen wanneer hij méér wil verdelen ten gunste van een van de erfgenamen i.t.t. hetgeen er is vermeld in soera an-Nisa:12. Voorkeur geven aan een van de erfgenamen veroorzaakt schade. Ibn Abbas beschouwd dit als een grote zonde. Sommige moslims doen dit uit onwetendheid of uit eigenbelang.

• Al-raj’ah (terugkeren); wanneer een man van zijn vrouw is gescheiden, is het voor hem niet toegestaan zich te verzoenen met als doel haar te schaden, zoals we kunnen lezen in soera al-Baqarah:231. Een ander punt is al-Ilā’ (afstand nemen van de vrouw).

• Reizen; men moet niet zonder een goede reden voor een lange periode reizen of wegblijven van de familie, dit kan schade veroorzaken bij de vrouw en de familie.

• Borstvoeding; m.b.t. echtscheiding wordt het de man niet toegestaan om de baby weg te nemen bij de moeder, zodat zij haar baby niet kan voeden. Dit is verboden, zoals vermeld in soera al-Baqarah:233.

• Zakelijke transacties; het is voor de verkoper harām (verboden) om met opzet een hoge prijs te vragen voor een artikel waarvan hij weet dat de aspirant-koper er in hoge mate behoefte aan heeft. Dit is niet geoorloofd en sommige geleerden beschouwen dit als een vorm van ribā (winst), wat verboden is in de Islam.

• Als de aspirant-koper een artikel wil kopen, maar niet goed is in onderhandelen, moet de verkoper het artikel niet met een hoge prijs verkopen, of voor meer dan het waard is. Dit is verboden en volgens Imam Mālik rahimahullahi ta’āla wordt het beschouwd als harām als de prijs van een artikel hoger is dan de werkelijke prijs met de som van éénderde. 2. Iemand kan iets doen met een gunstige reden en met een goede niyyah (intentie). Niettemin kan hij dit te veel doen en dit kan in feite schade toebrengen aan anderen. Voorbeelden van dit scenario zijn als volgt:

• Afval verbranden in je tuin op een winderige dag. Dit brengt schade voor de buren vanwege de hoeveelheid rook, stof en afval. Het schaadt ook het millieu en de mensen in de buurt. Dergelijke schade dient te worden beëindigd.

• Het graven van een put of bron kan leiden tot schade aan de put of bron van de buren. Als iemand een put wil graven, moet hij dat op een goede afstand doen van de put van zijn buren.

• Het gedrag van een persoon op zijn eigen grond op een zodanige manier, dat dit rechtstreeks of op andere wijze schade veroorzaakt naar de buren, b.v. het verspreiden van een slechte geur. Imam ibn Rajab zegt dat er drie andere vormen van handelingen zijn, waaruit blijkt dat Allah Zijn dienaren heeft bevolen niets te doen wat henzelf kan schaden. Allah zal ons alleen opdragen wat ons in deze wereld en in het hiernamaals ten goede komt. Wat Allah ons verbiedt is in deze wereld of in het  hiernamaals schadelijk voor ons. Voorbeelden van deze handelingen zijn onder meer:

• Tayammum (rituele waasing zonder het gebruik van water); dit is geoorloofd voor mensen die ziek zijn of wanneer er geen

water is.

• Sūm (vasten); een reiziger of een zieke hoeft niet te vasten in de Ramadanmaand, hij kan dit in de toekomst inhalen.

• Een ander voorbeeld komt uit de biografie van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam. Hij zag iemand lopen tijdens het verrichten van de pelgrimstocht en hij informeerde naar hem. De metgezellen vertelden hem, dat de man een eed had afgelegd om de pelgrimstocht lopend uit te voeren. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vond het niet nodig dat de man zichzelf martelde. Hij zei tegen de metgezellen dat ze tegen de man moesten zeggen dat hij ‘een ritje moest maken’, waaruit kan worden verstaan dat hij een eenvoudigere manier zou moeten vinden om de bedevaart uit te voeren.

• Iemand die schulden heeft; als iemand een ander persoon wat geld leent en deze is financieel beperkt, dan moet de leninggever de lener meer tijd geven om het geld terug te betalen. Dit zijn maar een paar voorbeelden die ibn Rajab noemt w.b. het veroorzaken van schade en hoe schade kan en moet worden voorkomen.

Conclusie

Elke handeling die schade veroorzaakt aan anderen, individueel of gemeenschappelijk, ongeacht of het voordeel brengt of anders, is verboden in de Islam. De geleerden stellen dat degenen in gezag tussenbeide moeten komen en zulke handelingen moeten voorkomen. In de eerste plaats zou het niet moeten gebeuren en áls het gebeurd, moet men er zich voor inspannen dat dit soort situaties verwijderd of geminimaliseerd worden.

 Hadith 33: De eiser en de gedaagde.

Volgens de zoon van Abbās (Allah's welbehagen zij met vader en zoon) heeft de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Als men de mensen álles zou geven waar ze beweren recht op te hebben, dan zouden ze de bezittingen en het bloed van anderen opeisen. De eiser moet echter het bewijs leveren en degene die ontkent, moet een eed afleggen.” (Een goede hadith, door al-Bayhaqī en anderen in deze vorm overgeleverd; een gedeelte ervan komt voor in de 'Sahih' van Bukhāri en de 'Sahih' van Muslim)

 Achtergrond

In elk juridisch conflict zijn er ten minste twee procederende partijen: de eiser en de gedaagde. De eerste betoogt dát, wat in strijd is met het schijnbare feit; terwijl de laatste het schijnbare feit vertraagt en de bewering ontkent. 8. Mahmasāni: Falsafat al-Tashri’ al-Islāmly, blz. 169-170. Deze hadith vormt een belangrijk principe. De tekst van de hadith is op de volgende manier uitgedrukt: “Het bewijs is voor de persoon die betoogt en de eed is voor de persoon die ontkent.” The Mejelle, 1967, artikel 76.

 Lessen

Deze hadith drukt het belang uit van het vaststellen van bewijs, om ervoor te zorgen dat rechtvaardigheid wordt gerealiseerd. Het vereiste voldoende bewijs werkt als een filter om valse, zwakke en ongegronde beweringen te verwerpen. (Mahmasāni 168) Daarom is het belangrijk te weten bij wie de bewijslast ligt. Er is geen twijfel dat de last bij de eiser ligt. Dit is een gevolg van het feit dat dát, wat zichtbaar is, wordt aangenomen als de oorspronkelijke toestand, terwijl de partij die een dergelijke claim indiend daarentegen genoodzaakt is de claim vast te stellen.10. Ibid. Het bewijs in een zaak vereist overlegging van het bewijsmateriaal totdat de zaak een hoge mate van waarschijnlijkheid bereikt.

Omdat het vaststaat dat een verdachte geacht wordt vrij te zijn van aansprakelijkheid tot de eiser het tegendeel heeft bewezen, is het belangrijk te weten wie de verdachte is en wie de eiser is; wie van de twee moet voorzien in de bewijslast en wiens bewijs voorrang heeft in het geval van een conflict. Ibid, blz. 172

 De betekenis van al-Bayyinah; Het bewijs. ( Ibid)

Veel juristen zijn van mening dat het ‘bewijs’ alleen betrekking heeft op dat van de getuigen. Echter, de betekenis van ‘bewijs’ is veel breder en omvat andere vormen van bewijs wat niet alleen beperkt is tot de productie van de getuigen. Volgens sommige vroege en hedendaagse geleerden is al-Bayyinah (bewijs) een zelfstandig naamwoord, dat alle middelen omvat voor het vaststellen van de waarheid. Indirect bewijs, onweerlegbare vermoedens en duidelijke signalen die leiden tot een definitieve conclusie, kunnen allemaal in overweging worden genomen. Moderne vormen van strafrechterlijk onderzoek kunnen worden gebruikt als instrument voor het bereiken van een juridische conclusie. Anders zullen de rechten verloren gaan en zal onrecht prevaleren.

 De criteria voor een acceptabele getuige (Ibid)

Een getuige voldoen aan de volgende criteria om te worden geaccepteerd:

 1. De getuige moet gezond en bekwaam zijn.

 2.Normaal gesproken moet de getuige een volwassene zijn.

 3. De getuige is moslim, tenzij het een zaak van niet-moslims is.

 4.  De getuige moet een goed geheugen hebben.

 5. De getuige moet integer en eerlijk zijn. Het belang van getuigen.

Het is verplicht dat mensen oprecht hun getuigenis aanbieden wanneer zij daarvoor gevraagd worden. Allah zegt: “En de getuigen mogen niet weigeren, wanneer zij worden gedaagd.” (soera al-Baqarah:282) Het wordt als zonde beschouwd om te verbergen waar men getuige van was. Allah zegt: “Verbergt geen getuigenis, en wie dat wel doet diens hart is zeker zondig.” (soera al-Baqarah:283)

 Een waarschuwing voor degenen die met succes vals claimen.

Hier moet worden opgemerkt wordt dat de Islam het belang benadrukt van het vrezen van Allah. Dit wordt nóg meer benadrukt wanneer het gaat om zaken als misbruik van gezag, of het bevoordelen van anderen in menselijke relaties zoals handel, familieruzies, en onrechtmatige uitspraken doen over anderen. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Ik ben een mens. Jullie komen naar mij als rechtzoekenden. Misschien is één van jullie beter in het presenteren van zijn argument dan de ander en besluit ik in zijn voordeel volgens wat ik heb gehoord. Als ik iets besloten heb voor iemand van de rechten van zijn broeder, moet hij het niet nemen want dan heb ik voor hem een deel Hellevuur.” Uit de hierboven genoemde hadith blijkt duidelijk wat de gevolgen zijn van van het winnen van valse claims of valse zaken. Ondanks het winnen in dit leven, wacht er een pijnlijke straf op de persoon in het  hiernamaals.

In een andere hadith waarschuwt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) ons, dat als iemand ook maar één draadje van een palm van andermans eigendom neemt, hij op de Dag des Oordeels verschrikkelijk zal worden getroffen. In een derde hadith vervloekt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) degene die zonder geldige reden de grenzen van een eigendom verlegd.

 Conclusie

De Islam is een praktische religie die allerlei situaties behandeld, ook wanneer er normale conflicten, ruzies en geschillen tussen personen in de gemeenschap ontstaan. In zulke situaties kunnen mensen rechten van elkaar opeisen. De Islam stelt regels en principes waardoor deze geschillen op een eerlijke en rechtvaardige manier tot een einde worden gebracht. Bovenal is een persoon onschuldig tenzij anders is bewezen.

Hadith 34: Het concept van Al-Amr bil Ma’ruf wan-Nahiu ‘anil-Munkar (Het goede gebieden en het kwade ontmoedigen) Abū Sa'īd al-Khudrī (Allah's welbehagen zij met hem) heeft gezegd: 'Ik hoorde de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) zeggen: “Wie van jullie iets ziet wat (door Allah) wordt afgekeurd, moet het met zijn hand veranderen. En als hij daartoe niet in staat is, dan met zijn tong. En als hij daartoe niet in staat is, dan met zijn hart. Dit laatste is echter de zwakste vorm van geloof.” (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond

Een van de basiselementen van de Islamistische da’wah (het prediken en verspreiden van de Islam) is het aansporen van het goede en het verbieden van het kwade. Wanneer iemand de boodschap van de Islam overbrengt, legt hij eigenlijk het goede op en verbied hij het kwade. Dus is het een vergissing om deze twee als afzonderlijke zaken te beschouwen, omdat deze samengaan. Het belangrijkste doel in het vervullen van deze verplichting is om de voordelen te bereiken en deze te maximaliseren, terwijl schade wordt verwijderd en geminimaliseerd. De vereiste eigenschappen om het goede aan te sporen en het kwade te verbieden.

1. Ikhlās (oprechtheid); het goede aansporen en het kwade verbieden, zijn handelingen die Allah behagen en handelingen die door Hem worden geaccepteerd, mits dit oprecht en alléén voor Hem wordt gedaan.

2. Ilm (kennis); Allah beveelt:

“Zeg, dit is mijn weg: ik roep op tot Allah in zeker weten....” (soera Yusuf:108)

Dit is een belangrijke voorwaarde omdat degene die de Islam verspreid moet weten welke zaken goed zijn, zodat hij deze kan aanbevelen en de slechte zaken kan verbieden. Men dient kennis te hebben over wat goed en slecht is om onderscheid te kunnen maken tussen deze twee. Verder is het ook noodzakelijk om de situatie en de stand van zaken van de mensen te leren kennen.  

3. Hikmah (wijsheid); het is belangrijk dat degene die de Islam verspreid, de juiste dingen op de juiste manier, op de juiste tijd en tegen de juiste persoon zegt, zoals beschreven door Allah: “Roep tot de weg van uw Heer met wijsheid en goede raad....” (soera an-Nahl:125)

4. Hilm (verdraagzaamheid) en Rifq (vriendelijkheid); dit is belangrijk, vooral wanneer het gaat om degenen die in strijd zijn met de boodschap die wij moeten overbrengen. Allah zei tegen zijn boodschapper sallallāhu ‘alayhi wasallam: “En het was dankzij de barmhartigheid van Allah dat jij zacht met hen was. En als je streng en hardvochtig was geweest, dan waren zij rondom jou uiteen gegaan.” (soera Āl-Imrān:159) De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)zei ook: “Inderdaad, vriendelijkheid maakt alles mooier en wanneer men dit weghaalt wordt alles lelijker.” (Muslim)

5. Sabr (geduld); degene die oproept tot de Islam moet geduldig  zijn waneer hij geconfronteerd word met weerstand van de mensen tot wie zij de da’wah maken, d.w.z. het bevelen van het goede en het verbieden van het kwade. Ibn Taymiyah zegt in zijn boek ‘al-Istiqāmah’ m.b.t. de oproep van het goede en het verbieden van het kwade: “Kennis komt hiervóór, vriendelijkheid hoort daarbij en geduld moet het volgen.” In soera al-Asr zweert Allah dat de mensheid in staat van onvolkomenheid zal komen, behalve als aan deze vier voorwaarden wordt voldaan:

1. Imān (geloof)

2. Goede handelingen

3. Elkaar aanmoedigen in de waarheid, wat betekent: het goede aanbevelen en het kwade verbieden.

4. Elkaar aanmoedigen in geduld, wat nodig is na het aanbevelen van het goede en het verbieden van het kwade. Vandaar dat elk individu wordt beschouwd als iemand die gebreken heeft in zijn karakter, als hij een van de vier voorwaarden mist. Hoe meer iemand van deze voorwaarden mist, des te gebrekkiger hij is volgens Allah.

6. Tawāddu’ (nederigheid); als degene die oproept tot de Islam arrogant is of zichzelf boven de rest plaatst, zullen de mensen de woorden negeren.

7. Qudwah (het goede voorbeeld); degene die oproept tot de Islam, moet zichzelf presenteren als iemand die moet worden gevolgd in termen van hoge moraal, waaronder het opleggen van het goede en het verbieden van het kwade. Allah zegt: “O, jullie die geloven, waarom zeggen jullie niet doen? Groot is de woede bij Allah dat jullie zeggen wat jullie niet doen.” (soera as-Saff:2-3)

8. Husnul-Istimā (goed luisteren); degene die oproept tot de Islam moet een goede luisteraar zijn voor de behoeften en de klachten van de mensen die hij oproept.

9. Shajā’ah (moed); dit refereert niet naar de fysieke kracht van het lichaam, maar naar dat van het hart, samen met kennis; dit onderscheidt ware moed van roekeloosheid.

10. Karam (vrijgevigheid); degene die oproept tot de Islam moet vrijgevig zijn naar degenen die hij oproept.

 Lessen

Geleerden zijn van mening dat voorafgaand aan het gebruik van ‘de hand’ om munkar (kwaad) tegen te gaan, we moeten beginnen met het geven van goed advies en waarschuwing aan de boosdoeners en dat we hen moeten aanmoedigen goede daden te doen en hen moeten afraden om slechte daden te doen. Het gebruik van de hand (kracht) is alleen toegestaan voor mensen met gezag en alléén als alle andere methoden volledig zijn ingezet en er geen verandering is in de stand van zaken van de mensen. Bovendien zegt Imam al-Shatibi dat degene die oproept tot de Islam moet anticiperen op de gevolgen van hetgeen hij zegt of doet, ongeacht of het nu d.m.v. hand of tong is. De kans bestaat dat tijdens een poging om het kwaad te doen stoppen, de oproeper zelf, of anderen, onderworpen zullen worden aan fysieke schade of de dood en niet slechts aan louter beledigingen. In zo’n geval is het veranderen van de situatie niet langer een verplichting voor hen. Het verspreiden van geruchten om degene die tot de Islam oproept een slechte reputatie te geven, wordt ook als schadelijk beschouwd. Ibn Qudāmah zegt dat financieel verlies ook schade is, ongeacht of het onmiddelijk wordt ervaren of later. De capaciteit van iemand om de actuele situatie te verbeteren verschilt met die van een ander. Meestal is de capaciteit van iemand afhankelijk van zijn rang en zijn bevoegdheid. Hoe hoger de rang en bevoegdheid, hoe groter de verantwoordelijkheid.

