Uitleg van de vier principes betreft Shirk

In de Naam van Allah, de Erbarmer, de Meest Barmhartige

Ik vraag Allah, de Heer van de Geweldige Troon, dat Hij jouw Beschermer zal zijn in deze wereld en het Hiernamaals, en dat Hij jou gezegend zal laten zijn waar je ook bent, en dat Hij jou laat zijn van die (mensen) dat wanneer (hen) gegeven wordt, (dat zij) dankbaar zijn; en wanneer zij beproefd worden, geduldig zijn; en wanneer zij zondigen, dan tonen zij berouw. En waarlijk, deze drie zijn de sleutels van geluk.

Weet – moge Allah u leiden tot Zijn gehoorzaamheid – dat de h’anafiyyah, de religie van Ibrahiem (Alayhie s-Salaam), is dat je Allah alleen aanbidt, oprecht, de religie enkel voor Hem laat zijn. Zoals Allah de Meest Verhevene zegt: “En Ik heb de Djinn en de mens slechts geschapen om Mij te dienen (aanbidden).” [596] Soerat Ad-Dzaariyaat (51), aayah 56. De auteur difinieert de religie van de grote profeet Ibrahiem (Alayhie s-Salaam). Ibrahiem (Alayhie s-Salaam) is 1 van de meest vooraanstaande standvastige profeten en iemand die gerespecteerd wordt door iedereen die beweerd Allah (Azza wa Djal) te aanbidden. Als men kijkt naar de religie van Ibrahim (Alayhie s-Salaam), dan zal jij zien dat het de pure aanbidding van Allah is.

Allah zegt: “Voorwaar, Allah vergeeft niet dat er aan Hem deelgenoten worden toegekend, maar Hij vergeeft daarbuiten aan wie Hij wil…” [597] Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 116

En in een ander aayah zegt Hij: “Zeg: “Wie schenkt jullie voorzieningen uit de hemel en de aarde,” of: “Wie heeft de macht over (het scheppen van) het horen en het zien en wie brengt het levende voort uit het dode en wie brengt het dode voort uit het levende, en wie verordent het bestuur?” Zij zullen zeggen: “Allah.” Zeg dan: “Zullen jullie (Allah) dan niet vrezen?” [598] Soerat Yoenoes (10), aayah 31

Men dient te weten dat wanneer aanbidding vermengd wordt (met shirk), de aanbidding niet geaccepteerd wordt en de handeling vernietigd. Als men weet dat personen die zo handelen permanent in het Hellevuur zullen zijn, dan zal men zich bewust van zijn dat dit het belangrijkste onderwerp is om te bestuderen (kennen). Misschien (door deze studie) zal Allah u redden van deze kwade val, bedoelend shirk met Allah, waarover Allah heeft gezegd: “Weet dat Allah de zuivere aanbidding toekomt.


 En degenen die naast Hem beschermers nemen (zeggen:) “Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons zo dicht mogelijk tot Allah brengen.” Voorwaar, Allah zal over hen rechtspreken over dat waarover zij van mening verschillen. Voorwaar, Allah leidt niet degene die een zeer zondige leugenaar is.”

 [599] Soerat Az-Zoemar (39), aayah 3.

En dit zal (bereikt) worden door het bestuderen van de vier principes, die Allah heeft genoemd in Zijn Boek.


 Het eerste principe

Het eerste principe is dat men dient te weten dat de ongelovigen die de boodschapper van Allahr bestreed, erkenden dat Allah de Schepper was, Degene Die onderhoud geeft, en Degene Die verantwoordelijk is voor alle zaken, maar dit liet hen niet de Islam binnengaan. En het bewijs is de uitspraak van de Verhevene: “Zeg: “Wie schenkt jullie voorzieningen uit de hemel en de aarde,” of: “Wie heeft de macht over (het scheppen van) het horen en het zien en wie brengt het levende voort uit het dode en wie brengt het dode voort uit het levende, en wie verordent het bestuur?” Zij zullen zeggen: “Allah.” Zeg dan: “Zullen jullie (Allah) dan niet vrezen?” [600] Soerat Yoenoes (10), aayah 31.


 Het tweede principe

Zij (de moeshriekien (afgodenaanbidders)) zeggen: “Wij roepen hen niet aan en wenden ons tot hen, behalve om nabijheid te zoeken en voorspraak (bij Allah).

En het bewijs voor de nabijheid is in de Uitspraak van de Verhevene: “Weet dat Allah de zuivere aanbidding toekomt. En degenen die naast Hem beschermers nemen (zeggen:) “Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons zo dicht mogelijk tot Allah brengen.” Voorwaar, Allah zal over hen rechtspreken over dat waarover zij van mening verschillen. Voorwaar, Allah leidt niet degene die een zeer zondige leugenaar is.”

[Soerat Az-Zoemar (39), aayah 3]

 En het bewijs voor de voorspraak is in de Uitspraak van de Verhevene: “En zij aanbidden naast Allah wat hen niet schaadt en niet baat, en zij zeggen: “Dezen zijn onze voorsprekers bij Allah…”

[ Soerat Yoenoes (10), aayah 18]


Er zijn twee soorten voorspraak: shafaa’ah al-manfiyyah (ontkennende en verboden voorspraak); en shafaa’ah al-moethbatah (bevestigende en toegestane voorspraak).

Wat betreft shafaa’ah al-manfiyyah, dit is hetgeen gevraagd wordt aan anderen dan Allah, waar men geen macht over heeft behalve Allah. En het bewijs voor dit is in de Uitspraak van de Verhevene: “O jullie die geloven: geeft van dat waar Wij jullie mee voorzien hebben, voordat de Dag komt waarop er geen handel, geen vriendschap en geen voorspraak zal zijn. En de ongelovigen: zij zijn de onrechtvaardigen.”

[Soerat Al-Baqarah (2), aayah 254]

En shafaa’ah al-moethbatah is hetgeen gevraagd wordt aan Allah. Degene die de voorspraak verricht is geëerd (door Allah) met die voorspraak en degene waarvoor voorspraak wordt gedaan is iemand over wiens woorden en handelingen Allah tevreden is. (De shafaa’ah al-moethbatah vindt plaats) nadat toestemming (van Allah gegeven is), zoals de Verhevene zegt: “…Wie is degene die van voorspraak is bij Hem zonder Zijn verlof?...” [Soerat Al-Baqarah (2), aayah 255]


 Het derde principe

Dat de profeetr tot de mensen kwam die verschillen hadden in hun (objecten) van aanbidding: onder hen waren de aanbidders van engelen, en onder hen waren de aanbidders van profeten en vromen, en onder hen waren de aanbidders van bomen, beelden en stenen, en onder hen waren de aanbidders van de zon en de maan. De boodschapper van Allahr bestreed hen echter allemaal en maakte geen onderscheid tussen hen.

En het bewijs hiervoor (dat hij hen allemaal bestreed) is in de Uitspraak van de Verhevene: “En bevecht hen totdat er geen Fitnah meer is en de godsdienst geheel voor Allah is…”

[Soerat Al-Anfaal (8 ), aayah 39]

En het bewijs van (het aanbidden) van de zon en de maan, is de Uitspraak van de Verhevene: “En tot Zijn tekenen behoren de nacht en de dag, en de zon en de maan. Knielt jullie niet neer voor de zon en niet voor de maan, maar knielt jullie neer voor Allah, Degene Die hen heeft geschapen, als jullie alleen Hem aanbidden.”

[Soerat Foesilat (41), aayah 37]


En het bewijs voor (het aanbidden) van de engelen, is de Uitspraak van de Verhevene: “En Hij beveelt jullie niet de engelen en de profeten als heren te nemen…” [Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 80]

En het bewijs voor (het aanbidden) van profeten, is o.a. de vorige Uitspraak van de Verhevene, maar ook: “En (gedenk) toen Allah zei: “O ‘Isa, zoon van Maryam, heb jij tegen de mensen gezegd: “Neemt mij en mijn moeder tot twee goden naast Allah?” En hij (‘Isa) zei: “Heilig bent ﷻ‬! Nooit zal ik kunnen zeggen waarop ik geen recht heb. Indien ik dat gezegd had, zou ﷻ‬ dat zeker geweten hebben. ﷻ‬ weet wat er in mijn ziel is, en ik weet niet wat er in Uw ziel is. Voorwaar, ﷻ‬ bent de Kenner van het verborgene.” [Soerat Al-Maa’idah (5), aayah 116

En het bewijs voor (het aanbidden) van de vromen, is de Uitspraak van de Verhevene: “Zij (de veelgodenaabidders) zijn degenen die aanroepen, (en zij die aangeroepen worden) zoeken zelf naar een middel tot hun Heer. Wie van hen het dichtst bij (hun Heer) zijn en op Zijn Barmhartigheid hopen en Zijn bestraffing vrezen: voorwaar, een bestraffing van jouw Heer is te vrezen.” [Soerat Al-Israa-e (17), aayah 57]


En het bewijs voor (het aanbidden) van de bomen, beelden en de stenen, is de Uitspraak van de Verhevene: “Zien jullie (veelgodenaanbidders) dan al-Laata en al-‘Oezza? En Manaata, de andere, de derde?” [Soerat An-Nadjm (53), aayah 19-20]

En (een ander bewijs is) de h’adieth van Abi Waqid al-Laythie (Radhya llaahoe ‘anhoe), waarin hij zei: “Wij trokken uit met de profeetr naar H’oenayn en destijds waren wij dicht bij de periode van koefr (ongeloof). En de moeshriekien hadden een plaats van aanbidding, waaraan zij hun wapens hingen. Zij noemden het ‘Dza Anwaat’. Dus toen wij die plaats van aanbidding paseerden, zeiden wij: “O boodschapper van Allah, maak voor ons een hangplaats, zoals zij een hangplaats hebben…”Overgeleverd door at-Tiermidzie en Ah’mad


 Het vierde principe

Dat de moeshriekien in onze tijd ernstiger zijn in shirk, dan die van vroeger, doordat die van het verleden shirk begingen in (tijden van) gemak, maar oprecht waren (jegens Allah) in (tijden van) rampspoed. De moeshriekien van onze tijd begaan echter altijd shirk, in gemak en rampspoed. Het bewijs hiervoor is de Uitspraak van de Verhevene: “En als zij op schepen varen, dan roepen zij Allah aan. Hem zuiver aanbiddend. Maar zodra Hij hen dan heeft gered (en) aan land heeft gebracht, dan kennen zij deelgenoten (aan Allah) toe.”

[Soerat Al-‘Ankaboet (29), aayah 65]   . Uitleg van de vier principes

Introductie

Bismillahir rahmanir rahiem

Ik vraag Allah, de Nobele Heer van de Almachtige Troon, dat Hij uw Beschermer zal zijn in deze wereld en het Hiernamaals, en dat Hij u gezegend zal laten zijn waar u ook bent, en dat Hij u laat zijn van die (mensen) dat wanneer (hen) gegeven wordt, (dat zij) dankbaar zijn; en wanneer zij beproefd worden, geduldig zijn; en wanneer zij zondigen, dan tonen zij berouw. En waarlijk, deze drie zijn de sleutels van geluk.

