15 incorrecte weergaves van de Koran

Beschrijving

Dit artikel brengt de nodige nuance aan bepaalde incorrect weergaves in de Koran die opdagen tijdens de vertaling.

Download

De volledige beschrijving

 15 incorrecte weergaves van de Koran

 Inleiding:

Vandaag de dag zien we steeds vaker dat mensen verzen van de Koran en vertellingen van de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen zij met hem) verkeerd citeren om hun verdraaide presentatie van de islam als een vijandige en gewelddadige godsdienst te ondersteunen. Het merendeel van die verzen zijn ofwel verkeerd vertaald, uit de context genomen of verkeerd begrepen door een gebrek aan basiskennis. De term Jihad bijvoorbeeld wordt door veel mensen vandaag de dag verkeerdelijk geïnterpreteerd als ‘heilige oorlog’, aldus, telkens als het wordt aangeprezen in de Koran, wordt het in een negatief licht gezet. In werkelijkheid is Jihad een positief concept, geen negatief, en daarom moet men over Jihad lezen alvorens de rest van dit artikel te lezen. Een uitleg van Jihad kan hier gelezen worden. Dit artikel heeft als doel het ophelderen van de misvatting dat Islam geweld aanprijst en haat doordat de verkeerd geciteerde verzen en vertellingen opnieuw onderzocht worden. Zoals we zullen zien, wordt heel gauw duidelijk dat de Islam niets dan vrede, harmonie en verdraagzaamheid voor de mensheid onderricht, als we het begrip Jihad correct interpreteren. We hebben verzen en vertellingen geselecteerd en geciteerd op de manier dat ze verspreid worden door islamhaters, zodat de slechte vertalingen en andere bedrieglijke praktijken van de Islamhaters duidelijk worden.

 Verkeerd geciteerd vers #1

“Vechten is u geboden ofschoon gij er afkerig van zijt; maar het kan zijn, dat gij tegenzin hebt in iets terwijl het goed voor u is en het kan zijn, dat u iets behaagt terwijl het slecht voor u is. Allah weet het en gij weet het niet.” (Edele Koran 2:216)

De eerste vergissing in deze vertaling is dat in dit Kroatische vers het woord ‘Jihad’ niet wordt gebruikt. Het woord dat gebruikt wordt is ‘Qital’, dat verwijst naar fysieke strijd. Vechten is geboden voor de Moslims om zichzelf en hun rechten te verdedigen evenals de rechten van anderen. De verplichting om fysiek de rechten van iemand te verdedigen en rechtvaardigheid in te stellen werd uitgewerkt in het vroeger vermeld artikel over Jihad. Het is voldoende om een vers te citeren van de Koran in dit opzicht:

“En waarom strijdt gij niet voor de zaak van Allah en voor de zwakken -- mannen, vrouwen en kinderen - die zeggen: "Onze Heer, neem ons uit deze stad waarvan de bewoners onderdrukkers zijn en schenk ons een vriend en een helper uwerzijds.” (Edele Koran 4:75)

Het is ongetwijfeld een verplichting voor alle mensen om elkaar te helpen tegen verdrukking en onrecht. Dit is wat de Islam onderricht. Abdullah Yusuf Ali schrijft als commentaar op vers 2:216:

‘Het vechten voor de zaak van de Waarheid is een der hoogste vormen van weldaad. Wat kan je aanbieden dat dierbaarder is dan je eigen leven? Maar hier volgen al gauw de beperkingen: als je niet méér bent dan een vechtersbaas, of een egoïstisch agressief persoon, of een ijdele bullebak, verdien je de meeste censuur. (Yusuf Ali, De Heilige Koran, Tekst, Vertaling en Commentaar)

Daarom is het vechten dat door God is opgelegd in de Koran vechten om rechtvaardigheid en veiligheid in het land te garanderen, en dat is een verplichting die aan alle mensen is opgelegd. We zullen altijd hopen op vrede, maar we moeten beseffen dat zonder rechtvaardigheid, vrijheid, rechten en gelijkwaardigheid, de vrede nooit stand zal houden. In die trant schrijft Abdul Majid Daryabadi als commentaar op vers 2:216:

 ‘Oorlog wordt effectief bekrachtigd door de wet van de natuur – de constitutie van de man en de constitutie van de maatschappij en is zowel een biologische als sociologische noodzaak. De Islam als ideale en praktische godsdienst heeft het toegestaan, maar alleen in gevallen van loutere noodzaak. (Daryabadi, De Verheven Koran)

De Islam heeft oorlog als laatste redmiddel benoemd en alleen in gevallen van echte noodzaak om de eigen rechten en die van anderen te verdedigen. Het plaatje wordt nog duidelijker als we de historische context van de openbaring in beschouwing nemen. Abdullah Yusuf Ali vervolgt door de historische context uit te leggen in zijn commentaar op vers 2:217: ‘De onverdraagzaamheid en vervolging van de Heidense kliek in Mekka heeft ongeziene ellende bezorgd aan de heilige Boodschapper en aan zijn vroege volgelingen. Ze verdroegen alles met zachtmoedigheid en langdurig geduld totdat de Heilige hen de toestemming gaf om de wapens in de handen te nemen ter zelfverdediging…(Yusuf Ali, De Heilige Koran, Tekst, Vertaling en Commentaar)

In het licht van het bovenvermeld citaat wordt het duidelijk dat tot vechten speciaal werd opgeroepen in omstandigheden van strenge vervolging en ellende. Als gevolg wordt van Moslims verwacht dat ze zichzelf verdedigen tegen onderdrukking en rechtvaardigheid instellen. Het is laf om geen hulp te bieden aan de onderdrukten. Abdul Majid Daryabadi legt ook de historische context van dit vers uit:

Vervolgd, bestookt, geteisterd, in armoede, verbannen en klein van aantal, dit was de toestand van de Moslims ten tijde van de bepalingen van het oorlogvoeren. Zodus was het normaal dat ze niet al te tuk waren om de zwaarden te trekken tegen de krachtige troepen die hadden samengezworen met het oog op hun uitroeiing. Pas na een dwingend en empathisch Goddelijk Bevel voelden ze de noodzaak tot het slagveld (om hun rechten te verdedigen). En toch worden de Islamitische Jihads uitgeroepen als ‘bedacht door de Profeet om zijn ontevreden volgelingen tevreden te stellen door rooftochten!’ (Margoliouth) Zo klinken de woorden van de waarheidlievende Europese geleerde! Op deze geweldige manier leest hij de geschiedenis! (Daryabadi, De Verheven Koran)

Het commentaar op dit vers maakt heel erg duidelijk dat Moslims dit vers altijd hebben opgevat als de wettelijke rechten om de eigen rechten te verdedigen tegen onderdrukkende machten, maar om de grenzen nooit te overschrijden.

 Verkeerd geciteerd vers #2

“Diegenen der gelovigen die niets doen, met uitzondering der onbekwamen, zijn niet gelijk aan degenen die met hun rijkdommen en hun persoon terwille van Allah strijden. Allah heeft degenen, die met hun rijkdommen en hun persoon strijden doen uitmunten boven de rustenden en aan ieder heeft Allah het goede beloofd. Allah zal de strijders boven de stilzittenden doen uitblinken door een grote beloning” (Edele Koran 4:95)

Laten we eerst duidelijk stellen: dit is een heel povere vertaling van het vers. Laten we een paar bekende vertalers bekijken:

Yusuf Ali: Niet gelijk zijn de gelovigen die (thuis) blijven zitten en geen schade toebedeeld krijgen, ten opzichte van degenen die vechten en strijden voor de zaak van Allah met hun goederen en eigen persoon. God heeft aan dezen een hogere graad toegekend dan aan degenen die (thuis) blijven zitten. Aan allen (die sterk staan in het Geloof) heeft God het goede beloond: Maar aan degenen die strijden en vechten heeft Hij een hogere positie toegekend met een hogere beloning dan aan hen die (thuis) blijven zitten.

Pickthal: Degenen onder de gelovigen die stilzitten, en niet behoren tot zij die een lichamelijk gebrek hebben, staan niet op dezelfde voet als diegenen die op de weg van God vechten met hun rijkdommen en levens. God heeft aan degenen die streven en vechten met hun bezittingen en persoon een hogere graad toegekend dan aan hen die blijven zitten. Aan elkeen heeft God het goede beloofd, maar Hij heeft aan diegenen die zich inspannen een grotere beloning voorzien dan aan zij die niks doen.

Muhammad Asad: Diegenen onder de gelovigen die passief blijven – en niet tot de onbekwamen behoren – kunnen niet worden gelijkgesteld aan zij die zich hard inspannen voor Gods zaak met hun bezittingen en levens. God heeft diegenen die hard strijden met hun bezittingen en levens hoog verheven boven degenen die passief blijven. Zelfs al heeft God het uiteindelijke goede beloofd aan allen (gelovigen). Toch heeft God degenen die zich hard inspannen verkozen boven degenen die passief blijven door (de belofte van) een prachtige beloning.

Khan/Hilali: Niet gelijk zijn degenen onder de gelovigen die (thuis) blijven zitten, behalve degenen die onbekwaam zijn (door verwondingen) of blind of gehandicapt zijn enz. en diegenen die hard vechten voor de Zaak van Allah met hun rijkdom en hun levens. Allah heeft diegenen in graad verheven die zich hard inspannen en met hun rijkdom en levens vechten boven degenen die (thuis) blijven zitten. Aan eenieder heeft Allah het goede beloofd (Paradijs), maar Allah heeft diegenen verkozen die hard vechten en zich inspannen boven diegenen die (thuis) blijven zitten door een enorme beloning.

Nu we de meest gebruikelijke vertalingen geciteerd hebben, blijkt de bron voor de geciteerde vertaling twijfelachtig. Woorden zoals ‘Jihadisten’ zijn termen die enkel en alleen door de media verzonnen zijn zonder ware betekenis. In feite zegt de Oxford American Dictionary het volgende over deze term:

GEBRUIK: Er lijkt geen dwingende noodzaak te bestaan voor het gebruik van deze gebruiksvriendelijke term in het Engels aangezien de Arabische term voor een heilige oorlogskrijgsman, Mujahid, al een plaats heeft gevonden in het Engels in het meervoud (Mujahidin, Mujahedin), samen met jihadi, een vorm die meer samenhangt met de Arabische morfologie. De term Jihadist is echter de vorm die verkozen wordt door alle schrijvers die fel anti-Arabisch of anti-Islam zijn.

Nu we de term Jihad gedefinieerd hebben in het vorige artikel, kunnen we een Mujahid beschrijven als iemand die zich inspant om rechtvaardigheid te bereiken, met misschien zelfs de kans op het verliezen van zijn leven in dat proces. Wat betekenen deze verzen nu precies? Ze verheffen de status van degenen die genoeg moed vertonen boven degenen die zich op een laffe manier wegstoppen als het gaat om de rechten van anderen te verdedigen. Tenzij ze een gebrek hebben, waardoor ze die rechten niet kunnen verdedigen. Bijgevolg vindt de Islamhater geen ondersteuning (gezien de verdraaide manier waarop de Islam wordt gepresenteerd) in deze verzen. Meer zelfs, dit vers ondersteunt de interpretatie van de Jihad als elke strijd voor de zaak van God omdat het degenen heeft vermeld die Jihad voeren met hun rijkdom door het te doneren aan een goede zaak, zoals aan humanitaire organisaties. Zo schrijft Muhammad Asad over dit vers:

De term Mujahid is afgeleid van het werkwoord Jahada, wat betekent ‘hij streed’ of ‘hij spande zich hard in’ met name voor een goede zaak en tegen het kwade. Bijgevolg betekent jihad ‘zich inspannen in de zaak van God’ in de ruimste betekenis van die uitdrukking: d.i. het is niet zozeer van toepassing op fysieke oorlogvoering (Qital) maar op elke rechtvaardige strijd in de morele betekenis van het woord. (Asad, De Boodschap van de Koran)

 Verkeerd geciteerd vers #3

“Er zijn mensen onder de gelovigen die trouw gebleven zijn aan het verbond dat zij met Allah hebben gesloten en vertrokken zijn voor Jihad (Heilig Gevecht). Er zijn enigen onder hen die hun eed hebben gehouden, en anderen die nog wachten en geenszins veranderd zijn.” (Edele Koran 33:23)

Hier heeft de Islamhater heel gepast de haakjes verwijderd van de vertaling, zodat de lezer geen onderscheid kan maken tussen de ideeën van de vertaler en de woorden van de Koran. Laten we een vertaling geven zonder bijkomende ideeën:

“Er zijn mensen onder de gelovigen die trouw gebleven zijn aan het verbond dat zij met Allah hebben gesloten. Er zijn enigen onder hen die hun eed hebben gehouden, en anderen die nog wachten en geenszins veranderd zijn” (Edele Koran 33:23)

Het is eveneens duidelijk dat de Islamhater bijkomende ideeën heeft toegevoegd aan de vertaling, die verder niet ondersteund worden door enige andere vertaler. “Vechten en sterven”, “Bereid tot de dood in het gevecht”, dit zijn niet de woorden van de Koran. De Koran prijst de vroege Gezellen aan die standvastig beleven in hun geloof en trouw aan het verbond. Dit vers vermeldt geen enkel Jihadgevecht. Dat is slechts een interpretatie van dit vers, zoals Ibn Kathir schrijft:

‘Wanneer Allah melding maakt van de manier waarop de hypocrieten hun belofte aan Hem gebroken hebben zonder hun rug te keren, beschrijft Hij hen als de gelovigen die zich strikt aan hun beloftes houden en aan het verbond:

{(Zij) zijn waarachtig gebleken in hun verbond met Allah, van hen hebben sommigen hun Nahbah voltooid;) Sommigen van (de Koranische commentatoren) hebben gezegd: ‘Ze zullen hun vastgestelde tijd bereiken’  (d.i. de dood).’ Al-Bukhari zei: ‘Hun verbond, en hij verwijst terug naar het begin van het vers (en sommigen van hen zijn nog steeds aan het wachten, maar ze zijn nooit in geen enkel opzicht veranderd) betekent, ze hebben hun verbond met Allah nooit veranderd of gebroken. (Tafsir Ibn Kathir)

En Abdullah Yusuf Ali schrijft over vers 33:23:

In de strijd voor de waarheid waren (en zijn) er velen die alles - hun inkomsten, kennis, invloed, hun eigen leven – voor de Zaak hebben geofferd en ze hebben nooit getwijfeld. Als ze de kroon van het martelaarschap wonnen, waren ze gezegend…Andere helden hebben heldhaftig gevochten en zijn blijven leven, altijd bereid om hun levens te geven. Beide klassen waren betrouwbaar: ze veranderden nooit en twijfelden nooit. (Yusuf Ali, De Heilige Koran, Tekst, Vertaling en Commentaar)

Hun verbond is hun belofte aan de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) om hem te beschermen en de Islam te verdedigen. Sommige van de Moslims hadden hun verbond al ten einde gebracht door hun dood ter verdediging van hun geloof, terwijl anderen voluit bereid waren om hetzelfde te doen. De alomvattende aard van dit vers is beter te begrijpen wanneer we de woorden van Sheikh Abdul Bary Ath-Thubaity, Imam van de Moskee van de Profeet, die zei over vers 33:23:

“En de dienaren van de Barmhartige zijn zij, die zachtmoedig op aarde wandelen en als de onwetenden hen aanspreken, zeggen zij: "Vrede". En zij, die de nacht doorbrengen zich voor hun Heer ter aarde werpende en voor Hem staande. Terwijl zij zeggen: "Onze Heer, wend de straf der hel van ons af want de straf daarvan is een voortdurende kwelling." Zij is inderdaad slecht als rustplaats en als tehuis. En zij, die, als zij iets besteden, noch spilzuchtig noch vrekkig zijn, maar evenwichtig blijven tussen beide (extremen)in.” (Edele Koran 25:63-67)

Dit is de ware betekenis van het vervullen van het verbond. Het verwijst naar het uitvoeren van de Islamitische verplichtingen met toewijding en oprechtheid, en het vriendelijk toespreken van ongelovigen, zelfs al zijn ze wreed en grof. Wat betreft het onderwerp van martelaarschap, is het wijs om de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) te citeren:

De Apostel van God zei: “Vijf worden beschouwd als martelaren: Zij die sterven van de pest, van een maagziekte, van een verdrinkingsdood of door het naar beneden vallen van een gebouw enz. en de martelaren voor de Zaak van God.” (Bukhari #2829 Volume 4 Boek 52 #82)

“Eenieder die sterft terwijl hij zijn godsdienst beschermt, is een martelaar, eenieder die sterft terwijl hij zijn rijkdom beschermt, is een martelaar, eenieder die sterft terwijl hij zijn familie beschermt, is een martelaar en eenieder die sterft terwijl hij zijn bloed (d.i. zijn leven) beschermt, is een martelaar.” (At-Tirmidhi #1421, Abu Dawud 4772, An-Nasi #4100 en Ibn Majah #2580)

Deze Hadiths geven een rake slag aan de misvatting dat het martelaarschap in de Islam enkel naar diegenen verwijst die in de strijd sterven. Zoals we gezien hebben, is de duidelijkste manifestatie van de Jihad wanneer iemand bereid is om zijn leven op te offeren voor de zaak van God en dit kan elk der vormen aannemen die hoger zijn vermeld. Doodgaan in de fysieke strijd ter verdediging van de rechten van anderen is slechts een enkele vorm.