 Het principe van Inkārul-Munkar (het verbieden van het kwade).

Geleerden hebben vele principes opgesomd die betrekking hebben op het verbieden van het kwade. Dit zijn belangrijke punten die iedereen moet overwegen wanneer men deze handelingen uitvoert.

1. Het prioriteren van het kwade; concentreren op datgene wat een hogere prioriteit heeft.

2. Tadarruj (geleidelijke aanpak); dit is een belangrijk principe: let op de manier waarop Allah het drinken van wijn ging verbieden; ten eerste stelt Hij dat er voor -en nadelen aan zijn, maar dat de schade opweegt tegen de voordelen. Ten tweede verbiedt Hij de moslims om zich tot het gebed te wenden als zij dronken zijn. Uiteindelijk verbied Hij het totaal. Wat we hier zien, is niet de vraag of wijn verboden was in de beginfase van de verspreiding van de Islam, maar de kwestie van de geleidelijke methode die wordt gebruikt in het verbieden van de consumptie van alcohol.

3. Zoek niet naar de fouten van mensen. Al-Qādī Abū Ya’la vemeld een uitzondering op dit principe dat geldt als er aanwijzingen zijn, of informatie is dat er kwaad plaatsvindt of gaat plaatsvinden. Zo kan iemand in staat zijn om een kwaad zoals moord of verkrachting te voorkomen n.l. door op een gedetailleerde manier naar de zaak te kijken.

4. Vaststellen dat het kwaad werkelijk plaatsvind.

5. Kies een gepaste tijd om het kwaad te verbieden.

• Degene die oproept tot de Islam, moet niet uitstellen tot het kwaad al is geschied.

• Degene die oproept tot de Islam, moet situaties benutten waarin mensen meer geneigd zijn om op zijn oproep te reageren. Yūsuf ‘alayhis-salām sprak bijvoorbeeld met zijn metgezellen in de gevangenis over tawhīd wanneer zij slecht hadden gedroomd. Ibn Mas’ūd zei hierover: “Waarlijk, het hart heeft momenten van verlangen en ontvankelijkheid. En momenten van onverschilligheid en afkeer, dus grijp het op het moment van verlangen en weerklank en verlaat het op het moment van onverschilligheid en afkeer.”

6. Het gesprek besloten houden. Zoals Imam al-Shafi’i schreef: “Kom met uw advies naar mij wanneer ik alleen ben en adviseer mij niet in de menigte, omdat advies onder de mensen is als berispen, vandaar dat ik het niet graag hardop hoor.” “Als u mij niet gehoorzaamd en geen acht slaat op mijn woorden, voel u dan niet verdrietig wanneer u niet gevolgd wordt.”

7. Provoceer of agiteer de bevolking niet, maar gebruik goede argumenten zoals Allah zei: “Roep tot de weg van uw Heer met wijsheid en goede raad en redetwist met hen op gepaste wijze.” (soera an-Nahl:125) Imam al-Ghazāli schreef: “Breng de waarheid niet op een uitdagende manier over.”

8. Toon vriendelijkheid en vergeving naar de mensen en laat je woede of zorgen niet zien, omdat ze anders op een negatieve manier zullen antwoorden.

9. Als er vanwege Ijtihād een meningsverschil ontstaat, moet de aanroeper die één mening ophoudt de andere mening niet verbieden.

10. Maak gebruik van de principes van het afwegen tussen de voordelen en het kwaad, zoals ibn Taymiyah schreef in zijn boek ‘al-Amar’. Als het aanbevelen van het goede en het verbieden van het kwade zou resulteren in een groter kwaad, dan is het harām om dit te doen. Het goede aanbevelen moet niet leiden tot het plaatsvinden van een groter kwaad. Ibn Rajab zegt dat men om verschillende redenen wordt gemotiveerd om het goede op te leggen en het kwade te verbieden:

 • De hoop grote beloningen te krijgen van Allah.

 • De vrees voor Allah’s straf, voor het niét verbieden van het kwade.

 • Irritatie, doordat men overtredingen ziet die Allah  heeft beschreven.

 • Liefde en geloof van de leden van de gemeenschap die toegeven aan het kwade. Vriendelijk en barmhartig te zijn voor hen, om hen te redden van Allah’s woede, mishagen en straf in dit leven en in het  hiernamaals.

 • Verheerlijking en liefde voor Allah omdat Hij Degene is Die het meest verdient in onze gedachten te zijn en onze dank te ontvangen.

Verder moeten we Hem strikter gehoorzamen in vergelijking tot een van Zijn creaties. De inachtneming van de laatste twee punten zouden voldoende moeten zijn om de aanroeper van de Islam in staat te stellen om te gaan met eventuele problemen of moeilijkheden die hij nog tegen kan komen.

 Conclusie

Het laatste gedeelte van de hadith vermeld dat het minste wat een moslim kan doen -wanneer hij getuige is van een slechte daad- is, de daad te haten of te hekelen, door te wensen dat hij het kwade in zijn hart zal verdelgen. Het gaat om de zaak van het hart en men kan verandering wensen door te zeggen: “O Allah, er is niets wat ik kan doen om deze slechte situatie die u mishaagt en afkeurt te veranderen, behalve dat ik er een hekel aan heb dat het plaatsvindt. Ik ben het er niet mee eens. O Allah, vergeef mij, begeleid mij en redt mijn hart zodat het niet wordt beïnvloed.” Tenzij deze handeling van het hart wordt beoefend, zal het hart van de gelovige die getuige is van een dergelijk kwaad worden onderworpen aan aan de invloed van dat kwaad. Er zal een donkere vlek in dat hart worden geplaatst (zoals vermeld in een andere hadith van al-Bukhāri). De herhaling van zulke slechte handelingen zal ertoe leiden dat het hart van de gelovige beïnvloed word, d.w.z.: er zal een grotere donkere vlek op het hart ontstaan en wel in die mate, dat een dergelijk persoon geen onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Indirect betekent dit, dat degene die geen intentie heeft om het goede op te leggen en het kwade te verbieden helaas zichzelf in een boosdoener zal doen veranderen.

HIER

Hadith 35: Slechte handelingen die het broederschap schaden Abū Hurayrah (Allah's welbehagen zij met hem) heeft gezegd: De boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) heeft gezegd: “Benijdt elkaar niet. Biedt geen hogere prijs dan een ander. Haat elkaar niet. Wend je niet van elkaar af. Biedt geen lagere prijs dan een ander maar, o dienaren van Allah, weest broeders! Een moslim is de broeder van de andere moslim. Hij behandelt hem niet onrechtvaardig en laat hem niet in de steek, en vernederd en veracht de ander niet. Hier - en hij wees drie maal naar z'n borst - bevindt zich taqwa (vrees van God). Het is vreselijk als iemand zijn moslimbroeder veracht. Het bloed, de bezittingen en de eer van een moslim zijn onaantastbaar voor een andere moslim.” (Overgeleverd door Muslim)

 Achtergrond

Eenheid is een van de belangrijkste doelstellingen van de Islam. Er zijn vele verzen in de Koran die de moslims aansporen om zich te verenigen. In soera al-Imrān:103, zegt Allah: “En houdt u allen tezamen vast aan het koord van Allah en weest niet verdeeld.”  Dit is een bekend vers voor moslims. In soera al-Taubah:70, zegt Allah: “En de gelovigen, mannen en vrouwen zijn vrienden van elkander.” Er zijn vele andere verzen in de Koran die op eenheid aandringen, evenals verzen die verdeeldheid verbieden.

• Soera al-Imrān:105-10

• Soera al-Hujurāt:10

• Soera al-An’am:153-159

• Soera al-Rūm:31-32

Evenzo in soera al-Imrān:103, waarin Allah zegt: “........en wees niet verdeeld.”

Al deze en vele andere verzen in de Koran verbieden de verdeeldheid of splitsing van de moslimgemeenschap. In aanvulling op de Koran zijn er ook hadiths die het belang van eenheid benadrukken. Een hadith, die is overgeleverd door Imam Muslim verteld: “Waarlijk, Allah vindt drie dingen fijn en Hij keurt drie dingen af; Hij is blij met u als u Hem aanbidt en alles van Hem distantieert; als u vasthoudt aan het koord van Allah en niet verdeeld bent, en Hij keurt irrelevante praatjes, aanhoudend vragen en verspilling van rijkdom af.” We zien dat de Islam de moslim beveelt om handelingen uit te voeren die leiden tot eenheid; er zijn voorwaarden en handelingen die moslims moeten uitvoeren om dit te bereiken. Tegelijkertijd vinden we ook veel handelingen die verboden worden in de Islam, omdat deze handelingen kunnen leiden tot verdeeldheid in de moslim ummah. Hadith 35 valt onder de laatste categorie.

 Lessen

De eerste eigenschap die (in de hadith) verboden wordt is afgunst (al-hasad). Imam al-Ghazāli en andere moslimgeleerden definieren afgunst als ‘het niet leuk vinden als iemand een geschenk krijgt en wenst dat hij of zij (de ontvanger) het zal verliezen.’ Imam ibn Rajab geeft een andere en bredere definitie. Hij omschrijft het als een deel van de menselijke aard; dat het niet leuk is voor iemand als een ander méér goede eigenschappen heeft. Hij zei verder dat mensen verschillend gedrag hebben en dat er vijf hoofdcategorieën van afgunst zijn:

1. Er zijn mensen die door middel van actie of spraak, de beloning van iemand (die zij benijden) afschaffen.

2. Er zijn anderen die proberen de beloning aan zichzelf over te dragen. Dus in de eerste instantie proberen ze het weg te nemen van de persoon die ze benijden en later proberen ze het voor zichzelf te winnen. Bijvoorbeeld als een bepaald persoon een bepaalde baan of autoriteit krijgt aangeboden, dan zal de afgunstige d.m.v. hand of spraak proberen deze positie of autoriteit weg te nemen van dit persoon. Hij zal dan later proberen deze positie of autoriteit naar zichzelf over te dragen.

3. Er zijn mensen die geen energie steken in actie of spraak om iemand te schaden die zij benijden. Ibn Rajab classificeert deze categorie van mensen in twee typen:

• Iemand die zijn best doet om het gevoel van afgunst te stoppen bij zichzelf, maar daar niet in slaagt. Toch blijft hij er tegen vechten. Ibn Rajab zegt dat dit type vrijgesteld is van straf.

• Iemand die telkens maar blijft denken aan iets waar hij jaloers op is. Hij doet geen moeite om dit te bestrijden, zelfs al doet hij geen kwaad met hand of spraak. Toch wordt hij beschouwd als iemand die werkelijk geniet van afgunst en die dit in praktijk brengt, en die blij is als de beloning van degene die hij benijd, verloren gaat. Een dergelijk persoon zal gestraft worden.

4. Er zijn mensen die afgunstig zijn, maar die geen schade of verlies wensen voor degene die zij benijden. In plaats daarvan doen zij moeite om voor henzelf een soortgelijke beloning of deugd te verkrijgen. Ibn Rajab zegt: “Als deze premie een wereldse beloning of deugd is, dan zal daar geen voordeel in zijn.” Als je bijvoorbeeld jaloers bent op iemand die een luxe auto heeft en je probeert zo’n auto voor jezelf te kopen, dan zit daar geen voordeel in. Maar als het een rechtvaardige deugd is, is het goed.

5. Er zijn mensen die wanneer zij jaloers op iets of iemand zijn, hun best doen om zo’n verachtelijk gevoel te doen stoppen. Zij handelen op een goede manier naar de persoon die zij benijden en doen zelfs iets goeds voor die persoon. Daarnaast zullen zij voor de persoon die zij benijden ook du’ā’ maken totdat zij liefde voelen voor de persoon die zij benijden; dit is omdat afgunst gewoonlijk geassocieerd wordt met haat. Zij zullen wensen dat de persoon die zij benijden altijd beter zal zijn dan zij. Zij hebben er geen last van als anderen mooiere dingen hebben. Ibn Rajab zegt dat deze mensen de beste categorie van ware gelovigen onder iedereen zijn, omdat iedereen onderhevig is aan afgunst en jaloezie.

 Waarom is afgunst (hasad) verboden?

Afgunst kan schade veroorzaken aan degenen die worden benijd. Dus wordt dit in de Islam beschouwd als een slechte handeling. Zelfs door alleen vanuit het hart schade te wensen voor degenen die je benijd, kan dit het benijde persoon schaden. Jaloers zijn op anderen komt van het karakter van Satan en van dat van de Joden. We kunnen dit lezen in soera al-Baqarah:109 en in soera al-Nisā:54. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) waarschuwde de moslims voor afgunst, toen hij zei: “Kruipend op u zijn de ziekten van de mensen die vóór u kwamen; afgunst en haat. En haat is iets dat vormt. Ik zeg niet dat dit haren scheert, maar het scheert de religie. Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is; u zult het paradijs niet binnengaan tot u gelooft en u zult niet geloven, totdat u elkaar liefheeft. Zeker, laat mij u informeren over wat zulke dingen kunnen vaststellen: verspreid de begroetingen van de vrede onder elkander.” (overgeleverd door Imam Ahmed en al-Thirmidhī) Aangezien afgunst een slechte handeling is, wordt moslims gevraagd om soera al-Nās, soera al-Falaq en soera al-Ikhlās te reciteren, om bescherming te zoeken tegen afgunstige mensen. Moslimgeleerden zeggen dat het wenselijk is deze te reciteren na de vijf gebeden, samen met Āyat-ul-Kursī. Het woord al-Tanājush dat in de hadith (in de Arabische tekst) word genoemd, wordt letterlijk vertaald als: “.....Biedt geen hogere prijs dan een ander.” Najash, dat ook in de hadith (in de Arabische tekst) wordt genoemd kan volgens ibn Rajab op twee manieren worden geïnterpreteerd:

1. Het kan geïnterpreteerd worden als bay’ al-najāsh; de handel waarbij een persoon een hoge prijs biedt voor een bepaald artikel: niet om het te kopen, maar om de prijs op te drijven zodat het tegen een hogere prijs kan worden verkocht. (voor meer dan het waard is) Dit gebeurd vaak, zelfs in de moslimwereld. Dit doet men d.m.v. een eerdere overeenkomst tussen de verkoper en een ander persoon of familielid, die doet alsof hij de aspirant-koper is. Dit gebeurd gewoonlijk op de effectenbeurs of bij handelingen waarbij iemand pretendeert de bieder te zijn en blijft bieden om de prijs op te drijven. Hij doet dit om de persoon -die het artikel wil verkopen- een plezier te doen. Dit wordt beschouwd als bay’ al-najāsh. De meerderheid van de moslimjuristen (fuqahā) zegt dat dit geldig is. Desondanks heeft de koper de keuze om het artikel terug te brengen, als hij er achter komt dat hij op een bepaalde manier is gemanipuleerd en de prijs drastisch hoger is.