De Sheikh begint zijn werk met het Basmalah, d.w.z. de zin Bismillaahi ﷺ‬-Rah’maani ﷺ‬-Rah’iem. Hiermeel volgt hij de Soennah van Allah en Zijn boodschapper Allahr begon de eerste Soerat in de Koran namelijk met de aayah: Bismillaahi-ﷺ‬ Rah’maani-ﷺ‬ Rah’iem. En Hij is elke Soerat in de Koran begonnen met het Basmalah, behalve Soerat at-Tawbah (9). De profeetr was ook gewoon zijn brieven te beginnen met het Basmalah. Toen hij bijvoorbeeld een brief schreef aan Hercalius, de keizer van Rome, verklaarde het:

Bismillaahi ﷺ‬-Rah’maani ﷺ‬-Rah’iem. Van Mohammad, de dienaar van Allah en Zijn boodschapperr aan Hercalius, de leider van de Romeinen.

Het reciteren van Al-Basmalah voor elke handeling heeft vele voordelen. Om te beginnen volgt men de Soennah van Allah en Zijn boodschapperr, zoals eerder uitgelegd is. Ten tweede herinnert men zich hiermee dat het doel van deze handeling – wat het ook moge zijn – het verkrijgen van een beloning van Allah is. Zelfs al wordt een niet-religieuze handeling verricht met de juiste intenties, dan kan deze beloond worden door Allah – zolang de handeling zelf toegestaan is, eveneens de reden waarom men de handeling verricht. Ten derde is het een impliciete doe’aa-e (smeekbede) aan Allah om degene die deze handeling verricht te zegenen in deze handeling, en hem succesvol erin te laten zijn. Ten vierde, wanneer een persoon de gewoonte ontwikkelt om Al-Basmalah te zeggen, dan zal hij automatisch verminderen in zonde. Dit komt doordat men onbewust Al-Basmalah zal zeggen voor elke handeling die hij verricht, dus wanneer het een zonde is dan zal hij zichzelf aan Allah herinneren, en het verrichten van de handeling vermijden.


De auteur maakt vervolgens een oprechte doe’aa-e voor de lezer, en dit is een indicatie voor zijn bezorgdheid om de moslim – hij vraagt Allah namelijk om de lezer te beschermen van alle kwaden, en dat Hij hem gezegend laat zijn waar hij ook is. Één van de essentiële manieren om gezegend te zijn, is door kennis op te doen en het vervolgens te verspreiden, waar men ook heen gaat. Op deze manier zullen mensen dus voordeel halen door hem, ten alle tijden en op elke plaats, en hij zal het goede verspreiden waar hij ook gaat. Deze zelfde doe’aa-e is ook verricht door de nobele profeet ‘Isa Ibn Maryam (Jezus) (Alayhie s-Salaam), terwijl hij een baby was en in de wieg lag, zeggend: “En Hij heeft mij gezegend waar ik ook ben en Hij heeft mij bevolen de salaat te verrichten en de zakaat (te betalen), zolang ik leef.”[ Soerat Maryam (19), aayah 31].

De auteur gebruikt tevens de verheven Namen en Eigenschappen van Allah (Azza wa Djal) om dichter tot Hem te komen, opdat zijn doe’aa-e geaccepteerd wordt. Hij verklaart namelijk, dat hij bidt tot Allah “...de Heer van de Nobele Troon.” De Troon van Allah is één van de grootste Tekenen van Allah. Het is de grootste creatie, want geen ander object dat geschapen is, is zo groot of zwaar als de Troon. Het heeft zuilen, die vastgehouden worden door eerbiedwaardige engelen.


Tevens is het omringd door engelen die Allah (Azza wa Djal) voortdurend prijzen en vergiffenis vragen voor de gelovigen. Het is het hoogste geschapen object van Allah, en het dak van Djannatoe l-Firdaws (Djannatoe l-Firdaws is het hoogste niveau in het Paradijs dat bereikt kan worden; moge Allah het onze verblijfplaats laten zijn) Het is beschreven in de Koran met de term madjied, wat impliceert dat het een majesteitelijke en nobele Troon is; tevens is het beschreven met de term ‘adziem, wat impliceert dat het een grote en geweldige Troon is.

En het is deze grootse Troon waarbij Allah Zichzelf Verheven heeft, zoals Hij gezegd heeft in meer dan zeven verzen van de Koran: “De Barmhartige, Die op Troon verheven is.” [Soerat Taa-Ha (20), aayah]

Al deze eigenschappen van de Troon zijn authentiek verhaald in de Koran en ah’adieth. Vandaar dat de auteur de titel “de Nobele Heer van de Troon” gebruikt, om zo de kans te vergroten dat zijn doe’aa-e wordt verhoord.

De Sheikh noemt de drie karakteristieken, die hij de sleutels tot geluk’ noemt, aangezien elke persoon die gezegend is met deze drie sleutels in staat zal zijn om de deuren van het goede en geluk te openen, zowel in deze wereld als het Hiernamaals.


Dit komt doordat alles wat een gelovige overkomt, iets is dat hij wenst, of iets is dat hij niet wenst en dat slechte gevolgen met zich meebrengt. Een gebeurtenis die wenselijk is, is zonder enige twijfel een zegening van Allah verklaart in de Koran: “Wat jou van het goede overkomt, het is van Allah...” [Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 79]

En Hij zegt tevens: “...Als jullie dankbaar zijn, dan zullen Wij zeker jullie (genietingen) vermeerderen...” [Soerat Ibrahim (14), aayah 7]

Ware dankbaarheid aan Allah vereist een fysieke dankbaarheid, zoals met de uitspraak Al-h’amdoelilaah (alle lof is voor Allah). Het vereist het niet misbruiken van de goede fortuinen waarmee Allah (Azza wa Djal) een persoon gezegend heeft. In plaats hiervan vereist ware dankbaarheid aan Allah (Azza wa Djal), dat een persoon zijn zegeningen gebruikt om Allah zelfs nog meer te aanbidden. Als een persoon bijvoorbeeld Allah wenst te danken voor het geld waarmee hij gezegend is, dan wordt dit bereikt door het betalen van zakaat over dit geld, en door het aan te wenden om de tevredenheid van Allah te verkrijgen.


Als een ramp een dienaar treft, dan is deze ramp ofwel religieus van aard, en is deze door de persoon zelf veroorzaakt – dit wordt een zonde genoemd – of het is een wereldse ramp, die plaatsvindt met de Wil van Allah – dit is een test en beproeving van Allah. Dus wanneer een moslim een zonde begaat, dan realiseert hij zich de verkeerdheid van hetgeen hij heeft verricht, en vervolgens probeert hij het onmiddelijk te corrigeren door berouw te tonen voor de zonde.

Allah (Azza wa Djal) zegt: “Voorwaar, Allah aanvaardt slechts het berouw van degenen die het slechte uit onwetendheid bedrijven en vervolgens snel berouwvol zijn. Zij zijn degenen van wie Allah het berouw aanvaardt en Allah is Alwetend, Alwijs.” [Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 17]

Waar berouw dient oprecht omwille van Allah verricht te worden; het dient vergezeld te worden met een echt gevoel van schuld; en een serieuze vastbeslotenheid om de zonde niet te herhalen. Bovendien dient de zondaar te vermeerderen in het vragen van vergiffenis aan Allah, en ook dient hij meer goede daden te verrichten, opdat Allah het kwaad zal wegvegen dat hij heeft aangericht.


Wat betreft een wereldse ramp, een persoon dient zich volledig bewust te zijn dat het leven van deze wereld slechts een test is, waarbij deze persoon gedurende zijn hele leven getroffen zal worden door vele verschillende tegenslagen, om te zien of hij dankbaar is of niet.

Allah (Azza wa Djal) zegt: “En Wij zullen jullie zeker beproeven met iets van vrees, honger, vermindering van bezittingen, levens en vruchten. Maar verkondig blijde tijdingen aan de geduldigen. Degenen die, als een rampspoed hen treft, zeggen: “Innaa lillaahi wa innaa ilaihi raadji’oen (tot Allah behoren wij en tot Allah keren wij terug).” [Soerat al-Baqarah (2), aayah 155-156]

Kortom, degene die in staat is om Allah te danken voor het goede waarmee hij gezegend is, berouw toont voor de zonden die hij heeft verricht, en geduldig is omwille van Allah wanneer een rampspoed hem treft, heeft zeker de sleutels ontvangen van al het geluk.

 Aanbidding: doelen en definitie

Weet – moge Allah u leiden naar gehoorzaamheid tegenover Hem – dat de h’anifiyyah, de relige van Ibrahim (Alayhie s-Salaam), is dat je alleen Allah aanbidt, oprecht, en dat je de religie enkel voor Hem laat zijn.


Zoals Allah de Meest Verhevene zegt: “En Ik heb de Djinn en de mens slechts geschapen om Mij te dienen (aanbidden).” [Soerat Adh-Dhaar’yaat (51), aayah 56]

De auteur definieert de religie van de grote profeet Ibrahim (Alayhie s-Salaam). Ibrahim is één van de meest vooraanstaande standvastige profeten, en iemand die gerespecteerd wordt door iedereen die beweert Allah te aanbidden. Als men kijkt naar de religie van Ibrahim (Alayhie s-Salaam), dan zal hij zien dat het de pure aanbidding is van Allah. Allah (Azza wa Djal) zegt:

“Ibrahim was geen jood, en geen christen, maar hij was een H’anief, die zich (aan Allah) overgegeven had, en hij behoorde niet tot de veelgodenaanbidders.”

 [Soerat Aal ‘Imraan (3), aayah 67]

En in een ander vers zegt Hij: “En wie is beter in de godsdienst dan degene die zich volledig aan Allah overgeeft en weldoet, en de godsdienst van Ibrahim, H’anief, volgt. En Allah nam Ibrahim als khaliel.” [Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 125]


De term h’anief betekent dat een persoon zich richt op het aanbidden van Allah en al het andere achter zich laat, door afstand te nemen van shirk. Dat is waarom de mensen in de tijd van de profeetr die de Arabische afgodenaanbidders afwezen, h’oenafaa-e werden genoemd. Zij keerden zich namelijk weg van dergelijke afgoderij en aanbaden in plaats hiervan enkel Allah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa).

De profeetr werd eens gevraagd: “Welke religie is het meest geliefd bij Allah?” Dus antwoordde hij: “De voornaamste h’anifiyyah,” Overgeleverd door al-Boekhaarie in zijn Adab al-Moefrad 387. (Zie as-Silsilah 881)  hetgeen de Islam is. In deze h’adieth noemde hij de Islam de ‘voornaamste h’anifiyyah,’ hiermee aangevend dat het de essentie is van de religie van Ibrahim, wat de pure aanbidding van Allah was. Allah (Azza wa Djal) verklaart in het door de auteur geciteerde vers, het doel van de schepping. Dit vers is absoluut expliciet in het vaststellen van het doel van de schepping en dat is dat de mensheid en de djinn Allah dienen te aanbidden. Het is daarom noodzakelijk voor een persoon om het doel van de schepping te begrijpen. Taalkundig wordt aanbidding – of ‘ibaadah – gedefinieerd als het hebben van een complete liefde voor het object dat aanbeden wordt, gepaard met complete nederigheid en dienstbaarheid (Zie Moekhtasar as-Silsilah, van ar-Raazi, p.408)..


Wanneer een object dus geliefd wordt, maar een persoon voelt zich er niet nederig tegenover, dan is dit geen ‘ibaadah. Zoiets kan bijvoorbeeld voorkomen wanneer een vader liefde toont aan zijn familie en kinderen. Eveneens, wanneer aan een object dienstbaarheid en nederigheid wordt getoond, zonder enige liefde, dan is het ook dit geen aanbidding. Zoiets kan bijvoorbeeld voorkomen in het geval van een koning of heerser. Enkel wanneer deze twee karakteristieken gecombineerd worden in het geheel, dan zal ‘ibaadah plaatsvinden.