 Verkeerd geciteerd vers #4

“Wanneer gij de ongelovigen (in oorlog) ontmoet, treft dan hun nek en wanneer gij overwinnaar zijt, bindt hen dan vast. En wanneer de oorlog opgehouden is, laat hen dan vrij uit gunst of voor een losprijs. Zo zij het. En indien Allah wilde, had Hij hen Zelf kunnen bestraffen. Doch Hij wilde sommigen uwer door anderen op de proef stellen. En degenen die terwille van Allah worden gedood, hun werken zal Hij zeker niet vruchteloos maken.” (Edele Koran 47:4)

Hier zien we eens te meer hoe een povere vertaling het opzet van de Islamhaters tegemoet komt. Laten we een meer precieze vertaling onderzoeken alvorens we het vers analyseren:

“Wanneer gij de ongelovigen (in oorlog) ontmoet, treft dan hun nek en wanneer gij overwinnaar zijt, bindt hen dan vast. En wanneer de oorlog opgehouden is, laat hen dan vrij uit gunst of voor een losprijs. Zo zij het. En indien Allah wilde, had Hij hen Zelf kunnen bestraffen. Doch Hij wilde sommigen uwer door anderen op de proef stellen. En degenen die terwille van Allah worden gedood, hun werken zal Hij zeker niet vruchteloos maken.” (Edele Koran 47:4)

Nu zien we een paar verschrikkelijke fouten in de geciteerde vertaling die erbarmelijk slecht is:

Het vers maakt GEEN enkele melding van “doden of verwonden”.

“Aldus wordt u bevolen door God om de Jihad verder uit te voeren tegen de ongelovige ontrouwen tot ze zich onderwerpen aan de Islam” is een volledige toevoeging aan het vers en kan nergens worden aangetroffen in de Koran!

Dit vers gebruikt nergens het woord Jihad. Het is heel erg duidelijk dat de context van dat vers in het gevecht is en wanneer men in strijd is, zouden de verdedigers van de mensheid de onrechtvaardige onderdrukkers aanvallen tot ze zich onderwerpen.

Professor Shahul Hamid becommentarieert het vers 47:4 met de woorden:

Het context van dit vers was toen de Moslims hun vijanden bestreden wegens hun aanwezigheid. Na dertien jaren lijdzaamheid en geduld, moest de profeet samen met zijn gezellen hun thuisstad Mekka verlaten en naar Medina emigreren. Toen de bevolking van Medina hem daar had verwelkomd en hij er aanvaard was als hun leider, werden de Mekkanen ongelukkig. Ze wilden Mohammed en zijn religie uit de weg ruimen; en aldus stuurden ze hun leger erop uit om de Islam te vernietigen. En het beslissende gevecht vond plaats in Badr. Net voor die gebeurtenis kreeg Mohammed (vrede en zegeningen op hem) de openbaring van God om te vechten:

“En strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen, die tegen u strijden, maar overschrijdt de grens niet. Voorzeker, Allah heeft de overtreders niet lief.” (Edele Koran 2:190)

Dit betekende dat de profeet (vrede en zegeningen op hem) en zijn gezellen niet de bedoeling hadden om het vechten te beginnen, wel om zichzelf te verdedigen tegen agressors. Op die manier werd tot het vechten opgeroepen: maar we moeten beseffen dat eens we vechten, we vechten om de agressors te verslaan, zodat we kunnen leven zonder angst voor molesteren of invasie; zodat we in vrede kunnen leven, zodat gerechtigheid geschiedt. Denk eraan dat God niemand het bevel geeft om het gevecht te beginnen, wel geeft Hij de toestemming om te vechten uit zelfverdediging of ter verdediging van degenen die ten onrechte zijn aangevallen.

De historische context illustreert eens te meer een toestand van voortdurende strijd en oorlog. In zo’n toestand stelt God de gelovigen gerust dat Hij met hen is, en dat ze daarom volledig op hun geloof moeten vertrouwen, op hun kracht en lef in de strijd en om niet terug te deinzen voor de vijand. Zoals Abdullah Yusuf Ali schrijft:

Eens men de strijd (Jihad) is begonnen, voert het dan uit tot het einde met uiterste inspanning…(Yusuf Ali, De Heilige Koran, Tekst, Vertaling en Commentaar)

Op dezelfde manier schrijft Dr. Maher Hathout:

Het is duidelijk dat deze verzen van toepassing zijn in het heetst van de strijd en tegen een agressieve aanvallende macht. (Hathout, Jihad vs. Terrorisme; US Multimedia Vera International, 2002, p. 49)

Moslims worden aangemoedigd om de vijand aan banden te leggen door ze gevangen te nemen en op die manier het verlies van levens te beperken. Meer zelfs, het vers vermeldt specifiek dat Moslims de vijanden moeten onderwerpen ‘tot de oorlog zijn lasten neerlegt’, dit betekent tot de vijand het vechten stopzet. Gelijkend op dit vers:

“En als zij tot vrede neigen, neigt u er dan ook toe en legt uw vertrouwen in Allah. Voorzeker Hij is Alhorend, Alwetend.” (Edele Koran 8:61)

Dit vers is heel specifiek, in die zin dat het beperkt wordt tot de context van een gevecht en dat de Moslims enkel zouden moeten vechten tot de vijand is onderworpen of naar vrede neigt, dit betekent dat ze de grenzen niet zouden moeten overschrijden. Dit vers gebiedt Moslims om zich te onthouden van het overschrijden der grenzen tijdens een gevecht tot ze onderworpen zijn en het vechten gestaakt hebben.

Sheikh Muhammad Salih Al-Munajjid becommentarieert de behandeling van de gevangenen:

Als de Moslims hen gevangennemen en ze naar een plaats brengen die voor hen was klaargemaakt, zouden ze hen niet mogen benadelen of kwellen door het toebrengen van slagen, het onthouden van voedsel en water, door ze bloot te stellen aan zon of kou, door ze te verbranden met vuur of door bedekkingen op hun monden, oren en ogen te plaatsen of door ze in kooien vast te zetten als dieren. Ze moeten hen eerder vriendelijk behandelen en met genade, ze goed voeden en aansporen om tot de Islam toe te treden. De Profeet (vrede en zegeningen op hem) had de gewoonte om Moslims ertoe te verplichten om de gevangenen goed te behandelen, terwijl de Romeinen en degenen die voor hen kwamen, de Assyriërs en Farao’s, de gewoonte hadden om de ogen van de gevangenen uit te steken met heet ijzer en ze levend te villen, terwijl hun huiden aan de honden werden gevoerd, zodanig dat de gevangenen de dood boven het leven verkozen.

Daarom heeft de Islam duidelijke regelingen en wetten vastgelegd aan de Moslims die nagevolgd moeten worden ten tijde van oorlog, dat pas als laatste redmiddel mag worden gebruikt.

 Verkeerd geciteerd vers #5

“Er rust op de zwakken en op de zieken en op degenen die niets vinden om weg te geven, geen schuld, indien zij oprecht zijn jegens Allah en Zijn boodschapper.” (Edele Koran 9:91)

Sommige niet-Moslims hebben het gevoel dat dit vers een bewijs is dat Jihad een Heilige Oorlog is omdat als dit niet zo was, de ouderen en anderen konden deelnemen. Bijgevolg is dit vers verkeerdelijk gebruikt in een poging om elk concept van een niet-militaire Jihad teniet te doen.

Ten eerste hebben we al duidelijk gemaakt dat Jihad uit vele vormen bestaat en niet noodzakelijkerwijs louter spiritueel of fysiek moet zijn. Er zijn verschillende gebreken die een persoon verhinderen in het deelnemen in een fysieke Jihad om het goede aan te moedigen. Noch kan van de zwakken verwacht worden dat ze een krijgsman worden in de strijd voor rechtvaardigheid, zoals degenen die de Nazi’s bevochten hebben in Wereldoorlog II. Bovendien is een andere vorm van Jihad het doneren van geld of andere hulmiddelen aan de armen en behoeftigen. Van iemand die geen middelen ter beschikking heeft, kan dat niet verwacht worden, zoals in het vers vermeld staat. Wat betreft ziekte, als iemand een ziekte heeft waardoor ze minder controle hebben over hun verlangens, kunnen ze niet deelnemen aan de spirituele Jihad om controle te krijgen over verlangens, zoals het vasten tijdens de Ramadan. Iemand die de Islamitische Wet bestudeerd heeft, weet dat zieken niet hoeven te vasten, wat een voorbeeld is van een spirituele Jihad. De verschillende vormen van Jihad zijn in detail beschreven in de Islam en zijn welbekend aan Moslims. Zo schrijft Sheikh Muhammad Salih Al-Munajid bijvoorbeeld:

Jihad kan met de tong gebeuren (door het uit te spreken) of met de wapens (wat Qital is of het vechten) of met geld. Elk van dezer categorieën omvat verschillende subcategorieën.

En Dr. Shahid Ahtar schrijft:

Het woord Jihad betekent strijden of, meer bepaald, het zich inspannen voor de zaak van God. Elke gevecht dat dag na dag wordt geleverd om God gunstig te stellen kan als Jihad worden beschouwd. Een van de hoogste graden van Jihad is om tegen een tiran op te staan en een woord van waarheid te spreken. Het beheersen van het zelf tegen slechte daden is ook een grote jihad.

De andere vormen van Jihad worden meer in detail besproken in het artikel ‘Een Verklaring van Jihad’.

Door Ansar Al-‘Ad

 Verkeerd geciteerd Vers #6

“En doodt hen, waar gij hen ook ontmoet en drijft hen uit…” (Edele Koran 2:191)

Een klassiek en populair voorbeeld van wat Moslimgeleerden, zoals Dr. Jamal Badawi, een ‘knip- en plakwerk’-benadering noemen. Alles wordt zoveel gemakkelijker voor de Anti-Islamieten als ze zaken uit de context halen. De oplossing voor de Moslims is om simpelweg het vers in de context te plaatsen:

“En strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen, die tegen u strijden, maar overschrijdt de grens niet. Voorzeker, Allah heeft de overtreders niet lief. En doodt hen, waar gij hen ook ontmoet en drijft hen uit, vanwaar zij u hebben uitgedreven; want vervolging is erger dan doden. En bevecht hen niet nabij de heilige Moskee, voordat zij u daarin bevechten. Maar indien zij u bevechten, bevecht hen dan - zo is de vergelding voor de ongelovigen. Maar als zij ophouden, dan is Allah zeker Vergevensgezind, Genadevol. En bestrijdt hen, totdat er geen vervolging meer is en de godsdienst alleen voor Allah wordt. Maar indien zij (met strijden) ophouden, dan is er geen vijandelijkheid meer toegestaan, behalve tegen de onrechtvaardigen. De heilige maand voor de heilige maand! Er is (een wet van) vergelding voor alle heilige dingen. Wie daarom agressief tegen u handelt, vergeldt hem naarmate hij tegen u heeft gedaan. En vreest Allah en weet, dat Allah met de godvruchtigen is. “ (Edele Koran 2:190-194)

Hoe dikwijls zien we in het bovenvermelde vers de boodschap herhaald om het duidelijk te maken? Deze verzen werden geopenbaard op een tijdstip toen de Moslims van Medina onder voortdurende aanval stonden vanwege de Mekkanen. Een voorbeeld zou kunnen zijn toen de Mekkanen de openbare kruisiging van de gezel van de Profeet Mohammed  (vrede en zegeningen op hem) aanvoerden, Khubaib bin Adi. Dit zou gecategoriseerd worden als ‘terroristische activiteiten’ volgens het moderne gebruik van de term. Wat zegt het vers dus in deze context? ‘Strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen die jullie bevechten’ ‘tenzij zij u (eerst) bevechten’ – het context van dit vers is van toepassing op degenen die een aanval tegen de Moslims beginnen. En zelfs nadat zij de aanval begonnen zijn, maakt dit vers het duidelijk:

‘Maar als zij ophouden, dan is Allah zeker Vergevensgezind, Genadevol.’ (Edele Koran 2:192)

En het maakt ook de doelstelling duidelijk waarvoor de Moslims vechten: ‘En bestrijdt hen, totdat er geen vervolging meer is en de godsdienst alleen voor Allah wordt.’ (Edele Koran 2:193)

Het is de plicht van elke Moslim om de mensheid tegen verdrukking en achtervolging te verdedigen en om rechtvaardigheid in te voeren. Moslims geloven dat God ons hier op aarde heeft geplaatst als afgevaardigde of onderkoning en bijgevolg is het onze plicht om het goede te verplichten en het slechte te verbieden, om vrede en rechtvaardigheid in te stellen in het land. Dr. Maher Hathout schrijft het volgende over de verzen 2:190-194:

Deze verzen waren van toepassing voor een bepaalde situatie of als, hypothetisch gezien, dezelfde situatie herhaald zou worden…Historisch gezien werd het terugvechten tegen de agressors verboden gedurende de dertien jaren van de Mekkaanse periode. Na de migratie naar Medina en de oprichting van een Islamitische staat, waren Moslims bezorgd over hoe zich te verdedigen tegen agressie van hun vijanden. De voornoemde verzen werden geopenbaard om hen de kans te geven zich te beschermen tegen de pas opgerichte staat door het vechten uit zelfverdediging tegen degenen die hen bevochten. Desalniettemin verbiedt de Koran duidelijk agressie. De verzen leggen uit dat vechten enkel kan ter zelfverdediging. Aldus kan een Moslim geen agressie plegen of onschuldige mannen doden noch vrouwen, kinderen, zieken, ouderen, monniken, priesters of zij die niet wensen te vechten. Aan een Moslim wordt ook opgedragen om geen plantenleven noch dieren te doden. (Hathout, Jihad versus Terrorisme; US Multimedia Vera international, 2002, p. 49)

De historische context moet altijd in overweging worden genomen wanneer men de Koranische verzen wil begrijpen. Zonder de omstandigheden te kennen die schuilgaan achter de Koranische verzen, kan men het vers niet accuraat toepassen. Sheikh Salman Al-Oadah schrijft over de algemene principes van Jihad:

Jihad kan nooit gestreden met als doel wereldse winsten of veroveringen, of zelfs uit wraak. Moslims mogen alleen vechten om hun levens te beschermen, hun eigendom en de vrijheid van de mensen, vooral de vrijheid om Allah te aanbidden wanneer die vrijheid met geweld wordt aangevallen. Het is aan Moslims nooit toegestaan om onschuldige mensen aan te vallen, zelfs als ze zelf worden aangevallen door de landgenoten van die onschuldigen. Alle mensen die tegen dit principe van de Islamitische Wet ingaan en onschuldige burgers vermoorden, bevechten de Islam en alles waar de Islam voor staat. Het is belachelijk om dit een Jihad te noemen, een woord dat betekent het streven voor de zaak van de Islam. In feite zijn zij moordenaars in het licht van de Islamitische Wet en zij zouden bijgevolg op die manier behandeld moeten worden.