2. De tweede interpretatie van najāsh is breder en niet alleen beperkt tot de handel. Ibn Rajab zegt hier dat het betekent: ‘elke vorm van misleidend handelen dat zal leiden tot het schaden van anderen.’ Hij voegt toe dat alle transacties die op een misleidende manier worden uitgevoerd, hieronder vallen. Hij citeert soera Fātir:43 : “Maar het slechte komplot is een val voor hen alleen die het maken.” Ibn Rajab zegt dat dit een waarschuwing is voor de moslims om elkaar niet te haten, vooral niet om persoonlijke redenen. Dit, omdat alle moslims broeders zijn in de Islam. Zij moeten van elkaar houden en elkaar niet haten. Dus is al-namimah (roddel en laster) verboden, omdat dit tot haat in de moslimgemeenschap zal leiden. Ibn Rajab zegt dat wanneer moslims zich gaan opsplitsen in verschillende groeperingen vanwege conflicterende standpunten m.b.t. religieuze aangelegenheden, dit zal leiden tot conflicten binnen de gemeenschap. Verdeeldheid is dan het resultaat. We moeten elkaar niet de rug toekeren. Ibn Rajab zegt dat dit elke vorm van disassociatie omvat. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat het voor een moslim verboden is om zich langer dan drie dagen te distantiëren van een andere moslim. Dit is waar ibn Rajab in wereldse zaken op wijst. Wat betreft zaken die de religie aangaan, is disassociatie een van de geoorloofde straffen in de Islam, d.w.z. je distantiëren van degenen die zonden begaan, met als doel hen te straffen. Maar sommige geleerden zijn van mening dat zo’n actie geen nut heeft als de zondaar waarschijnlijk toch niet terugkeert op het goede pad. Een van de geleerden wees erop, dat de dissociatie zinloos is als er niet aan de doelstellingen van de Sahari’ah wordt voldaan. We moeten in zakelijke transacties elkaar niet ondermijnen. Bijvoorbeeld, als een klant iets wil kopen van een verkoper en in het midden van de onderhandelingen verschijnt er een andere verkoper (een derde partij), die zich ermee bemoeit en die de klant zover probeert te krijgen dat de verkoper zíjn artikel koopt. Deze transactie is harām (verboden), omdat de klant zijn uiteindelijke beslissing nog niet heeft genomen en omdat dit tot verdeeldheid zal leiden in de moslimgemeenschap. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) beveelt ons om broeders onder elkaar te zijn. Ibn Rajab zegt: “Het rechtvaardigen van handelingen die door de Profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn verboden, zullen leiden tot de vernietiging van het broederschap van de moslims.” Als moslims zulke slechte handelingen vermijden, dan zal dit ertoe leiden dat ze broeders zijn in de Islam en dat ze elkaar liefhebben. Ibn Rajab vertelt verder dat deze uitspraak impliceert dat moslims de moeite moeten nemen om dingen te doen die zullen leiden tot het bereiken van deze broederschap. Dit betekent het vervullen van alle rechten van andere moslims. Bijvoorbeeld groeten als iemand je groet (salām), zieken bezoeken, de behoeftigen helpen, uitnodigingen accepteren, geschenken sturen en glimlachen naar elkaar. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat een moslim de broeder is van een andere moslim. Ibn Rajab Rahimahullahi Ta’āla zei verder: “Het is nu verplicht voor elke broeder om goed voor zijn moslimbroeder te zijn en hem niet te schaden.” Hij voegt toe dat het grootste kwaad onderdrukking en onrecht is. Als een moslim behoefte heeft aan onze steun en we steunen of helpen hem niet, dan is dit onrecht. Er zijn veel plaatsen in de moslimwereld waar moslims een grote behoefte hebben aan hulp. Zij worden onderdrukt en toch steunt niemand hen. Dus als we hen niet helpen dan zijn wij in gebreke bij onze moslimbroeders en zusters. We moeten verenigen om de problemen waarmee we tegenwoordig worden geconfronteerd, op te lossen. Onze grootste zorg is de eenheid van de ummah. Een hedendaagse geleerde, Abdur-Rahmān al-Sa’adi, zegt dat het verenigen van de moslims één van de grootste vormen van Jihād is. Hij stelt dat samenwerking tussen moslims wājib (verplicht) is. We moeten niet liegen tegen onze moslimbroeders. We moeten ons ook onthouden van het kleineren en uitlachen van andere moslims. We moeten geen tekens of gebaren maken die de eer van onze moslimbroeders bedreigen. Nóóit mogen wij als moslims op enige wijze cynisch doen of onze moslimbroeders ondermijnen. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat taqwa in het hart is. Ibn Rajab gaf commentaar op deze verklaring en zei dat het evident is dat de meest nobele onder de mensen de rechtvaardige mensen zijn, zelfs als ze in de ogen van de gemeenschap niet nobel en gelukkig zijn. Degene die het meest nobel is voor Allah is degene die het meest rechtvaardig is. Het meeste van wat hierboven wordt gezegd zijn zaken die met het hart te maken hebben, d.w.z. zaken die ons aansporen om onze moslimbroeders lief te hebben en niet te benijden. Wanneer we taqwa in ons hart hebben, zullen we de genoemde verboden handelingen niet uitvoeren. Pas dan zullen onze harten gezuiverd worden en met liefde worden gevuld.

 Conclusie

“Alles van een moslim is onschendbaar voor een andere moslim; zijn bloed, zijn eigendom en zijn eer.” Deze belangrijke laatste stelling, die in de afscheidspreek (hajjat al-wadā’) werd uitgesproken door de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam, is een samenvatting van de betekenis van deze hadith. Deze hadith stelt duidelijk dat het schaden van anderen door spraak, of door handelen, een slechte actie is. Allah zegt: “En zij, die gelovige mannen en vrouwen lastig vallen zonder dat deze er schuld aan hebben, dragen voorzeker de schuld van laster en een openlijke zonde.” (soera al-Ahzāb:58) Allah schiep de gelovigen als broeders zodat zij genade voor elkaar hebben, van elkaar houden en elkaar helpen en steunen. Dit is hoe een moslim zou moeten zijn.

Hadith 36: Het belang van het voldoen aan de behoeften van een Moslim

Volgens Abū Hurayrah (Allah's welbehagen zij met hem) heeft de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Wie in deze wereld een gelovige van een zorg verlost, zal door Allah op de Dag des Oordeels van één van zijn zorgen verlost worden. Hij die het lot verlicht van iemand die hulp nodig heeft, zal door Allah in deze wereld en in het  hiernamaals in zíjn lot worden verlicht. Hij die een moslim beschermd, zal door Allah in deze wereld en in de wereld hierna beschermd worden. Allah zal Zijn dienaar net zolang helpen als de dienaar zijn broeder helpt. Hij die een weg volgt om aldus kennis te vergaren, voor hem zal Allah de weg naar het paradijs gemakkelijk maken. Steeds wanneer de mensen in één van de huizen van Allah te zamen komen, en het boek van Allah reciteren, het gezamelijk reciteren en gezamelijk bestuderen, zal er innerlijke vrede op hen neerdalen, zal er genade op hen uitgestort worden, zullen de engelen hen omringen en zal Allah over hen spreken met degenen die bij Hem zijn. Hij die door zijn daden wordt tegengehouden, zal door zijn goede afkomst niet vooruitgeholpen worden.” (In deze woorden door Muslim overgeleverd)

 Achtergrond

Imam Muslim registreerde deze hadith met de bovenstaande tekst. Er is echter een andere versie, overgeleverd door zowel Imam Muslim als Imam al-Bukhāri, met de volgende tekst: “Een moslim is de broeder van een moslim; hij doet hem geen kwaad noch laat hij hem in de steek wanneer hij hulp nodig heeft; Allah zal de behoeften vervullen van degene die de behoefte vervult van zijn broeder; als men leed verwijderd van een gelovige, dan zal Allah voor hem het leed verwijderen van een verontrustend aspect op de Dag van de Opstanding; en Allah zal voor degene die de fouten van een moslim verhult, zíjn fouten verhullen op de Dag van de Opstanding” We kunnen in deze hadith lezen dat de verplichtingen jegens andere moslims worden benadrukt en dat er nogmaals op het vervullen van de broederschap wordt gewezen.

 Lessen

“Wie in deze wereld een gelovige van een zorg verlost, zal door Allah op de Dag des Oordeels van één van zijn zorgen worden verlost.” Dit betekent dat de beloning van een handeling van soortgelijke aard is als de daad zelf, of dat de beloning van de handeling relevant is voor de handeling zelf. Er zijn vele hadiths die dit principe benadrukken. Verdriet of leed betekent in deze hadith ‘grote moeilijkheden of ontbering’ waar een moslim mee geconfronteerd wordt. In één versie van de hadith wordt het vermeld als ‘wie verlicht’ en in een andere versie lezen we ‘wie verwijdert’. Er is een duidelijk verschil tussen de twee versies, want ‘verlichten’ betekent: ‘de moeilijkheden of het leed minimaliseren’, terwijl daarentegen ‘verwijderen’, ‘het totale verwijderen’ betekent. Imam ibn Rajab zegt dat de beloning voor het verwijderen van leed of moeilijkheden van iemand, groter is dan de beloning voor degene die de gevolgen van moeilijkheden minimaliseert. Dit is logisch, omdat er twee verschillende situaties zijn: de eerste heeft betrekking op de capaciteit en de bereidwilligheid om meer te doen om het leed compleet te verwijderen. De laatste weerspiegelt de capaciteit van de persoon om slechts de hoeveelheid leed te minimaliseren. Ibn Rajab benadrukt dat we moslims moeten motiveren om anderen te helpen en leed of moeilijkheden bij elkaar weg te nemen. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt dat de beloning voor degene die het leed van een moslim verwijderd of verlicht, verwijdering van soortgelijk leed of moeilijkheden in het  hiernamaals krijgt. Ibn Rajab zet vraagtekens bij het verschil tussen de versies van de twee hadiths, waar de tweede het verlichten of de verwijdering van de nood noemt tijdens het  hiernamaals. Hij zegt dat niet iedereen wordt onderworpen aan zulk leed in deze wereld; dit staat in contrast met ale’sar (het onvermogen om te vergoeden). Hij legt uit, dat aangezien de moeilijkheden van dit leven niet te vergelijken zijn met het leed van het  hiernamaals (wat buiten het menselijk uithoudingsvermogen ligt), Allah Subhānahu Wa Ta’āla de beloning voor het verwijderen van leed van een onaangenaam aspect van dit leven behoudt tot de dag van de Opstanding. Zoals de verklaring in de hadith: “Hij die het lot verlicht van iemand die hulp nodig heeft (en zijn schulden niet kan betalen) zal door Allah in deze wereld en de wereld hierna in zijn moeilijkheden verlicht worden.” Het is niet verstandig en gepast van een moslim om een andere moslim te vragen hem terug te betalen als deze het zich niet kan veroorloven. Hij moet de lener een kans geven totdat hij in staat is om terug te betalen, óf hij moet hem vergeven. De eerste keus is een verplichting omdat Allah ons in soera al-Baqarah:280 dit beveelt te doen. De tweede manier om het probleem te verlichten is, als de uitlener de lener vergeeft of hem probeert te helpen door hem meer tijd te geven en hij kan ook het bedrag wat hij tegoed heeft verminderen. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt in een van zijn grote hadiths: “Mensen van de vorige volken waren gewend geld te lenen van een man die zeer rijk was. Niet alleen leende hij hen geld -wat een goede daad is- ; hij ging een stap verder door aan zijn zonen te vragen om degenen die het geld niet terug konden betalen te verlichten of te vergeven.” De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat in het  hiernamaals Allah hem vanwege zijn vrijgevigheid zal vergeven en belonen. Allah zegt in soera al-Furqān:26 : “.......Maar het zal voor de ongelovigen een moeilijke Dag zijn.”

Dit betekent dat er een situatie zal zijn waarin een persoon die vriendelijk is voor iemand in nood, door Allah zal worden verlicht met een groot geschenk van Zijn Barmhartigheid. Zoals de volgende verklaring in de hadith: “...en Allah zal voor degene die de fouten van een moslim verhult, zíjn fouten verhullen op de Dag van de Opstanding.” Imam ibn Rajab zegt dat mensen in twee groepen kunnen worden verdeeld:

1. Degenen die geen overtredingen begaan of slechte daden plegen. Als deze mensen toevallig een fout maken, moet dat niet worden geopenbaard. Integendeel; het moet verzwegen worden.

2. Degenen die bekend staan als overtreders en boosdoeners en zelfs met trots over hun schandelijke en zondige daden spreken. Ibn Rajab zegt dat als er behoefte is om de eigenschappen van deze mensen te noemen, we dat in het belang van de moslimgemeenschap moeten doen. Dit gedeelte van de hadith is niet van toepassing op de tweede categorie van mensen. De algemene regel die we afleiden uit de hadith is, dat moslims geen fouten van hun moslimbroeders en zusters moeten onthullen aan anderen. Sommige moslims die fouten van anderen onthullen, zien dit als onderwerp voor plezier en vermaak, zelfs als het over belangrijke zaken gaat. Een moslim dient zich te onthouden van zulke handelingen. Derhalve zal de beloning zó zijn, dat Allah onze fouten voor anderen zal verbergen. In dit leven zijn we onderworpen aan gebreken. Als we de fouten van anderen niet verzwijgen, dan zal Allah ons in een situatie plaatsen waarin onze fouten aan andere mensen zullen worden blootgesteld en iedereen daarover zal spreken. Dus de straf is relevant -of van dezelfde aard als de handeling- als het een slechte handeling is. Wat betreft de fouten van de ulama (geleerden): tegenwoordig zien we een erg vreemde houding die afkomstig is van de kenniszoekenden n.l. het vinden van fouten van geleerden met een goede reputatie. Zo’n houding is nóg erger, omdat deze geleerden niet slechts gewone leken zijn. Indien de kwestie voor academische discussies of onderzoek gebruikt wordt, dan moeten wij er op een fatsoenlijke manier mee omgaan, zodat we de status van de geleerden hooghouden. Deze handelwijze moet worden gestopt omdat het veel negatieve consequenties zal hebben. Zoals de verklaring in de hadith: “Allah zal Zijn dienaar nét zolang helpen, als de dienaar zijn broeder helpt.” Dit is een verklaring van principe. Voor deze verklaring geeft de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) ons drie voorbeelden over de hulp van Allah voor degenen die anderen helpen. Maar moeten wij ons alleen beperken tot de behoeftigen, zoals in de hadith wordt vermeld? Het antwoord is ‘nee’. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) beveelt ons om onze broeders op alle mogelijke manieren te helpen. Er zijn verschillende manieren van hulp, bijvoorbeeld: een blind persoon helpen de straat over te steken, of een van de grote liefdadige handelingen die in hadith 25 en 26 worden genoemd. Hoe groter de hulp, hoe groter de beloning zal zijn. Dit is iets wat moslims zeer serieus moeten nemen, want als we een samenleving hebben die voor haar inwoners zorgt en waarin de mensen elkaar helpen, dan zullen er geen behoeftigen zijn. Dit zou onze houding moeten zijn. We moeten gemotiveerd zijn om ten alle tijden al onze moslimbroeders te helpen. Zoals in de volgende verklaring in de hadith: “Hij die een weg volgt om aldus kennis te vergaren, voor hem zal Allah de weg naar het paradijs gemakkelijk maken.” Hier vinden we de aanmoediging in de Islam voor het zoeken naar- en het verkrijgen van kennis. Mensen die kennis zoeken zullen worden beloond als deze kennis nuttig is voor hen, of voor het verbeteren van de moslimgemeenschap. De verklaring van de hadith kan op drie manieren geinterpreteerd worden:

1. Allah  zal het voor degene die naar kennis zoekt gemakkelijk maken om baat te hebben van de kennis die hij zoekt.

2. Allah zal het voor degene die naar kennis zoekt gemakkelijk maken om profijt te hebben van de kennis die hij zoekt, en die hem zal leiden naar het paradijs. Er zijn veel mensen die kennis zoeken maar er zijn geen zegeningen van Allah in de kennis die zij zoeken. Het cruciale punt hier, is dat de persoon met een goede intentie kennis moet zoeken.

3. Allah zal degenen die met een goede intentie kennis zoeken, veilig stellen in het doorlopen van de afschuwelijke incidenten op de Dag des Oordeels. Imam Ibn Rajab classificeert ilm (kennis) in twee typen:

1. Het resultaat van de kennis is geplaatst in het hart. Dat is de kennis van Allah en Zijn eigenschappen, wat resulteert in het vrezen, verheerlijken en liefhebben van Allah de Almachtige.

2. De kennis die we alleen maar onthouden of waar we over praten zonder dat het hart beïnvloed wordt. Dit betekent dat als een persoon zich niet houdt aan de kennis die hij al heeft verkregen, hij dan in een zeer kritieke situatie is waarin hij onderworpen kan worden aan de straf van Allah. Zoals in de volgende verklaring van de hadith: “Steeds wanneer de mensen in één van de huizen van Allah te zamen komen, het Boek van Allah reciteren, het gezamelijk reciteren en gezamelijk bestuderen, zal er innerlijke vrede op hen neerdalen, zal er genade op hen uitgestort worden, zullen de engelen hen omringen en zal Allah over hen spreken met degenen die bij Hem zijn.” Hier impliceert de hadith de verplichte gang naar de moskee om de Koran te reciteren en te bestuderen en religieuze lezingen bij te wonen etc. Ibn Rajab zegt dat dit op elk gebied van kennis kan worden toegepast en niet alleen op de Koran. De hadith noemt vier beloningen voor degenen die samenkomen in de moskee:

1. Er zal innerlijke vrede op hen neerdalen; dit is een grote beloning die stress verlicht en kalmte brengt. 2.De Genade van Allah zal over hen komen.

3. De engelen zullen hen omringen.

4. Allah zal over hen spreken met degenen die bij Hem zijn. Zoals de volgende verklaring van de hadith: “Hij die door zijn daden wordt tegengehouden, zal door zijn goede afkomst niet vooruitgeholpen worden.” Dit geeft aan dat het verrichten van daden een middel is om beloningen te verkrijgen die een persoon naar het paradijs zal doen leiden. Allah zegt: “Allen zullen op hun handelen worden beoordeeld.” Als er niet genoeg goede daden zijn, zal het geslacht of afkomst hem niet ten goede komen. Dit is omdat Allah beloningen geeft op basis van goede daden en niet op basis van afkomst. “Op die Dag is er geen verwantschap tussen hen...” (Soera al-Mu’minūn:101)

Conclusie

“Een moslim is de broeder van een andere moslim; hij doet hem geen kwaad en laat hem niet in de steek wanneer hij hem nodig heeft; wie voldoet aan de behoefte van zijn broeder zal door Allah in zijn behoeften worden vervuld.”