Wanneer de term ‘ibaadah in de teksten van de Koran of Soennah voorkomt, dan verwijst het naar een breed aantal handelingen, die allen handelingen en verklaringen bevatten die Allah liefheeft en Hem tevreden maken, ongeacht of deze handelingen van het hart, tong of ledematen zijn { Madjmoe’ al-Fataawa 10/149}

‘Ibaadah van het hart omvat o.a het houden van Allah, het vrezen van Allah, en het hopen van het beste van Allah; ‘ibaadah van de tong omvat o.a. het reciteren van de Koran, het gedenken van Allah (dhikr), en het oproepen (uitnodigen) van anderen tot het aanbidden van Allah (da’wah) en ‘ibaadah van de ledematen omvat o.a. het vasten, bidden en het geven in liefdadigheid.


Men kan dus zien dat de term ‘ibaadah breed en veel omvattend is, aangezien het alle handelingen bevat, die Allah geboden heeft en waarmee Hij tevreden is.‘Ibaadah heeft twee basis voorwaarden en drie zuilen. De term ‘voorwaarde’ geeft aan dat elke handeling ter aanbidding in overeenstemming dient te zijn met deze twee simpele voorwaarden, opdat de handeling geaccepteerd wordt. Geen handeling kwalificeert zich als een handeling ter aanbidding, totdat aan deze voorwaarden wordt voldaan. De term ‘zuil’ geeft aan, dat deze zuilen aanwezig dienen te zijn wanneer de handeling verricht wordt, opdat het een perfecte handeling ter aanbidding zal zijn.

De eerste voorwaarde is dat de handeling enkel omwille van Allah verricht wordt. Dit is de essentie van Tawh’ied – dat alle handelingen van een persoon enkel omwille van Allah verricht worden.

En dit is de toepassing van de zin: Laa ilaaha illa llaah (niets heeft het recht om aanbeden te worden behalve Allah), wat de eerste helft van de geloofsgetuigenis, de shahaada, is. Door te bevestigen dat er geen god is die aanbidding waardig is dan Allah, bevestigt een persoon dat al zijn religieuze handelingen enkel omwille van Allah verricht worden.


De tweede voorwaarde is dat de handeling verricht wordt in overeenstemming met de Soennah van de profeetr. Met andere woorden, een persoon kan geen handeling van aanbidding zelf bedenken, want de enige wijze om te weten of een specifieke handeling een handeling ter aanbidding is of niet, is door te zien of de profeet Mohammedr deze handeling opgedragen heeft of niet. En dit is de toepassing van de zin: Moeh’ammadoen ﷺ‬-Rasoeloe llaah (Mohammed is de boodschapper van Allah), de tweede helft van de geloofsgetuigenis. Door te bevestigen dat Mohammed de ware boodschapper is en een profeet van Allah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), bevestigt men dat enkel de profeetr het recht heeft om gehoorzaamd te worden (naast Allah Zelf natuurlijk), zonder enige vragen te stellen. De enige persoon die ons kan informeren hoe Allah te aanbidden is de profeetr, aangezien hij degene is waar Allah mee gecommuniceerd heeft.

Al-Fodhayl ibn Iyaadh  (Al-Fodhayl ibn ‘lyyadh ibn Mas’oed at-Tamimi (187 H.) is geboren in Samarkand (stad in Oezbekistan) en groeide uit tot een struikrover. Echter, hij toonde berouw hiervoor en reisde naar Al-Koefah (stad in Irak), op zoek naar kennis. Hij werd beroemd voor zijn onthouding en vroomheid. cf. Tahdzieb al-Kamaal (4736); Tahdzieb at-Tahdzieb.)


Zei met betrekking tot het vers: “Degene Die de dood en het leven heeft geschapen om jullie te beproeven, (en te tonen) wie van jullie de beste daden verricht. En Hij is de Almachtige, de Vergevensgezinde.” [Soerat al-Moelk (67), aayah 2]

(Dit betekent dat handelingen worden verricht) op correcte wijze en met een oprechte intentie. Indien een handeling verricht wordt met een oprechte intentie, doch op incorrecte wijze, dan zal het niet geaccepteerd worden; eveneens, als een handeling correct verricht wordt, maar niet met een oprechte intentie, dan zal het tevens verworpen worden. Alleen wanneer een handeling correct en oprecht verricht wordt, zal deze geaccepteerd worden. En ‘oprechtheid’ betekent dat de handeling omwille van Allah verricht wordt, en ‘correct’ betekent dat de handeling volgens de Soennah verricht wordt.” [Djamie’ al-‘Oeloem, p.59]

Kortom, deze twee voorwaarden zijn van essentieel belang voordat een persoon enige handelingen van aanbidding gaat verrichten. Als er niet aan de eerste voorwaarde voldaan wordt, dan wordt de handeling als een vorm van shirk, aangezien het verricht is voor iets (iemand) anders dan Allah.


En als niet aan de tweede voorwaarde voldaan wordt, dan wordt de handeling beschouwd als een innovatie, of bid’ah. Tegelijkertijd bestaan er drie essentiële zuilen, waar al de aanbidding van een persoon op gebaseerd is. Met andere woorden, terwijl hij of zij één van de handelingen van aanbidding verricht, dienen deze drie zuilen aanwezig te zijn, opdat de handeling compleet en perfect zal zijn. Tevens kan gezegd worden dat deze drie zuilen in feite de drijfveer zijn voor alle handelingen van aanbidding.

Deze drie zuilen zijn: liefde, angst en hoop. Een persoon aanbidt Allah dus uit liefde, angst en hoop. Een persoon aanbidt Allah dus uit liefde voor Allah en de vrees voor de bestraffing van Allah en een oprechte hoop om de beloning van Allah te verkrijgen. Indien aan één van deze drie voorwaarden niet wordt voldaan, dan is de juiste geest van de aanbidding niet aanwezig.

Sommige geleerden hebben een voorbeeld gegeven van

‘ibaadah en deze drie zuilen, in de vorm van een vogel met zijn twee vleugels. Het hart van de vogel is de liefde voor Allah, en ‘angst’ en ‘hoop’ zijn de twee vleugels.Dus wanneer de ‘liefde’ (het hart) niet aanwezig is, dan zal de ‘ibaadah (de vogel als geheel) dood zijn. En als ‘hoop’ dan wel ‘angst’ afwezig is, dan is de ‘ibaadah niet in staat om te bewegen.


Hoewel de bewijzen voor ieder van deze zuilen veelvuldig zijn combineer Allah (Azza wa Djal) deze tevens in een vers, die later ook geciteerd wordt door de auteur: “Zij (de veelgodenaanbidders) zijn degenen die aanroepen, (en zij die aangeroepen worden) zoeken zelf naar een middel tot hun Heer. Wie van hen het dichtst bij (hun Heer) zijn en op Zijn Barmhartigheid hopen en Zijn bestraffing vrezen: voorwaar, een bestraffing van jouw Heer is te vrezen.” [Soerat Al-Israa-e (17), aayah 57]

In dit vers beschrijft Allah (Azza wa Djal) de situatie van Zijn dienaren, die aanbeden worden door onwetende mensen. Deze dienaren concurreren met elkaar, proberen dichter bij Allah te komen doordat zij van Hem houden. Tegelijkertijd zijn zij hoopvol om de Genade van Allah te bereiken, en vrezend voor Zijn bestraffing. Zij aanbidden Allah (Azza wa Djal) dus op basis van de drie zuilen van liefde, angst en hoop.

 Tawh’ied en Shirk

Dus wanneer u weet, dat Allah u heeft geschapen om Hem te aanbidden, weet dan dat ‘aanbidding’ niet als aanbidding wordt beschouwd, behalve met tawh’ied (monotheïsme), zoals het gebed geen gebed wordt genoemd, behalve met reinheid (tah’aarah).


Dus als shirk zich mengt in de aanbidding, dan wordt het niet geaccepteerd, zoals onreindheid reinheid vernietigt als het erin binnengaat.

De aanbidding van Allah heeft twee noodzakelijke voorwaarden, zoals reeds besproken is, waarvan de eerste oprechtheid is. Dit betekent dat handelingen van aanbidding enkel tot Allah gericht dienen te zijn. Dit is de kern van Tawh’ied, hetgeen de boodschap was van alle profeten van Allah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa), vanaf Aadam (Alayhie s-Salaam) tot aan Mohammedr. Tawh’ied wordt gedefinieerd als: het alleen aanbidden van Allah, terwijl men gelooft in Zijn Unieke Essentie, Eigenschappen en Handelingen.

Kortom, er zijn twee aspecten van tawh’ied. Het eerste aspecht heeft te maken met de abstracte voorstelling van de Essentie van de Schepper. Een persoon dient het perfecte bestaan van Allah te bevestigen en zijn Essentie, Namen en Eigenschappen te beschouwen als Uniek en Perfect. Dit aspect staat bekend in het Arabisch als Tawh’ied al-l’tieqaadie, bedoelend het hebben van Tawh’ied in het geloof. Het tweede aspect heeft te maken met de verwezenlijking van deze bevestiging, door het doel van alle handelingen van aanbidding het bereiken van de tevredenheid van Allah te laten zijn. Dit aspect staat bekend als Tawh’ied al-‘Amalie, of Tawh’ied in alle handelingen.


Deze twee aspecten zijn even essentieel, opdat de Tawh’ied van een compleet zal zijn. Als iemand bijvoorbeeld gelooft dat Allah een zoon heeft, maar alle handelingen van aanbidding tot Allah alleen richt, dan is hij geen moslim. Hetzelfde geldt voor degene die gelooft in het Perfecte Bestaan van Allah, maar alle handelingen van aanbidding richt tot een afgod, ook hij is geen moslim. Alleen wanneer een persoon tawh’ied bevestigt en praktiseert in de meest volle zin, dan zal hij of zij moslim(a) zijn Shirk is het tegenovergestelde van tawh’ied. Het is niet mogelijk dat in het hart van een persoon tawh’ied bestaat naast shirk. Shirk wordt gedefinieerd als: het nemen van een deelgenoot naast Allah. Met andere woorden, het vereist het toekennen van een recht aan een geschapen object, terwijl dat enkel Allah toekomt. Als een persoon daarom in shirk valt, dan verlaat hij automatisch tawh’ied, aangezien tawh’ied, door zijn percieze definitie, betekent dat men zijn handelingen verzuivert omwille van Allah. Het voorbeeld dat de auteur geeft verduidelijkt dit punt. Precies zoals een handeling die de reiniging van een persoon verbreekt, ongeacht hoe klein of gering de handeling ook is, zo vernietigt shirk de tawh’ied van een persoon, ongeacht hoe klein of nietszeggend het ook moge lijken.


Het is om deze reden dat als een persoon valt in shirk, dat al zijn handelingen afgewezen worden. Allah (Azza wa Djal) zegt in de Koran: “En voorzeker, er is aan jou en degenen voor jou geopenbaard: “Als jij deelgenoten toekent, dan zullen jouw werken vruchteloos worden en zul zij zeker tot de verliezers behoren.”

[Az-Zoemar (39), aayah 65]

In dit vers verklaart Allah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) dat zelfs als de profeetr  in shirk zou vallen – en natuurlijk is dit niet mogelijk – dan zouden al zijn goede daden weggeveegd worden en niet geaccepteerd worden door Allah. In dit wordt een strenge waarschuwing gegeven voor (het wegblijven van) shirk, aangezien het alle goede daden van een persoon vernietigt, zoals een persoon zijn gebed zou vernietigen, wanneer hij zijn woedhoe-e (de kleine rituele wassing) verbreekt.