Er zijn strikte en gedetailleerde wetten in de Islam, die nauwgezet moeten worden opgevolgd door de Moslims. Een militaire Jihad moet volgens die bepalingen uitgevoerd worden. Abdullah Yusuf Ali schrijft over vers 2:190:

Oorlog is alleen toegestaan uit zelfverdediging en onder duidelijk gedefinieerde grenzen. Wanneer een oorlog wordt gevoerd, moet het met kracht gebeuren, maar niet zonder mededogen, alleen om opnieuw vrede te stichten en vrijheid ter aanbidding van God. Hoe dan ook mogen de strikte grenzen niet worden overschreden: vrouwen, kinderen, ouderen en zwakken mogen niet afgeslacht worden, noch mogen bomen of gewassen afgehakt worden, noch mag men vrede verhinderen wanneer de vijand verzoening wil. (Yusuf Ali, De Heilige Koran, Tekst, Vertaling en Commentaar)

Vervolgens herhaalt hij de algemene principes van de Jihad in zijn commentaar op het vers 2:191:

In het algemeen mag men stellen dat de Islam een godsdienst van vrede is, van goede wil, wederzijds begrip en geloof. Maar het mag geen toestemming geven in verkeerd handelen, en de mannen zullen hun leven geven ter verdediging van de eer, rechtvaardigheid, en de godsdienst die ze heilig noemen. Hun ideaal is dat van heroïsche deugd in combinatie met onzelfzuchtige vriendelijkheid en tederheid, zoals het leven van de Apostel ter voorbeeld heeft gediend. Zij geloven in moed, gehoorzaamheid,  discipline, plicht en een constant streven met alle middelen die zij ter beschikking hebben, zowel op fysiek, moreel, intellectueel als spiritueel vlak, om de waarheid en gerechtigheid in te voeren. (Yusuf Ali, De Heilige Koran, Tekst, Vertaling en Commentaar)

Dit is de ware doelstelling van de Jihad en Moslims mogen dit doel nooit uit het oog verliezen. Jihad is alleen geldig met als doel het helpen van de mensheid en het brengen van rechtvaardigheid en vrijheid aan de onderdrukten. Daarom moeten alle acties in de richting van deze doelstelling liggen en in de lijn van de strikte regelingen omtrent Jihad. De focus ligt op de verdediging, niet op vernietiging. Iemand die zich toelegt op verbetering en hulp aan de mensheid zal beseffen dat dit nooit via vernietiging bereikt zal worden. Abdul Majid Daryabadi schrijft uitgebreid over vers 2:190:

“En strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen, die tegen u strijden” (Edele Koran 2:190)

Aldus het verdrag schendend dat ze zelf hadden ondertekend. De Moslims worden nu voor het eerst verplicht om vergelding te nemen en dit nadat ze jaren ongeziene vervolging door de heidenen van Mekka verdragen hebben met een bijna bovenmenselijke kracht. ‘Voor een volledige periode van dertien jaar waren de Moslims onderworpen aan een meedogenloze vervolging in Mekka. De Profeet en zijn volgelingen zijn voor hun leven naar Medina gevlucht, maar de vijand wou hen niet vrij laten in hun toevluchtsoord. Binnen het jaar kwamen ze hen aanvallen en de eerste drie gevechten werden gestreden in eender welke plaats of de Profeet nu aanvaller of verdediger was.’ (Headley, De Originele Kerk van Jezus Christus en Islam, p. 155). De Mekkanen hadden een verdrag getekend en waren de eersten om het te schenden. De woorden ‘bestrijd degenen die u bestrijden’ tonen duidelijk aan dat ten eerste de Moslims de agressors niet waren en vervolgens dat al degenen die niet daadwerkelijk betrokken waren in de strijd – kinderen, vrouwen, monniken, kluizenaars, ouderlingen en zwakken, de kreupelen en invaliden – niets te vrezen hadden van de Moslimsoldaten. In het licht van dit Goddelijk gebod had de grote Abu Bakr, de eerste kalief, zijn troepen in Syrië geplaatst, ‘niet om de doden te verminken, noch om oude mannen af te slachten of vrouwen of kinderen, noch om fruitbomen om te hakken, evenmin om vee te doden tenzij het noodzakelijk was als voedsel, en deze menselijke geboden dienden als een code van oorlogswetten gedurende de era van de Mohammedaanse verovering.’ (Bosworth Smith, Mohammed en Mohammedanisme, p. 185). Had de Islam dus, met de oproep tot oorlog tegen degenen die Gods wetten schenden en die Zijn rechtvaardige autoriteit aanvechten en die de wereld vullen met geweld en onrecht, niet elke toezegging onmogelijk gemaakt? Is er een enkele code van militaire ethiek die zo beschaafd is gebleken, zo menselijk en zachtmoedig ten opzichte van de vijand? ‘De morele toon die aangenomen werd door de Kalief Abu Bakr, in zijn instructies aan het Syrische leger, was, zegt een moderne Christelijke historicus, ‘zo tegenstrijdig met de principes van het Romeinse bestuur, dat het een enorme aandacht moet gewekt hebben bij het onderworpen volk. Zulk een afkondiging sprak de gevoelens van rechtvaardigheid en de principes van tolerantie van Joden en Christenen aan, een gedrag dat noch door Romeinse keizers of orthodoxe bisschoppen ooit was aangenomen als wettelijke gedragscode.’ (Finlay, Griekenland Ten Tijde van de Romeinen, pp. 367-368). (Daryabadi, De Verheven Koran)

Mohammed Asad legt het vers 2:190 uit op de volgende manier:

Dit en het volgende vers leggen ontegensprekelijk vast dat enkel zelfverdediging (in de ruimste zin van het woord) oorlog toelaatbaar maakt voor Moslims. De meeste commentatoren stemmen in met de volgende betekenis van de uitdrukking ‘La ta’tadu’ in deze context: ‘pleeg geen agressie’, terwijl met al-Mu’tadin ‘degene die agressie plegen’ bedoeld wordt. Het defensief karakter van een gevecht ‘voor de zaak van God’ –dit is, voor de zaak van de ethische principes die door God zijn uitgesproken-, is bovendien voldoende als bewijs in de referentie naar ‘degene die ten strijde trekken tegen u’ en dit is verder duidelijk gemaakt in 22:39- ‘toelating (om te vechten) is gegeven aan degenen tegen wie onterecht oorlog is uitgeroepen’- wat, volgens alle beschikbare Tradities, de vroegste (en daarom fundamentele) Koranische verwijzing uitmaakt betreffende de Jihad-kwestie of heilige oorlog (zie Tabari en Ibn Kathir in hun commentaren op 22:39). Dat dit vroege fundamentele principe van zelfverdediging als de enige mogelijke rechtvaardiging van oorlog uit de hele Koran blijkt, wordt bewezen door het vers 60:8 evenals uit de concluderende zin uit vers 4:91, die beiden uit een latere periode komen dan het bovenvermelde vers. (Asad, De Boodschap van de Koran, voetnoot van de auteur)

En aangaande vers 2:191 verklaart hij het volgende:

In het licht van de voorafgaande verordening is het gebod ‘dood ze waar je ze ook mag vinden’ enkel geldig in de context van de vijandelijkheden die al gaande zijn (Razi), in het besef dat ‘zij die ten strijde trekken tegen u’ de agressors zijn of de onderdrukkers ( een oorlog ter bevrijding is een oorlog ‘voor de zaak van God’). De vertaling in deze context van Fitnah als ‘onderdrukking’ wordt gerechtvaardigd door de toepassing van deze term voor elke aandoening die een man kan doen dwalen en waardoor hij zijn geloof verliest in spirituele waarden (cf. Lisan al-Arab). (Asad, De Boodschap van de Koran, noot van de auteur).

Dit uitgebreid commentaar op dit vers zou moeten volstaan als antwoord op alle verwarring en misvatting die zijn ontstaan naar aanleiding van de verkeerde citaten van dit vers.

 Verkeerd geciteerd Vers #7

“En indien zij tot vijandschap vervallen, grijpt hen dan en doodt hen waar gij hen ook vindt; en neemt vriend noch helper uit hun midden.” (Edele Koran 4:89)

Dit vers werd verkeerd geciteerd net zoals het voorafgaande vers en uit de context gehaald. Hier is de volledige passage:

“Waarom zijt gij betreffende de huichelaars (in) twee partijen (verdeeld)? Allah heeft hen neergeslagen wegens hetgeen zij verdienden. Wenst gij hen te leiden, die Allah te gronde deed gaan? En voor hen, die Allah doet dwalen, zult gij geen uitweg vinden. Zij wensen dat gij verwerpt, evenals zij hebben verworpen, zodat gij aan hen gelijk zult worden. Neemt derhalve geen vrienden uit hun midden totdat zij voor de zaak van Allah werken. En indien zij tot vijandschap vervallen, grijpt hen dan en doodt hen waar gij hen ook vindt; en neemt vriend noch helper uit hun midden. Behalve degenen die tot een volk behoren waarmee gij een verbond gesloten hebt, of zij die tot u komen terwijl hun hart zich verzet u te bestrijden of hun eigen volk aan te vallen. En indien Allah wilde, zou Hij hun macht tegen u hebben gegeven; dan zouden zij zeker tegen u hebben gevochten. Dus, als zij zich van u op een afstand houden en u niet bestrijden en u vrede aanbieden - heeft Allah u niet toegestaan iets tegen hen te ondernemen. Gij zult anderen vinden die veilig bij u willen zijn en bij hun eigen volk; telkens wanneer zij tot vijandigheid worden opgeroepen, doen zij blindelings mee. Als zij zich derhalve niet op een afstand van u houden, noch u vrede aanbieden, noch hun handen terughouden, grijpt hen dan aan en doodt hen waar gij hen ook vindt. Tegen dezen hebben Wij u duidelijk gezag gegeven.” (Edele Koran 4:88-91)

Op dezelfde wijze als het eerste vers gebiedt dit vers aan Moslims om alleen te vechten tegen degenen die onderdrukkers waren of vervolgers of tegen zij die Moslims aanvielen. En tijdens een strijd gelden dezelfde oorlogswetten. Een Moslim die de wetten overschrijdt, kan zich verwachten aan de bestraffing van God. In antwoord op een vraag op de verzen 4:88-89 citeert Dr. Muzammil H. Siddiqi de verzen in hun volledige context en stelt dan de volgende vraag:

Geeft u es eerlijk antwoord, geven deze verzen de vrije toestemming om eenieder en waar dan ook te doden? Deze verzen werden geopenbaard door God aan Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) op een tijdstip toen de Moslims herhaaldelijk door niet-Moslims in Mekka werden aangevallen. Zij verjoegen de Moslimgemeenschap van Medina. In het huidige taalgebruik is het passend om te zeggen dat er continu terroristische aanvallen waren op Medina en in deze situatie kregen de Moslims de toestemming om terug te vechten tegen de ‘terroristen’. Deze verzen zijn geen gratuite toestemming voor ‘terrorisme’, maar gelden als een waarschuwing tegen de ‘terroristen’. Maar zelfs in deze waarschuwingen kan je zien hoeveel nadruk er ligt op terughoudendheid en bezorgdheid.

Het is ook belangrijk om te melden dat de Koran duidelijk is in het veroordelen van moord. Over het verbod op moord zegt de Koran:

“en dat gij een ziel ten onrechte doodt die Allah heilig heeft verklaard. Dit is, hetgeen Hij u heeft bevolen, opdat gij moogt begrijpen” (Edele Koran 6:151)

“En doodt niemand die Allah heilig heeft verklaard, tenzij het met recht geschiedt. En wie onrechtvaardig is gedood, aan diens erfgenaam hebben Wij zeker gezag verleend, doch laat hem bij het doden niet buitensporig zijn, want hij wordt (door de wet) gesteund.” (Edele Koran 17:33)

“dat wie ook een mens doodt, behalve wegens het doden van anderen of het scheppen van wanorde in het land, het ware alsof hij het gehele mensdom had gedood, en voor hem, die iemand het leven schenkt, alsof hij aan het gehele mensdom het leven heeft geschonken.” (Edele Koran 5:32)

Aldus maakt de Koran heel duidelijk dat Moslims geen aanval kunnen beginnen tegen anderen, tenzij er een onmiddellijke bedreiging is van een aanval. De context van de geciteerde verzen is enkel van toepassing op situaties waar de verdrukkers Moslims doden. In dit geval hebben ze het recht op zelfverdediging en op het verdedigen van anderen, vooral de zwakken en onderdrukten.

 Verkeerd geciteerd Vers #8

“doodt dan de afgodendienaren waar gij hen ook vindt” (Edele Koran 9:5)

Dit vers, dat vaak ‘het vers van het zwaard” wordt genoemd, is heel vaak verkeerdelijk geciteerd op een manier die lijkt op de voorgaande verzen. Eerst zullen we het vers in zijn context citeren:

“Wanneer de heilige maanden voorbij zijn, doodt dan de afgodendienaren waar gij hen ook vindt en grijpt hen en belegert hen en loert op hen uit elke hinderlaag. Maar als zij berouw hebben en het gebed houden en de Zakaat betalen, laat hun weg dan vrij. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol. En als één der afgodendienaren u om bescherming vraagt, schenk hem dan bescherming dat hij het woord van Allah moge horen; voer hem dan naar de plaats, waar hij veilig is. Dit is omdat zij een volk zijn dat niet weet. “ (Edele Koran 9:5-6)

Nu we het vers in de context hebben geplaatst kunnen we het naar behoren analyseren. Dr. Maher Hathout geeft een verklaring over de historische context van het vers:

Het vers werd geopenbaard naar het einde van de openbaringsperiode toe en moet bezien worden in een beperkte context. Vijandelijkheden werden tijdelijk gestaakt gedurende een periode van drie maand waarin de Arabieren gezworen hadden om geen strijd aan te gaan. De profeet Mohammed kreeg de ingeving om deze periode te gebruiken om de strijders aan te moedigen om de Moslimgelederen te vervoegen of om, als ze dat verkozen, het gebied te verlaten dat zich onder Moslimbeheer bevond; als ze echter de vijandelijkheden wensten te staken, zouden de Moslims terugvechten tot ze overwinnaars werden. Men voelt zich geroepen om op te merken dat zelfs in deze oorlogscontext, het vers beëindigd wordt met de nadruk op de goddelijke eigenschappen van genade en vergiffenis. Om de vijandelijkheden tot een minimum te beperken, beval de Koran aan de Moslims om iedereen asiel te geven, zelfs aan een vijand, die toevlucht zocht. Het asiel zou worden verleend overeenkomstig de gebruikelijke ridderlijkheid: men zou de boodschap van de Koran te horen krijgen, maar niet gedwongen worden om die boodschap te aanvaarden. Nadien zou hij of zij in veiligheid begeleid worden naar veiligheid afhankelijk van zijn of haar religie. (9:6) (Hathout, Jihad vs. Terrorisme; US Multimedia Vera International, 2002, pp. 52-53, voetnoot van de auteur)

Daarom verwijst dit vers eens te meer naar die heidenen die zouden blijven vechten na de periode van vrede. Het geeft duidelijk instructies aan de Moslims om diegenen te beschermen die vrede zoeken en tot de niet-strijders behoren. Het is een specifiek vers met een specifieke regeling en kan in geen geval op een algemene situatie worden toegepast. Het bevel van het vers kan enkel worden toegepast gedurende een strijd. Zoals door Abdullah Yusuf Ali geschreven wordt:

De nadruk ligt op de eerste bepaling: pas wanneer de eerste vier maanden van gratie voorbij zijn, en de andere partij geen blijk geeft om hun bedrieglijke plannen op te geven door het vertonen van goed gedrag, kan opgeroepen worden tot een oorlogssituatie – tussen Geloof en Ongeloof. (Yusuf Ali, De Heilige Koran, Tekst, Vertaling en Commentaar, voetnoot van de auteur)

Als de heidenen hun vijandelijkheden ten opzichte van de Moslims niet zouden staken, moesten ze bestreden worden, vooral omdat ze leefden op een gebied van een Islamitische staat.

Betreffende dit vers schrijft Dr. Zakir Nair:

Dit vers werd tijdens een gevecht geciteerd. We weten dat Amerika ooit op voet van oorlog stond met Vietnam. Veronderstel dat de President van Amerika of de Generaal van het Amerikaanse Leger tijdens de oorlog aan de Amerikaanse soldaten vertelde: “Waar je ook maar Vietnamezen vindt, dood hen.” Als ik vandaag zeg dat de Amerikaanse President gezegd heeft:  “Waar je ook maar Vietnamezen vindt, dood hen.”, zonder het in de context te plaatsen, zal hij net een slachter lijken. Maar als ik hem in de context citeer, dat hij dit uitsprak tijdens een oorlog, zal het heel logisch klinken, alsof hij het moreel wou opkrikken van de Amerikaanse soldaten gedurende de oorlog. Op diezelfde manier zegt de Koran in Surah Tawbah hoofdstuk 9 vers 5: “doodt dan de afgodendienaren(Mushriks) waar gij hen ook vindt” gedurende een strijd om het moreel op te krikken van de Moslimsoldaten. Wat de Koran aan de Moslimsoldaten vertelt, is om geen angst te hebben tijdens de strijd: ‘waar gij vijanden vindt, doodt ze’. Surah Tawbah hoofdstuk 9 vers 6 geeft het antwoord op de beschuldiging dat de Islam tot geweld aanzet, tot brutaliteit en bloedvergieten.

We lezen:

“En als één der afgodendienaren u om bescherming vraagt, schenk hem dan bescherming dat hij het woord van Allah moge horen; voer hem dan naar de plaats, waar hij veilig is. Dit is omdat zij een volk zijn dat niet weet.” (Edele Koran 9:6)

In de Koran lezen we niet alleen dat een Mushrik die asiel zoekt tijdens een gevecht onderdak moet krijgen, maar ook dat hij begeleid moet worden naar een veilige plaats. In het huidige internationale scenario, is de kans groot dat zelfs een welwillende, vredelievende Generaal van een leger gedurende een gevecht soldaten van de vijand vrijuit kan laten. Maar welke Generaal zal ooit aan de soldaten zeggen, wanneer de soldaten van de vijand vrede willen tijdens een gevecht, om ze niet allen vrijuit te laten, maar ook om ze te begeleiden naar een plaats van veiligheid? Dit is precies wat Allah zegt in de Edele Koran om vrede in de wereld te stimuleren.