Deze hadith is een motivatie voor moslims om andere moslims te helpen, vooral degenen die in nood zijn. Stel je voor wat er ten goede zal komen aan de Ummah als de moslims elkaar helpen en als zij elkaars behoeften vervullen. We zullen uiteindelijk een betere samenleving hebben met minder behoeftige mensen en sterkere sociale banden die zullen leiden tot versterking en solidariteit van de moslim Ummah.

 Hadith 37: Hoe de daden worden vastgelegd.

De zoon van 'Abbas (Allah’s welbehagen zij met de vader en de zoon) vertelt dat de boodschapper van Allah (Allah’s vrede en zegeningen zijn met hem) van zijn Heer –de Gezegende en de Verhevende- dit kreeg overgeleverd: “Allah heeft de goede en de slechte daden vastgesteld. Vervolgens heeft Hij de volgende uitleg gegeven: “Als iemand van plan is om een goede daad te verrichten, maar daar niet toe komt, dan telt deze bij Allah als een volledig goede daad. Als iemand van plan is om een goede daad te doen en deze ook verricht, dan telt deze bij Allah als tien tot zevenhonderd of zelfs nog meer goede daden. Als iemand van plan is om een slechte daad te verrichten en deze niet uitvoert, dan telt deze bij Allah als een volledig goede daad. En als iemand een slechte daad van plan is en deze ook uitvoert, dan telt dit bij Allah als één slechte daad.” (In deze woorden door al-Bukhāri & Muslim in hun 'Sahih' overgeleverd) De Imams hebben het in hun ‘Sahih’ zo verwoord: “Dus kijk, mijn broeder, moge Allah ons helpen te zien hoe groot de vriendelijkheid van Allah is; dat Hij verheven moge worden! Denk na over Zijn woorden: ‘dan telt deze bij Allah,’ wijzen op Zijn grote zorg met betrekking tot dit; en Zijn woord ‘volledig’ is om iets te benadrukken, niet om te wijzen op de intensiteit van Zijn zorg met betrekking tot dit. Wat betreft de slechte daad die men van plan is te doen, maar die men daarna opgeeft, zegt Hij: “Dan telt deze bij Allah als een volledig goede daad, met de nadruk op het woord ‘volledig’ (kāmilah); en wanneer hij deze daad wel zou verrichten, dan zou Hij het alleen als één slechte daad registreren, waarbij het woord ‘één’ door Hem wordt benadrukt als iets heel kleins. Dus alle lof en gratie voor Allah! Onze lofprijzingen voor Hem zijn ontelbaar en bij Allah ligt het succes.”

 Achtergrond

Deze hadith wordt beschouwd als een Hadith Qudsi, zelfs al laat de tekst van de hadith dit niet duidelijk of expliciet zien. De hadith met deze tekst is een verduidelijking van het gedeelte van profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam) over de manier waarop daden worden vastgelegd. Er zijn andere versies van deze hadith door al-Bukhari en Muslim vastgelegd, ook in de vorm van een Hadith Qudsi en op een erg duidelijke manier. Een van deze is de volgende versie die door Ibn Rajab is toegelicht: Allah zei tegen Zijn engelen: “Als Mijn dienaar het uitvoeren van een zonde overweegt, registreer het dan niet in zijn nadeel. Als hij ernaar handelt, registreer het dan als een zonde. Als hij overweegt een goede daad te doen, maar hij deze niet uitvoert, registreer het dan als een goede daad en als hij werkelijk de goede daad uitvoert, registreer het dan als tien goede daden.”  Men kan zich afvragen hoe dit kan worden beschouwd als een Hadith Qudsi, omdat de tekst dit niet vermeld. De vermenigvuldiging van goede daden en het registreren van alleen één zonde wanneer iemand een zonde begaat, is een bekend principe in de Islam dat zowel in de Koran als in de sunnah wordt benadrukt, zoals b.v. in soera al-An-am:160. Allah zegt: “Wie een goede daad verricht zal tien maal zoveel ontvangen, maar wie een slechte daad verricht zal alleen een daaraan gelijke vergelding ontvangen.”

 Lessen

Wat hierboven word genoemd is een algemene regel. Er zijn echter een paar uitzonderingen, omdat de zonde soms vanwege bepaalde redenen groter wordt beschouwd. Twee van deze redenen zijn: de eer van tijd, zoals de vier maanden (al-‘ashur al-hurum) en de plaats, zoals Mekka. Dit is de mening van Ibn ‘Abbas (de verteller van de hadith) and Qatāda. Voor de maand van de Ramadan zijn er twee hadiths waarin wordt gesteld dat zonden groter worden beschouwd tijdens de Ramadan en tijdens de ‘Hajj’ (pelgrimstocht) Dit kunnen we lezen in soera al-Baqarah:197. Een voorbeeld m.b.t. de eer van de plaats Mekka, zegt Allah in soera al-Hajj:25 : “...........en wie wenst daarin het slechte te doen door onrechtpleging, Wij zullen hem van een pijnlijke bestraffing doen proeven.”  Sommige van de metgezellen van onze geliefde profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vermeden vanwege dit vers bepaalde handelingen in Mekka. Een ander criterium om de zonden groter aan te merken is de nobelheid van de persoon die de zonde begaat. Dit is, zoals Ibn Rajab zegt, wanneer het iemand betreft die kennis heeft van Allah en Zijn Eigenschappen; zijn verbondenheid met Allah zal voorkomen dat hij zonden begaat. En áls hij een zonde begaat, zal deze groter worden aangemerkt dan die van een gewone moslim. De hadith noemt vier soorten van daden:

 1. Goede daden doen: met als resultaat een vermenigvuldiging van beloningen.

 2. Slechte daden doen: elke slechte daad zal als één zonde worden geregistreerd.

 3. De intentie hebben om goede daden te doen: elke intentie zal geregistreerd worden als een goede daad, zelfs als deze niet is verricht.

‘Intentie’ betekent hier dat we een groot verlangen en sterke vastberadenheid hebben om de daad te verrichten en er niet slechts aan denken. Sommige voorbeelden van dit type zoals door Ibn Rajab word vermeld, zijn:

 ● Als iemand de intentie heeft om midden in de nacht op te staan om het nachtgebed uit te voeren, maar daarin faalt omdat hij zich verslaapt.

 ● Als iemand de intentie heeft om te vasten en te bidden.

 ● Als iemand de intentie heeft om de Jihad of de ‘Umrah te gaan doen.

 ● Als iemand de intentie heeft om de Hajj te gaan doen.

(Pelgrimstocht) Dus als een Moslim de intentie heeft om een van de hierbovengenoemde dingen te doen en daar vastberaden in is, zal het geregistreerd worden alsof hij ze heeft gedaan. Maar het compenseert niet de verplichting het te doen wanneer er een mogelijkheid is.

4. De intentie hebben om een slechte daad te verrichten zonder dit werkelijk te doen. Andere moslimgeleerden relateren het aan de intentie (niyyah). Er is hier een overlapping tussen intentie en keuze, omdat de intentie ontstaat wanneer de keuze is gemaakt. Wanneer een kwestie of een principe –afkomstig van een hadith- wordt besproken en er verschillende overleveringen zijn van de hadith, dan zullen de geleerden de tekst van de hadiths vergelijken. In een andere versie die is overgeleverd door Abu Hurayrah Radiyallahu ‘Anhu, zegt Allah: “Hij zag af van het plegen van de zonde voor de zaak van Allah.” Ibn Rajab zegt dat dit refereert naar het gedeelte van de hadith waar degene de intentie heeft een slechte daad te doen en ertoe in staat is, maar het niet doet uit vrees voor Allah. Ibn Rajab ging verder met te zeggen dat dit persoon hiervoor beloond zal worden. Dit zal beschouwd worden als een hasanah (goede daad) omdat het vermijden van deze slechte daad met goede intentie, een goede daad op zichzelf is. Ibn Rajab noemt verschillende andere situaties:

a: Degene die besluit, of alleen de intentie heeft om de slechte daad uit te voeren maar er zich later van onthoudt uit vrees voor de mensen, of hij wil door hen niet worden beschuldigd. Volgens Ibn Rajab hebben sommige geleerden de mening dat deze persoon gestraft zal worden.

b: Iemand besluit om de slechte daad uit te voeren, maar is daar niet toe in staat vanwege externe factoren. Bijvoorbeeld:iemand breekt in om dingen te stelen, maar dat lukt niet en hij rent weg omdat er in de buurt een politieauto patrouilleert. Sommige geleerden zeggen dat hij gestraft zal worden, zelfs al heeft hij de diefstal niet gepleegd.

c: Iemand die de intentie heeft om een slechte daad uit te voeren en de inspanningen daarvoor maakt, maar niet in staat is deze uit te voeren vanwege zijn gebrek aan kracht of mogelijkheden. Geleerden zeggen dat dit persoon zal worden gestraft. Bijvoorbeeld: als twee moslims met elkaar vechten met de intentie elkaar te vermoorden -zoals verteld in een bekende hadith, waar zowel de moordenaar en degene die vermoord is in het Hellevuur terechtkwamen. De metgezellen vroegen: “O, Boodschapper van Allah, dit is de moordenaar; hoe zit het met de arme persoon die vermoord is?” De Profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam zei dat degene die vermoord was de intentie had om zijn vriend of broeder te vermoorden, maar daar niet toe in staat was en dus zelf werd vermoord. d: Iemand die de intentie heeft om een slechte daad uit te voeren en er met anderen over spreekt, maar het niet doet. Sommige geleerden zeggen dat hij gestraft zal worden vanwege zijn slechte intentie. Andere geleerden zeggen dat hij niet gestraft zal worden, tenzij zijn uitspraken zelf een ongeoorloofde handeling zijn zoals laster, roddelen en liegen.

e. Iemand die de intentie heeft om een slechte daad uit te voeren maar van gedachten veranderd omdat zijn begeerte daartoe is afgezwakt en verminderd. Men kan zich afvragen of een dergelijk individu zal worden onderworpen aan straf of anderszins. Ibn Rajab zegt dat deze situatie in twee categorieën kan worden geclassificeert:

1) De intentie om de zonde te begaan was slechts een gedachte; het is niet geplaatst in het hart van de persoon, noch is het gepleegd en hij betreurt de gedachte onmiddellijk. Ibn Rajab zegt dat dit persoon zal worden vrijgesteld. Bijvoorbeeld: wanneer iemand die aan het vasten is tijdens de Ramadan koud water ziet, en hij een vluchtige gedachte heeft om het vasten te breken om te drinken, maar er dan van afziet. Dit persoon zal vergiffenis krijgen omdat de inbedrijfstelling van de zonde niet in zijn hart ontstond.

2) De slechte daad heeft plaatsgenomen in het hart en de persoon blijft er aan denken. Geleerden zeggen dat dit in twee categorieën geclassificeert kan worden:

• De daad is een actie van het hart; zoals het hebben van twijfels over Allah’s eenheid, het Profeetschap of de Dag van de Opstanding etc. Geleerden zeggen dat dit persoon gestraft zal worden. Ibn Rajab zegt ook dat er andere zonden zijn die gerelateerd zijn aan het hart, zoals het houden van iets wat Allah haat, of iets haten waar Allah van houdt. Arrogantie, afgunst en vermoedens zonder geldige reden. Al deze zijn strafbaar.

• De daad is een actie van de ledematen; zoals overspel plegen, stelen, wijn drinken, moorden etc. Ibn Rajab zegt over deze categorie dat als de persoon blijft denken aan zo’n handeling en hij het verlangen en de wil heeft, hij gestraft zal worden. Er is een andere visie die zegt dat hij vergiffenis zal krijgen omdat hij het niet werkelijk heeft uitgevoerd. De derde visie staat gelijk aan de tweede, maar met een uitzondering: wanneer het gebeurd in de al-Harām moskee in Mekka.

f. Iemand heeft eenmaal een zonde begaan en heeft daarna de intentie om -wanneer dat mogelijk is- dit te herhalen. De persoon is hardnekkig ongehoorzaam. Hij zal gestraft worden voor zijn slechte intentie, zelfs als er een lange tijd tussen twee handelingen zit. In een versie van de hadith zegt Allah dat als iemand een zonde begaat, Allah het zou kunnen registreren als louter een zonde, óf Hij kan de zonde weglaten vanwege het berouw van de zondaar, óf de zondaar heeft goede daden verricht, zoals vermeld in hadit 18: “Vrees Allah waar je ook bent en laat een goede daad een slechte daad opvolgen zodat deze haar uitwist en gedraag je goedhartig tegenover mensen..”

 Conclusie

In een versie van deze hadith wordt gezegd dat degene die er niet in slaagt om gered te worden, groot verlies lijdt. Dit betekent dat deze persoon meer slechte dan goede dingen heeft gedaan en dat hij wordt beschouwd als een mislukking. Allah´s Genade en Barmhartigheid is erg groot omdat Hij goede daden met soms wel 700 vermenigvuldigd en omdat Hij vergeeft wie Hij wil vergeven. Als na alle kansen en mogelijkheden die Allah ons geeft, wij nog steeds volharden in ongehoorzaamheid door slechte dingen te doen, wegen aan het einde onze slechte daden zwaarder dan onze goede en zijn we werkelijk grote zondaren en overtreders. We kunnen niemand -behalve onszelf- de schuld geven. Er is een gezegde van Ibn Mas’ud: “Wee degene wiens zonden zwaarder wegen dan de goede daden.” De profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam zei tegen zijn metgezellen: “Wie beschouw je als ‘arm’?” Zij zeiden: “Degene die geen dinar of dirham (geld) heeft.” De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)zei: “De echte ‘arme’ is degene die met bergen goede daden komt, maar ook met veel slechte daden die verband houden met het aanvallen en beschadigen van mensen.” In dit geval worden de slechte daden niet gemakkelijk overgeslagen omdat zij gerelateerd zijn aan de rechten van de mensen. Dit persoon kan anderen kwaad doen met laster, roddel, moord etc. Als resultaat zullen de goede daden hem –als zaak van rechtvaardigheid- worden afgenomen in het  hiernamaals. Ter aanvulling zegt de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam, dat een gedeelte van de slechte daden van de mensen die hij verkeerd heeft behandeld, aan zijn ‘lijst’ zullen worden toegevoegd en het resultaat zal zijn dat hij in het Hellevuur wordt gegooid. Stel je voor hoe ongelukkig de situatie van de ‘arme’ is. We moeten goed over deze hadith nadenken en er zeker van zijn dat we andere moslims niet kleineren, in de steek laten of iets anders aandoen. We moeten vriendelijk zijn voor dieren, omdat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei dat een vrouw in het Hellevuur werd gegooid omdat zij haar kat mishandelde. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vertelt ook over een erg vrome vrouw die goede daden deed, maar altijd haar buren irriteerde en lasting viel. Ook zij zal het Hellevuur binnengaan. Moslims moeten voorzichtig zijn wanneer het gaat over de omgang met andere mensen. Tenzij de mensen die we verkeerd behandeld hebben ons vergeven, want anders worden we ook verantwoordelijk gehouden voor de overtredingen die zij begaan. Dit heeft te maken met onze akhlāq en waarden als moslim zijnde. Als we succes willen bereiken in dit leven en in het  hiernamaals, moeten we ons echt zorgen maken over deze kwestie.