Het belang van het kennen van Shirk

Men dient dus te weten dat wanneer aanbidding vermengd wordt (met shirk), de aanbidding niet geaccepteerd wordt en de handeling vernietigd. Als men weet dat personen die zo handelen permanent in het Hellevuur zullen zijn, dan zal men zich realiseren dat dit het belangrijkste onderwerp is om te bestuderen

(kennen).


Door deze studie zal Allah u misschien redden van deze kwade val, bedoelend shirk met Allah, waarover Allah (Azza wa Djal) heeft gezegd: “Weet dat Allah de zuivere aanbidding toekomt. En degenen die naast Hem beschermers nemen (zeggen:) “Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons zo dicht mogelijk tot Allah brengen.” Voorwaar, Allah zal over hen rechtspreken over dat waarover zij van mening verschillen. Voorwaar, Allah leidt niet degene die een zeer zondige leugenaar is.”

[Soerat Az-Zoemar (39), aayah 3] Dit zal bereikt worden door het bestuderen van de vier principes, die Allah – de Verhevene – heeft genoemd in Zijn boek.Het belang van het bestuderen van elke zaak is afhankelijk van de potentiële opbrengst of schade. Daarom zien wij dat vele wetenschappelijke disciplinens gericht zijn op het verkrijgen van voordelen voor de mens, zoals met meetkunde. Tegelijkertijd zijn er doktoren die hun hele leven doorbrengen met het bestuderen van bepaalde ziekten, niet omdat zij erdoor getroffen kunnen worden, maar juist om hun gevaren te leren en dus de ziekten of de verspreiding ervan proberen te voorkomen.


Het is met dit perspectief in gedachten, waardoor de Islam ons feitelijk oplegt om bepaalde kwaden te leren en bestuderen. Allah (Azza wa Djal) zegt in de Koran: “En zo leggen Wij de Verzen uit. En opdat de weg van de zondaren duidelijk wordt.”

[Soerat Al-An'aam (6), aayah 55]

Allah de Almachtige heeft het pad dus duidelijk gemaakt voor de gelovige en Hij heeft tevens het pad van de zondaren verduidelijkt (m.a.w. iedereen die tegen het pad van de gelovigen in gaat), en door dit te doen, is de persoon die deze paden volgt beter in staat om een onderscheid te maken tusssen de twee, en dus in staat om zichzelf te redden van gevaar. Dat is de reden waarom H’oedeifah ibn al-Yamaan (Radhya llaahoe ‘anhoe), één van de grootste metgezellen, zei: “De metgezellen vroegen over goede zaken, maar ik vroeg hem ﷺ‬ over slechte zaken, want ik was bang dat zij mij zouden treffen.” Overgeleverd door Moesliem 4726''.

En ‘Oemar ibnoe l-Khattaab (Radhya llaahoe ‘anhoe) zei: “De zuilen van de Islam zullen vernietigd worden, één voor één, wanneer mensen die Djaahielieyyah niet kennen grootgebracht worden in Islam.” (Tafsier al-'Aziez al-H'amid).


De betekenis van deze diepgaande uitspraak, is dat wanneer mensen niet realiseren hoe het kwade te herkennen, dat zij erin zullen vallen. Één van de redenen waarom de metgezellen de beste zijn van deze natie, is doordat zij opgegroeid waren in het ergste van alle Djaahielieyyah  , dus toen de Islam kwam werden zij de zuiverste van de zuiveren. Als gevoel van het kwaad waarin zij waren grootgebracht, waardeerden zij de zuiverheid van de Islam op een manier die anderen grootgebracht worden in de Islam niet zullen begrijpen. Het komt hierdoor dat de metgezellen de betekenissen en gevolgen van Shirk en Tawh’ied realiseerden, en daardoor niet overdreven in het eren van de profeten en heiligen, zoals de moslims van latere generaties wel deden/doen.

Djaahilijah: De term Djahielieyyah betekent letterlijk 'onwetendheid'. Het wordt gebruikt om de tijd voor de komst van de profeet (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam) aan te duiden, aangezien de mensheid in een staat van onwetendheid verkeerde, met betrekking tot Allah. De term verwijst tevens naar alle soorten kwaad


Kennis van het kwade is een hele belangrijke factor in het perfectioneren van het geloof van een persoon. Zoals een dichter op welbespraakte wijze dichtte:

Leer het kwaad, niet omwille van het kwaad

maar juist om het te vermijden.

Want voorwaar, hij die het kwaad niet kan onderscheiden van het goede, zal erin vallen

(letterlijke vertaling).

Als een persoon realiseert dat de zonde van shirk de grootste zonde en het grootste kwaad is, en dat het enige zonde is waarover Allah beloofd heeft het niet te vergeven (mits er geen berouw voor getoond wordt), dan zal hij het belang van het bestuderen van shirk realiseren. Enkel door het bestuderen van shirk kan een persoon begrijpen in welke gevaren hij kan lopen door shirk te plegen. Wanneer een persoon tevens realiseert hoe gevaarlijk shirk is, dan zal hij zijn verschillende vormen en typen bestuderen, want de kennis bezitten van hoe gevaarlijk een zaak is, is niet voldoende om jezelf ertegen te beschermen. Het is dan ook van essentieel belang dat een persoon in staat is om het bestaan van shirk te herkennen, de tekenen ervan en zijn symptomen. Hij dient tevens bewust te zijn van de factoren die hem helpen om shirk te vermijden en die hem beschermen van het vallen hierin.


En hij dient altijd voorbereid te zijn om zijn positie te verdedigen tegenover anderen die shirk plegen, zodat hij het bewijs voor hen allemaal kan uiteenzetten, en hen kan oproepen tot de zuivere tawh’ied van Allah. Ook dient hij de redenen en de valse bewijzen te bestuderen, die worden aangevoerd door degenen die shirk plegen – zo trachten zij hun shirk te rechtvaardigen – zodat hij deze kan weerleggen en meer effectief zal zijn in het oproepen tot de zuivere aanbidding van Allah. Dit alles kan enkel bereikt worden door een gedetailleerde studie van shirk te verrichten, en alle factoren die er betrekking op hebben.

Enkele ernstige gevolgen van shirk zijn:

Het is de enige zonde waarover Allah beloofd heeft dat Hij het niet zal vergeven, en het bewijs hiervoor wordt later genoemd door de auteur.

Degene die shirk verricht, heeft zichzelf verboden om het Paradijs binnen te gaan en zichzelf verplicht tot het Hellevuur als zijn eeuwige verblijfplaats – zoals Allah (Azza wa Djal) zegt: “...Voorwaar, hij die deelgenoten aan Allah toekent: Allah heeft hem waarlijk het Paradijs verboden. En zijn bestemming zal de Hel zijn...”

[Soerat Al-Maa-idah (5), aayah 72]


-De persoon die shirk verricht met Allah vernietigt al zijn goede daden, zodat geen van zijn handelingen geaccepteerd wordt door Allah, zoals genoemd is in een vers dat eerder al vermeld is.

-De handeling die het meest verboden is in de Koran, is die van shirk. Er zijn letterlijk honderden verzen waarin Allah direct of indirect gewaarschuwd heeft tegen shirk, en er is geen één ander aspect waar zo hevig tegen gewaarschuwd is.

Kan er dus een zaak zijn die belangrijker en gevaarlijker is dan shirk? Daarom, wanneer iemand deze gevaren realiseert, dan zal hij streven – door het te bestuderen – om het te vermijden.

De auteur verklaart dat kennis van shirk verkregen kan worden door het bestuderen van ‘...de vier principes,’ waarvan de titel van het boek afgeleid is. Deze vier principes leggen uit en verduidelijken de precieze betekenis van shirk, en (dit alles) is gebaseerd op de Koran en Soennah, en de geschiedenis van de Arabieren voor de komst van Islam. Uiteraard impliceert dit niet dat deze vier principes de enige kennis is die men nodig heeft om shirk te begrijpen, maar het is wel zo dat deze principes een voldoende introductie zijn om de basisideeën van shirk te begrijpen.

 Het eerste principe

Het eerste principe is dat men dient te weten dat de ongelovigen die de boodschapper van Allahr bestreed, erkenden dat Allah – de Verhevene – de Schepper was, Degene Die onderhoud geeft, en Degene Die verantwoordelijk is voor alle zaken, maar dit liet hen niet de Islam binnengaan. Het bewijs is Zijn uitspraak: “Zeg: “Wie schenkt jullie voorzieningen uit de hemel en de aarde,” of: “Wie heeft de macht over (het scheppen van) het horen en het zien en wie brengt het levende voort uit het dode en wie brengt het dode voort uit het levende, en wie verordent het bestuur?” Zij zullen zeggen: “Allah”. Zeg: “Zullen jullie (Allah) dan niet vrezen?”

[Soerat Yoenoes (10), aayah 31]

Dit principe is een buitengewoon belangrijk principe en de onwetendheid hierover heeft vele mensen doen laten dwalen. Dat terwijl de bewijzen ervoor zo veelvuldig zijn en tevens zo duidelijk dat er geen ruimte is voor twijfel betreffende dit principe.

De Arabieren die tegen de boodschapper van Allahr ingingen en tegen hem vochten, geloofden standvastig dat Allah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) God is. Zij bevestigden dat Allah (Soebh’anahoe wa Ta’aalaa) de Schepper is van de hemelen en aarde, en dat Hij, en alleen Hij, de Almachtige is.


Zij gaven toe dat hun voorzieningen enkel van Allah kwamen en niet van de afgoden die zij aanbaden, en zij gaven toe dat het Allah is Die zal doen herleven, nadat zij sterven. Het bewijs hiervoor wordt hervonden in vele verzen in de Koran.

 In het vers, geciteerd door de auteur, verklaart Allah dat de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah  , indien zij gevraagd werden over wie hun voorzieningen schenkt of hen de zintuigen van het horen of zien heeft geschonken, of het leven schept en de dood brengt, of de controle heeft over de hele schepping, zouden antwoorden: “Allah”. Echter, ondanks dit geloof hadden zij niet de angst voor Allah en verrichten zij shirk met Hem. In een ander vers zegt Allah (Azza wa Djal): “En de meesten van hen geloven niet in Allah zonder deelgenoten aan Hem toe te kennen.”

[Soerat Yoesoef (12), aayah 106]

Met andere woorden, zij geloven in Allah, maar zij aanbidden niet Allah alleen. Zij bevestigden dus dat Allah de Heer is, maar zij richtten hun aanbidding niet alleen tot Allah. Ibn ‘Abbaas (Radhya llaahoe ‘anhoe) zei met betrekking tot dit vers: “Hun geloof in Allah is dat, als je hen zou vragen wie de hemelen en de aarde en de bergen schiep, dat zij zouden antwoorden: ‘Allah’.


Toch begaan zij shirk (door anderen naast Hem te aanbidden).” ‘Ikrimah, één van de studenten van Ibn ‘Abbaas, zei: “Als je hen zou vragen wie hen heeft geschapen en wie de hemelen en aarde schiep, dan zouden zij zeggen: ‘Allah’. Dus dat is het geloof dat zij hebben in Allah, maar ondanks hun geloof, aanbidden zijn anderen.” (Tefsier at-Tabarie 16/286)

Een ander bewijs voor het feit dat zij geloofden dat Allah  God is, is dat de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah   hun afgoden aanbaden om dichterbij Allah te komen (dit punt zal verder uitgewerkt worden in het derde principe). Dus het feit dat Allah de Ultieme is Die aanbeden moest worden, laat duidelijk zien dat zij Allah beschouwden als God.