Dr. Naik maakt een paar heel interessante observaties over dit vers. Het is immers enorm verbazend om te zien hoe Islamhaters de onmetelijke genade van God negeren in hun pogingen om de islam belasteren. God heeft mensen altijd een uitweg geboden uit elke vorm van lijden en heeft het vechten enkel opgedragen als laatste redmiddel. Moslimgeleerden hebben veel commentaar geschreven over deze Koranische verzen met een heel uitgebreide uitleg over de historische context opdat er geen misinterpretaties zouden ontstaan. We hebben heel uitvoerig citaten weergegeven van verschillende commentatoren op deze verzen zodat het niet nodig is om hetzelfde materiaal opnieuw te herhalen. We zullen nog een enkel commentaar weergeven alvorens verder te gaan. Professor Shahul Hamid schrijft aangaande vers 9:5:

Dit is een vers dat gehaald is uit Surah At-Tawbah. Dit hoofdstuk van de Koran werd geopenbaard in een context toen de recentelijk georganiseerde Moslimsamenleving zich begon te verdedigen tegen de heidense agressors. De belangrijkste vraag die men zich hier dient te stellen is hoe Moslims degenen die een bestaand verdrag naar eigen willekeur schenden, zouden moet behandelen. De eerste clausule in het vers verwijst naar het tijdsgebonden Arabisch gebruik dat een periode van waarschuwen en wachten voorzag na een duidelijke contractbreuk. Meer bepaald kregen de overtreders een periode van vier maand om de schade te herstellen of om vrede te stichten. Maar als er niets gebeurt na het verstrijken van deze maanden van het verbod, wat moet er dan gebeuren? Dit is wat het huidige vers zegt. Volgens dit vers moet er pas gevochten worden als een dezer zaken gebeurt: Ofwel moet de vijand verslagen worden door meedogenloze gevechten. Dit is wat bedoeld wordt met het vers (vecht en dood te heidenen waar gij ze ook vindt en grijp ze en beleger ze en wacht ze op met elke krijgslist); of ze moeten spijt betuigen, gebeden verrichten, de Zakaat betalen enz. Dit is een van de verzen van de Koran die het vaakst verkeerd worden begrepen als ze uit de context worden geciteerd. We moeten begrijpen dat dit ging om vechten tegen een volk was dat de profeet en zijn gezellen  verplichtte om niet alleen hun huizen te verlaten, maar hun hele bezit en zelfs hun thuisstad van Mekka naar Medina. Eens de Moslims zich hadden georganiseerd tot een gemeenschap in deze tijden van wetteloosheid, waren de regels die Moslims moest volgen duidelijk neergelegd, zelfs aangaande oorlogskwesties. Aangezien de Islam een allesomvattend systeem is, kan geen enkele menselijke activiteit worden genegeerd. En gezien de aard van de mensheid, kunnen we ons geen toestand inbeelden waarin het vechten compleet is weggedacht. Zoals duidelijk is gemaakt, zijn de bovenvermelde verplichtingen aangaande vechten niet op individueel niveau, maar alleen in geval van een samenleving die streeft naar welvarendheid en voorspoed als natie. Maar zelfs dan zijn de normen duidelijk: vechten gebeurt alleen ter zelfverdediging of om rechtvaardigheid in te voeren: en een voortdurende toestand van vechten is een laatste optie. En niemand mag de grenzen die God heeft opgelegd overschrijden.

Ibn al-‘Arabi schrijft in zijn commentaar op de Koran:

‘Uit dit vers blijkt duidelijk dat de betekenis van dit vers het doden van de heidenen is die ten strijde trekken tegen u.’ (Ahkam al-Quran: 2/456, noot van de auteur)

Sheikh Sami al-Majid merkt ook een paar interessante punten op in zijn discussie over dit vers:

Als we een blik werpen op de verzen in Surah al-Tawbah onmiddellijk voor en na die verzen die ter discussie staan, wordt de context van het vers duidelijk. Een paar verzen voor het vers dat wordt bediscussieerd, wordt er door Allah gezegd:

‘Dit is de verklaring van ontheffing door Allah en zijn boodschapper tegenover degenen der afgodendienaren met wie gij een verdrag hebt gesloten. Gaat daarom in het land rond voor vier maanden en weet, dat gij Allah niet kunt ontsnappen en dat Allah de ongelovigen zal vernederen. ‘ (Edele Koran 9:1-2)

In deze verzen lezen we dat aan heidenen een amnestie van vier maand was toegekend met een aanwijzing dat het vechten zou stoppen eens de vier maand voorbij zouden zijn. Een volgend vers stelt echter sommigen vrij van het hervatten van de vijandelijkheden. We lezen:

“Met uitzondering van diegenen der afgodendienaren met wie gij een verbond hebt gesloten en die in niets hebben gefaald, noch iemand tegen u hebben geholpen. Vervult daarom aan dezen het verbond tot hun bepaalde termijn. Voorzeker, Allah heeft de godvruchtigen lief.” (Edele Koran 9:4)

Wanneer Allah dus zegt: ‘Wanneer de heilige maanden voorbij zijn, doodt dan de afgodendienaren waar gij hen ook vindt en grijpt hen en belegert hen en loert op hen uit elke hinderlaag.’, dan moeten we weten dat het niet algemeen is, aangezien het bovenvermelde vers passend is gemaakt als verwijzing naar de heidense Arabieren die op voet van oorlog stonden met de profeet (vrede en zegeningen op hem) en degene die hun vredesverdragen verbroken hebben. Dit wordt verder een paar verzen verder benadrukt waar Allah zegt:

“Wilt gij een volk niet bestrijden dat zijn eden heeft gebroken en plannen smeedde om de boodschapper te verdrijven en dat het eerste was om tegen u te beginnen?” (Edele Koran 9:13)

Hieruit blijkt dat het context van het vers in de Surah duidelijk maakt dat dit verwijst naar degenen die vasthoudend zijn in hun vijandelijkheden en aanvallen tegen de Moslims en dat het alleen in de strijd wordt toegepast. We bevelen het artikel van Sheikh Sami Al-Majid aan: “Er is geen dwang in de godsdienst”.

Afschaffing?

De volgende kwestie aangaande dit vers betreft de afschaffing. Sommigen beweren dat door dit vers 9:5 alle vredelievende verzen in de Koran zijn afgeschaft. Deze bewering stamt echter af van een misvatting van sommige Koranische concepten. In de Koran vinden we Naskh en er is ook Takhsis. Haskh is de afschaffing van een wet door een wet die achteraf werd geopenbaard. Naskh komt voor in zaken van Islamitische wetgeving. Takhsis daarentegen verwijst naar specificatie, waar het ene vers de toepassing van het andere vers beperkt, of de grenzen specifieert die niet zijn vermeld in het andere vers. Zoals Sheikh Bu Ammar yasir Qadhi schrijft:

De specificatie betreft het ene vers dat een algemene regel beperkt of begrenst zoals we die in een ander vers lezen, terwijl Naskh het afschaffen van het eerste vers betreft in zijn geheel ( dit betekent: niet toe te passen onder geen enkele omstandigheid of voorwaarde). (Qadhi, Een Inleiding op de Wetenschappen van de Koran; UK Al-Hidayah Uitgave en Verdeling, 1999, p. 233)

Sheikh Qadhi legt ook uit dat een van de voorwaarden voor Naskh is dat de twee conflicterende wetten op dezelfde situatie van toepassing zijn onder dezelfde omstandigheden, en aldus is er geen alternatief begrip van de toepassing van de verzen. Zoals hij beweert:

Daarom, als een van die regels op een specifiek geval kan toegepast worden, en de andere wet op een ander geval, kan dit niet worden beschouwd als een voorbeeld van Naskh. (Qadhi, Een Inleiding op de Wetenschappen van de Koran; UK Al-Hiyadah Uitgave en Verdeling, 1999, p. 237)

Daarom kan vers 9:5 in geen enkel geval worden beschouwd als een voorbeeld van Naskh aangezien het enkel een wet is die wordt toegepast op een heel specifieke situatie en omstandigheid. Er bestaat heel wat verwarring aangaande een paar verzen die benoemd worden als gevallen van Naskh omdat de vroege Moslims het woord Naskh ook gebruikten om naar Takhis te verwijzen. Daarom zijn sommige Moslims er niet in geslaagd om te beseffen dat een paar van die ‘Naskh’-gevallen door vroege Moslims als Takhsis werden bestempeld. Daarom werden sommige vroege Moslimgeleerden geciteerd die dit geval als een geval van ‘Naksh’ hebben gecategorizeerd. Men dient te beseffen dat de term Naskh gebruikt werd om naar een breder spectrum van betekenissen te verwijzen, waaronder Takhsis. Zoals Dr. Jamal Badawi schrijft:

Elke bewering van Naskh moet definitief zijn, en niet gebaseerd op louter opinievorming of speculatie. Het moet opgemerkt worden dat vroege Moslims de term Naskh gebruikten om ook naar Takhsis te verwijzen of dat ze de regelgeving specificeerden en beperkten eerder dan het af te schaffen.

Sheikh Abu Ammar Yasir Qadhi bespreekt voornamelijk de verwarring over het vers 9:5 en nadat hij de verschillende beweringen geciteerd heeft,  concludeert hij het volgende:

Uit de geciteerde voorbeelden en categorieën blijkt dat in werkelijkheid de meeste van de verzen niet worden beschouwd als zijnde afgeschaft in het verleden. Sommige ervan zijn voornamelijk van toepassing op andere situaties dan die waarvoor ze werden geopenbaard. Bijna al deze ‘Mansukh’ (afgeschafte) verzen kunnen nog toegepast worden wanneer Moslims zich bevinden in een situatie die leek op de situatie waarin ze zich bevonden. Bijgevolg worden door de ‘Vers van het Zwaard’ geen groot aantal verzen afgeschaft; in feite concludeert Az-Zarqani dat geen enkel vers erdoor wordt afgeschaft! (fn. Az-Zarqani, v.2, pps. 275-282) (Qadhi, Een Inleiding op de Wetenschappen van de Koran; UK Al-Hidayah Uitgave en Verdeling, 1999, p. 254)

Sheikh Sami AlMajid beweert hetzelfde in zijn artikel:

Sommige mensen – vooral een paar hedendaagse niet-Moslimse critici van de Islam – hebben geprobeerd te beweren dat dit vers het vers ‘Laat er geen dwang zijn in de religie’ teniet doet. Ze beweren dat de algemeenheid van deze bewering impliceert dat elke ongelovige die de Islam weigert te aanvaarden bestreden moet worden. Ze ondersteunen hun bewering door aan te stippen dat dit vers een van de laatste verzen is die geopenbaard werd over het vechten. Dit vers schaft echter op geen enkele manier het principe af in de Islamitische Wet dat er geen dwang is in de religie. Het kan algemeen klinken in de bewoording, maar de mening ervan is heel specifiek gebaseerd zowel op andere verzen van de Koran die hiermee verband houden als op basis van een aantal relevante Hadith.

Sheikh Jamal Al-Din Zarabozo behandelt deze kwestie ook in zijn geschriften op het vers: ‘Er is geen dwang in de godsdienst.’ Hij vermeldt de visie dat dit vers afgeschaft werd als volgt:

Al-Dausiri verwerpt deze bewering wegens het volgende: Een vers kan niet afgeschaft worden tenzij het de regelgeving van een vorig vers volledig teniet doet en er is geen sprake dat de tegengestelde meningen van de verzen met elkaar verzoend kunnen worden. (Zarabozo, Er is Geen Dwang in de Godsdienst, Al-Bashir)

Dit was de visie van de grote geleerden en Mufasirin (Koranische commentatoren), zowel klassieke als recente, zoals Ash-Shanqiti of Ibn Jarir At-Tabari. Sheikh Muhammad S. Al-Awa becommentarieert deze kwestie ook in zijn discussie over de bestraffing voor afvalligheid:

Tezelfdertijd kan men zeggen dat de doodsstraf voor afvalligheid – vooral als het beschouwd wordt als een Hadd (voorgeschreven) bestraffing – het Koranische principe (wet) in Surah II, vers 256 tegenspreekt, waarin staat :’Er is geen dwang in de godsdienst.’ Ibn Hazm beweerde, om deze vorm van kritiek te vermijden, dat dit vers was afgeschaft en dat dwang wel toegestaan is in religie: bijgevolg is de bestraffing voor afvalligheid volgens hem niet tegenstrijdig met de Koran (fn. Muhalla, vol. XI, p. 195). Deze bewering is echter ongeldig aangezien Koranische geleerden de afgeschafte verzen vastgelegd hebben en dit vers behoort daar niet toe. (fn. Suyuti, Itqan, vol. II, p. 22-24). Bijgevolg kan men in -aansluiting met de Encyclopedie van de Islam- zeggen dat ‘In de Koran de afvallige enkel met afstraffing in de volgende wereld bedreigd wordt.’ (fn. Heffening, Encyclopedie van de Islam, vol. III, p. 736 onder ‘Murtadd’). (El-Awa, Bestraffing in de Islamitische wet, US American Trust Publicaties, 1993, p. 51, voetnoot van de auteur)

Bijgevolg, als de we genadevolle en liefdevolle verzen van de Koran bespreken en we krijgen te horen dat deze verzen ongeldig zijn door de specifieke verzen aangaande het strijden, kunnen we gerust een dergelijke bewering weerleggen als zijnde puur speculatief en ongeldig. Vrede en gerechtigheid zijn de fundamenten van de godsdienst van de Islam en kunnen er nooit uit verwijderd worden.


 Verkeerd geciteerd Vers#9

“Zij vragen u omtrent het vechten in de heilige maand. Zeg: "Het vechten hierin is een ernstige zaak,  maar de mensen van de weg van Allah af te houden en Hem te ontkennen, en (de toegang tot) de Heilige Moskee (te verhinderen) en haar mensen er van te verdrijven en polytheïsme zijn bij Allah grotere zondes dan afslachting. En zij zullen niet ophouden, u te bevechten, totdat zij u van uw geloof hebben afgebracht, als zij kunnen. Maar wie onder u zich van zijn geloof afkeert en sterft als een ongelovige - diens werken zullen tevergeefs zijn in deze wereld en in de toekomende. Dezulken zijn de bewoners van het Vuur en zij zullen daarin verblijven. Zij, die geloven en zij die voor de zaak van Allah hun land verlaten en er voor ijveren, zijn het, die Allah's barmhartigheid verwachten en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.” (Edele Koran 2:217-218)

Eens te meer werd de vertaling veranderd en alvorens we een antwoord geven op het citaat, zouden we een duidelijke vertaling moeten geven:

‘Zij vragen u omtrent het vechten in de heilige maand. Zeg: "Het vechten hierin is een grote overtreding, maar de mensen van de weg van Allah af te houden en Hem te ontkennen en (de toegang tot) de Heilige Moskee (te verhinderen) en haar mensen er van te verdrijven, is bij Allah een grotere zonde; en vervolging en onderdrukking zijn erger dan doden." En zij zullen niet ophouden, u te bevechten, totdat zij u van uw geloof hebben afgebracht, als zij kunnen. Maar wie onder u zich van zijn geloof afkeert en sterft als een ongelovige - diens werken zullen tevergeefs zijn in deze wereld en in de toekomende. Dezulken zijn de bewoners van het Vuur en zij zullen daarin verblijven.’ (Edele Koran 2:217) ’Zij, die geloven en zij die voor de zaak van Allah hun land verlaten en er voor ijveren (en streefden en zich inspanden), zij zijn het, die Allah's barmhartigheid verwachten en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.’ (Edele Koran 2:218)

Nu zien we hoe schadelijk het is voor Islamhaters om authentieke en ongewijzigde vertalingen te gebruiken, omdat op die manier hun bedrieglijke praktijken aan het licht worden gebracht. De context van deze verzen verwijst naar de expeditie van een groep van de metgezellen van de profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) onder de leiding van Abdullah bin Jahsh Asadi. De metgezellen herkenden een karavaan van de Quraysh. Aangezien de Qoraishieten openlijk de oorlog hadden verklaard aan de Moslims en hen hadden vervolgd in die mate dat ze hen het huis uit dreven en hun bezittingen gestolen hadden, hadden de aanwezige metgezellen het gevoel dat ze wel es wraak konden nemen. Ze doodden een man van de karavaan en namen er twee gevangen. Wanneer ze terugkeerden naar Medina, keurde de Profeet hun aanval tijdens de Heilige Maand af. Maar God had dit vers geopenbaard als een herinnering aan de Moslims dat zelfs al was het doden in de Heilige Maand slecht, dan was het vervolgen en verdrijven van mensen uit hun huizen wegens hun geloof stukken erger. De verzen maken het aldus heel duidelijk dat ondanks de terroristische aanslagen van de polytheïsten, de Moslims dapper en standvastig moesten blijven en zich tot God wenden om hulp te vragen in plaats van het op te geven en de waarheid te verlaten. Zo schrijft Sheikh Safiur Rahman Al-Mubarakpuri over vers 2:217:

De Woorden van Allah waren duidelijk en gaven weer dat het tumult dat ontstaan was door de polytheïsten geen grond had. De heilige en onschendbare goddelijke verplichtingen werden herhaaldelijk geschonden gedurende het lange proces van de aanval op de Islam en in de vervolging van de aanhangers. De rijkdom van de Moslims was al aangetast samen met hun huizen en hun profeet (vrede en zegeningen op hem) was meermaals het doelwit geweest van aanslagen op zijn leven…Kort nadien werden de gevangenen vrijgelaten en er werd bloedgeld (ter compensatie) gegeven aan de vader van de gedode man. (fn. Voor details zie Zad Al-Ma’ad, 2/83-85; Ibn Hisham, 1/605; Rahmat-ul’Lil’Alamin, 1/115.2/468.) (Al-Mubarakpuri, Ar-Rahiq Al-Makhtum; Riyadh-Saudi Arabia, Dar-us-Salam Publicaties, 1996;pp. 205-206, voetnoot van de auteur)

 Verkeerd geciteerd Vers#10

‘Vecht voor de Zaak van God. Allah is Alhorend, Alwetend.’ (Edele Koran 2:244)

‘Zij die geloven, strijden voor de zaak van Allah, maar de ongelovigen strijden voor de zaak van de boze. Strijdt daarom tegen de vrienden van Satan; voorzeker, Satan's plan is zwak.’ (Edele Koran 4:76)

Vers 4:76 is als volgt vertaald:

‘Zij die geloven vechten voor de zaak van Allah, en degenen die het Geloof verwerpen Vechten voor de zaak van het Kwade, Vecht dus tegen de vrienden van Satan, zwak inderdaad zijn de listen van Satan.’ (Edele Koran 4:76)

We hebben de doelstelling al duidelijk gemaakt waarvoor Moslims vechten in ons commentaar op het vers 2:216 aan het begin van dit artikel. Dr. Maher Hathout becommentarieert het vers 4:76 met de woorden:

Dit vers is verbonden met de twee voorafgaande verzen (zie 4:74-75), waar er gezegd werd dat diegenen die vechten voor de zaak van God beloond zouden worden zowel als ze overwinaars waren of verliezers. Het vechten voor de zaak van God omvat de vrijlating van de verdrukten, duidend op de hulpeloze mannen en vrouwen die sterk verlangen naar en bidden voor vrijheid. De gelovigen vechten voor de zaak van God en de ongelovigen vechten voor de zaak van hun afgoden. Een afgod kan conceptueel worden opgevat. Bijvoorbeeld in de figuurlijke betekenis van afgunst of hebzucht. De gelovigen moeten al hun vertrouwen plaatsen in God de Almachtige en Sterke en de ongelovigen en hun kwade plannen niet vrezen. Boze plannen verliezen altijd van het goede. (Hathout, Jihad Vs. Terrorisme; US Multimedia Vera International, 2002, p.50)

Vers 2:224 raadt de gelovigen aan om de grenzen niet te overschrijden omdat ze dienen te weten dat ‘God alles hoort en weet’. Bijgevolg is een ware Moslim God-bewust wanneer hij de rechten verdedigt van anderen en als hij de grenzen niet overschrijdt bij het toepassen van gerechtigheid.