Hadith 38: Het concept van Wilāyah (de dienaren die dicht bij Allah zijn) Abū Hurayrah (Allah's welbehagen zij met hem) heeft gezegd: De boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) zei: 'Allah, de Verhevene, heeft gezegd: “Als iemand zich vijandig opstelt tegenover één van Mijn vrienden, dan zal Ik hem de oorlog verklaren. Niets doet Mij een groter genoegen dan dat Mijn dienaar bezig is met de religieuze verplichtingen die Ik hem heb opgelegd. Mijn dienaar komt steeds dichter bij Mij door onbaatzuchtige daden en vroomheid, net zolang tot ik hem liefheb. En als Ik hem liefheb dan ben Ik het oor waarmee hij hoort en het oog waarmee hij ziet en de hand waarmee hij slaat en de voet waarmee hij loopt. Als hij Mij om iets zou vragen, dan zou Ik het zeker aan hem geven. En als hij Mij om bescherming vraagt, dan zal Ik die zeker geven.”(Overgeleverd door al-Bukhāri)

Achtergrond

De vertaling van de term wali, genoemd in de hadith, betekent een dienaar die dicht bij Allah is, of een ware gelovige. Er zijn vele verzen in de Koran die over het concept van wilayah spreken. Deze verzen bespreken de kwaliteiten of eigenschappen van awliya’ (meervoud van wali) en hun status in de ‘ogen’ van Allah. In deze hadith bespreekt Allah de status van de wali zelfs vóór Hij over Zijn eigenschappen spreekt. Deze status wordt genoemd aan het begin (d.w.z. Allah verklaard de oorlog aan iedereen die zich vijandig opstelt tegen een van zijn trouwe dienaren) en aan het einde (d.w.z. Allah zal hun du’a beantwoorden en toevlucht geven). Dit toont de status van awliya in de ‘ogen’ van Allah de Almachtige. In het midden van de hadith verteld Allah ons over de kwaliteiten van Zijn trouwe dienaren. De hadith verteld ons dat Allah houdt van degenen die als dienaar ‘dichter’ bij Hem staan. Dit is het natuurlijke gevolg van wat ze doen. Allah verteld ons van hun daden, waarmee zij het verdienen door Hem geliefd te worden. We kunnen zien dat er twee niveaus zijn van dienaren van Allah. Het eerste niveau betreft degenen die hun verplichtingen (wajibāt) vervullen en de verboden (muharramāt) vermijden. Het tweede niveau betreft degenen die niet alleen dit (wat hiervoor wordt genoemd) doen, maar ook de handelingen die voorkeur hebben (nāwāfil) uitvoeren. Het concept van wilāyah (awliyā van Allah) is gebaseerd op de verzen van de Koran en deze hadith. In de Koran zijn drie verzen in soera Yunus:62-63-64. “Ziet! Voorzeker, de vrienden van Allah zullen geen vrees hebben, noch zullen zij treuren. Zij die geloven en zich aan rechtvaardigheid houden, er zijn voor hun blijde tijdingen in het tegewoordige leven en het  hiernamaals.”  Gebaseerd op deze drie verzen en deze Hadith Qudsi, kunnen we stellen dat het concept van wilāyah uit het volgende bestaat:

 1. De liefde van Allah

 2. De vrees voor Allah

 3.Geloof in Allah en Zijn  boodschappers ‘alyhum al salām.

 4.Toewijding, oprechtheid en eerlijkheid naar

 Allah.

 5.Gehoorzaamheid aan Allah en Zijn instructies opvolgen; hieronder valt het verrichten van goede daden.

 Het motief voor deze gehoorzaamheid is gebaseerd op vrees, berouw en onderwerping aan Zijn wil. De oorsprong van wilāyah is de nabijheid van Allah. De awliyā van Allah zijn degenen die gehoorzaam zijn en goede daden verrichten, wat hen dichter bij Allah brengt. Aan de andere kant zijn de vijanden van Allah de boosdoeners en degenen die het rechte pad niet volgen. Het resultaat van hun slechte handelingen zorgt er voor dat ze op grote afstand zijn van Allah. Dit brengt hen op een afstand van Allah’s zegeningen, steun en liefde.

 Lessen

In het eerste gedeelte van de hadith: “Niets doet Mij een groter genoegen dan dat is hij bezig is met de religieuze verplichtingen die Ik hem heb opgelegd. Mijn dienaar komt steeds dichter bij Mij door vrijwillige daden en vroomheid, net zolang tot ik hem liefheb.” Allah classificeert Zijn dienaren in twee categorieën.

1. De eerste categorie zijn degenen die dichter bij Allah komen door het vervullen van de verplichtingen en het vermijden van de verboden. Dit is een gematigd niveau dat in de Koran wordt beschreven als ashāb al-yamīn. Dit is het laagste niveau van wilāyah. M.a.w. wilāyah bereikt men gewoon door het vervullen van de verplichtingen en het vermijden van de geboden. Dit niveau verwacht men van alle gelovigen.

2. De tweede categorie van mensen zijn degenen die dichter bij Allah zijn, door toegewijd en volhardend (al-sābiqūn) te zijn in aanbidding en inspanning en door te streven dichter bij Allah te komen. Deze categorie van mensen zijn niet tevreden met slechts het vervullen van wat verplicht is; zij gaan verder door de aanbevolen handelingen (nawāfil) ook uit te voeren. Zij vermijden ook de afgeraden handelingen (makrūhāt). Bijgevolg, zullen ze de graad van warā (vroomheid) en wilāyah bereiken, wat ervoor zorgt dat Allah van hen houdt. Allah vermeldt expliciet dat zijn liefde zal worden toegekend aan deze competente mensen. Sommigen van de vroege salaf (vrome voorgangers) zeggen dat het probleem niet is of jíj van Allah houdt, maar of dat Allah van joú houdt. Dus als je geliefd bent bij Allah krijg je Zijn genade, zegeningen, steun en begeleiding. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei altijd de volgende du’ā: “O Allah, ik vraag ﷻ‬ van mij te houden en van degenen die van ﷻ‬ houden en ik vraag ﷻ‬ om mij in staat te stellen te houden van elke handeling die mij dichter tot ﷻ‬ kan brengen.”  Vanwege deze reden zeggen sommige van de vroege geleerden, dat degenen die de handelingen van aanbidding uitvoeren die gebaseerd zijn op liefde voor Allah, vasthoudend zijn in hun handelen en nooit depressief of gefrustreerd zijn. Degenen die van Allah houden zullen zich nooit vervelen wanneer zij goede daden doen die hen dichter bij Allah brengen. Het hart van iemand die van Allah houdt is er een dat is gezuiverd. Hoe sterker de liefde van een dienaar van Allah, hoe meer zijn hart is gezuiverd. Hij zal altijd zoeken en streven goede handelingen te doen die hem dichter bij Allah brengen en zal dat met het grootste plezier doen. De vroege geleerden van de Islam stellen dat iemand die van Allah houdt, de Almachtige natuurlijk gehoorzaamd. Dus, men zou dichter bij Allah kunnen komen door handelingen van aanbidding uit te voeren die nawāfil (onbaatzuchtig) zijn.

 • Salāt an-nawāfil; of de te verkiezen gebeden die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dagelijks uitvoerde.

 • Het reciteren van de heilige verzen van de Koran en er met volle aandacht en begrip naar luisteren.

 • Het gedenken van Allah waarbij dat wat wordt geuit met de tong overeenkomt met dat, wat in het hart is.

 • Houden van andere goede Moslims die dichter bij Allah zijn.

Het tweede gedeelte van deze hadith volgens Ibn Rajab: “En als Ik hem liefheb dan ben Ik het oor waarmee hij hoort en het oog waarmee hij ziet en de hand waarmee hij slaat en de voet waarmee hij loopt.” Deze grote uitspraak impliceert dat degenen die streven, strijden en zich inspannen (om dichter bij Allah te komen door dat te doen wat verplicht is, gevolgd door wat aanbevolen is) hem op een hoger niveau zal brengen totdat hij het niveau van Ihsān bereikt. Op dit niveau zal hij in staat zijn om murāqabah te beoefenen, waarbij hij Allah aanbidt alsof hij Hem ziet en waarbij zijn hart vol is met liefde voor Allah. In zo’n situatie zal Allah hem overladen met Zijn genade en de gelovige helpen om het gemakkelijker te maken voor de dienaar van Allah om Hem te aanbidden en te verheerlijken. Dit zal worden versterkt door het verrichten van de te verkiezen handelingen van aanbidding en wel in die mate, dat het hart volledig toegewijd is aan niets anders dan Allah. Zo’n hart zal niet ‘gevangen’ of beïnvloedt worden, of aan iets anders verslaafd raken. De ledematen van de eigenaar van zo’n hart zullen allen doen wat Allah liefheeft. Hij zal alleen dát zien, horen en doen wat Allah ziet, hoort en doet. In feite zeggen sommige van de salaf (vroege geleerden) dat er door een dergelijk persoon geen zonde zal worden gepleegd. Dit is een van de produkten van Tawhīd, zoals het kalimah (woord) “Lā ilāha illa Allah” betekent dat we alléén Allah  moeten aanbidden, verheerlijken, gehoorzamen en liefhebben, en Hem het meest moeten vrezen. Zondigen zal alleen plaatsvinden als degene houdt van wat Allah haat, of haat wat Allah liefheeft. Het zal ook plaatsvinden als eigenbelang prioriteit heeft en overwicht heeft op de liefde voor Allah. Dit zal ertoe leiden dat het Tawhīd aspect van het individu gebreken vertoont. Het derde gedeelte van deze hadith: “Als hij Mij om iets zou vragen, dan zou Ik het zeker aan hem geven. En als hij Mij om bescherming vraagt, dan zal Ik die zeker geven.” Dit betekent dat de awlīya’ van Allah een speciale status voor Allah hebben. De verzoeken en de du’ā (smeekbeden) van deze mensen zullen beantwoord worden. Dat, waarin hij toevlucht zoekt, zal ook worden begeleid. In het hoofdstuk van Isn’ ādhah van Sunan al-Imam al-Nasā’i staan vele hadiths die vertellen over de uitspraken van onze geliefde Profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam; waar hij altijd toevlucht voor zocht. Dit ging over kwesties zoals armoede, onwetendheid, de straf van het graf, verdriet en depressie in dit leven en verschillende ziekten. Sommige van de hadiths zijn in de vorm van du’ā waarop de liefde van Allah wordt verzocht en dat wat we verzoeken, verleend zal worden. Buiten dat, zijn we ook gered van de verschillende soorten schade die hierboven worden genoemd. Het laatste wat vermeld moet worden is de ernstige misvatting over wie de awlīya eigenlijk zijn. In het algemeen lijken moslims een misverstand te hebben over wie een dergelijk persoon is en wat de kenmerken zijn. Het grootste deel van wat de moslims beschouwen als eigenschap van een walī, is in strijd met wat er in de Koran en de Hadith staat. Het meeste is in feite gebaseerd op valse verklaringen. Deze verklaringen zijn meestal in de vorm van ‘speciale talenten’ of karāmah. De misverstanden ontstaan wanneer mensen een walī beschrijven als iemand die ‘speciale talenten’ of karāmah heeft, in plaats van iemand die ‘trouw en standvastig’ is het aanbidden van Allah. Dit is waarom we vinden dat degenen die een dergelijke verklaring afleggen, meestal degenen zijn wiens houding en daad van aanbidding in strijd zijn met dat van de ware leerstellingen van de Islam. In de meeste gevallen gebruiken deze awliyā de ‘speciale talenten’ om aandacht en gehoorzaamheid van de mensen te verkrijgen en zelfs om geld te verdienen. Hoe kan in zo’n situatie iemand een walī zijn? De ware awliyā van Allah zal wilayāh niet misbruiken, noch dit gebruiken om reclame voor zichzelf te maken; een wilayāh is niet wat hij beweert, maar eerder wat er in het hart is als gevolg van de liefde voor Allah. Zo’n misverstand moet gecorrigeerd worden omdat de overgrote meerderheid van de moslims nog steeds in de war is over de vraag van de wilāyah. Imam Shatibi stelt een aantal criteria voor wilāyah of karāmah omdat zij alleen toegekend worden aan degenen die dicht bij Allah zijn. Een walī zou te verlegen zijn om te beweren dat hij dichter bij Allah is dan anderen, want dat zou alleen in tegenspraak zijn met het begrip van ikhlās (oprechtheid).

 Conclusie

Deze hadith vermeld op een duidelijke manier de belangrijkste basisconcepten of principes van de Islam. Door deze hadith te bestuderen zal men te weten komen wat het concept van wilāyah (dicht bij Allah) betekent, wat de status is en wat de eigenschappen zijn van de awliyā. Deze hadith is eigenlijk een waarschuwing voor degenen die misschien schadelijk zijn voor de algemene gelovigen en de trouwe dienaren van Allah. Allah verklaard oorlog aan degenen die zich vijandig opstellen tegen een van zijn awliyā (trouwe dienaren). Deze hadith kan worden gezien als een algemene booschap aan alle gelovigen en ongelovigen, om anderen geen kwaad te doen of een vijand te worden van Allah door de gelovigen te schaden. Dit is hoe de situatie zal zijn in dit leven en in het  hiernamaals. Allah weet wat ons ten gunste komt of anderszins. Dit is de ware reden waarom er situaties zijn waarin gelovigen een verzoek doen aan Allah de Almachtige, maar er niet aan het verzoek werd voldaan. Dit, vanwege het feit dat de dingen waar zij om vragen misschien henzelf of anderen kunnen schaden. Dit is ongeacht of zij zich de gevolgen realiseren van de du’ā toen deze werd aangeroepen. Het is erg belangrijk voor ons om te weten dat ongeacht of de du’ā wordt vervuld, er als resultaat nog steeds zegeningen en genade zullen zijn van Allah. In feite worden de zegeningen ook toegekend in het  hiernamaals.

 Hadith 39: Wat wordt deze Ummah vergeven?

Volgens de zoon van ´Abbās (Allah´s welbehagen zij met vader en zoon) heeft de boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) gezegd: “Omwille van mij, vergeeft Allah mijn gemeenschap hun vergissingen, hun vergeetachtigheid en al datgene wat ze onder dwang gedaan hebben.” (Een goede hadith, door Ibn Majah, al-Bayhaqi en anderen overgeleverd)

 Achtergrond

Wat er in deze hadith verklaard wordt is ook benadrukt in de Koran, in soera al-Baqarah, Āyah 286:

“Onze Heer, straf ons niet als wij vergeten of een fout hebben begaan.” Een andere vertaling van de betekenis van de Āyah: “Onze Heer, neem ons niet onder handen wanneer wij vergeten of fouten maken.”

Allah zegt in soera al-Ahzāb, āyah 5: “....en er is geen zonde voor u in datgene waarin gij u vergist, maar wel in hetgeen uw hart zich heeft voorgenomen. Allah is Vergevingsgezind, Genadevol.” Allah zegt ook in soera al-Nahl, āyah 106: “Wie Allah verwerpt, na te hebben geloofd; behalve hij die wordt gedwongen terwijl zijn hart in het geloof vrede blijft vinden.....”

 Lessen

Als men vergiffenis krijgt voor wat men uit vergeetachtigheid of per ongeluk heeft gedaan, betekent niet dat dit geen gevolgen heeft. Dit betekent dat iemand misschien vergiffenis krijgt maar dat hij nog steeds verantwoordelijk is voor zijn handelen. De gevolgen hiervan kunnen in drie categorieën geclassificeert worden:

1. Er zijn fouten die geen consequenties hebben, b.v. wanneer een moslim tijdens de Ramadan uit vergetelheid overdag eet. De meerderheid van de geleerden stellen dat zijn vasten nog steeds geldig is en dat hij (deze dag) niet hoeft te herhalen. Deze mening is gebaseerd op de hadith -die is overgeleverd

door Imam al-Bukhāri en Imam Muslim- waarin we kunnen lezen: “Elke Moslim die tijdens de Ramadan eet uit vergeetachtigheid, zal worden verontschuldigd en vergeven.”

2. Er zijn handelingen die per ongeluk of uit vergeetachtigheid gebeuren en die consequenties hebben, b.v. als iemand een moslim per ongeluk doodt; zoals bij een auto-ongeluk of bij ongevallen op het werk. Het is onder de geleerden bekend dat er voor dit persoon geen consequenties zijn. Er is geen kaffārah (boetedoening), maar hij moet de fidyah betalen, zoals de Koran vermeld. Een ander voorbeeld: iemand veroorzaakt per ongeluk schade aan het eigendom van iemand anders. Dit persoon is verantwoordelijk en moet de schade compenseren, zelfs al heeft Allah hem vergeven en wordt de daad niet beschouwd als een zonde.

3. Er zijn handelingen waarbij de moslimgeleerden verschillende meningen hebben over of er nu wel of geen consequenties zijn. Bijvoorbeeld, als iemand uit vergetelheid spreekt tijdens zijn gebed: moet hij dan zijn gebed herhalen? Sommige geleerden zijn van mening dat hij het gebed moet herhalen, terwijl anderen zeggen dat hij verontschuldigd en vergeven wordt. Een ander voorbeeld: wanneer iemand een eed aflegt of zweert bij Allah iets niet te doen en hij het dan per ongeluk of uit vergetelheid toch doet. Sommige geleerden zeggen dat hij verantwoordelijk is, niet vergeven wordt en dat hij kaffārah moet doen. Een derde voorbeeld is, als iemand in de staat van muhrīm is: hij heeft de intentie om de ‘Umrah en de Hajj te verrichten en jaagt dan per ongeluk op een dier of doodt het per ongeluk. Wordt hij vergeven? D.w.z. wordt dit niet beschouwd als een zondige handeling? Dit is een omstreden kwestie onder de geleerden. Wordt hij vergeven en niet gestraft, maar moet hij betalen en is hij verantwoordelijk? Ibn Rajab stelt dat de persoon die per ongeluk of uit vergetelheid handelt verontschuldigd zal worden en dat de zonde zal worden verwijderd omdat de zondige handelingen niet opzettelijk zijn gedaan. Niettemin, wat de verantwoordelijkheid ook is, dit is niet waar het in de hadith over gaat. De hadith sluit voor niemand iets uit, met inbegrip van elke vorm van verantwoordelijkheid of uitspraak. Dit is een belangrijk punt, omdat sommige moslims het misverstand hebben dat zij volledig verontschuldigd zijn en de consequenties niet hoeven dragen. Volgens Ibn Rajab Rahimahullahu Ta’āla, kunnen er situaties voorkomen waarin iemand geforceerd wordt dingen te doen die in de Islam niet acceptabel zijn. Dit wordt ikrāh (dwang) genoemd. Hier volgen twee categorieën:

1. Iemand wordt verontschuldigd als hij machteloos is en zijn slechte daad (of wat onacceptabel is in de Shari’ah) niet kon voorkomen.