Ook een ander bewijs is dat zij Allah direct aanriepen in tijden van rampspoed (dit punt zal verder uitgewerkt worden in het laatste principe). Eens te meer laat deze handeling zien dat de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah   zich volledig bewust waren dat Allah de Enige God is, Die Almachtig is, en dat Hij alleen de Schepper en Onderhouder van alles is.

De vraag die dus ontstaat is: als zij dit alles van Allah bevestigden, waarom accepteerden zij de Islam dan niet?


En waarom beschouwde de profeetr al deze zaken niet als voldoende om hen te berechten als moslims?

Deze zelfde mensen verwierpen de oproep van de profeetr en vochten tegen hem, en zij probeerden hem zelfs te doden! De profeetr bevocht hen en beschouwde hen als de meeste slechten van de mensheid.

Het antwoord op de vraag ligt in het kennen van het feit dat shirk begingen, door afgoden naast Allah te aanbidden. Hoewel zij (in algemene zin) de Perfecte Essentie van Allah bevestigden (Tawh’ied al-l’tieqadie), ontkenden zij dat alleen Allah het verdient om aanbeden te worden, en dus richtten zij hun handelingen van aanbidden tot anderen dan Allah, waardoor zij dus Tawh’ied al-‘Amali verwierpen.

En dat is waarom – toen de profeetr kwam met zijn simpele boodschap Laa ilaaha illa llaah (er is geen god die het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah) – zij arrogant waren en dit ontkenden. Allah de Verhevene zegt: “Voorwaar, toen er tot hen gezegd werd: “Er is geen god dan Allah,” toen waren zij hoogmoedig.”[Soerat As-Safaat (37), aayah 35]


En Allah verklaart dat zij zeiden, de oproep van de profeetr bespottend: “Heeft hij de goden tot één God gemaakt? Voorwaar, dit is zeker een verbazingwekkend iets.”

[Soerat Saad ( 38 ), aayah 5]

De Arabieren van de Djaahielieyyah   verwierpen de boodschap van de profeetr niet omdat hij hen opriep tot het geloven in het bestaan van Allah, of zelfs dat Allah de Heer en Schepper is; zij geloofden hier toch al in! In plaats hiervan verwierpen zij zijn boodschap omdat hij hen gebood om al hun handelingen van aanbidding alleen te richten tot Allah.

Als iemand daarom begrijpt dat de reden dat deze Arabieren van Djaahielieyyah   beschouwd werden als vallend buiten de oevers van Islam, ondanks dat zij Allah als Heer erkenden, was (door) dat zij hun handelingen van aanbidding tot anderen dan Allah richten, dan zal hij in staat zijn om duidelijk te zien dat het niet voldoende is om enkel te geloven dat Allah de Verhevene de Heer is en de Schepper, om beschouwd te worden als een moslim. Er is een andere even belangrijke factor die men dient toe te passen, en dat is dat men al zijn handelingen dient te richten tot Allah.


Als dit niet gebeurt, dan valt men in de zonde van shirk, en lijkt men op de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah   van vroeger, zelfs al beweert hij dat hij een moslim is, en bidt, vast en de H’adj verricht met moslims!

Om het eerste principe samen te vatten, verklaren wij: het is niet voldoende voor een persoon om het bestaan van Allah (Azza wa Djal) en Zijn Perfecte Essentie te bevestigen om beschouwd te worden als moslim. Deze bevestiging dient juist opgevolgd te worden door de aanbidding alleen tot Allah te richten. Als een persoon dit niet doet, dan is hij precies in dezelfde vorm van shirk gevallen waarin de heidense Arabieren vielen, ten tijde van de profeetr, en het is dan ook irrelevant of hij zichzelf een moslim noemt of niet.

 Het tweede principe

De moeshriekien(1) zeggen: “Wij roepen hen niet aan en wenden ons tot hen, behalve om nabijheid te zoeken en voorspraak (bij Allah). En het bewijs voor de nabijheid is in de Uitspraak van de Verhevene: “Weet dat Allah de zuivere aanbidding toekomt. En degenen die naast Hem beschermers nemen (zeggen:) “Wij aanbidden hen slechts opdat zij ons zo dicht mogelijk tot Allah brengen.” Voorwaar, Allah zal tussen hen rechtspreken over dat waarover zij van mening verschillen. Voorwaar, Allah leidt niet degene die een zeer zondige leugenaar is.” [Soerat Az-Zoemar (39), aayah 3]. (1)Moeshriekien: meervoudsvorm van moeshrik , wat afgodenaanbidder of polytheist betekent. Deze naam is afgeleid van shirk , iemand die shirk (afgoderij) begaat.

Het bewijs voor de voorspraak is in de Uitspraak van de Verhevene: “En zij aanbidden naast Allah wat hen niet schaadt en hen niet baat, en zij zeggen: “Dezen zijn onze voorsprekers bij Allah.”...”

[Soerat Yoenoes (10), aayah 18]

Er zijn twee soorten voorspraak: As-shafaa’ah al-Menfiyyah (ontkennende en verboden voorspraak); en As-shafaa’ah al-Moethbatah (bevestigende en toegestane voorspraak).

Wat betreft As-shafa’ah al-Menfiyyah, is hetgeen gevraagd wordt aan anderen dan Allah, waarover men geen macht heeft behalve Allah. En het bewijs voor dit is in de Uitspraak van de Verhevene: “O jullie die geloven: geef van dat waar Wij jullie mee voorzien hebben, voordat de Dag komt waarop er noch handel, noch voorspraak zal zijn. En de ongelovigen: zij zijn de onrechtvaardigen.”

[Soerat Al-Baqarah (2), aayah 254]


As-shafaa’ah al-Moethbatah is hetgeen gevraagd wordt aan Allah. Degene die de voorspraak verricht is geëerd door Allah met de voorspraak en degene waarvoor voorspraak wordt gedaan is iemand over wiens woorden en handelingen Allah tevreden is. De shafaa’ah al-Moethbatah vindt plaats nadat toestemming van Allah gegeven is, zoals de Verhevene zegt: “...Wie is degene die van voorspraak is bij Hem zonder Zijn verlof?...” [Soerat Al-Baqarah (2), aayah 255]

Dit principe bespreekt twee onderwerpen. Het eerste onderwerp is de rechtvaardiging die de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah (onwetendheid) gebruikten om hun shirk te rationaliseren. En het tweede onderwerp, wat een gevolg is van het eerste en wat door de auteur gebracht wordt in de volgorde om het juiste begrip van dit onderwerp te verduidelijken, is het onderwerp van voorspraak, of shafaa’ah. Wij zullen dan ook beide onderwerpen bespreken, in hun respectievelijke volgorde.

De Koran noetmde de perverse logica die de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah   ertoe gedreven heeft om shirk te plegen. Zij geloofden niet dat hun afgoden almachtig waren, noch dat zij hun konden schenken wat zij nodig hadden. In plaats hiervan gebruikten zij deze afgoden als bemiddelaars om Allah te benaderen.


Zij voelden dat Allah de Verhevene te heilig was voor hen om direct te benaderen, en dus trachtten zij middels deze objecten dichter bij Allah te komen. Zij redeneerden dat deze objecten van aanbidding heilig en gezegend waren, en een hoge status hadden bij Allah, terwijl zijzelf zondig waren, afgewezen schepsels waar geen antwoord aan gegeven zou worden, als zij Allah direct zouden aanroepen.

Precies zoals degene die en machtige koning niet direct benadert, maar juist via iemand die hij kent, zo ook wilden zij Allah nie direct benaderen, en zij trachtten dit te doen middels deze afgoden.

Dus zeiden zij: “Wij aanbidden deze afgoden alleen maar, zodat zij onze verzoeken zullen verheffen tot Allah, en ons dichter bij Hem brengen.”

[Soerat Az-Zoemar (39), aayah 3]

En zij zeiden ook: “Wij aanbidden deze afgoden alleen maar, zodat zij voorspraak kunnen verrichten voor ons bij Allah, dat onze doe’aa-e en handelingen van aanbidding worden geaccepteerd door Hem

”Beide excuses laten zien dat de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah werkelijk geloofden dat zij Allah benaderden en dus (het bereiken) van Allah hun ultieme doeleinde maakten. Echter, dit geloof van hen veranderde niets aan het feit dat zij shirk begingen door hun handelingen. Dit komt doordat de essentie van tawh’ied draait om het hebben van een directe relatie tussen Allah en de mens. Allah heeft geen bemiddelaars nodig opdat handelingen ter aanbidding worden geaccepteerd, want Allah is de Almachtige, de Kenner van alles, de Genadevolle. Door deze bemiddelaars te gebruiken richtten de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah hun aanbidding aan anderen dan Allah, terwijl hun uiteindelijke doel de Tevredenheid van Allah was!

Het voorbeeld van de ‘machtige koning’ dat zij gebruikten is niet van toepassing bij Allah. Dit komt doordat een koning die benaderd wordt, niet alwetend is van de situatie van zijn mensen, dus heeft hij iemand nodig die hem daarover informeert. Tevens is het in de meeste gevallen niet mogelijk voor een doorsnee persoon om een koning of heerser direct te benaderen, dus dient hij dit te doen via iemand die de koning wel kent. Tenslotte is het zeer waarschijnlijk dat een koning niet zomaar iets zal geven aan een totale vreemde, terwijl als iemand met macht en status hem iets zou vragen voor zijn boer, dan zou hij gemakkelijk zijn verzoek inwilligen. Dit komt doordat de koning niets te winnen heeft van het inwilligen van een wens van een laaggeplaatste arbeider, terwijl hij een hoop te winnen heeft door het inwilligen van een wens van een nobele, of machtige persoon. En uiteraard, al deze zaken hebben zelfs in de minste mate geen betrekking op Allah. Allah  is Alwetend over onze situatie en Hij heeft niemand nodig om Hem te informeren over onze behoeftes.


Allah kan benaderd worden door elk afzonderlijk geschapen schepsel, wnat Hij is met Zijn kennis dichter bij ons dan onze halsslagaders. En Allah is de Meest Rechtvaardige en schenkt aan iedereen die Hij wil. Allah  heeft niemand van ons nodig, terwijl wij allemaal Hem wel nodig hebben en niet zonder Hem kunnen.

Belangrijker nog, onze religie en onze aanbidding zijn niet gebaseerd op analogieën tussen Allah en de schepping, maar juist op de teksten van de Koran en Soennah.

Als iemand hetgeen we hiervoor behandeld hebben begrijpt, dan zal hij zien dat hetzelfde oordeel van shirk geldt voor de moslims in onze tijd, die het graf van een vrome heilige benaderen, of smeekbeden richten aan de doden, gelovend dat deze mensen zullen handelen als bemiddelaars tussen hen en Allah. Als een persoon zich werkelijk de shirk van de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah  realiseert, dan zal hij zien dat er absoluut geen onderscheid is tussen de handelingen die worden verricht door deze moslims die hun heiligen aanroepen, en de shirk van de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah  . Beide partijen erkennen het bestaan van Allah en Zijn Almachtige Essentie. Beide partijen richtten verder hun handelingen van aanbidding aan anderen dan Allah.


En beide partijen gebruiken exact hetzelfde excuus, wanneer zij deze handelingen verrichten – dat zij enkel trachten dichterbij Allah te komen, door deze ‘heilige’ bemiddelaars te gebruiken. Deze logica is echter de essentie van shirk, waarover de teksten van de Koran en Soennah heel duidelijk zijn.