 Verkeerd geciteerd Vers#11

‘Bestrijdt diegenen onder de mensen van het Boek, die in Allah noch in de laatste Dag geloven, noch voor onwettig houden wat Allah en Zijn boodschapper voor onwettig hebben verklaard, noch de ware godsdienst belijden totdat zij de belasting met eigen hand betalen, terwijl zij onderdanig zijn.’ (Edele Koran 9:29).

Sommige mensen hebben verkeerdelijk geconcludeerd uit vers 9:29 dat aan Moslims geboden wordt om alle niet-Moslims aan te vallen totdat zij geld betalen. In feite is een dergelijke interpretatie volledig verkeerd en het is tegenstrijdig met de authentieke Islamitische leer. Als commentaar op dit vers schrijft Sheikh Jalal Abualrub:

Deze Ayat (Koranische verzen) beklemtonen de noodzaak tot vechten tegen de Mensen van de Geschriften, maar onder welke omstandigheden? We hebben voordien het feit uitgelegd dat de Islamitische Staat geen toestemming heeft om niet-Moslims aan te vallen die zich niet vijandig gedragen ten opzichte van de Islam, of die de Moslims niet onderdrukken noch tegen zij die niet proberen om Moslims met geweld uit hun religie te doen bekeren of van hun land verdrijven of ten strijde trekken tegen hen of aanvallen tegen voorbereiden. Als een van deze misdrijven zich echter voordoet is het toegestaan aan Moslims om zichzelf te verdedigen en om hun religie te beschermen. Moslims hebben geen toestemming om niet-Moslims aan te vallen met wie zij een vredesverdrag hebben getekend of niet-Moslims die onder de bescherming van de Islamitische staat staan. (Abualrub, Heilige Oorlogen, Kruistochten, Jihad)

Op dezelfde wijze tonen de volgende fatwa punten aan dat Moslims geen vredig niet-Moslim land mogen aanvallen:

Vraag: Is het een verplichting van een Islamitische staat om de naburige niet-Moslimse staten aan te vallen en ‘Jizyah’ van hen in te zamelen? Zien we dit in het voorbeeld van de juist geleide Kaliefen die tegen hen vochten tegen de Romeinse en Perzische Keizerrijken zonder dat zij tot enige agressie hebben aangezet?

Dit werd beantwoord door Sheikh Hani Al-Jubayr, rechter aan het Jeddah Hooggerechtshof

Als het niet-Moslimse land het Moslimland niet heeft aangevallen noch zichzelf heeft gemobiliseerd om het praktiseren en het verspreiden van de Islam te verhinderen, noch als ze de (bouw van de) moskees verhinderd hebben of als ze niets gedaan hebben om de Moslims te onderdrukken in hun rechten om hun geloof te belijden en het ongeloof openlijk af te keuren, dan is het in die omstandigheden niet toegestaan aan het Moslimland om dat land aan te vallen. Jihad van een militaire aard was alleen toegestaan om Moslims te helpen in het verdedigen van hun geloof en om onderdrukking van mensen tegen te gaan.

De Perziërs en de Romeinen hebben in werkelijkheid agressie gepleegd tegen de Islam en hebben de Moslims als eerste aangevallen.

De Chosroe van Perzië is zo ver gegaan om zijn bevelhebbers in Yemen de heel specifieke opdracht te geven om de Profeet (vrede en zegeningen op hem) te doden. De Romeinen hebben hun troepen gemobiliseerd om de Profeet aan te vallen (vrede en zegeningen op hem), en de Moslims zijn met hen de confrontatie aangegaan in de Gevechten van Mu’tah en Tabuk tijdens het leven van de Profeet.

Moge Allah ons allen leiden. En moge er vrede en zegeningen heersen over onze Profeet Mohammed.

De bovenvermelde fatwa verwijst naar de historische context waarin de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) tegen andere naties hebben gestreden. De Profeet Mohammed heeft zelf tot geen enkele agressie aangezet tegen wie dan ook. Wel hebben hij en zijn volgelingen onder aanval gestaan van al diegenen die de nieuwe Islamitische Staat wilden vernietigen. De eerste vijandelijkheden tussen de Moslims en het Romeinse Rijk begon toen een boodschapper van de Profeet Mohammed vastgebonden en onthoofd werd (Al-Mubarakpuri, Ar-Rahiq Al-Makhtum, p. 383). Het doden van een diplomaat was een openlijke oorlogsdaad, en de Profeet Mohammed stuurde een gewapend leger om de confrontatie met de stam aan te gaan, maar het Romeinse Rijk bracht versterking en het daaruit volgende conflict, dat bekend staat als het Gevecht van Mu’tah, was een nederlaag voor de Moslims. Pas nadien kwam het tot een opeenvolging van gevechten tussen de Moslims en het Romeinse Rijk, en de Moslims kwamen als overwinnaars uit de strijd. Op dezelfde manier en zoals is vermeld in de bovenvermelde fatwa, zijn de vijandelijkheden tussen de Moslims en de Perziërs pas begonnen nadat de Perzische heerser Chosroe zijn gouverneur het bevel gaf in Yemen Badham om de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) te doden, zelfs al werden zijn inspanningen gedwarsboomd toen deze laatste de Islam aannam. Andere niet-moslim groepen, zoals dezen in Medina, hebben ook aanzet gegeven tot vijandelijkheden tegen Moslims ondanks vredesverdragen, zoals door Sheikh Sayyid geschreven wordt:

Wat betreft het doden van Joden (Mensen van de Geschriften), zij hadden een vredespact opgezet met de Boodschapper nadat hij naar Medina verhuisd was. Kort nadien hebben ze het vredespact geschonden en hebben ze zich aangesloten bij de troepen van de heidenen en de hypocrieten tegen de Moslims. Ze hebben ook tegen de Moslims gevochten  tijdens het Gevecht van Ahzab, toen door Allah het vers werd geopenbaard…(en hij citeert vers 9:29). (Sayyid Sabiq, Fiqhu as-Sunnah, Vol.3, p. 80)

In het licht van de historische context van dit vers wordt het duidelijk dat het vers werd geopenbaard in samenhang met de agressie die begonnen was tegen de Moslims. Zoals Dr. Jamal Badawi heel precies concludeert aangaande vers 9:29 en gelijkaardige verzen:

Al deze verzen behandelen –als ze heel precies worden bestudeerd- zonder uitzondering agressie en onderdrukking die gepleegd wordt tegen Moslims ten tijde van de Profeet (vrede en zegeningen op hem), tenzij door Arabieren die afgoderij plegen of een paar van de Joodse volksstammen in Medina of door Christenen.

Daarom heeft het gebod om te vechten in vers 9:29 betrekking op die niet-moslims die agressie plegen en niet tegen hen die zich verbinden om in vrede te leven. Het vers is onderhevig aan een aantal situaties die zich duidelijk voordeden toen het ingevoerd werd ten tijde van de Profeet (vrede en zegeningen op hem), zoals Sheikh Sayyid Sabiq schrijft:

Wat wij beweerd hebben maakt duidelijk dat de Islam het niet toestond om vijandelijkheden te starten, met uitzondering van: 1: terugdrijven van agressie; 2. beschermen van Islamitische verspreiding; 3. ontmoedigen van Fitnah en verdrukking en vrijheid van religie garanderen. In zulke gevallen wordt vechten een noodzaak van de religie en een van de heilige verordeningen. Dan wordt het ‘Jihad’ genoemd. (Sayyid Sabiq, Fiqhu as-Sunnah, Vol. 3, p. 81)

Dit vers vermeldt zodoende een paar kwesties die betrekking hebben op de Islamitische staat en op het besturen van niet-moslims burgers van de Islamitische staat. Dr. Maher Hathout schrijft als commentaar op de regelingen in vers 9:29:

Vrijheid van religie is een essentieel aspect in de Islamitische staat. Een van de pilaren van de Islam is Zakah (het geven van aalmoezen). De Mensen van het Boek (Joden en Christenen) zijn niet verplicht om de Islamitische Zakah te betalen die door de staat wordt uitgegeven voor sociale noodzaken en staatsaangelegenheden zoals is gedefinieerd in de Koran (zie 9:60). Maar zij moeten andere belastingen betalen als aandeel in het staatsbudget. Als zij deze taks weigeren te betalen en zich verzetten tegen de staat, dat is het de plicht van de staat om met hen de confrontatie aan te gaan totdat zij het betalen. Dit is wat Kalief Anu Bakr deed na de dood van de Profeet, toen een aantal mensen weigerden om de Zakah te betalen. (Hathout, Jihad vs. Terrorisme; US Multimedia Vera International, 2002, p. 53)

Het vers maakt melding van Jizyah, wat helaas verkeerd wordt opgevat door sommige mensen. Zoals elke natie vraagt de Islamitische regering aan zijn burgers om belastingen te betalen. Aangezien Moslims de Zakah betalen, wordt van niet-Moslims verwacht dat zij Jizyah betalen (voor meer informatie over Jityah, kijk naar Jizyah in Islam en Jizyah en niet-moslimminderheden). Dr. Monqiz As-Saqqar schrijft aangaande de Jizyah taks:

De som van Jizyah was nooit zo hoog dat men niet in staat was om het te betalen. Integendeel, het ging altijd om een aanvaardbaar bedrag. Tijdens het bestuur van de Profeet (vrede en zegeningen op hem) was de Jizyah nooit meer dan een dinar per jaar en het is nooit meer geweest dan vier dinars onder het Umayyad-bestuur.

Sheikh Abu’l-Hassan Al-Mawardi (d.1085CE) wijst heel expliciet op het feit dat de Jizyah uitgerekend dient te worden naargelang de middelen van de mensen, en de imam zou het bedrag moeten beoordelen totdat het aanvaard werd door de leiders van degenen die belastingen betaalden:

De Fuqaha (Juristen) verschillen van mening aangaande het bedrag van Jizyah. Abu Hanifa verdeelt degenen die onderworpen zijn aan die taks als drie klassen: de rijken van wie 48 dirhams wordt gevraagd, zij met een gemiddeld inkomen die vierentwintig dirhams moeten betalen en de armen die er twaalf moeten betalen: zo stipuleerde hij het minimum en maximum bedrag en verbiedt een verdere beoordeling door zij die de taksen moeten inzamelen. Malik echter legt het minimale en maximale bedrag niet vast en is van mening dat degene die verantwoordelijk zijn hun eigen minimum- en maximumbedrag dienen te bepalen. Ash-Shafi’i is van mening dat het minimum een dinar is en dat het niet toegelaten is om onder dat bedrag te gaan, terwijl hij het maximumbedrag niet vastlegt, aangezien dat bedrag afhankelijk is van de Ijtihad (oordeel) van de verantwoordelijken: de Imam echter moet proberen om een akkoord te bereiken aangaande de verschillende bedragen, of om een bedrag te berekenen dat in overeenstemming is met de middelen van de mensen. Als hij zijn oordeel heeft gebruikt om het Jizyah-contract te concluderen ter tevredenheid van de leiders van de bevolking, wordt het bindend voor allen en voor hun nakomelingen, generatie na generatie, en een volgend leider mag het bedrag achteraf niet wijzigen, noch om het te verminderen of om het te vermeerden. (Al-Mawardi, al-Ahkam as-Sultaniyyah, Ta-Ha Publishers Ltd. 1996, pp. 209-210)

Bijgevolg verbieden de wetten de Islam het onderdrukken van niet-moslims en is het aan hen opgelegd om anderen met rechtvaardigheid en mededogen te behandelen. In feite was het de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) zelf die Moslims verbood om niet-moslimse burgers van een Islamitische staat of eender welke niet-moslim met wie een vredesakkoord was afgesloten nadelig te behandelen. Zo zei hij:

‘Degene die een persoon die een verbond sluit schade toebrengt of afbreuk doet aan zijn rechten of hem overweldigt of iets met geweld van hem afneemt, zal door mij vervolgd worden op de Dag des Oordeels.’ (Sunan Abi Dawud 170/3 n° 3052, Sunan an-Nasa’i 25/8 n° 2749 en gecontroleerd door Al-Albani n° 2626)

Ter afsluiting: vers 9:29 gebiedt Moslims om alleen maar te vechten tegen diegenen die zelf aanzetten tot agressie, zoals is gebleken uit de historische context. Moslims mogen alleen maar onder strikte voorwaarden vechten en worden aangeraden om in vrede samen te leven met vredelievende niet-moslim buren.

 Een gelijkaardige vertelling

De Apostel van God (vrede en zegeningen op hem) zei: ik heb de opdracht gekregen om te vechten met de mensen totdat ze zeggen: Niemand behalve Allah mag aanbeden worden. (Bukhari, Volume 4, Boek 52, Nummer 196)

Met betrekking tot de vertelling werd enkel een deel hiervan geciteerd en de volledige tekst leest als volgt:

En de Profeet (vrede en zegeningen op hem) zei: ‘Ik heb de opdracht gekregen om met de mensen te vechten totdat ze getuigen dat er geen godheid het aanbidden waard is behalve Allah en dat Mohammed de Boodschapper van Allah: houd het gebed, betaal de Zakaat en als ze dat doen, zal hun bloed en geld beschermd worden tegen mij, behalve door een Islamitisch recht en hun afrekening zal door Allah gebeuren.’

Deze vertelling somt een paar pijlers van de Islam op waaraan de Moslims zich dienen te houden. Het vechten dat hier geboden wordt refereert naar het verplichten van wetten en regelingen binnen een Islamitische Staat. Net zoals hedendaagse besturen hun wettelijke regeringen met dwang opleggen, gebeurt dit ook zo door de Islamitische staat. Deze wettelijke beleidsnormen verwijzen naar de Moslims die hun Zakah (weldaadstaks) betalen en zich schikken naar de wetten van een Islamitische staat. Degenen die de uitspraken van de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) het best begrepen, waren zijn gezellen en we kunnen nagaan hoe zij de uitspraken van de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem)  toepasten om tot een beter begrip te komen. We stellen vast dat na de dood van de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) vele hypocrieten die zich als Moslims voordeden, zich begonnen af te keren en hun religieuze verplichtingen nalieten, zoals de Zakah (weldaadstaks). Ze wilden een compromis afsluiten aangaande de geboden van God. Het is op dat moment dat Abu Bakr, de eerste Kalief en de Kalief van dat tijdperk, zijn vertelling citeerde om duidelijk te maken dat een compromis niet getolereerd zou worden en dat hij ze zou bevechten tot ze aanvaarden om zich volledig aan de Islam te onderwerpen. Het vechten dat hieruit resulteerde staat bekend als de Riddah-Oorlogen. Op dezelfde wijze zien we dat de huidige regeringen het niet zouden toestaan als een burger zou weigeren om taks te betalen of om zich niet aan de wetten van dat land te houden. Als iemand in een staat of land leeft, moeten de wetten van dat land nageleefd worden om een veilige en gezonde samenleving te garanderen. We dienen op te merken dat het woord ‘volk’ in deze vertelling niet naar de gehele mensheid verwijst. Zoals Sheikh Ahmed Ibn Taymiyah zegt:

‘Het verwijst naar het vechten van degene die een oorlog voeren, dezen mogen door ons bevochten worden van Allah. Het verwijst niet naar degenen die een verbond hebben met ons en met wie Allah ons oplegt om het verbond uit te voeren.’ (Majmu’ al-Fatawa 19/20)

Het is duidelijk dat deze vertelling niet verwijst naar het opleggen van de Islam aan niet-Moslims, aangezien de Koran expliciet beweert:

‘Er is geen dwang in de godsdienst…’ (Edele Koran 2:256)

We hebben de bewering al behandeld dat dit vers afgeschaft was in onze discussie van vers 9:5. In de juiste context worden deze verzen en vertellingen duidelijk.