2. De persoon wordt gedwongen om iemand anders kwaad te doen. In dit geval kijken we naar de kwestie vanuit het perspectief waarbij hij controle heeft over zijn daden en in staat is de schade te vermijden. Niettemin is zijn bedoeling de schade van zichzelf te verwijderen in plaats van de andere persoon te schaden. Wat is de regel in zo’n situatie? Geleerden zijn van mening dat er bepaalde handelingen zijn die een moslim niet moet doen (d.w.z: anderen schade toebrengen) ondanks het feit dat dit kan leiden tot nadelige gevolgen voor hem zelf. Bijvoorbeeld: hij wordt gedwongen om een ander persoon te vermoorden. Dit mag hij niet doen, omdat het een grote zonde is en moslims moeten hun best doen om dit te voorkomen. Maar geleerden hebben verschillende meningen die betrekking hebben op soortgelijke situaties en handelingen, bijvoorbeeld wanneer een moslim een eed aflegt om iets niet te doen, maar later wordt geforceerd deze te breken. Sommige geleerden zeggen dat hij in dit geval de eed mag breken. Andere geleerden zeggen dat hij de handeling niet moet verrichten en dat hij aansprakelijk wordt gesteld. Als het zijn keuze niet is, valt het onder de eerste categorie. Evenzo, als iemand geforceerd of bedreigd wordt, of zelfs wordt geslagen om zo schade te veroorzaken aan het eigendom van iemand anders, zeggen de geleerden dat hij zijn best moet doen om niet te veel schade aan te richten. In dit geval zal hij worden verontschuldigd en is de handeling niet zondig, maar blijft hij verantwoordelijk voor de aangerichte schade. Het tweede geval waarin de moslimgeleerden verschillen zijn de verboden handelingen zoals het drinken van wijn. Sommige geleerden zeggen dat als iemand geforceerd wordt, hij dan wordt verontschuldigd, terwijl anderen het tegenovergestelde beweren, zelfs al zou hij gedwongen worden. Een andere mening of categorie, is het verschil tussen taal en handeling. Op het gebied van taal kan een persoon worden gedwongen iets te zeggen dat ongeoorloofd is. De geleerden zeggen dat hij geen taqiyyah moet beoefenen. Taqiyyah betekent: iets zeggen of doen waar je niet in geloofd en waar je niet tevreden over bent. Dit geldt alleen voor uitspraken en niet voor handelingen. Wat betreft deze kwestie zijn moslimgeleerden het er over eens dat een persoon onder dwang wordt toegestaan om te zeggen wat ontoelaatbaar is volgens de wetten van de Shari’ah. Niettemin is er een andere voorwaarde die de geleerden hebben vastgelegd: de persoon onder dwang moet zeker zijn van de mogelijke gevaren waarmee hij wordt geconfronteerd en het niet slechts inbeelden of aannemen. Wat in deze hadith vermeld wordt mag niet worden misbruikt. Tegenwoordig misbruiken sommige moslims wat de hadith impliceert, door het te gebruiken als een excuus om geen verantwoording te dragen of om een belofte te breken. Allah kent onze intenties en we moeten deze hadith niet gebruiken om te ontsnappen aan het vervullen van een verantwoordelijkheid, verbintenis of verplichting.

 Conclusie

De Islam moedigt Ihsān, kwaliteit, uitmuntendheid in het werk en het gevoel van verantwoordelijkheid aan en het ontmoedigt roekeloosheid, nalatigheid en achteloosheid. Echter, de Islam houdt zowel rekening met het karakter van de mensen als met hun tekortkomingen. Er wordt ook rekening gehouden met de onvermijdelijke situaties die zij kunnen ondergaan. Er moet ook worden opgemerkt dat de Islam stimuleert om te leren van fouten en ervaringen. Dat is waarom profeet Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt: “Een moslim moet niet twee keer in hetzelfde gat vallen.” We moeten voorzichtig zijn zodat we anderen geen schade berokkenen, zoals verteld wordt in hadith 32: “Doe geen kwaad en vergeldt geen kwaad met kwaad” We moeten de omvang van de schade en de consequenties van de fouten zoveel mogelijk minimaliseren. Ondanks het feit dat men verontschuldigd of vergeven kan worden voor zijn handelingen, moet men nog steeds de volledige verantwoording dragen voor de gevolgen. We moeten naar deze hadith in haar geheel kijken en niet afzonderlijk. De Islam ontmoedigt ons om roekeloos of nalatig te worden, of te voelen dat we niet aansprakelijk zijn voor onze handelingen. We moeten een compleet perspectief hebben van wat de Islam al heeft vastgesteld of benadrukt heeft, b.v. uitmuntendheid in ons gedrag en de volle veranwoordelijkheid van onze handelingen. Vanwege het feit dat we mensen zijn en dus uit vergetelheid fouten kunnen maken, heeft de Islam bepalingen voorgeschreven om ons te verontschuldigen en ons te vergeven voor deze fouten. Dit betekent echter niet dat we zijn vrijgesteld van het dragen van een aantal consequenties.

Hadith 40: De houding van de moslim in het wereldse leven. De zoon van 'Umar (Allah's welbehagen zij met vader en zoon) heeft gezegd: ‘De boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) pakte me bij mijn schouders en zei: “Leef in de wereld alsof  je een vreemdeling of een reiziger bent'. De zoon van 'Omar (Allah's welbehagen zij met vader en zoon) placht in verband hiermee het volgende te zeggen: 'Als het avond wordt, verwacht dan niet dat het weer ochtend wordt en als het ochtend wordt, verwacht dan niet dat het weer avond wordt. Als je gezond bent, moet je je op ziekte voorbereiden en als je leeft, moet je je op de dood voorbereiden'. Als je iets goeds kunt doen, doe dat dan meteen. Je weet niet wanneer je zult sterven.” (Overgeleverd door al-Bukhāri)

 Achtergrond

Er zijn veel verzen in de Koran die vergelijkingen maken tussen het wereldse leven en het  hiernamaals. De prioriteit en de nadruk wordt gelegd bij het  hiernamaals, wat als het echte leven wordt beschreven, terwijl het wereldse leven slechts een leven is van niet meer dan entertainment en amusement. Allah zegt in soera al-An’ām, āyah 32: “Het wereldse leven is niets dan een spel en ijdel vermaak. Doch voor degenen die God vrezen, is het huis van het hiernamaals beter. Wilt gij dan niet begrijpen?” In soera al-Ankabūt, āyah 64, geeft Allah uitdrukking aan dezelfde betekenis als in het vorige vers. Dezelfde betekenis wordt ook uitgedrukt in andere verzen, zoals in soera Mohammad, āyah 36, soera Yūnus, āyah 36, soera al-Kahf, āyah 45-46, soera Fatir, āyah 5, soera al-A ‘la, āyah 16-17 en soera al-Isrā, āyah 18-19. In alle hierboven genoemde verzen vestigt Allah de aandacht op de gelovigen in de richting van het hiernamaals, als herinnering dat dit de eindbestemming en het echte leven en genoegen is van de gelovigen. Dit leven op aarde is niets dan amusement en vermaak. Het is een leven van testen en beproevingen; een middel om ons naar voren te brengen richting hiernamaals. De Islam leert ons om in goed in balans te zijn in het leven. Allah wil niet dat we het leven in deze wereld totaal opgeven voor het leven in het hiernamaals. Er moet geen enkele vorm van rahbānah of extremisme zijn in de Islam, noch conflicten in dit leven en het hiernamaals. Gematigdheid moet het voornaamste thema zijn in dit leven en in ons streven naar het hiernamaals. Het is voor de gelovigen plicht om de aarde te cultiveren als een amānah, voor het stichten van een Islamitische beschaving die gebaseerd is op Tawhīd, goede waarden en normen en die begeleid wordt door de openbaring. Verder is het concept van ‘ubūdiyyah (het aanbidden van Allah) een uitgebreid concept, waarin alles dat in dit leven wordt gedaan (mits dit begeleid wordt door de openbaring en het met goede intenties gedaan wordt) een vorm van aanbidden wordt, ongeacht het feit dat het een wereldse kwestie is. Als de handeling in overeenstemming is met de Shari’ah en de grootste richtlijnen van de openbaring, dan zal het leven van deze wereld overeenkomen met dat van het  hiernamaals.

 Lessen

De hadith begint met ‘Abdullah ibn ‘Umar, radiyallāhu ‘anhu, die zegt: “De boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) pakte me bij mijn schouders en zei.” Hier kunnen we als leerkrachten en opvoeders veel leren. Om goede opvoeders te kunnen zijn, moeten we zorg en aandacht tonen voor ons publiek. Dit kunnen we op veel manieren bereiken. In de omgang met zijn publiek gebruikte de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) verschillende benaderingen. Soms riep hij hun naam en soms, zoals in deze hadith, komt hij fysiek dicht bij de persoon waar hij tegen spreekt door zijn hand op de schouder te leggen. Soms begint de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn advies of les met een stelling die de aandacht van het publiek trekt. In hadith 19 bijvoorbeeld, begon de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) met: “Jongeman, ik zal je een aantal woorden leren.” Soms gebruikt de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) de stijl van vragen stellen, zoals we in een aantal hadiths hiervoor hebben kunnen zien. De stijl van vragen stellen speelt een belangrijke rol in het overbrengen van de boodschap en het vragen van de aandacht van het publiek. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) stelt een vraag waarvan hij de enige is die het antwoord weet: dit is het creëren van interesse van het publiek en de ontvanger. In het algemeen gebruikte de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) al deze benaderingen of middelen om zorg te tonen naar de ontvanger, om de aandacht te trekken en ook om de betekenis van wat hij wilde overbrengen te benadrukken. Soms tekende hij figuren in het zand of gebruikte hij analogie ter verduidelijking en vereenvoudiging van een bepaald concept. Alle hierboven genoemde manieren kunnen worden overgenomen als onderwijstechniek. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) vertelt de gelovigen hoe om te gaan met dit leven, en zoals gebruikelijk biedt hij zijn publiek meer dan één keuze. In deze hadith geeft de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) twee keuzes of niveaus m.b.t. het leven in deze wereld.

 1. Je als vreemdeling gedragen.

Dit is de gemakkelijkste keuze. De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) gebruikte de analogie ‘je als vreemdeling gedragen’ omdat -zoals Ibn Rajab zegt- de vreemdeling er op voorbereid is om eventueel terug te gaan naar zijn oorspronkelijke plaats of woonplaats. Zijn hart zal altijd verlangen naar zijn (t)huis. Zijn grootste zorg zal zijn om zich voor te bereiden op de terugkeer. Een vreemdeling is anders dan de andere mensen in zijn huidige omgeving. Op dezelfde manier moet een gelovige anders zijn dan degenen die alleen in dit leven en in wereldse zaken geïnteresseerd zijn. Hij moet zichzelf bevrijden van de verlangens van deze materialistische wereld, waarin veel mensen niet geinteresseert zijn in spirituele aspecten en het  hiernamaals. Als gelovigen moeten we anders zijn dan de ‘mensen van deze wereld.’ Ibn al-Qayyim zegt dat een moslim een vreemdeling is onder de ongelovigen; dat de Mu’min een vreemdeling is onder de moslims, en dat de Muhsin een vreemdeling is onder de Mu‘minīn. Dit betekent dat er verschillende niveaus bestaan in het ‘vreemdeling zijn’. Het laagste niveau is Islam, het tweede niveau is Imān en het derde niveau is Ihsān. (zie hadith 2)

 2. Te zijn als een reiziger; reizend over een pad. Dit is een hoger niveau dan de vreemdeling.

 De reiziger is altijd op reis, dag en nacht zonder te stoppen; hij is op weg naar zijn eindbestemming. Zelfs als hij éven stopt, is dit om zichzelf te voorzien van de hoognodige voorraden om zijn reis voort te zetten en om verder te gaan totdat hij zijn voornaamste doel heeft bereikt. Een vreemdeling zou meer dingen bij zich houden dan hij eigenlijk nodig heeft, maar een reiziger neemt zo weinig mogelijk mee wat betreft bagage etc. evenzo, heeft een gelovige een belangrijk punt om zich zorgen over te maken: niet méér te nemen dan wat hij nodig heeft (d.w.z. hij moet niet gebukt gaan onder materialistische dingen of rijkdom). Een reiziger moet weten dat hij op het goede pad reist: het rechte pad. Hiervoor heeft hij de juiste kennis nodig (‘ilm). Hij heeft ook goede en behulpzame reisgenoten nodig om hem te helpen op zijn pad. Sommige geleerden vragen zich af hoe iemand tevreden kan zijn met dit leven wanneer de dag de maand vervormd, de maand het jaar vervormd en het jaar de leeftijd. D.w.z. hoe kan iemand tevreden zijn met dit leven, als zijn leeftijd hem tot zijn uiteindelijke bestemming zal leiden en zijn leven hem tot de dood zal leiden? Een geleerde zei dat als iemand terugkijkt op zijn leven tot aan dit moment, het slechts zal lijken op een fractie van een seconde. Deze bewustwording moet de persoon motiveren om de balans op te nemen van zijn situatie en om te doen wat goed is om dit te corrigeren. Ibn ‘Umar radiyallāhu ‘anhuma zegt: “Wanneer de avond valt, verwacht dan niet (te leven tot) de ochtend en wanneer de ochtend komt, verwacht dan niet (te leven tot) de avond.” Deze uitspraak lijkt een toelichting op de hadith. Al-Bukhāri vermeldt het omdat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) tegen Ibn ‘Umar spreekt. Als men nog steeds de boodschap niet begrijpt, gaat Ibn ‘Umar radiyallāhu ‘anhuma verder: “Neem van uw gezondheid (een aanstalte) voor uw ziekte en van uw leven (een aanstalte) voor uw dood.”  Dit betekent dat we vandaag misschien gezond zijn, maar dat we niet weten of dat in de toekomst ook zo is. Het zou dus verstandiger en beter voor ons zijn om nú goede daden te doen en dichter bij Allah te zijn, vóór we ongezond te worden, of vóór we dood gaan. Dit is benadrukt door de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) in een andere hadith, waar hij ons vraagt onze tijd goed te benutten en goede dingen te doen voor dit leven en het  hiernamaals. We kunnen dit relateren aan de andere hadiths waarin bepaalde liefdadige handelingen worden benadrukt.

Het effect van deze hadith op het leven van de moslims Als we de boodschap van deze hadith nauwkeurig bestuderen, kunnen we er uit afleiden hoe dit ons dagelijkse leven zal beïnvloeden. Het begrip van deze hadith dient ter:

 1. Verhoging van het gevoel van verantwoordelijkheid van onze plichten naar Allah, de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam, onze familie en de leden van de gemeenschap.

 2. Motivatie van moslims in het aanbevelen van het goede en het verbieden van het kwade.

 3. Motivatie om op alle tijden dichter bij Allah te zijn.

 4. Aansporing om zwakheden, tekortkomingen en zondige daden te vermijden en te minimaliseren.

 5. Hulp om het gevoel van verantwoording te vergroten.

 6. Benadrukking van taqwa en het vrezen van Allah.

 7. Informatie: hoe we beschermd kunnen worden tegen misleiding en de verslaving aan eigenbelangen, verlangens en wereldse verleidingen.

 Uitdagingen

We moeten ons bewust zijn van elke uitdaging die ons kan hinderen in het verwezenlijken van wat de hadith wil dat we bereiken. We moeten ons bewust zijn van deze belemmeringen en onszelf daartegen beschermen:

 1. De promotie van de materiele aspecten van het leven, vooral in de media.¹⁴

 2. De complexiteit van het moderne leven waar meer problemen zijn, en de betrokkenheid bij wereldse activiteiten zonder een goede balans.