 De Arabieren tijdens de Djaahielieyyah hebben het begrip ‘ibaadah (aanbidding) goed begrepen

Een ander voordeel dat onttrokken kan worden door de auteur geciteerde verzen, is dat de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah zich volledig bewust waren dat wat zij deden ‘aanbidding’ werd genoemd, doordat zij verklaarden: “...wij aanbidden hen opdat zij ons dichterbij Allah brengen in positie.” Zij realiseerden zich dus, als gevolg van hun kennis van de Arabische taal, dat wat zij deden betreffende offers, doe’aa-e, neerwerpingen etc., telde als ‘ibaadah van deze afgoden. Dit staat in direct contrast met sommige moslims van tegenwoordig die dezelfde vorm van shirk begaan, door Allah te benaderen middels zogenaamde ‘heiligen’. Als je hen echter zou vragen waarom zij deze heiligen aanbidden, dan zouden zij antwoorden: “Wij aanbidden hen niet. Wij zoeken enkel een middel om dichterbij Allah te komen, door hun voorspraak, of hun zegeningen, of hun status bij Allah.”


Deze moslims ontkennen dat hun handelingen vallen onder aanbidding, en zo trachten zij dus aan de beschuldiging van shirk, die zij verdienen, te ontsnappen. Het oordeel van een handeling of gedachte is echter niet afhankelijk van hoe mensen het benoemen, maar het is juist afhankelijk van de realiteit en de essentie ervan.Als iemand riba (rente) ‘winst’ noemt, dan zou het de werkelijkheid van het feit dat het rente is niet veranderen. Eveneens, als iemand alcoholische dranken ‘verfrissingen’ noemt, dan verandert het niets aan het feit, dat deze dranken alcoholisch zijn en dus verboden in de Islam. Als men dit oordeel begrijpt, dan zal hij zien dat deze handelingen – het aanroepen van afgoden en het vragen om bovennatuurlijk hulp (van iets anders dan Allah), en het trachten deze tevreden te stellen etc., - allen vallen onder het Islamitische begrip ‘ibaadah. Ongeacht of de mensen deze handelingen als ‘ibaadah beschouwen of niet; het oordeel is gebaseerd op de werkelijkheid van de zaak, en niet op de naam die eraan gegeven wordt.

Het punt is dat de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah   realiseerden wat zij deden en zij gaven dit toe. Zij noemden hun handelingen tegenover hun afgoden openlijk handelingen van aanbidding.


 Zij waren dus eerlijker en oprechter, in dit geval, dan de onwetende moslim die de realiteit tracht te veranderen van hetgeen zij doen, door er simpelweg een ander etiket op te plaatsen.

 Het begrip betreft voorspraak

De auteur noemt vervolgens het begrip van shafaa’ah in zekere detail, aangezien dit begrip misbruikt wordt om shirk te rechtvaardigen. Shafaa’ah is de voorspraak die Allah bepaalde dienaren toestaat om te verrichten.

De shafaa’ah is een middel waarmee de specifieke dienaren gezegend zijn, waarmee zij bepaalde mensen kunnen redden van het Hellevuur.

Er zijn twee soorten shafaa’ah die genoemd worden in de Koran(1). De eerste soort is de shafaa’ah die verboden is of ontkend is en niet geaccepteerd wordt door Allah. Hiernaar wordt veelvuldig verwezen in versregels, inclusief het vers geciteerd door de auteur, waarin Allah de Dag des Oordeels beschrijft als een dag waarop er geen shafaa’ah zal zijn, bedoelend (en Allah weet het beste) dat er geen shafaa’ah menfiyyah zal zijn (de verboden shafaa’ah ). Deze soort van shafaa’ah is een voorspraak die gevraagd wordt aan anderen dan Allah, of iemand aan wie Allah geen toestemming heeft gegeven om shafaa’ah te verrichten, ook dit zal niet geaccepteerd worden.


Dit komt doordat shafaa’ah een zegening is die door Allah geschonken wordt aan de dienaren die Hij kiest. Het is niet een recht dat bepaalde mensen van Allah kunnen claimen. Niemand kan voorspraak verrichten, behalve met de toestemming van Allah. Daarom is het hele begrip van het vragen aan verschillende ‘heiligen’ om voor hen voorspraak te verrichten ongegrond, als gevolg van de simpele reden dat men niet weet aan wie toestemming gegeven zal worden op de Dag des Opstanding om shafaa’ah te verrichten.

(1) Wat hier ter discussie wordt gesteld, is het religieuze begrip van shafaa’ah , wat het zoeken van bemiddeling of voorspraak is bij Allah, omwille van een andere persoon, zodat hij vergeven wordt. Wat betreft de wereldlijke shafaa’ah , wat plaatsvindt wanneer een persoon bemiddelt voor iemand anders voor een wereldlijke winst of voordeel, dit is toegestaan op basis van twee voorwaarden. Ten eerste moet het gewenste doeleinde zelf toegestaan zijn. Ten tweede dient deze bemiddeling niet onrechtvaardig een recht weg te nemen, dat een ander specifiek individu toekomt. Allah  verklaart, met betrekking tot deze vorm van shafaa’ah , in de Koran: “En wie een goede voorspraak schenkt, hem komt een aandeel daarin toe...” (Soerat An-Nisaa-e (4), aayah 85)

De tweede soort is de shafaa’ah die genoemd is in de Koran en die bevestigd en toegestaan is door Allah. Deze shafaa’ah heeft twee voorwaarden, zoals de auteur daar een toespeling op maakt. De eerste voorwaarde is reeds genoemd, en dat is dat de persoon die de shafaa’ah verricht toestemming heeft om voorspraak te verrichten. De tweede voorwaarde is dat degene voor wie er voorspraak wordt gedaan, iemand dient te zijn waarover Allah tevreden is. En Allah is alleen tevreden met degenen die geen shirk begaan.

Men kan zich afvragen: wat is het nut van voorspraak wanneer Allah bepaalt wie er voorspraak verricht, en Hij dient tevens tevreden te zijn met degenen voor wie er voorspraak wordt gedaan? Het antwoord is, dat dit feit de Verheven Macht en Controle van Allah toont over Zijn schepping.

Het is niet gepast dat een schepsel het recht geeft om voorspraak te verrichten bij Allah, of om voorspraak te verrichten bij anderen. Een dergelijke recht – als het bestond – zou tegen Allah Zijn autoriteit en complete Macht in gaan.

In plaats hiervan is shafaa’ah een middel om bepaalde mensen te eren, door hen toestemming te geven om voorspraak te verrichten voor anderen, en het is een middel om genade te tonen aan anderen, door enkelen toe te staan voorspraak te laten verrichten voor hen.

Deze twee voorwaarden worden genoemd in een aantal versen in de Koran. Een vers dat deze biede voorwaarden combineert, is: “En hoeveel engelen zijn er niet in de hemelen wier voorspraak niets baat, behalve nadat Allah toestemming geeft voor wie Hij wil en wie Hem behaagt.”

[Soerat An-Nadjm (53), aayah 26]


Daarom, als iemand begrijpt dat de shafaa’ah totaal afhankelijk is van Allah, dan zal hij de nutteloosheid inzien van het vragen aan anderen om te bemiddelen voor hem bij Allah. Zonder enige twijfel heeft de profeetr de grootste eer op de Dag des Oordeels betreffende shafaa’ah. Hij zal voorspraak verrichten voor zijn hele Oemmah (gemeenschap) op de Dag des Oordeels, maar zelfs deze voorspraak wordt van Allah gevraagd en niet van de profeetr zelf! Het is om deze reden, dat de moslim na de oproep tot het gebed (de adzaan) een doe’aa-e (smeekbede) verricht tot Allah:

“O Allah, die de Rabb van deze perfecte oproep en te verrichten gebed (salaat) is, schenk Mohammed Al-wasielah (een plaats in het Paradijs) en Al-fadielah (een rang boven de rest van de schepselen) en geef hem de geëerde rang die ﷻ‬ hem heeft beloofd, (voorwaar, ﷻ‬ verbreekt geen beloftes) Overgeleverd door al-Boekhaarie (1/152).


Deze doe’aa-e wordt dus aan Allahgericht en niet aan de profeetr! De metgezellen (Radhya llaahoe ‘anhoem), die de meeste kennis hadden van deze Oemmah, vroegen nooit aan de profeetr om na zijn dood voorspraak voor hen te doen, aangezien zij wisten dat het niet mogelijk is om aan de profeetr na zijn dood te vragen iets te doen.Als dit het geval is met de profeetr, wat dan betreft een vrome heilige? De profeetr zelf heeft laten zien wat de beste wijze is om te garanderen dat hem shafaa’ah wordt geschonken op de Dag des Oordeels. Aboe Hoerayrah  vroeg hem: “O boodschapper van Allah, wie zal de grootste kans hebben om uw voorspraak te krijgen op de Dag des Oordeels?” De profeetr antwoordde: “Degene die de grootste kans heeft om mijn shafaa’ah te krijgen, is hij die zegt: ‘Laa ilaaha illa Allah,’ oprecht vanuit zijn hart.” Overgeleverd door al-Boekhaarie (1/33).

Deze h’adieth schetst in duidelijke termen dat de beste wijze om zijn shafaa’ah (d.w.z. van de profeetr) te verkrijgen, is door tawh’ied te praktiseren, hetgeen het verlaten van shirk vereist in al zijn vormen. Degene die deze woorden oprecht vanuit zijn hart uitspreekt, dient tawh’ied te praktiseren en shirk te vermijden.


De ironie van dit alles, is dat degenen die deze handelingen van shirk verrichten middels vrome heiligen en de profeetr (door hen aan te roepen als bemiddelaars), dit doen met het excuus dat zij de shafaa’ah van de profeetr wensen te verkrijgen, terwijl deze handelingen het krijgen van zijn shafaa’ah automatisch onmogelijk maken, als gevolg van hun shirk.

De beste manier om dus deze shafaa’ah te verkrijgen is door deze handelingen te vermijden, die verricht worden door deze mensen in naam van shafaa’ah!

Om het tweede principe samen te vatten: de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah hadden werkelijk de intentie om dichterbij Allah te komen, door het aanbidden van afgoden en andere objecten. Hun uiteindelijke doel was de Tevredenheid van Allah, maar zij dachten door het benaderen van Allah door bemiddelaars, dat hun gebeden en aanbidding geaccepteerd zou worden.

Wanneer men dit dus begrijpt, dan ziet men dat de moslims die heiligen en profeten aanroepen, om dichterbij Allah te komen en hun gebeden geaccepteerd te zien, in werkelijkheid precies dezelfde zonde van shirk begaan, die de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah   begingen


 Het derde principe

Dat de profeetr tot de mensen kwam die verschillen hadden in hun (objecten van) aanbidding: onder hen waren de aanbidders van engelen, aanbidders van profeten en vromen, aanbidders van bomen en stenen, aanbidders van de zon en de maan. De boodschapper van Allahr bevocht hen echter allemaal, en maakte geen onderscheid tussen hen.Het bewijs hiervoor (dat hij hen allemaal bevocht) is in de Uitspraak van de Verhevene: “En bevecht hen totdat er geen Fitnah meer is en de godsdienst geheel voor Allah is.” [Soerat Al-Anfaal (8 ), aayah 39].

En het bewijs van het (het aanbidden) van de zon en de maan, in de Uitspraak van de Verhevene: “En tot Zijn tekenen behoren de nacht en de dag, en de zon en de maan. Knielt jullie niet neer voor de zon en niet voor de maan, maar knielt jullie neer voor Allah, Degene Die hen heeft geschapen, als jullie alleen Hem aanbidden.” [Soerat Foesilat (41), aayah 37]

En het bewijs voor (het aanbidden) van de engelen, in de Uitspraak van de Verhevene: “En Hij beveelt jullie niet de engelen en de profeten als heren te nemen.”