 Verkeerd geciteerd Vers#12

‘dat Allah weldra een ander volk zal voortbrengen dat Hij zal liefhebben en die Hem zullen liefhebben vriendelijk en nederig zijnde jegens de gelovigen en hard en streng jegens de ongelovigen. Zij zullen voor Allah's zaak strijden en het verwijt van een berisper niet vrezen. Dit is Allah's genade; Hij schenkt deze aan wie Hij wil en Allah is Milddadig, Alwetend.’ (Edele Koran 5:54)

‘Mohammed is de boodschapper van Allah. En zij, die met hem zijn, zijn hard tegen de ongelovigen en zachtmoedig onder elkander.’ (Edele Koran 48:29)

Niet-Moslims menen dat dit vers Moslims instrueert om wreed en ruw te zijn ten opzichte van niet-Moslims. Laten we een betere vertaling geven:

‘Mohammed is de apostel van Allah, en degenen die met hem zijn, zijn sterk tegenover ongelovigen, (maar) vol mededogen ten opzichte van elkaar. Gij ziet hen zich buigen en nederwerpen (in gebed), Allah's genade en Zijn welbehagen zoekende - Op hun aangezicht zijn de sporen van het zich ter aarde werpen. Dit is hun beschrijving in de Torah. En hun beschrijving in het Evangelie is als het zaad van koren, dat zijn scheut uitspruit, en dien versterkt, waardoor zij dik wordt en op eigen stengel komt te staan, tot vreugde der zaaiers en woede der ongelovigen. Allah heeft aan de gelovigen die goede werken doen, vergiffenis en een grote beloning beloofd.’ (Edele Koran 48:29)

Het Arabische woord ‘Ahidda’ betekent niet wreed, maar sterk en vastbesloten. Wreed is een onaanvaardbare vertaling. Vertalingen van Ashidda:

Pickthall: hard; Yusuf Ali: sterk; Daryabadi:meedogenloos; Khan-Hilali: strikt; F. Malil: sterk; Shakir: vastbesloten; Arberry: hard; Irving: strikt.

De ongelovigen naar wie wordt verwezen in deze verzen zijn degenen die vervolgd werden en de Moslims aanvielen. Sheikh Fawzi Al-Athari zei het volgende:

En evenzo zal de ongelovige, als hij een goed karakter heeft en een goed gedrag vertoont ten opzichte van ons, goede omgangsvormen en een goede behandeling, op dezelfde goede manier behandeld worden, met hetzelfde goede gedrag en dezelfde goede behandeling. En als hij een slecht karakter vertoont en zijn gedrag is slecht (d.i. ruw en wreed), dan zal hij op gelijke manier behandeld worden. Dit is een toegestane zaak in de regeling. Maar de Profeet (vrede en zegeningen op hem) heeft heel duidelijk aangewezen in al zijn vertellingen en tijdens zijn hele leven, dat er evenwicht en rechtvaardigheid moet zijn. En dit zowel in het omgaan met het ongelovige volk als met de gelovigen.

Aan de Moslims werd geboden om op te komen voor hun godsdienst en om zich te verdedigen tegen de vervolging van de ongelovigen. Opnieuw, als we de historische context onderzoeken, stellen we vast dat dit verwijst naar degenen die de Moslims onophoudelijk aanvielen. Bijgevolg worden verzen toegepast in een situatie die heel erg lijkt op de historische context. Aangezien dit vers melding maakt van de Gezellen van de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) en hun pad prijst, laten we dan een paar vertellingen over de Gezellen onderzoeken. Mus’ab bin Umair was een bekend Gezel van de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem). Hij werd gestuurd naar Medina om de boodschap van de Islam kenbaar te maken met de mensen die daar leefden. Een incident over hem vertelt het volgende:

Op een dag waren Mus’ab en Sad zittend nabij een bron in de boomgaard van de Zafar clan. Met hen waren er een paar nieuwe Moslims en anderen die geïnteresseerd waren in de Islam. Een machtige notabele van de stad, Usaid ibn Khudayr, kwam langs al zwaaiend met een speer. Hij kookte van woede. Sad ibn Zararah zag hem en vertelde aan Mus’ab: ‘’Dit is de bendeleider van zijn volk. Moge God waarheid leggen in zijn Hart.’ ‘Wanneer hij gaat zitten, zal ik tot hem spreken.’ antwoordde Mus’ab, met een duidelijke kalmte en tact tentoonspreidend. De boze Usaid maakte veel misbaar en bedreigde Mus’ab en zijn gastheer. ‘Waarom zijn jullie beiden tot ons gekomen om de zwakken onder ons om te kopen? Blijf weg van ons als je in leven wil blijven.’ Mus’ab lachte een warme en vriendelijke glimlach en zei aan Usaid: ‘Wil je niet gaan zitten om te luisteren?’ Als je tevreden en verheugd bent met onze missie, aanvaard het dan, als je er niet van houdt, zullen we het vertellen staken en vertrekken.’ ‘Dat is redelijk’, antwoordde Usaid, en terwijl hij zijn speer in de grond stak, ging hij zitten. Mus’ab dwong hem niet om iets te doen. Hij was hem niet aan het verklikken. Hij was hem voornamelijk aan het uitnodigen om te luisteren. Als hij tevreden was, was alles in orde. Zoniet, zou Mus’ab het district en zijn clan verlaten zonder heisa en naar een ander district gaan. Mus’ab begon hem te vertellen over de Islam en begon de Koran te reciteren. Zelfs vooraleer Usaid begon te spreken, bleek duidelijk dat het geloof zich in zijn hart genesteld had, met een gezicht dat nu stralend en hoopvol was. Hij sprak: ‘Hoe mooi zijn deze woorden en hoe waar! Wat moet iemand doen als hij deel wil uitmaken van deze religie?’ ‘Neem een bad, reinig jezelf en je kleren. Spreek dan de getuigenis van Waarheid uit (Shahadah) en verricht de Salaat. Usaid verliet de groep en was slechts een korte tijd afwezig. Hij keerde terug en getuigde dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper is van Allah.

Een ander voorbeeld vinden we in de behandeling van Thumamah ibn Uthal, die een bekend crimineel was, die vele Moslimreizigers had gedood. Daarom werd hij door de Profeet Mohammed beschreven als een gezocht misdadiger die moest gevangen worden genomen of gedood. Kort daarop, toen hij aan het reizen was voor een bedevaartstocht, werd hij door sommige Moslims gevangengenomen en naar de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) gebracht. De profeet herkende hem en hield hem gevangen in de Masjid (Moskee) met voedsel en hij had zelfs de opdracht gegeven om zijn eigen kameel te melken voor hem. Hij werd eerder als een gast behandeld dan als een oorlogsmisdadiger!  De profeet Mohammed vroeg aan Thumamah wat hij voor zichzelf te zeggen had, waarop hij antwoordde:’Als je wil doden als vergelding, kan je iemand van adel bloed zoeken om te doden. Als je uit gulheid vergiffenis wil schenken, zal ik dankbaar zijn. Als je geld ter compensatie wil, zal ik je welk bedrag je ook maar wil geven.” De Profeet Mohammed bevrijdde hem en gaf hem de toestemming om te vertrekken. Dezelfde dag nog keerde Thumamah terug en verklaarde dat hij de Islam aanvaarde aan de Profeet Mohammed. Hieruit kunnen we besluiten dat de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) en zijn gezellen het beste karakter en gedrag vertoonden ten opzichte van alle mensen en dit is wat zo vele mensen tot de Islam aantrok. Zoals God zegt in de Koran:

‘Door de barmhartigheid van Allah zijt gij (de Profeet) zachtmoedig jegens hen (gelovigen); als gij ruw en hardvochtig waart geweest zouden zij zich zeker uit uw omgeving hebben verwijderd. Vergeef hen daarom en vraag voor hen vergiffenis en raadpleeg hen in belangrijke zaken en wanneer gij vastbesloten zijt, leg dan uw vertrouwen in Allah. Voorzeker, Allah heeft degenen lief die vertrouwen in Hem hebben.’ (Edele Koran 3:159)

De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) werd door God opgedragen om de mensen tot de leer van de Islam te brengen door het mooie karakter dat duidelijk wordt in het gedrag van de Moslims. De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) vatte zijn boodschap aan anderen samen met de woorden:

‘Hij die niet genadig is voor de anderen, zal niet genadevol behandeld worden.’ (Muslim, Volume 8, Boek 73, Nummer 42)

En er zijn talrijke voorbeelden die men kan aanhalen die de vriendelijke en liefhebbende natuur van de Profeet bewijzen(vrede en zegeningen op hem).

Abu Hurairah vertelde: Een ongelovige Bedoeïen was aan het urineren in de moskee en de mensen haasten zich om hem te slaan. De Apostel van Allah gaf hen opdracht om hem te laten vertrekken, hem te laten beëindigen en om een emmer of beker vol water over de plaats uit te gieten waar hij had geürineerd. Vervolgens legde de Profeet kalm uit aan de Bedoeïen: ’Dit is een plaats van aanbidding, hier wordt God aanbeden en de Koran gelezen.’ Toen de Bedoeïen vertrokken was, zei de Profeet aan zijn gezellen: ‘ﷻ‬ bent gestuurd om de zaken gemakkelijk te maken voor de mensen, niet om de zaken moeilijk te maken.’ (Moslim, Boek 2, Nummer 559 en Bukhari, Volume 3, Boek 73, Nummer 149)

Deze vertelling op zich volstaat al om de bewering te weerleggen dat de Islam onverdraagzaamheid is. De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) gaf geen enkele blijk van woede of afkeer aan een niet-Moslim die had geürineerd op de plaats van aanbidding van de Moslims! Zodus onderricht de Islam vriendelijkheid in alle zaken. Zoals de Profeet Mohammed zegt:

‘Eenieder die tekortschiet in vriendelijkheid, schiet tekort aan al het andere goede.’ (Muslim, Boek 32, Nummer 6270 & Abu Dawud, Boek 41, Nummer 4791)

De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) gaf altijd blijk van verdraagzaamheid en mededogen als hij met mensen omging, ook niet-Moslims. Dr. M. Hamidullah legt de volgende punten uit:

Toen de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) zich vestigde in Medina, trof hij er volledige anarchie, aangezien de streek voordien nooit een Staat of koning had gekend om de stammen te verenigen die verscheurd werden door moorddadige vetes. In slechts een paar weken tijd slaagde hij erin om alle inwoners van de streek in de pas te krijgen. Hij richtte een stadstaat op waarin Moslims, Joden, heidense Arabieren en waarschijnlijk ook een klein aantal Christenen allen tot een staatsorganisme toetraden door middel van een sociaal contract. De constitutionele wet van deze eerste ‘Moslimstaat – dat een verbond was als een opeenvolging van de veelsoortigheid van de bevolkingsgroepen – is in zijn geheel op ons neergekomen, en dit lezen we niet alleen in vers 25: “voor de Moslims hun religie, en voor de Joden hun religie”, of dat er welwillendheid en rechtvaardigheid zou zijn, maar zelfs de onverwachte passage in dezelfde clausule 25: ‘de Joden..zijn een gemeenschap (in verbintenis) met - volgens Ibn Hisham en in de versie van Abu-‘Ubayd, een gemeenschap (deel uitmakend) van - de gelovigen (d.i. de Moslims) ;’Het feit zelf dat ten tijde van de oprichting van deze stadstaat, de autonome Joodse dorpen uit vrije wil toestemming gaven voor de confederale Staat en Mohammed als opperste politieke leider erkenden, impliceert in onze opinie dat de niet-Moslimse onderdanen het stemrecht hadden in de verkiezing van het hoofd van de Moslimstaat, ten minste wat het politieke leven betrof. (Hamidullah, Inleiding op de Islam, paragrafen 414-416)

Tijdens het leven van de Profeet Mohammed was er een Joodse synagoge in Medina en een educatief instituut dat bekend stond als Bait Al-Midras. De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) beveiligde en beschermde beide instellingen. De profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) respecteerde ook een groep Christenen uit Najran van Yemen, wanneer ze zijn moskeeën bezochten in Medina. De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) hield interreligieuze discussies met hen en ze plachten te bidden in de Moskee op de Christelijke manier, terwijl de Moslims op de Islamitische wijze aan het bidden waren. De verdraagzaamheid van de Profeet Mohammed wordt ook geïllustreerd in de volgende vertelling:

Op een dag was de Profeet ergens te Medina aan het zitten samen met zijn Gezellen. Ondertussen passeerde er een begrafenisstoet. Toen de Profeet dat zag, stond hij op. Een van zijn gezellen merkte op dat het de begrafenis was van een Jood. De Profeet antwoordde: ‘Was het soms geen mens?’ (Bukhari, Muslim)

Als elke mens ter wereld de etnische variaties en culturen met zulke ogen bezag, zou de wereld in vrede en harmonie bloeien. De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) heeft een voorbeeld gesteld voor zijn gezellen om hem te volgen op de weg die hij toonde in het tonen van respect en vriendelijkheid aan niet-Moslims. Dr. Farida Khanam verwijst ook naar de volgende gebeurtenissen:

In de huidige wereld kunnen de denkwijzen, smaken, voorkeuren en afkeer nooit samenvallen. Om verschillende redenen zien we verschillen ontstaan in deze wereld. Maar wat is dan de permanente oplossing voor dit probleem? De oplossing ligt in verdraagzaamheid, wat I’raz wordt genoemd in het Arabisch. Het hele leven van de Profeet diende als een perfect voorbeeld van dit principe. Volgens zijn vrouw A’ishah was hij een verpersoonlijking van de Koran.’ ‘Hiermee wordt bedoeld, dat de Profeet zijn eigen leven modelleerde naar het voorbeeld van het ideale levenspatroon dat aan anderen werd getoond in de vorm van de Koran. Hij sloeg nooit een dienaar of een vrouw of wie dan ook. Wel vocht hij uiteraard voor dat wat rechtvaardig was. Niettemin, wanneer hij de keuze had tussen twee alternatieven, zou hij de gemakkelijkste weg inslaan, op voorwaarde dat die keuze geen zonde inhield.’ Niemand was voorzichtiger in het vermijden van zondes dan hij. Hij zocht nooit wraak wegens onrecht dat op hem persoonlijk werd gepleegd. Alleen als de geboden van God verbroken werden, zocht hij vergelding ter wille van God. Het is met zulk gedrag dat de profeet universeel respect won. In de vroege Mekkaanse periode, toen de tegenstanders van de Profeet veel talrijker waren dan zijn Gezellen, gebeurde het vaak dat toen de Profeet opstond om het gebed te verrichten, er mensen op hem afkwamen om hem af te leiden en ze begonnen te fluiten en te klappen met de handen om hem te verstoren, maar zelfs dan vertoonde de Profeet geen greintje woede. Hij koos altijd de weg van verdraagzaamheid en ging confrontaties uit de weg.

Toen de tegenstand heel sterk werd, verliet de Profeet Mekka en trok hij naar Medina. Maar dan nog lieten zijn tegenstanders hem niet met rust. Ze begonnen Medina aan te vallen. Op die manier ontstond er een oorlogstoestand tussen de Moslims en niet-Moslims. Aangezien de Profeet oorlog ten allen koste vermeed, streefde hij naar een vredesverbond tussen hem en de Mekkanen. Na grote inspanningen van zijn kant, stemden de niet-Moslims ermee in om een vredesverdrag van 10 jaar te beëindigen, dat uitgedacht en getekend was in al-Hudaybiyah. Toen het al-Hudaybiyah verdrag ontworpen werd, gaven de Mekkanen zich over aan extreme provocerende handelingen. Zo vermeldde de overeenkomst de naam van de Profeet als ‘Mohammed de Boodschapper’. Ze drongen erop aan dat de zinsnede ‘de Boodschapper van God’ eruit gehaald zou worden en vervangen worden door ‘Mohammed, zoon van Abdullah’. De Profeet aanvaardde deze onredelijke voorwaarde en wiste de benaming eigenhandig uit.

Op dezelfde wijze voegden ze de voorwaarde eraan toe dat als ze hun handen op een Moslim konden leggen om van hem een gijzelaar te maken, ze hem zouden vrijlaten als de Moslims erin slaagden om een niet-Moslim gevangen te nemen. De Profeet wou zelfs minder streng worden op dit punt. Om de vrede te herstellen aanvaardde de Profeet een aantal dergelijke onrechtvaardige voorwaarden zoals de vijand ze wou toevoegen. Op die manier stelde hij een voorbeeld van vrede en verdraagzaamheid als een samenhangend verband. Als we vrede wensen, moeten we vele onaangename zaken verdragen van anderen. Er is geen andere weg om tot vrede te komen in de maatschappij.