 3. Snelle veranderingen in het leven als gevolg van technologische vooruitgang, wat weer andere problemen voortbrengt, zoals:

 • De oude levenswijzen aanpassen aan de nieuwe

  levenswijzen.

 • Het ontstaan van nieuwe waarden die in strijd zijn      met de innerlijke waarden en onze natuurlijke aanleg.

 • Technologisch misbruik.

 • Toename van sociale ziekten.

 • Verzwakt religieus bewustzijn, onderwijs en sprituele

 training in de Islamitische wereld (d.w.z. tazkīyah)

 4. De uitdagingen van de moderne tijd.

 5. De uitdagingen van de globalisatie en het opleggen van de aangetaste westerse waarden.

 Conclusie

Deze uitdagingen vergroten de verantwoordelijkheid die moslims hebben bij de uitvoering van de lessen van de hadith in dit leven. Als het positief wordt toegepast, kan deze hadith moslims helpen hoe met dit leven op een goede manier om te gaan n.l. door ons twee perspectieven of keuzes aan te bieden. Wanneer men alle hierboven genoemde kwesties begrijpt, zullen we meer succes hebben bij de toepassing van deze hadith.

¹⁴ Dit wordt duidelijk toegegeven door westerse media experts. Zie bijvoorbeeld: Jerry Mander: ‘Four arguments why to eliminate TV.’

Gedurende de geschiedenis begrepen sommige moslims deze hadith op een verkeerde manier, wat voortdurend leidde tot misverstanden in de Islamitische leerstellingen in de omgang met het leven. We zien ook andere moslims die beinvloedt zijn door de uitdagingen van het moderne leven en de buitensporige aandacht die aan dit leven wordt gegeven. Zij zijn overweldigd door de vooruitgang van de technologie en eindigen met een kleine Imān en met een minimum aan goede daden. Het Islamitische standpunt dat begrepen moet worden is, dat er tussen dit leven en het hiernamaals geen conflict of tegenstelling is. Integendeel; de Islam stelt harmonie en evenwicht waar een moslim in dit leven is, maar zijn hart is gewijd aan Allah en het  hiernamaals. Alles wat hij doet moet Allah behagen en moet in overeenstemming zijn met de leerstellingen van de Islam en de richtlijnen van de openbaringen.

 Hadith 41: De wens ondergeschikt te zijn aan de Openbaring

Abū Muhammed 'Abdullah, de zoon van 'Amr ibn al-Ās (Allah's welbehagen zij met vader en zoon) heeft gezegd: De boodschapper van Allah (Allah's zegen en vrede zij met hem) heeft gezegd: 'Niemand van jullie is echt gelovig, totdat zijn verlangens in overeenstemming zijn met wat ik heb gebracht.’ (Een goede en betrouwbare hadith die is overgeleverd door al-Maqdīsī in zijn Kitab al-Hujja met een betrouwbare keten van overleveraars.)

Achtergrond

Imam al-Nawawi zegt dat de sanad (keten van overleveraars) van deze hadith authentiek is. Hoewel vele geleerden, inclusief Ibn Rajab, stellen dat er veel gebreken zijn in de keten van overleveraars.  Soms beschouwen de geleerden een hadith als ‘zwak,’ maar dit betekent niet dat wát er in de hadith staat zwak is. De betekenis van deze hadith wordt benadrukt in de Koran en gesterkt door andere hadiths. Allah zegt in soera al-Nisā, āyah 65: “Maar neen, bij uw Heer, zij zullen geen gelovigen zijn, voordat zij u (profeet) tot rechter maken over al hun geschillen en in hun hart geen aarzeling vinden aangaande hetgeen gij oordeelt en zij zich geheel en al onderwerpen.”  In soera al-Ahzāb, āyah 36, zegt Allah: “En het betaamt de gelovige man of vrouw niet, wanneer Allah en Zijn boodschapper over een zaak hebben beslist, dat er voor hen een keuze zou zijn in die zaak.” Sjeik Jamaal al-Din Zarabozo wijst erop dat er genoeg authentiek en acceptabel bewijsmateriaal is om te bewijzen wat deze hadith verklaard. Het voornaamste punt van deze hadith is dat een gelovige niet het verplicht vervulde niveau van Iman (geloof) heeft, tótdat hij de bevelen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) opvolgt, d.w.z. hij vindt het prima wat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) hem opdraagt te doen en hij haat wat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) verboden heeft.

 Lessen

Het is voor iedere moslim verplicht te houden van dat, wat geliefd is bij Allah en te haten wat Allah haat. Als de liefde is verhoogd tot het niveau dat leidt tot de vervulling van de voorkeur handelingen (mandūb), dan wordt dit beschouwd als een aanvullend niveau. Tegelijkertijd moet hij een afkeer hebben, of haten, wat Allah haat en wel in die mate dat hij alles zal vermijden wat door Hem verboden is. Allah zal hem daarvoor belonen.  In de twee Sahīh van al-Bukhāri en Muslim wordt verteld dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Niemand van jullie is een ware gelovige totdat ik méér geliefd ben dan hemzelf, zijn kinderen, zijn familie en alle mensen.” De ware liefde maakt het noodzakelijk dat men volgt wat er opgedragen wordt door Allah en de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam, zoals men in de Koran kan lezen: Zeg: “Indien gij Allah liefhebt, volgt mij, Allah zal u liefhebben en uw zonden vergeven. Allah is Vergevingsgezind, Genadevol.” Zeg: “Gehoorzaamt Allah en de boodschapper; maar als zij zich afwenden, dan heeft Allah de ongelovigen niet lief.” (soera Al-Imrān, āyah 31-32) De ware gelovige is iemand die:

 • Werkelijk en oprecht, vanuit het hart van Allah en van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) houdt.

 • Houdt van datgene wat geliefd is bij Allah en de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

 • Haat, wat door Allah en de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) gehaat word.

Deze liefde zal iemand leiden tot een handeling die in overeenstemming is met deze voorkeuren en afkeuringen. Als men handelt in strijd met dat wat geliefd is of gehaat wordt door Allah en de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam, moet men boeten en moet men zijn best doen om álle verplichte niveaus te vervullen om de volledige liefde voor Allah en Zijn profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) te verkrijgen. Alle zonden en ongehoorzaamheden die als gevolg van verlangens plaatsvinden, gebeuren omdat het ‘zelfverlangen’ een hogere prioriteit krijgt en dit zwaarder weegt dan de liefde voor Allah. Allah de Alwetende zegt in de Koran wanneer Hij de ongelovigen beschrijft: “Maar als zij u niet antwoorden, weet dan dat zij slechts hun eigen begeerten volgen. En wie dwaalt meer dan hij die zijn eigen neigingen volgt onder de leiding van Allah? (soera al-Qasas, āyah 50) Allah heeft alle profeten bevolen de verlangens niet te volgen: “....en volg de begeerten niet, anders zullen zij u van de weg van Allah afleiden.” (soera Sād, āyah 26) Het onderdrukken van de verlangens is één van de eisen waaraan moet worden voldaan vóór iedere dienaar van Allah het paradijs mag binnengaan. Allah zegt: “Doch voor hem die vreesde voor zijn Heer te staan, en die zijn ziel van begeerten onthield. Voorwaar, het paradijs is zijn verblijfplaats.” (soera al-Nāzi’at, āyah 40-41) Iedere moslim die handelingen verricht in strijd met de boodschap -overgeleverd door profeet Mohammed sallallāhu ‘alayhi wasallam- en die de bevelen en verboden schendt, wordt beschouwd als iemand die zijn verlangens volgt. De manier waarop iemand reageert wanneer hij een daad verricht die gebaseerd is op zulke voorkeuren en afkeuringen, weerspiegelt iemands verlangens. De geleerden van de Islam zijn van mening dat het belangrijkste doel is, om niet door dergelijke voorkeuren en afkeuringen te worden beïnvloed. Het volgen van verlangens leidt gewoonlijk tot het veroorzaken van vele slechte daden. Het is ook de hoofdoorzaak van bid’ah (vernieuwingen in religieuze zaken). Het volgen van de verlangens zonder bewijs of waarheid, zal degene valselijk leiden tot het uitvoeren van handelingen van bid’ah. Hoe ontdekt men de invloed van verlangens in handelingen? Dit kan worden waargenomen wanneer degene die zoekt naar nuttige ‘ilm (de benodigde kennis van de Islam), aarzelt, of de begeleiding van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) afwijst. Imam al-Shatibi zegt in zijn boek ‘Al-Muwāfaqāt’, (15) Volume 2, blz. 168 dat het doel van de Shari’ah is om de moslims weg te houden van verlangens, zodat ze oprechte en eerlijke dienaren worden van Allah. Hij voegt er zelfs aan toe dat er problemen ontstaan wanneer een dergelijk persoon trucs en misleiding gebruikt om de regels van de Shari’ah uit de weg te gaan, met de intentie zijn verlangens te vervullen. Manieren in het beheersen van- en omgaan met verlangens. Imam al-Shatibi zegt dat de wet van de Shari’ah en haar regels de oordelende instantie moet zijn die iedere moslim moet respecteren, waarderen en gehoorzamen. Sommige geleerden zeggen dat men Allah’s aanwezigheid moet voelen om kennis te zoeken en om Hem te herdenken.

Imam Ibn al-Qayyim vermeld in zijn boek ‘Rawāat al-Muhibbīn’ (Tuin der geliefden) 50 manieren om met verlangens om te gaan. Zelfs degenen die al door deze verlangens beïnvloed zijn, kunnen gemakkelijk een van deze manieren gebruiken om deze te bestrijden. Hier volgen 15 manieren:

 1. Vastberadenheid

 2. Geduld

 3. Moed

 4. De gevolgen overdenken

 5. Nadenken: moslims zijn geschapen voor een grote missie, die niet vervuld kan worden wanneer men de verlangens niet onder controle heeft.

 6. Niet verslaafd zijn aan ‘zelf verlangens’.

 7. Te weten dat Satan de vijand is van de dienaren van Allah. Satan gebruikt deze verlangens als instrument voor het beïnvloeden van mensen.

 8. Te weten dat het vervullen van deze verlangens zal leiden tot de ondergang en straf van Allah.

 9. Te weten dat het pogen om verlangens te bestrijden, één van de grootste vormen is van Jihād. Het bestrijden van verlangens is de wezenlijke boodschap van de Islam. Moslims zijn verplicht zich in te spannen om zich te houden aan de leerstellingen van de Islam.

 10. Te weten dat wanneer iemand deze verlangens (die hem beïnvloeden) toestaat, dit zijn intellectuele redening zal beschadigen.

 11. Degenen die zichzelf toestaan deze verlangens te volgen, zullen hun verlangen om goede daden te verrichten zien verzwakken.

 12. Te weten, dat degene die niet door verlangens wordt misleid geëerd zal worden in dit leven en in het  hiernamaals.

 13. Te weten, dat het volgen van verlangens de belangrijkste oorzaak is van ziekten van het spirituele hart, en de remedie van de ziekten is het onderdrukken van deze verlangens.

 14. Versterking van het geloof kan men alleen verkrijgen door het zoeken van kennis en het verrichten van goede daden.

 15. Te weten, dat we verlicht moeten worden door de Koran en Sunnah

 Conclusie

Ondanks het feit dat deze hadith zwak is in de keten van overleveraars, stelt het een erg belangrijk punt. Om het geloof te versterken, moet men zich n.l. voortdurend inspannen om de verlangens te beheersen. Dit kan men bereiken door te houden van dat waar Allah van houdt en te haten wat Allah haat. Dit is een belangrijke taak die wij moeten uitvoeren, ten einde ons te houden op het pad van Allah, om geëerd te worden in dit leven en in het  hiernamaals en om een goede en oprechte dienaar van Allah te zijn. Moslims moeten oprecht zijn in het bestrijden van hun verlangens. Het probleem is niet of iets leuk of niet leuk is, het probleem is de daaruit voortvloeiende handeling. Bijvoorbeeld als iemand de oproep hoort voor het Fajr gebed, maar te slaperig of te lui is om op te staan om het gebed uit te voeren. Dit wordt beschouwd als het volgen van de verlangens. Iedereen houdt van slapen, maar wat we zelf wensen zal resulteren in uitstel of afstel van het Fajr gebed, wat wājib (verplicht) is. Hetzelfde kan worden gezegd van de consumptie van non-halāl voedsel en geld ontvangen wat een ander toebehoort. We moeten de Shari’ah als oordelende autoriteit nemen in alles wat we doen. Vóór we een handeling verrichten moeten we ons afvragen: is deze handeling op basis van gezond verstand? Als het antwoord ‘nee’ is, dan volgen we onze verlangens. Dit is waarom Allah de Koran beschrijft als Al-Furqān (het criterium), wat onderscheid maakt tussen goed en slecht.

 Hadith 42: Zoeken naar Allah’s vergeving.

Anas (Allah’s welbehagen zij met hem) heeft gezegd: Ik hoorde de Boodschapper van Allah (Allah’s zegen en vrede zij met hem) zeggen: “Allah de Verhevene heeft Gezegd: ‘O, kind van Adam! Zolang je tot Mij bidt en zolang je smeekt, zal Ik je -wat je ook gedaan mag hebben, zonder meer vergeven. O, kind van Adam! Al zouden je zonden tot aan de wolken in de hemel reiken en zou je Mij om vergeving vragen dan zal Ik je vergeven. O, kind van Adam! Al zou je met zóveel zonden aankomen dat je er nagenoeg de gehele aarde mee kan vullen en je zou Mij dan onder ogen komen en alleen Mij hebt gediend, zal Ik je een vergeving van gelijke omvang schenken.” (Overgeleverd door al-Tirmidhi, die heeft gezegd dat het een goede en betrouwbare hadith is.)

 Achtergrond

De belangrijkste boodschap van deze hadith is om moslims op te roepen om oprecht berouw te tonen en de vergeving te vragen van Allah.