[Soerat Aal-‘Imraan (3), aayah 80]


En het bewijs voor het (aanbidden) van profeten, in de Uitspraak van de Verhevene: “ En toen zei Allah: “O ‘Isa, zoon van Maryam, heb jij tegen de mensen gezegd: “Neemt mij en mijn moeder tot twee goden naast Allah?”[Soerat Al-Maa’idah (5), aayah 116]

En het bewijs voor (het aanbidden) van de vromen, in de Uitspraak van de Verhevene: “Zij (de veelgodenaanbidders) zijn degenen die aanroepen, (en zij die aangeroepen worden) zoeken zelf naar een middel tot hun Heer. Wie van hen het dichtst bij (hun Heer) zijn en op Zijn Barmhartigheid hopen en Zijn bestraffing vrezen.”

[Soerat Al Israa’ (17), aayah 57]

En het bewijs voor (het aanbidden) van de bomen en de stenen, in de Uitspraak van de Verhevene: “Zien jullie (veelgodenaanbidders) dan al-Laata en al-‘Oezza? En Manaata, de andere, de derde?”

[Soerat An-Nadjm (53), aayah 19-20]

En (een ander bewijs is) de h’adieth van Abie Waaqid al-Laythie waarin hij zei: “Wij trokken uit met de profeetr naar H’oenayn en destijds waren wij dichtbij de periode van koefr (ongeloof). De moeshriekien (afgodenaanbidders) hadden een plaats van aanbidding (een boom), waaraan zij hun wapens hingen. Zij noemden het ‘Dzat Anwaat’.


Dus toen wij die plaats van aanbidding passeerden, zeiden wij: “O boodschapper van Allah, maak voor ons een hangplaats, zoals zij een hangplaats hebben...”

De auteur wijst in dit principe op de verschillende categorieën mensen die bestonden gedurende het leven van de boodschapper van Allah ﷺ‬. Sommigen van hen aanbaden profeten, zoals de christenen, die ‘Isa ibn Maryam (Alayhie s-Salaam) aanbaden. Sommigen van hen aanbaden engelen en vromen, zoals de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah. En anderen van hen aanbaden hemellichamen, zoals de Sabeanen( In de Koran wordt op drie plaatsen verwezen naar de Sabeanen. Er bestaan grote meningsverschillen betreffende wie zij precies zijn, maar het schijnt dat zij een overblijfsel zijn van een vorige natie, die een profeet van Allah volgden en een compleet rechtssysteem. Echter, na verloop van tijd deelden zij zich op in verschillende sekten en groepen, waarbij de meeste van hen zich wendden tot het aanbidden van sterren. Zij bestaan nog steeds in onze tijd (waarbij hun aantallen geschat worden op 30.000), en zij staan bekend als Mandeanen)

En natuurlijk aanbaden sommigen rotsen en stenen als afgoden, zoals dit de gewoonte was van de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah


In het eerste vers gebiedt Allah: “...en bevecht hen totdat er geen fitnah meer is en de godsdienst geheel voor Allah is.” De betekenis van fitnah in dit vers is shirk, zoals Ibn ‘Abbaas heeft gezegd (Zie tefsier ibn Kathier (2/321)).

Alle vormen van shirk dienen dus bestreden te worden. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen hen die Jezus Christus aanbidden, of degenen die Rama en Krishna aanbidden. Alle valse afgoden en objecten van aanbidding dienen vernietigd te worden, en de enige religie van Allah  – gebaseerd op de zuivere aanbidding van Allah – kan blijven.

Dit vers is een soort van introductie tot de verzen die volgen. Tevens laat dit het ware doel van djihaad (strijden op de weg van Allah) zien, dat alleen Allah aanbeden wordt en dat shirk vernietigd wordt.

In het tweede vers, verklaart Allah dat de zon en de maan enkel twee van Zijn vele wonderen zijn. Zij zijn geschapen door Allah en verdienen het dus niet om aanbeden te worden: “...knielt jullie niet neer voor de zon en niet voor de maan, maar knielt alleen neer voor Allah, Degene Die hen heeft geschapen, als jullie alleen Hem aanbidden.”

[Soerat Foesilat (41), aayah 37]


In het derde vers herinnert Allah de mensen eraan, dat zij geen bewijs of basis hebben om de engelen en de profeten te aanbidden, aangezien geen enkele profeet de mensen ooit geboden heeft om de engelen of de profeten te nemen als goden naast Allah. Dus als dit zelfs nooit geboden is, dan heeft de ‘aanbidding van heiligen’, zoals dat gewoon is tegenwoordig, zelfs nog minder bewijs om op te steunen.

In het vierde vers informeert Allah ons, dat zelfs de profeten die aanbeden worden, hun volk niet hebben geboden om hem te aanbidden naast Allah. ‘Isa ibn Maryam (Alayhie s-Salaam), degene die wordt aanbeden als een god door de christenen, heeft zijn mensen niet geboden om deze shirk te begaan.

Deze profeten zelf getuigen en verklaren dat het Allah is Die de Heer is en Degene Die aanbidding waard is, en op de Dag des Oordeels zullen zij zichzelf ontdoen van de handelingen van degenen die beweren dat zij hun volgelingen zijn. In het vijfde vers noemt Allah de staat van de vrome heiligen (of engelen), die aanbeden worden naast Allah, en dat zijzelf concurreren om dichterbij Allah te komen, terwijl zij hopen op Zijn Genade en Zijn Bestraffing vrezen.


Is het dus voordelig om deze mensen te aanbidden, terwijl dit hun staat is? Wanneer zijzelf alleen Allah aanbidden en Zijn bestraffing vrezen? Welk recht hebben anderen dan om hen te aanbidden? Dit vers toont tevens aan dat die mensen die werkelijk vromen waren, nooit hun volgelingen hebben geboden om hen te aanbidden, want indien zij dat hadden gedaan, dan zou het ertoe hebben geleid dat zij buiten de oevers van Islam zouden treden. In het laatste vers zijn de drie genoemde namen van de bekende goden die werden aanbeden door de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah, voor de verspreiding van de Islam. Sommigen van deze goden waren in feite mensen die goede daden verrichten, zoals het voeden van de armen en het onderdak verlenen aan de reiziger. Nadat zij overleden waren bouwden de Arabieren gebouwen over hun graven en vergoddelijkten hen, waardoor zij dus in shirk vielen.De laatste h’adieth, geciteerd door de auteur, is onderdeel van een langere h’adieth. Aboe Waaqid al-Laythie verhaalt over een incident dat plaatsvondt tijdens de slag van H’oenayn, toen de metgezellen – waarvan de meeste nieuw in de Islam waren – voorbij een boom liepen die door de moeshriekien werd gebruikt als gelukstalisman. De moeshriekien waren gewoon hun wapens te hangen aan de boom voordat zij ten strijde trokken, denkend dat dit hen tijdens de slag geluk zou brengen.


Deze nieuwe moslims vroegen der dus om een soortgelijke plaats te maken, zodat zij ook zegeningen konden zoeken. Toen de profeetr  dit hoorde riep hij uit: “Allah is Verheven boven wat jullie zeggen! Voorwaar, bij Degene in Wiens Handen mijn ziel is, jullie hebben hetzelfde gezegd als het volk van Israa-iel tegen Moesa zeiden: “Maak voor ons een god zoals zij een god hebben.”

De profeetr vergeleek hun vraag om een plaats voor zegeningen, met de vraag van de kinderen van Israa-iel om een god ter aanbidding. Dit komt doordat alleen Allah bepaalde plaatsen en tijden zegent boven anderen, dus door het zoeken van zegeningen door objecten, waarvan Allah niet heeft geboden om middels deze weg zegeningen te zoeken, kan een persoon werkelijk in shirk vallen.Om dit principe samen te vatten, en het punt van al deze verzen en overleveringen: het is irrelevant wat aanbeden wordt naast Allah, want dat telt allemaal als shirk. Een persoon kan zijn handelingen van aanbidding richten tot een rots of steen, en het zal als shirk beschouwd worden. Eveneens kan hij het richten tot de engel Djibriel (Alayhie s-Salaam), of de profeet Mohammedr, of welke profeet (Alayhie s-Salaam) dan ook, en het zal tevens beschouwd worden als shirk.


Precies zoals het aanbidden van de zon en de maan shirk is, zo geldt dat ook voor het aanbidden van een vrome heilige of een dode persoon. Het is niet datgene wat aanbeden wordt dat de shirk bepaalt, maar het is het feit dat het object van aanbidding iets of iemand anders is dan Allah.

Wanneer een persoon dit begrijpt, dan zal hij de nutteloosheid realiseren van degenen die shirk proberen te rechtvaardigen met het excuus dat de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah valse goden aanbaden, terwijl zij dit doen middels vrome heiligen en profeten. Dit kan weerlegd worden aan de hand van twee makkelijke punten. Ten eerste waren de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah van een hele andere soort. Sommigen van hen aanbaden afgoden, en sommigen van hen aanbaden engelen, heiligen en profeten. Maar zij allen werden beschouwd als heidenen, treden buiten de oevers van de Islam. Ten tweede shirk is niet gerelateerd aan de status van degene die aanbeden wordt; het is gerelateerd aan het dat iets/iemand anders naast Allah. Dus zelfs als een persoon de meest nobele onder de engelen zou aanbidden – de engel Djibriel (Alayhie s-Salam), of de beste van de gehele mensheid – de profeet Mohammedr dan zou dit alsnog beschouwd worden als shirk, en deze handeling zou zijn tawh’ied ongeldig maken.


 Het vierde principe

Dat de moeshriekien in onze tijd ernstiger zijn in shirk dan die van vroeger, doordat die van het verleden shirk begingen in tijden van gemak, maar oprecht waren jegens Allah in tijden van rampspoed. De moeshriekien van onze tijd begaan echter altijd shirk, in gemak en rampspoed. Het bewijs hiervoor is in de Uitspraak van de Verhevene: “En als zij op schepen varen, dan roepen zij Allah aan, Hem zuiver aanbiddend. Maar zodra Hij hen dan heeft gered (en) aan land heeft gebracht, dan kennen zij deelgenoten (aan Allah) toe.” [Soerat Al-‘Ankaboet (29), aayah 65]

Hoewel shirk de grootste zonde is die een persoon kan begaan, heeft het verschillende vormen en gradaties. In vergelijking met andere zonden is de zonde shirk dus de ergste van allemaal, maar bepaalde handelingen van shirk kunnen erger zijn dan andere. Het is bijvoorbeeld pure shirk om engelen aan te roepen, en het is ook pure shirk om de shaytaan aan te roepen. Beide handelingen zijn zonden, die Allah niet zal vergeven als men hier niet voor de dood berouw voor toont. Er is geen twijfel dat het aanbidden van de shaytaan verachterlijker is dan andere vormen van shirk De moeshriekien ten tijde van de profeetr begingen shirk. In tijden van rampspoed wendden zij zich echter direct tot Allah, zonder enige bemiddelaars.