De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) reikte ook een vriendschappelijke hand uit naar de Christenen. Hij onderhield goede banden met de Christen Negus van Abyssinia tijdens zijn hele leven. De Profeet Mohammed (vrede zij met hem) selecteerde zelfs niet-Moslims als ambassadeurs. Een dergelijk voorbeeld was Amr ibn Umayyad Ad-Damri. De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) stuurde een boodschap naar de Monniken van Sint-Catherina op de berg Sinai, met de volgende woorden:

‘Dit is een boodschap geschreven door Mohammed ibn Abdullah, als een verbond met degenen die het Christendom aannemen, zowel veraf als dichtbij, wij staan achter hen. Waarlijk, ik verdedig hen met mezelf, de dienaren, de helpers, en mijn volgelingen, omdat de Christenen mijn burgers zijn; en in de Naam van Allah! Ik weiger toe te geven aan wat dan ook dat hen mishaagt. Er mag geen dwang zijn op hen. Evenmin moeten hun rechters van baan verwisselen noch moeten de monniken uit hun kloosters verdwijnen. Niemand mag een huis van hun godsdienst vernietigen noch schade toebrengen of er iets uit weghalen om het naar de huizen van de Moslims te brengen. Als er iemand is die ook maar een dezer zaken doet, dan zal hij het verbond van God verbreken en Zijn Profeet ongehoorzaam zijn. Waarlijk, de Christenen zijn mijn bondgenoten en hebben mijn woord van zekerheid tegen al hetgeen wat zij haten. Niemand mag hen dwingen om te reizen of mag hen verplichten om te vechten. De Moslims moeten voor hen vechten. Als een vrouwelijke Christen met een Moslim getrouwd is, mag dit (huwelijk) niet plaatsvinden zonder haar toestemming. Zij mag niet verhinderd worden om naar de kerk te gaan om te bidden. De kerken moeten gerespecteerd worden. Evenmin mag men verhinderen dat de kerken gerestaureerd worden of mag de heiligheid van hun verdragen geschonden worden. Niemand der naties mag dit verdrag ongehoorzaam zijn tot de Dag des Oordeels komt en het einde van de wereld.’

De profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) adviseerde ook zijn gezel Mu’adh ibn Jabal met de woorden: Geen Jood mag gestoord worden wegens zijn Joods geloof.

We moeten ook het onderricht van de Profeet Mohammed onderzoeken ten aanzien van zijn buren: Abu Hurairah rapporteerde: De Profeet (vrede en zegeningen op hem) zei: ‘In de naam van Allah, hij is geen gelovige! In de naam van Allah, hij is geen gelovige! In de naam van Allah, hij is geen gelovige!’ Er werd gevraagd: ‘Wie is dat, O Boodschapper van Allah?’ Hij antwoordde: Iemand wiens buur zich niet veilig voelt van het kwade in hem.’ (Bukhari en Muslim)

‘Hij die gelooft in God en de Laatste dag moet zijn gast met respect behandelen, mag zijn buur geen schade berokkenen, en moet het goede spreken of zwijgen.’ (Bukhari en Muslim)

De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) specificeerde ook duidelijk dat een niet-Moslimse buur uitstekend behandeld moet worden.

‘Eenieder die een niet-Moslimse burger of staat schade toebrengt, brengt Mij schade toe, en hij die mij kwetst, kwetst God.’ (Bukhari)

‘Degene die een niet-Moslimse burger van een Moslimstaat schaadt, voor diegene ben ik zijn tegenstander, en ik zal zijn tegenstander zijn op de Dag des Oordeels.’ (Bukhari)

Het is fascinerend om op te merken dat de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) zo duidelijk zijn stem liet horen in zijn ondersteuning van een goede behandeling van de gehele mensheid, in die mate dat hij zelfs bereid zou zijn om aan de zijde van de niet-Moslims te staan tegenover de Moslims die zijn leer niet volgden. Dit is ware gerechtigheid en dit is hetgeen wat leidt naar de weg van vrede en welvarendheid, dat door de Islam in de wereld is gebracht. Het uitstekende karakter van de Profeet Mohammed(vrede en zegeningen op hem) werd tevens opgemerkt door talrijke niet-Moslimse historici, en in feite is iedereen die zijn leven nauwgezet heeft bestudeerd verwonderd over het gouden karakter van deze persoon. Washington Irving noteert in zijn boek ‘Mahomet en Zijn Opvolgers’:

In zijn persoonlijke handelingen was hij rechtvaardig. Hij behandelde vrienden en vreemden, de rijke en de arme, de machtigen en de zwakken op gelijke wijze en hij werd geliefd door de gewone mensen wegens de minzame vriendelijkheid waarmee hij ze ontving en hoe hij naar hun klachten luisterde. (Irving, Mahomet en Zijn Opvolgers)

 Verkeerd geciteerd Vers #13

‘Ik boezem ontzag in de harten der ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun vingers af. Dit is, omdat zij zich tegen Allah en Zijn boodschapper hebben verzet..’ (Edele Koran 8:12-13)

Dit is opnieuw een vers dat vaak uit de context wordt geciteerd, zowel de historische context als de context van het vers zelf in de Koran. Laten we eerst het volledige vers onderzoeken:

‘Toen uw Heer aan de engelen openbaarde: "Ik ben met u; versterkt de gelovigen. Ik boezem ontzag in de harten der ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun vingers af. Dit is, omdat zij zich tegen Allah en Zijn boodschapper hebben VERZET. En wie tegen Allah en Zijn boodschapper strijdt, (wete) Allah is voorzeker streng in vergelding.’

Dit is de context van het vers in de Koran. De historische context is dat dit vers werd geopenbaard gedurende de Strijd van Bard, een strijd waarin de heidenen van Mekka meer dan 200 mijl hebben gereisd om de Moslims van Medina te vernietigen. De Heidenen van Mekka hadden een leger van meer dan 1000 mensen terwijl de Moslims slechts met 300 volgelingen waren. De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) en zijn volgelingen hadden erge vervolgingen en kwellingen ondergaan gedurende dertien jaar in de stad van Mekka. Toen ze van Mekka naar de veilige stad Medina waren gemigreerd, werden ze opnieuw bedreigd. Abul’Ala Maududi beschrijft de situatie die voerde tot het Gevecht van Badr, beginnend met de Moslimactiviteiten in Medina:

In het eerste jaar van de Hijrah werden vier expedities gestuurd (door de Moslims naar de Qoraishieten), meer bepaald, de expeditie onder Halzah, de expeditie onder Ubaydah bin Harith, de expeditie onder Sa’ad bin Abi Waqqas en de Al-Abwa’ expeditie onder leiding van de Heilige Profeet zelf. In de eerste maand van het tweede jaar werden er opnieuw twee expedities gevoerd op dezelfde route. Deze expedities staan bekend onder de naam Buwat Expeditie en Zawal Ushairah expeditie. Twee zaken zijn vermeldenswaardig wat betreft deze expedities. Ten eerste werd er geen bloed vergoten, noch werden er karavanen geplunderd tijdens deze tochten. Dit bewijst dat het echte doel van deze expedities was om aan de Qoraishieten te tonen welke weg er werd ingeslaan. Vervolgens werd er geen enkele man van de bevolking van Al-Medina uitgestuurd door de Profeet op geen enkele van deze expedities. Alle banden bestonden alleen uit de immigranten van Mekka, zodat het conflict intern bleef tussen het volk der Qoraishieten zelf en zich niet verder zou verspreiden door andere clans te betrekken. Daarentegen poogden de Qoraishieten van Mekka ook anderen te betrekken in het conflict. Wanneer ze troepen stuurden naar Al-Medina, aarzelden ze niet om de mensen te plunderen. Bijvoorbeeld toen een expeditie onder de leiding van Kurz bin Jabir al-Fihrl het vee van de mensen van Al-Medina had beroofd in de heel dichte nabijheid van de stad, om te tonen wat hun werkelijke bedoelingen waren. Dit was de stand der zaken toen een grote handelskaravaan in Sha’aban, in 2 A.H. (februari of maart, 623 A.D.), beladen met goederen ter waarde van +/- 50.000£, met enkel een bewaking van dertig of veertig man, het territorium bereikte terwijl het onderweg was van Syrië naar Mekka, van waaruit het gemakkelijk kon worden aangevallen vanuit Al-Medina. Aangezien de karavaan goederen vervoerde ter waarde van duizenden ponden, en niet goed bewaakt werd, vreesde Abu Sufyan, die verantwoordelijk was voor de karavaan, voor een aanval van de Moslims op basis van zijn vorige ervaringen. Bijgevolg stuurde hij een kameelruiter naar Mekka met een dringende vraag voor hulp van zodra hij het gevaarlijk territorium betrad. Toen de ruiter Mekka naderde, scheurde hij de oren open van zijn kameel en sneed zijn neus open en keerde hij het zadel om, in navolging van een oud gebruik van Arabië. Vervolgens verscheurde hij zijn hemd van voor naar achteren en begon luidkeels te roepen: ‘O Volk der Qoraishieten, zoek help om de karavaan vanuit Syrië onder leiding van Abu Sufyan te beschermen, aangezien Mohammed en zijn volgelingen het op die karavaan voorzien heeft; anders vrees ik zullen jullie nooit je goederen zien. Loop, loop om help.’

Dit veroorzaakte een grote opschudding en woede in heel de stad Mekka en alle grote leiders van Qoraish maakten zichzelf klaar voor de oorlog. Een leger dat bestond uit 600 bewapende soldaten en een cavalerie van 100 ruiters trok erop uit met veel vertoon en branie om ten strijde te trekken. Ze hadden niet alleen de bedoeling om de karavaan te redden, maar ook om eens en altijd een einde te maken aan de nieuwe bedreiging van de Moslims die zich verenigd hadden te Al-Medina. Ze wilden de groeiende macht ineen doen stuiken en de clans die de route omcirkelden overmeesteren, zodat het volledig veilig werd voor de handel in de toekomst…de Heilige Profeet en de ware Gelovigen hadden de hoogdringendheid van dat kritische uur gezien, waar het leven werd geriskeerd; daarom marcheerden ze recht naar het zuidwesten, van waaruit het leger van de Qoraishieten gekomen was. Dit is een duidelijk bewijs voor het feit dat vanaf het begin het opzet was geweest om te vechten met het leger, niet om de karavaan te plunderen. Hadden ze immers als doel het plunderen van de karavaan, dan hadden ze de noordwestelijke richting gekozen, niet de zuidwestelijke. (Maududi, Tafhim Al-Quran, voetnoot van de auteur)

De Mekkanen waren niet tevreden met het verdrijven van de Moslims uit Mekka en verlangden vervolgens dat zij werden verwijderd uit de nabije omgeving van alle belangrijke handelsroutes. God ondersteunde de Moslims bijgevolg en lichtte hen in dat God gerechtigheid zou laten geschieden om de onderdrukking de kop in te drukken. Hij lichtte hen in dat ze het vechten voor de zaak van God niet hoefden te vrezen, maar dat het de vijanden waren die Gods vergelding voor hun onderdrukking en onrecht dienden te vrezen. Bovendien vroeg God aan de ENGELEN om de gelovigen te steunen en de ongelovigen te verslaan. Dit was GEEN bevel voor de Moslims. Sheikh Safiur Rahman Al-Mubarakpuri beschrijft de situatie tijdens de Strijd van Badr als volgt:

(De Mekkanen) waren geërgerd en woest en vielen de Moslims aan om hen voorgoed uit te drijven. De Moslims echter hadden bij hun Heer gesmeekt en Hem ter hulp aangeroepen. Daaropvolgend besloten ze om stand te houden in hun positie en om een defensief oorlogsplan te voeren dat voldoende succesvol was om grote verliezen te bezorgen aan de aanvallers. De Profeet (vrede en zegeningen op hem) had de gewoonte om zonder onderbreking tot zijn Heer te bidden en om hen dag en nacht ter hulp te komen. Toen de hevige strijd te fel werd, begon hij bij zijn Heer te smeken met de woorden: ‘O Allah! Als deze groep van Moslims vandaag verslagen wordt, zal ﷻ‬ nooit meer aanbeden worden…Ogenblikkelijk stuurde Allah Zijn antwoord en er kwamen engelen uit de hemel ter hulp en om de Profeet bij te staan (vrede en zegeningen op hem). Zo wordt in de Edele Koran geschreven:

‘Toen uw Heer aan de engelen openbaarde: "Ik ben met u; versterkt de gelovigen. Ik boezem ontzag in de harten der ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun vingers af."’ (Edele Koran 8.12) (Al-Mubarakpuri, ar-Rahiq Al-Makhtum; Riyadh-Saudi Arabia, Dar-us-Salam Publications, 1996, pp. 219-220)

‘En als zij tot vrede neigen, neigt u er dan ook toe en legt uw vertrouwen in Allah. Voorzeker Hij is Alhorend, Alwetend.’ (Edele Koran 8:61)

Het geloof in een bestraffing voor onderdrukkende niet-moslims die gegeven wordt door engelen die men niet kan zien verschilt nauwelijks van het geloof in een ongeziene bestraffing in het volgende leven. Bovendien wordt het woord terreur dat gebruikt wordt in het vers (Ru’b) uitgelegd in een volgende discussie:

 Verkeerd geciteerd Vers #14

‘De vergelding dergenen die oorlog tegen Allah en Zijn boodschappers voeren en er naar streven wanorde in het land te scheppen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of dat hun handen en hun voeten de ene rechts en de andere links, worden afgesneden, of dat zij het land worden uitgezet. Dat zal voor hen een schande in deze wereld zijn en in het Hiernamaals zullen zij een grote straf ontvangen.’ (Edele Koran 5:33)

De context van dit vers zal op zich al mogelijke negatieve percepties van de Islam uitwissen. Men kan onmogelijk vers 5:33 citeren zonder vers 5:32 te citeren (verbod op moord) en vers 5:34 (gebod om te vergeven). Laten we het vers in een gepaste context onderzoeken:

‘… dat wie ook een mens doodt, behalve wegens het doden van anderen of het scheppen van wanorde in het land, het ware alsof hij het gehele mensdom had gedood, en voor hem, die iemand het leven schenkt, alsof hij aan het gehele mensdom het leven heeft geschonken. En voorzeker Onze boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen en toch - werden daarna -velen hunner op aarde tot overtreders. De vergelding dergenen die oorlog tegen Allah en Zijn boodschappers voeren en er naar streven wanorde in het land te scheppen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of dat hun handen en hun voeten de ene rechts en de andere links, worden afgesneden, of dat zij het land worden uitgezet. Dat zal voor hen een schande in deze wereld zijn en in het Hiernamaals zullen zij een grote straf ontvangen. Dit, met uitzondering van hen die berouw tonen, voordat gij hen in uw macht hebt. Weet derhalve, dat Allah Vergevensgezind, Genadevol is.’ (Edele Koran 5:32-34)

Hier zijn verschillende punten die het vermelden waard zijn. De eerste is de ernst van de inbreuk. Dit is de bestraffing voor het VOEREN VAN OORLOG tegen de Profeet van God en het verspreiden van het boze en verwoesting. In de moderne terminologie zou dit als ‘terrorisme’ beschouwd worden. Dit is de bestraffing voor een dergelijk zwaar vergrijp, vandaar de ernst van de bestraffing. Zoals Mohammed Asad aangaande dit vers schrijft:

Het onvoltooid deelwoord la-Musrifun duidt op hun ‘continue begane excessen’, d.i. misdaden, en het wordt best weergegeven als ‘ze deze daden blijven begaan’. In het licht van de voorafgaande passages verwijzen deze ‘excessen’ naar misdrijven van geweld en in het bijzonder, naar het wrede doden van mensen. (Asad, De Boodschap van de Koran)

Het is vrij shockerend om te zien hoeveel islamhaters dit vers onder de hoofding ‘aanzetten van Moslims tot doden en oorlog’ zetten, terwijl dit vers niets gelijkaardigs beveelt! In feite volgt dit vers onmiddellijk op een vers dat moord verbiedt en dat de onrechtvaardige moord van een enkele individu beter is dan het afslachten van de gehele mensheid. De Koran beschrijft doelbewust de ernst van de zonde alvorens de bestraffing te beschrijven. Het vergrijp van de moord en het plegen van terroristische activiteiten wordt beschouwd als een dermate ernstige inbreuk in de Islam, dat een strenge vergelding wordt voorgeschreven. Oorlog voeren tegen de Profeet staat gelijk aan het oorlog voeren tegen de Schepper zelf. Het is ironisch dat islamhaters dit vers zullen presenteren om hun bewering kracht bij te zetten dat de Islam terrorisme ondersteunt, terwijl Moslimgeleerden dit vers altijd hebben gebruikt als een bewijs dat de islam fel gekant is tegen terrorisme.