 Lessen

Er zijn drie manieren waardoor een moslim vergeven kan worden door Allah. De eerste is met du’ā, wat betekent: smeken bij Allah. En uw Heer zegt: Aanbidt Mij, Ik zal uw gebed verhoren.” (soera al-Ghārfir, āyah 60) De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Smeken is de essentie van aanbidden.” (overgeleverd door al-Tirmidhī). De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Smeek Allah alsof je zeker bent van Zijn antwoord.” Allah de Alhorende garandeert dat onze smeekbeden zullen worden verhoord, of worden beantwoord als er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Tegelijkertijd zijn er andere dingen die een moslim moet vermijden, zodat zijn smeekbeden worden beantwoord. De voorwaarden voor acceptatie van de smeekbeden zijn besproken in vorige hadiths. Het meest belangrijke is te smeken met volle concentratie en aandacht van het hart en te hopen dat Allah deze du’ā zal beantwoorden. Het smeekgebed is een voortdurend proces; moslims moeten regelmatig smeken. Een van de dingen die een moslim Allah de Alhorende moet vragen in zijn smeekbede is, dat zijn zonden worden vergeven, dat hij gered wordt van het Hellevuur en dat hij tussen de mensen in het Paradijs mag zijn. Moslims moeten du’ā maken in de hoop dat Allah zal antwoorden. Allah zegt in een Hadith Qudsī: “Ik ben zoals Mijn dienaar van Mij verwacht.” (overgeleverd door Muslim) De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt in een andere hadith: “Als een smeekbede van een moslim géén zonden of het verbreken van relaties bevat, Allah zal hem één van deze drie dingen schenken: 1) ofwel Allah zal onmiddellijk gehoor geven aan zijn smeekbede, 2) Hij houdt of bewaard het antwoord voor het  hiernamaals 3) Hij zal een gelijkwaardige hoeveelheid kwaad of schade bij hem wegnemen.” De metgezellen vroegen: “En wat als we Allah Subhānahu Wa Ta’ala maar blíjven vragen?” De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zei: “Dan krijg je zelfs deze drie dingen.” (overgeleverd door Ahmed) Het tweede middel waardoor we vergiffenis van Allah Skunnen verkrijgen is istighfār (het zoeken naar vergeving), zelfs al heeft de persoon vele zonden begaan. Istighfār  moet aan berouw worden gekoppeld. Berouw vereist dat iemand het plegen van zonden opgeeft en er niet in volhard ze uit te voeren. Istighfār is een vorm van aanbidding. Een moslim moet dagelijks regelmatig istighfār beoefenen. Allah heeft ons bevolen istighfār te beoefenen en hij prijst degenen die dit doen: “O, Mijn dienaren, die tegen uzelf buitensporig zijn geweest, wanhoopt niet aan de barmhartigheid van Allah, voorzeker Allah vergeeft alle zonden, waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde, de Genadevolle.” (soera al-Zumar, āyah 53) Er zijn vele vormen van. Istighfār die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zijn metgezellen heeft geleerd. Er is ook verteld dat de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) meer dan zeventig maal per dag vergiffenis vroeg en in andere overleveringen vinden we meer dan honderd maal per dag. Het is om deze reden dat moslims worden aangespoord om istighfār minimaal honderd keer per dag te doen. De beste manier om vergeving te zoeken is door de verklaring van de profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam: “O Allah, ﷻ‬ bent mijn Heer. Er is buiten ﷻ‬ geen God. ﷻ‬ heeft mij geschapen en ik ben Uw dienaar.  Ik volg Uw verbond en beloof mijn uiterste best te doen. Ik zoek mijn toevlucht bij ﷻ‬ voor het kwade dat ik heb gedaan. Ik belijdt voor ﷻ‬ Uw gunsten op mij en beken mijn zonden. Vergeef me, omdat niemand behalve ﷻ‬ mijn schulden kan vergeven.” De profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) zegt: “Wie deze verklaring overdag met zekerheid uitspreekt en sterft vóór de avond valt, is een van de bewoners van het paradijs; en wie deze verklaring met zekerheid uitspreekt gedurende de nacht en sterft vóór de ochtend, is een van de bewoners van het paradijs.” (overgeleverd door al-Bukhāri) Het is raadzaam dat elke Moslim –vooral de ware en trouwe dienaren van Allah istigfār  dagelijks beoefent: in de ochtend (na het Fajr gebed) en in de avond (voor zonsondergang). Dit moet deel uitmaken van de smeekbeden die zij verrichten, dag en nacht. Allah zegt: “Wie kwaad doet of zijn ziel onrecht aandoet en daarna Allah om vergiffenis vraagt, zal Allah Vergevingsgezind, Genadevol vinden.” (soera al-Nisa, āyah 110) De derde manier om Allah’s vergeving te zoeken is door Tawhīd. Tawhīd betekent dat een moslim alléén Allah moet aanbidden. Allah moet aanbeden worden zonder Hem partners toe te kennen. “Allah vergeeft niet dat iets met Hem vereenzelvigd wordt en Hij zal, buiten dat, vergeven wie Hij wil. En wie iets met Allah vereenzelvigt, is inderdaad ver afgedwaald.” (soera al-Nisa, āyah 116) Tawhīd doet zonden wegsmelten, zoals de geleerden zeggen. Door alle verplichtingen van Tawhīd te vervullen, zullen de moslims worden beloond en vergeven. In een vorige hadith van deze collectie van Imam al-Nawawi’s veertig hadiths, bespraken we het belang van de realisatie van Tawhīd waarin moslims Allah moeten liefhebben, vrezen en verheerlijken. Volgens de leer van de Tawhīd, moeten moslims alléén hun toevlucht zoeken bij Allah en alléén bij Hem hulp en steun zoeken. Al deze grote handelingen van de Tawhīd –wat betekent dat het hart volledig toegewijd zal zijn aan Allah - stellen de moslims in staat om ware gelovigen en Muwahhidīn te zijn. Alleen dan zullen moslims verlicht en geïnspireerd zijn; hun Imān zal versterkt worden en hun zonden zullen worden vergeven. Bij de realisatie van Tawhīd minimaliseert de moslim ook de kansen om zonden te begaan, omdat zijn hart volledig toegewijd is aan Allah. Tawhīd is de grootste essentie van de boodschap van iedere profeet. Alle Profeten ‘alayhīm al sallam waren gezonden met de Boodschap van Tawhīd n.l. dat Allah de Enige is Die het verdient aanbeden en gehoorzaamd te worden. Jammer genoeg houden veel moslims tegenwoordig zich niet aan de volledige verwezenlijking van de Tawhīd. Veel moslims schenden de Tawhīd. Bijvoorbeeld: er zijn moslims die slachten en smeekbeden uitvoeren voor de doden. Door deze handelingen van Shirk (iemand associëren met Allah), schenden zij de meest belangrijke boodschap van de Islam: de Tawhīd. Om goede dienaren van Allah te zijn, moeten we de weg volgen van de awliyā (trouwe dienaren van Allah). We moeten hun gedrag volgen zoals vermeld in hadith 38. Hun moraal is van de hoogste normen terwijl hun onderwerping, vrees, liefde en het totale vertrouwen in Allah onbetwistbaar is. Allah vertelt ons in de Koran dat het volk van Noah Shirk praktiseerde, toen zij de oprechte mensen gingen verheerlijken die gestorven waren en hun status verhoogden naar een hoger niveau dan zij verdienden. Deze verheerlijking was zodanig, dat zij hen tot afgoden maakten. Uiteindelijk hebben deze daden hun geleid tot vernietiging, als een vorm van straf van Allah. Vanwege misverstanden over de essentie van de Boodschap van Tawhīd, verrichten veel moslims vandaag de dag verboden handelingen. Sommigen kunnen om een of andere reden worden vrijgesteld, maar de handelingen die zij verrichten mishagen Allah en leiden tot Shirk. Het is belangrijk dat de moslims die onder deze categorie vallen, zich realiseren wat zij doen en hun manieren verbeteren. Zij moeten berouw tonen aan Allah en Zijn vergeving vragen, omdat Hij de Enige is die ons kan vergeven. Hij is degene waarnaar wij ons smeekgebed moeten richten en Hij is degene die wij moeten gehoorzamen en vertrouwen. Het laatste gedeelte van de hadith benadrukt het belang van de realisatie van Tawhīd. Het is belangrijk erop te wijzen dat het de laatste hadith is van Imam al-Nawawi’s collectie. Dit is erg veelzeggend voor ons, omdat het laatste gedeelte het meest belangrijke in de Islam samenvat: Tawhīd. Het is een boodschap van Allah voor alle moslims, om er zeker van te zijn dat hun Tawhīd oprecht en zuiver is. Het is belangrijk dat zij geen partners toekennen aan Allah. Door dit niet te doen, zijn zij ervan verzekerd dat zij zullen worden vergeven door Allah, zelfs al hebben zij andere zonden begaan. Om Tawhīd te realiseren, moeten moslims alle verplichtingen vervullen naar Allah en zich volledig onderwerpen aan Zijn wil en Hem aanbidden, gehoorzamen, Zijn richtlijnen en openbaring volgen en het volgende vermijden:

 • Alle vormen van Shirk in spraak of handelingen, zichtbaar of verborgen.

 • Ongehoorzaamheid en zondigen, omdat dit de Tawhīd verzwakt.

 • Riyā (dingen doen uit zelfinteresse en om anderen een plezier te doen; en niet omwille van Allah).

 • Bid’ah, of ketterij, omdat dit zal leiden tot het verzwakken van de Tawhīd.

 • Alle vormen van hypocrisie, vooral bij herhaalde handelingen die worden beschouwd als kenmerken van de Munāfiqūn, zoals:

 het niet nakomen van een belofte, mensen geen vertrouwen geven, liegen, overtredingen, ruzies en conflicten. In het algemeen moeten moslims alle onwettige handelingen mijden die leiden tot oneerlijkheid, onoprechtheid en overtredingen.

 Conclusie

Deze hadith vermeld drie manieren waarop we Allah’s vergiffenis kunnen verkrijgen. Er dient te worden opgemerkt dat dit niet de enige manieren zijn. moslimgeleerden noemen andere middelen en manieren voor het verkrijgen van vergiffenis. Deze werden in vorige hadiths genoemd en bevatten o.a. het ervaren van ontbering, op de proef gesteld worden, het oplopen van een dodelijke ziekte, de straf van het graf, straf op de Dag des Oordeels, het vermijden van grote zonden, geduld hebben, het volgen van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) in het verrichten van de vijf pilaren van de Islam, vasten op specifieke dagen zoals de dag van Ashura en de dag van Arafah en de tussenkomst van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) en de andere gelovigen (wat afhankelijk is van Allah’s toestemming en of Hij tevreden is over dit persoon) etc.

 WOORDENLIJST

 A

 Adāb Manieren/ethiek

 Ādhān De oproep voor het gebed

 Adil Gerechtigheid

 Ahkām Regels

 Ahlul Fatrah De mensen die de Boodschap van de Islam niet hebben ontvangen (d.w.z de richtlijnen); of de Boodschap heeft hen niet in duidelijke vorm

 bereikt d.w.z. incompleet of vervormd; deze

 mensen zullen worden verontschuldigd en

 zullen niet worden gestraft.

 Ahlul Kitāb De mensen van de geopenbaarde Boeken.

 Ākhirah De Dag des Oordeels.

 Akhlāq Ethiek

 Al-‘Amr bil Ma ‘rūf wan Nahiyu ‘anil-Munkar Opleggen wat goed is en afraden wat slecht is.

 Al-Khulafā al-Rāshidin De rechtgeleide Kaliefen.

 Al-Lauh al-mahfuz Dit is een goddelijk bewaard tablet; de dingen die gebeurd zijn en gaan gebeuren, alle momenten in de tijd en alle wezens in de ruimte, kortom, alles is erin beschreven. Het is de spiegel van de Goddelijke kennis, het boek van het lot en het programma van het universum.

 Amānah Religieuze verplichtingen.

 Aql Intellect

 At-Tāyyib Letterlijk betekent het ‘iets goeds’.Ibn Rajab

 interpreteert het woord als at-tāhir, of zuiver.

 ‘At-Tāyyib’ is gebruikt in de Koran en Sunnah

 om handelingen, goede daden, mensen,

 dingen, spraak etc. te beschrijven. Deze term wordt gebruikt als bijvoeglijk naamwoord.

 Awām Algemeen publiek

 Awliyā’ Trouwe dienaren (van Allah)

 Āyah Een vers van de Koran (m.v: Āyat)

 B

 Bakarah Zegening

 Basīrah Inzicht

 Bid’ah Ketterij

 Burhān Bewijs

 D

 Da’wah Prediken en verspreiden van de Bood-

 schap van de Islam.

 Dīn Religie/manier van leven.

 Dhikr (of zikr) Smeekbede

 Dunyā Het wereldse leven

 F

 Fa’ izūn De meest succesvolle mensen.

 Farā’id Erfenis

 Fard- ‘Ayn Een individuele verplichting

 Fard-kifāyah Brede gemeenschappelijke verplichting.

 Faqih Jurist

 Fitan Beproevingen

 Fitrah Natuurlijke aanleg

 G

 Ghayb Dat wat buiten het bereik is van de mense-

 lijke waarneming.

 Ghibah Roddel

 Ghibtah De wens hebben om de goede kwaliteiten

 die anderen hebben te verkrijgen.

 H

 Hadith De gezegden en tradities van profeet

 Mohammed (sallallāhu ‘alayhi wasallam)

 Hajjat al-wadā De afscheidspreek van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam)

 Hajj Pelgrimstocht naar het Huis (Kaabah)

 in Mekka, Saoudi Arabië.

 Halāl Toegestaan

 Harām Verboden

 Hasad Afgunst

 Hawa Passie/verlangen

 Hayā Bescheidenheid, schaamte, verlegenheid of

 schuchterheid.

 Hidāyah Begeleiding

 Hikmah Wijsheid

 Hilm Verdraagzaamheid, zelfbeheersing.

 I

 ‘Ibādah Vormen van aan bidding/goede daden

 ‘Iffah Kuisheid

 Ihsān Een veelomvattend begrip; dingen doen op

 een smaakvolle, mooie en volledige manier.

 Ikhlās Oprechtheid

 Ikrāh Dwang/ongewenste beïnvloeding

 Ilā Afstand nemen van je vrouw

 ‘Ilm Kennis

 Imān Geloof en vertouwen in Allah.

 Inshā ‘Allah Als God het Wil.

 Iqāmatus salāh Oprichting van het gebed.

 Irādah Bereidwilligheid

 Istighfār Allah’s vergeving vragen

 Istiqāmah De continuïteit van iets doen; ervoor zorgen

 dat dit op de juiste manier gebeurd, zonder afwijkingen of dwalingen.

 J

 Jamā’ah Congregatie

 Jannah Paradijs

 Jawārih Ledematen

 Jihād Streven voor de zaak van Allah. Dit houdt in:

 da’wah, het verspreiden van kennis en anderen deze leren, het goede vermeerderen en het slechte verminderen, ruzies tussen Moslims bijleggen, streven naar verbetering van de gemeenschap en de Moslimlanden beschermen tegen vijanden.

 Jiziyah Compensatie

 K

 Kāfir Ongelovige

 Kaffārah Boetedoening van de zonden

 Karam Vrijgevigheid

 Khayr Goedheid

 Khilāfah Vroeg Islamitisch leiderschap (Kalief)

 Kufr Ongeloof

 M

 Madhhab Een school van jurisprudentie/ juridisch

 denken

 Makrūhāt Ongewenste handelingen

 Mandūb Gewenste handelingen/ goede daden die niet

 verplicht zijn, maar worden aangemoedigd.

 Ma ‘siyat Zondigen

 Masjid Moskee

 Mu ‘āmalāt Handelen / transacties

 Mu ‘minūn Gelovigen

 Mubāh Geoorloofde handelingen

 Muhaddithūn Hadithgeleerden

 Muharramāt Verboden (m.v.)

 Muhasabah Verantwoordelijk zijn voor jezelf

 Mujāhada Voortdurende inspanning om goede daden te doen.

 Mukallaf Verantwoordelijk

 Murāqabah Zelf berekening/ verrekening

 Mushāratah Belofte

 Mutāba ‘ah Het volgen van de Profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam

 N

 Najash De daad van handelen waarbij de persoon een hoge prijs biedt, niet omdat hij het wil kopen, maar omdat hij de prijs wil verhogen van het item zodat het voor meer wordt verkocht dan het eigenlijk waard is.

 Narū Jahanam Hellevuur

 Nasihah Oprecht het beste zoeken in termen van

 intentie en daden.

 Nawāfil al-salawāt De gewenste gebeden die de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) dagelijks uitvoerde.

 Nadhr Eed

 Nifāq Hipocrisie

 Niyyah Intentie

 Nutfāh Een druppel vloeistof

 Q

 Qadr Het lot

 Qudrah Macht

 Qudwah Het goede voorbeeld geven

 R

 Ramadān De vastenmaand (9e maand van de

 Islamitische kalender.

 Ribā Winst (rente)

 Rifiq Vriendelijkheid

 Riyā Een ibādah verrichten met de intentie om

 het anderen te laten zien, of iets doen voor eigen belang en om anderen te plezieren en niet voor de zaak van Allah.

 Rizq Levensonderhoud

 Rūh Geest

 S

 Sabab al-wurūd Redenen en achtergrond van een hadith.

 Sabr Geduld

 Sadaqah Naastenliefde

 Sahābi Een metgezel van de profeet (sallallāhu ‘alayhi wasallam) Sahabah De metgezellen van de profeet, moge Allah tevreden met hen zijn.

 Salaf De vrome voorgangers d.w.z. de vroege geleerden van de Islam.

 Salāh De vijf dagelijkse gebeden.

 Salāmeh Klein botje/ gewrichtje

 Sanad Keten van overleveraars van een gezegde van

 de Profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

 Shafā ‘ah Voorspraak

 Shahādah Verklaring van de Eebheid van Allah.

 Shahawāt Begeerten, wensen, verlangens.

 Shaytān Satan

 Shari’ah Islamitische wet

 Shirk Anderen associeren met Allah.

 Sunnah De praktijken, uitingen, acties en stilzwijgen-

 de goedkeuringen van de Profeet sallallāhu ‘alayhi wasallam.

 Sūrah (soera) Een hoofdstuk van de Koran.

 T

 Tadarruj Geleidelijk

 Tahajjud Het bidden van optionele gewenste gebeden

 in de nacht.

 Taqiyyah Iets zeggen of doen waar je niet in gelooft en

 waar je niet tevreden over bent.

 Taqwa Vroomheid, oprechtheid, Allah vrezen; een van de meest belangrijke en veelomvattende concepten van de Islam. De term is afgeleid van ‘waqayya’ wat ‘beschermen’ betekent.

 Taqwa betekent daarom: jezelf beschermen tegen de zware straf van Allah, door Zijn richtlijnen te volgen.

 Tawbah Berouw

 Tawāddu’ Bescheidenheid.

 Tawfiqullah Begeleiding en steun van Allah.

 Tawhīd Onderwerping aan de wil van Allah en alleen Allah aanbidden.

 Tayammum Rituele wassing, zonder gebruik van water.

 Tazkiyah en tarbiyah Spirituele training en educatie.

 ﷻ‬

 Ubūdiyyah Allah aanbidden.

 Ulamā Geleerden

 Ummah De natie of het collectief orgaan van Moslims.

 W

 Wājibat Religieuze verplichtingen.

 Walā Een veelomvattend concept dat vier sub-concepten bevat: liefde, zorg, hulp en bescherming.

 Walī Een trouwe dienaar van Allah.

 Wasiyyah Beschikking in een testament.

 Waswasah Insinuatie/ het fluisteren van Satan.

 Wudū Rituele wassing.