Dit kwam doordat zij zich realiseerden dat alleen Allah hun gebeden kon verhoren. Dus wanneer zij in groot gevaar verkeerden – zoals op een boot, in een hevige storm – dan riepen zij Allah direct aan en verlieten zij alle anderen naast Hem. Ten tijde van gemak keerde zij echter terug naar hun afgoden en bemiddelaars om Allah  te bereiken. Wellicht is het verhaal van Ikrimah ibn Abi Djahl de beste toelichting op dit punt. Ikrimah was, zoals zijn vader, één van de ergste mensen betreft vijandigheid jegens de profeetr. Om deze reden gaf de profeetr, toen hij als overwinnaar Mekka binnenging, een algemene vergiffinis met uitzondering voor vier mensen, waar Ikrimah er één van was. Ikrimah wist dat hij niet gespaard zou worden als gevolg van het kwaad dat hij had aangericht, dus was hij al gevlucht. Hij rende weg naar de zee en nam een boot, hopend om veilig te leven in het buitenland. Een hevige storm overviel de boot echter, terwijl zij op zee waren, en alle mensen op de boot dachten dat zij zouden sterven. Zij zeiden tegen elkaar: “Verricht oprecht doe’aa-e tot Allah, want werkelijk, al jullie idolen en afgoden zullen nu geen hulp voor jullie zijn!” Toen hij dit hoorde, zei Ikrimah tegen zichzelf: “Bij Allah! Als alleen Allah ons kan redden in de oceaan, wanneer wij oprecht tot Hem bidden, dan is Hij ook de Enige Die ons kan redden als wij op het land zijn! O Allah!


Ik maak een belofte aan ﷻ‬, dat als ﷻ‬ mij redt van deze storm, dat ik zeker naar Mohammed zal gaan en mijn hand in zijn hand zal plaatsen en ik zal hem zeker vergevingszid en onbaatzuchtig aantreffen.” De mensen op het schip werden gered van verdrinking en Ikrimah vervulde zijn belofte en ging naar de profeetr, en zeker, hij trof de profeetr zoals hij verwachtte.De profeetr vergaf hem namelijk en behandelde hem met respect. En Ikrimah bewees een dappere en moedige moslim te zijn en hij stierf als een martelaar in één van de veldslagen. (Zie:al-Isaabah, (4/443)) Dit incident toonde Ikrimah de stomheid van zijn vijandschap jegens de profeetr, aangezien de oproep van de profeetr de oproep van Tawh’ied was. Toen de mensen op de boot – die allen afgodenaanbidders waren – tot elkaar zeiden, dat alleen Allah hen kon redden, en hun idolen van geen enkel nut zouden zijn, toen liet dit Ikrimah realiseren dat de betekenis van deze uitspraak was, dat alleen Allah het verdiende om aanbeden te worden. Als alleen Allah de macht en vermogen heeft om de vraag te beantwoorden van degene in nood, wat is dan het nut van het aanroepen van deze afgoden en bemiddelaars?

De mensen gedurende de tijd van de profeetr realiseerden dit simpele feit daarom, en zij begingen enkel shirk ten tijde van gemak.


Wanneer zij echt een antwoord nodig hadden, dan riepen zij Allah direct aan. Degene die shirk gebaan in onze tijd zijn echter erger dan dit, aangezien zij Allah nooit direct aanroepen. In feite, wanneer zij in een noodsituatie verkeren, dan roepen zij uit naar diezelfde vrome dienaren en engelen van Allah; en tijde van gemak roepen zij deze zelfde objecten aan. Het is daarom gewoon om één van hen te horen zeggen: “O ghawth al-A’adhzam Help mij, help mij!” (Bedoelend: de “Grootste bij Wie Bescherming wordt gezocht.” Deze titel is toepasselijk om toe te kennen aan Allah, doch de referentie is in feite naar ‘Aboe l-Qaader al-Djilaani, een vrome dienaar van Allah, wiens volgelingen hem vergoddelijkt hebben met dergelijke aanbidding)

En een ander zegt: “O boodschapper van Allah! Zegen mij met mijn behoefte!” Dus zelfs ten tijde van nood roepen dergelijke moslims anderen aan, naast Allah, bewijzend dat de moeshriekien ten tijde van de profeetr meer kennis hadden dan deze moslims van tegenwoordig – dit, aangezien de moeshriekoen volledig bewust waren van het feit dat alleen Allah hun gebeden kan beantwoorden. Dit staat in contrast met deze moslims van tegenwoordig, die geloven dat Allah te Verheven is om Hem direct te benaderen, en dus zichzelf verplichten tot het aanroepen van tussenpersonen, om Hem aan te roepen.

Om het vierde principe samen te vatten: de Arabieren tijdens de de Djaahielieyyah waren intelligenter dan de moslims van onze tijd die shirk begaan.


Dit komt doordat zij zich realiseerden dat alleen Allah hun smeekbeden kan verhoren, en daarom riepen zij Hem aan ten tijde van nood. De moslims die in onze tijd shirk begaan zijn echter onwetend betreffende dit feit en roepen hun heiligen te allen tijde aan, waardoor zij dus vallen in een ergere vorm van shirk dan die van de Arabieren tijdens de Djaahielieyyah 

 Een moslim een ongelovige noemen

Gedurende deze korte verhandeling is herhaaldelijk het feit genoemd dat degene die shirk begaat een kaafir is, en die buiten de oevers van Islam treedt. Tegelijkertijd dient de lezer echter te onthouden, dat zodra een persoon verklaart dat hij moslim is en beweert te geloven in Laa ilaaha illa llaah Moeh’ammadoen ﷺ‬-Rasoel llaah, dan is het niet toegestaan om hem te bestempelen als ongelovige, tenzij hij een handeling verricht die hem duidelijk en zonder enige twijfel buiten de oevers van Islam laat treden. Tevens is het van essentieel belang dat de persoon die en dergelijke handeling begaat, bewust is van de ernst van hetgeen hij doet en dat hij zich realiseert dat deze handeling hem buiten de Islam brengt. Met andere woorden, de bewijzen dienen duidelijk te zijn voor hem en de bewijzen dienen hem getoond te worden alvorens hij wordt bestempeld als een kaafir{Iemand als een ongelovige verklaren is een Islamitische beslissing. Een ongelovige is iemand die niet gelooft in Allah en Zijn boodschapper (Salla llahoe ‘Alayhie Wa Sallam). Zo’n beslissing nemen is daarom niet het voorrecht van iedereen.


Alleen Allah kent degenen die niet in Hem geloven. As-Shawkaanie heeft gezegd: “Weet dat het verklaren dat een persoon niet langer een moslim meer is en dat hij een ongelovige is geworden, een kwestie is waar geen moslim die in Allah en de Laatste Dag gelooft aan moet beginnen, zonder een bewijs dat zo helder is als de zon op een onbewolkte middag. Dit is omdat er authentiek is overgeleverd op gezag van een groep metgezellen dat de profeetr heeft gezegd: “Een ieder die tegen zijn broeder zegt: ‘O jij ongelovige,’ iemand van hen is werkelijk een ongelovige.” (Overgeleverd door Ah’mad en Maaliek) In een andere overlevering staat vermeldt dat de boodschapper van Allahr gezegd heeft: “Een ieder die een andere man beschuldigd van ongeloof of tegen hem zegt: ‘O jij vijand van Allah’ en hij is niet zoals hij zegt, die beschuldiging zal terugkomen naar de beschuldiger.” Hijr heeft ook gezegd: “Een ieder die een gelovige beschuldigd van ongeloof, het is alsof hij hem gedood heeft.” Daarom dient deze kwestie overgelaten te worden aan de geleerden van de Oemmah die over voldoende kennis beschikken.}

Het is dus van essentieel belang dat men een onderscheid maakt tussen een handeling van ongeloof en een persoon die ongelovig is. Het is mogelijk dat een persoon een handeling van ongeloof begaat, maar toch geen ongelovige is. Als men bijvoorbeeld een moslim ziet neerknielen voor een graf, dan is dit zonder enige twijfel een handeling van ongeloof. Het is echter mogelijk dat deze specifieke moslim niet wist dat hij neerknielde voor een graf, en hij verrichtte slechts zijn salaat (gebed) aan Allah, op deze locatie, niet wetend dat het verboden is om zijn salaat te verrichten voor een graf.


Als iemand hem als ongelovige zou bestempelen, door hem enkel een dergelijke handeling te zien verrichten en zonder te bevestigen dat deze persoon de ernst van wat hij doet realiseert en begrijpt, dan maakt hij een fout.

Zonder enige twijfel is de essentie van shirk daarom het aanroepen van iets/iemand anders dan Allah en om neer te knielen voor iets/iemand anders dan Allah en het zoeken van hulp bij iets of iemand anders (die niet in staat is om te helpen) dan Allah. Dit zijn handelingen van ongeloof en over het algemeen zijn degenen die deze verrichten geen moslims. Echter, de handeling van het bestempelen van een specifiek individu als ongelovige, of een groep individuen als ongelovigen dient niet te geschieden door leken. In plaats hiervan dient een dergelijke categorisering enkel door geleerden te geschieden, aangezien zij degenen zijn die gekwalificeerd zijn om een dergelijk definitief oordeel te vellen. De gemiddelde leek kan dus verklaren dat shirk het verrichten van doe’aa-e tot anderen dan Allah omvat, maar wanneer hij een specifieke persoon een dergelijke handeling ziet verichten, dan dient hij hem niet meteen te bestempelen tot kaafir.


In plaats hiervan dient hij deze persoon uit te leggen dat deze handeling een handeling van shirk en koefr is, en hij dient hem te waarschuwen voor de consequenties van een dergelijke handeling. Wat betreft het vellen van een oordeel over een specifiek individu die beweert dat hij moslim is, men dient dit te vermijden en het over te laten aan degenen die hiervoor gekwalificeerd zijn.

 Conclusie

Om een moslim te zijn is het niet voldoende dat een persoon erkent dat Allah zijn enige Heer en Schepper is. In plaats hiervan dient hij deze bevestiging te laten volgen door oprechtheid in het aanbidden van alleen Allah. Deze oprechtheid is essentieel voor de Islam van een persoon, en het in gebreke blijven hierin maakt de bewering van het zijn van een moslim ongeldig. De essentie van de Islam – in feite, zelfs het doel van de schepping – is dat alleen Allah aanbeden wordt, en alle andere valse afgoden worden verworpen. Het maakt verder niet uit, of zijn ‘god’ een slechte persoon, valse afgod, of de meest vrome is van de mensheid, want alle dergelijke handelingen zijn handelingen van shirk, waarover Allah beloofd heeft dat Hij deze nooit zal vergeven (mits men er voor de dood geen berouw voor getoond heeft).


Eveneens is het irrelevant of iemand gelooft dat deze valse goden zelf almachtig zijn en gehoor kunnen geven aan hun verzoek, of dat zij hen enkel gebruiken om dichterbij Allah te komen en een middel tot benadering zoeken.

Beide aspecten zijn duidelijke handelingen van shirk.

En Allah weet het beste, en moge de salaat en de salaam van Allah zijn met Mohammed, en zijn familie en metgezellen.

De auteur sluit deze korte handeling af met de zin: “En Allah weet het beste,” hiermee bedoeld hij dat dit de grens is van zijn kennis is, en dat perfectie alleen bij Allah is. Dit is een teken van zijn bescheidenheid en nederigheid.

Tenslotte bid hij dat Allah Zijn salaat en salaam zendt op de profeet, en zijn familie en metgezellen. De salaam van Allah over Zijn profeet is dat Hij hem noemt in het Hoogste Gezelschap van engelen en de salaam van de gelovigen over hem is, dat zij bidden tot Allah om hem te zegenen, en zijn status in het Paradijs te verheffen en hem belonen met de beste beloning. Want waarlijk, de profeetr is onze voorbeeld, en wat een voorbeeld is hij!

Einde