Is het is logisch om iemand te vertellen over een bepaalde bestraffing zonder hen over de misdaad te vertellen? Niettemin is dit precies wat de vijanden van de Islam gedaan hebben om de mensen voor te liegen dat de Islam een gewelddadige religie is. Ze citeren enkel vers 5:33 zonder vers 5:32 of vers 5:34, wat ons tot het volgende punt brengt. God heeft veelvuldige bestraffingen voorgeschreven in dit vers door het woord ‘of’ te gebruiken, om verschillende alternatieven te gebruiken. De bestraffing is afhankelijk van de omstandigheden en de ernst van de inbreuk. Zoals Mohammed F. Malik schrijft in zijn vertaling van het vers:

De bestraffing voor degenen die oorlog voeren tegen Allah en Zijn Boodschapper en die ijveren om het land kwaad te berokkenen is ofwel de dood of kruisiging of het afhakken van handen en voeten van beide zijden of de verbanning van het land (afhankelijk van de ernst van het misdrijf)(Malik, Al-Quran: Leiding voor de Mensheid)

Op dezelfde manier schrijft Abdullah Yusuf Ali als commentaar: Voor de dubbele misdaden tegen de Staat in combinatie met het verraad tegen God, zoals duidelijk blijkt uit de openlijke misdaden, worden vier alternatieve bestraffingen vermeld; welke wordt toegepast is afhankelijk van de omstandigheden…behalve dat folteringen zoals ‘hangen, trekken en vierendelen’ in de Engelse Wet en het piercen van de ogen terwijl het ongelukkige slachtoffer blootgesteld blijft aan de tropische zon, een praktijk die plaatsvond in Arabië, en alle folteringen van die aard werden afgeschaft. In elk geval werd oprecht berouw voor het te laat was erkend als grond voor genade. (Yusuf Ali, De Engelse Vertaling van de Heilige Koran, voetnoot van de auteur)

Het volgende vers beweert inderdaad onmiddellijk dat deze bestraffing niet geldt voor degenen die berouw tonen. Want waarlijk, God is Vergevingsgezind en de Meest Genadevolle. De oneindige Genade van God wordt heel duidelijk wanneer men in overweging neemt dat God bereid is om vergiffenis te schenken voor deze wrede terreurdaden, die in feite zo streng moeten worden bestraft, als de misdadiger maar oprecht berouw toont aan Allah, en zoekt naar Zijn Vergiffenis en de Ware Leiding. De moslimgeleerden hebben vermeld dat telkens als Allah ons wil waarschuwen voor een bestraffing, Hij ons de uitweg toont, een weg om de bestraffing te vermijden. Vele Moslimjuristen citeren dit vers ook in geval van bestraffing voor Hirabah (gewapende overval/struikroverij). In zulke gevallen wordt de bestraffing voorgeschreven afhankelijk van de ernst van het vergrijp. Wanneer de moord gepleegd werd, wordt executie voorgeschreven als bestraffing. Afhankelijk van de omstandigheden mag de jury een lichtere bestraffing kiezen. De verbanning die vermeld wordt in dit vers wordt door sommige denkscholen geïnterpreteerd als het gevangennemen. De bestraffing van de kruisiging werd vermeld in het vers, maar vele Moslimgeleerden hebben gezegd dat zij er nooit van gehoord hebben dat zo’n bestraffing werd voorgeschreven. Toen de vraag aangaande het kruisigen werd gesteld aan Imam Malik, de stichter van de Maliki denkschool, antwoordde hij dat hij zelfs nooit gehoord had van ook maar een enkel geval waarin kruisiging werd voorgeschreven als bestraffing voor een gewapende overval. (zie Al-Mudawwanah, Vol. XV, P. 99) In het kader van deze context heeft Sheikh Mohammed Al-awa gezegd:

Deze waarneming van Malik geeft me de indruk dat deze bestraffing enkel werd voorgeschreven om de potentiële misdadiger af te schrikken. (El-Awa, Bestraffing in de Islamitische Wet, US American Trust Publications, 1993, P. 11, voetnoot van de auteur)

Betreffende het argument dat dergelijke bestraffingen barbaars zijn, schrijft Sheikh Muhammad S. Al-Awa:

Sheikh Muhammad Abu Zahra legt in zijn voorgaand vermeld boek (Al-Jarima wal-‘Uqba, pp. 6-11) zowel het doel van de Islamitische wet uit als de heilige Joodse Wet die is opgenomen in de Torah, met name het bereiken van publieke veiligheid en voor de gemeenschap evenals de afstraffing voor de misdadige minderheid; daarom werden de noodzakelijke middelen om dit laatste (= bestraffen van minderheid) te bereiken, zowel in de Torah als de Koran beschreven. De tweede vraag betreft de wet van vergeving voor misdadigers die berouw tonen: of de bestraffing voor Hirabah als een dode letter moet worden beschouwd wegens deze wet. Om deze vraag te beantwoorden moet men er rekening mee houden dat deze bestraffing, en inderdaad alle Hudud bestraffingen in het Islamitische strafsysteem, voornamelijk worden voorgeschreven om de samenleving tegen misdaad te beschermen. Om dit doel te bereiken maakt de Islamitische wet – door het voorschrijven van bestraffing voor misdadigers -het mogelijk voor hen om vergiffenis te krijgen als ze het slechte van hun daden inzien en zich willen verbeteren. Dit is niet in tegenspraak met het vroegere citaat van Abu Zahra. De bestraffing mag dan misschien achterwege blijven, toch dienen er maatregelen genomen te worden voor al het leed en de schade die zijn voortgevloeid uit de criminele daad. Op die manier lijdt de maatschappij geen verlies. Integendeel, het wint een nieuw lid dat, als het geen kans gekregen had om berouw te tonen, voor eeuwig en altijd als een misdadiger zou worden beschouwd. (El-Awa, Bestraffing in de Islamitische Wet, US American Trust Publications, 1993, p. 13, voetnoot van de auteur)

Voor verdere informatie aangaande de Islamitische Centrale Wetgeving kunnen we de lezer verwijzen naar een uitstekend artikel, Misdaad en Bestraffing in Islam. Andere geleerden leggen de islamitische bestraffingen uit op een zelfde manier. Sheikh Adbdul Majid Daryabadi schrijft het volgende over vers 5:53:

In geval een paar van deze bestraffingen ‘barbaars’ mogen lijken voor de overgevoelige Westerse lezer, laat hem dan een blik werpen op het ‘trekken en vierendelen’, een bestraffing uit de Engelse Criminele Code die in voege bleef tot in de achttiende eeuw. Deze straf werd uitgevoerd op degenen die schuldig werden gevonden aan hoogverraad op de koning zelf of op het bestuur. De betrokkene werd met een slee getrokken naar de plaats van executie; daar werd hij bij de nek opgehangen aan een schavot, afgehakt en met de ingewanden opengereten, en terwijl hij nog levend was, werd zijn hoofd van zijn lichaam afgehakt en zijn lichaam in vier stukken gedeeld. Vele Katholieken van Engeland en Ierland hebben zo’n dood ondergaan omdat hun geloofsbelijdenis als hoogverraad werd beschouwd door de wet. ‘In dit koninkrijk van Hendrik III en Edward I is er overvloedig bewijs dat de doodsstraf de gewone bestraffing was voor zware misdaden; en dit bleef de geldige wet van het land aangaande verraad en zware criminaliteit, met uitzondering van diefstal van dieren, tot in het jaar 1826’. (Stephen, Geschiedenis van de Criminele Wet van Engeland, I p. 458) In de hedendaagse Engelse wet is een overval gelijk aan diefstal met geweld, en de schuldige is verplicht tot dwangarbeid voor de rest van zijn leven. Als het een man betreft, is het toegestaan om hem eenmalig in afzondering te geselen. De elementen voor dit vergrijp zijn vrijwel dezelfde onder de Amerikaanse wet. (EBr. XIX p. 346). (Daryabadi, De Edele Koran, voetnoot van de auteur)

 In het kader van de bovenvermelde zaken kunnen we stellig elke bewering verwerpen wat betreft dit vers, dat het ‘geweld en oorlogvoering’ zou ondersteunen en afdoen als ongegrond. De tekstuele context, de historische context, de wettelijke context en de vergelijkende analyse van dit vers bewijzen elk dat dit vers voornamelijk oproept tot rechtvaardigheid als vergelding voor zware misdrijven, en het kan in geen geval de leugens van de Islam-haters ondersteunen.

 Een gelijkaardige vertelling

Sommige mensen van de ‘Uraina volksstam kwamen naar Medina, maar achten het klimaat ongepast voor hen, zodat de Apostel van Allah (vrede en zegeningen op hem) hen de toestemming gaf om naar de kudde kamelen te gaan (dat hen was gegeven als Zakaat) en ze dronken er hun melk (als geneesmiddel), maar ze doodden de hoeder en joegen alle kamelen weg. Bijgevolg stuurde de Apostel van Allah (mannen) op hen af om hen te vervolgen en ze werden tot hem gebracht. Hij gaf opdracht om hun handen en voeten af te hakken, en hun ogen werden verbrand met gloeiende stukken ijzer en ze werden achtergelaten in de Harra( een rotserige plaats te Medina), op stenen bijtend. (Bukhari, Volume 2, Boek 24, Nummer 577)

Deze vertelling wordt vaak geciteerd om de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) voor te stellen als iemand die extreem wrede en barbaarse bestraffingen uitvoerde. Laten we de vertelling meer gedetailleerd bestuderen in samenhang met andere vertellingen van dezelfde gebeurtenis. De Vertelling beweert het volgende:

-Sommige mensen van de Urayna (of Ukil) volksstam kwamen naar Medina na het accepteren van de Islam

-Ze kregen een ziekte door het klimaat, waarvoor de Arabieren de melk van de kamelen als medicijn dronken.

-De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) gaf hen toestemming om naar de kudde kamelen te gaan voor hun geneesmiddel

- Toen ze genazen van hun ziekte, doodden ze de hoeder en joegen ze de kamelen weg

-De Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) gaf het bevel om hun handen en voeten af te hakken, en om hun ogen te verbranden met verhitte stukken ijzer, en ze werden achtergelaten in de woestijn

Het is duidelijk dat Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) de instructie gaf om handen en voeten af te hakken in overeenstemming met de Islamitische wetten aangaande Hirabah (gewapende overval). Wat niet uit deze vertelling blijkt is de reden om hun ogen te verbranden met verhitte stukken ijzer. Dit wordt uitgelegd in andere vertellingen, waarin beweerd wordt dat dit de bestraffing was omdat zij hetzelfde hadden gedaan met de hoeder die ze gedood hadden. Zoals Sheikh Abdul Khaliq Hasan Ash-Sharif over deze vertelling beweert:

Het moet duidelijk worden gemaakt dat die mensen, die naar de Profeet kwamen (vrede en zegeningen op hem) kwamen, Moslims waren en ziek. De Profeet gaf hen het advies om naar de kudde kamelen te gaan en om de melk te drinken (als medicijn). Toen ze gezond werden, doodden ze de herder van de Profeet en verjoegen ze alle kamelen die waren toegewezen als Sadaqah (liefdadigheid). Toen de Profeet (vrede en zegeningen op hem) dit te weten kwam, legde hij de bestraffing voor Hirabah op aan hen. Hirabah betekent het doden van mensen, het beroven van geld of het verkrachten van vrouwen door een gewapende groep mensen. De bestraffing voor Hirabah wordt vermeld in de Koran. Allah zegt:

‘De vergelding dergenen die oorlog tegen Allah en Zijn boodschappers voeren en wanorde in het land te scheppen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of dat hun handen en hun voeten de ene rechts en de andere links, worden afgesneden, of dat zij het land worden uitgezet. Dat zal voor hen een schande in deze wereld zijn en in het Hiernamaals zullen zij een grote straf ontvangen.’ (Edele Koran 5:33)

Als we dus de gehele situatie in overweging nemen, kan dit verhaal niet worden gebruikt als bewijsvoering dat mensen in de Islam gefolterd mogen worden. Dit wordt ook weerlegd door het feit dat de Profeet (vrede en zegeningen op hem) de bestraffing voor Hirabah op hen liet uitvoeren en niet uit persoonlijke wraak handelde.

 Op dezelfde manier schrijft Moiz Amjad:

Er is slechts een enkel deel van de vertelling waarnaar verwezen wordt dat verbazing wekt. Het is vreemd dat de Profeet (vrede en zegeningen op hem), nadat de bestraffing voor misdrijven tegen de samenleving in de Koran werd vastgelegd, de opdracht gaf om de ogen te verbranden. De meeste vertellingen geven geen antwoord op deze vraag. Toch lezen we in een van de vertellingen die zijn weergegeven in de Al-Muntaqa van Ibn Al-Jarud, hoe Anas de reden voor deze bestraffing heeft uitgelegd. Er wordt verteld dat de gezel van de Profeet (vrede en zegeningen op hem) gezegd heeft:

De Profeet (vrede en zegeningen op hem) heeft hun ogen verbrand omdat zij de ogen hadden verbrand van de herders. (Volume 1, Pg. 216)

Deze uitleg verheldert op correcte wijze het feit dat de Profeet (vrede en zegeningen op hem) opdracht had gegeven om de ogen van de boosdoeners te verbranden, in samenhang met de Koranische richtlijn van Qsias (Al-Baqarah 2:178, Al-Ma’idah 5:45) voor de bestraffing van moord en het toebrengen van fysiek letsel aan iemand. In het licht van de bovenvermelde verklaringen vind ik geen enkele reden om het incident dat verteld wordt in de vertellingen waarnaar verwezen wordt, als inauthentiek te bestempelen.

Sheikh Mohammed Al-Qannas, een Professor aan de Al-Imam Universiteit (Riyadh, Saoedi-Arabië) plaatst de vertelling in perspectief door de verschillende visies van de verscheidene Moslimgeleerden voor te stellen:

De bovenvermelde Hadith wordt weergegeven in Sahah al-Bukhari (6802) en Sahih Muslim. We lezen: Sommige mensen die behoren tot (de stam van) de ‘Uraynah kwamen naar de Profeet (vrede en zegeningen op hem) te Medina, maar ze vonden het klimaat ongeschikt. Dus zei de Profeet (vrede en zegeningen op hem) tot hem: Als jullie willen, mogen jullie naar de kamelen gaan die voorzien zijn als liefdadigheid en van de melk en urine drinken. Dat deden ze en ze herstelden. Toen troffen ze de herders aan en ze doodden hen en werden afvalligen van de Islam en ze verjoegen de kamelen van de Profeet (vrede en zegeningen op hem). Dit nieuws kwam de Apostel van Allah ten gehore (vrede en zegeningen op hem) en hij stuurde (mensen) om hen op te sporen en ze weren naar hem gebracht en aan hem over geleverd. Hij gaf opdracht om hun handen af te hakken, en hun voeten en om hun ogen uit te steken, en om hen op de stenen grond te werpen tot ze stierven.

De geleerden zijn het onderling niet eens wat betreft deze bestraffing:

Sommigen zegden: Deze bestraffing gold als vergelding voor hun daden en de Profeet (vrede en zegeningen op hel) bestrafte hen op dezelfde manier als zij de herders hadden gedood. Er is vermeld in Sahih Muslim: ‘De Profeet (vrede en zegeningen op hem) stak hun ogen uit omdat zij de ogen van de herders hadden uitgestoken.’ (Muslim)

De mensen die actief de militaire loopbaan van de Profeet (vrede en zegeningen op hem) bestudeerden, zegden: Ze hebben de scheepswerven vernield. Ibn al-Qayyim zei: ‘Dit komt uit het verhaal van de al-‘Araniyin volksstam, dat de misdadiger aan dezelfde wandaad onderworpen zal worden als ze zelf begaan hebben; toen ze de ogen van de herders hebben uitgestoken, heeft hij hun ogen uitgestoken.’ (Zad al-Ma’ad: 3/286)

Andere geleerden zeggen hetgeen wat in de Hadith is weggelaten, volgens het verbod op mutilatie.

Wat plaatsvond in deze Hadith is weggelaten. Deze visie werd aangenomen door al-Bukhari. Hij vertelde van Qatadah dat: ’Er werd aan ons door de Profeet (vrede en zegeningen op hem) verteld dat hij liefdadigheid aanmoedigde en mutilatie verbood.’ (Sahih al-Bukhari 4192)

Er werd verteld door Qatadh bij monde van Mohammed b. Sirin dat dit plaats heeft gevonden voor de openbaring aangaande de wetgeving over bestraffingen. (Sahih al-Bukhari 5686)

Al-Hazimi zei: ‘Deze Hadith werd afgeschaft’ en hij plaatste een hoofdstuk ‘Mutilatie en de afschaffing ervan’. Hij zei: ‘Een groep mensen nam de mening aan dat deze regels werden vastgelegd in het begin en dat ze werden afgeschaft toen Allah het volgende neerzond:

‘De vergelding dergenen die oorlog tegen Allah en Zijn boodschappers voeren…’ (Edele Koran 5:33) (Al-l’tibar fi al-Nasikh wa al-Mansukh, pg. 196)

Het zou kunnen dat deze strenge bestraffing in het begin gebeurd is, omdat de Profeet (vrede en zegeningen op hem) wist dat sommige van de wrede en harde Bedoeïenen die rondom Medina leefden, zich niet zouden inhouden om anderen aan te vallen tenzij ze werden afgeschrikt door deze strenge bestraffingen. De verlaten Bedoeïenen die leefden in de omringende wildernis waren oorlogszuchtige volkeren die ruwheid gewend waren en de gewoonte hadden om onheil te veroorzaken. Allah zegt:

‘De woestijn-Arabieren zijn de hardnekkigsten in ongeloof en huichelarij en het meest geneigd de geboden, die Allah tot Zijn boodschapper heeft nedergezonden niet na te komen. Allah is Alwetend, Alwijs.’ (Edele Koran 9:97)

Daarom heeft de Profeet Mohammed (vrede en zegeningen op hem) hen niet zwaarder gestraft dan de wreedheden die zij begaan hebben op de herder en de Moslimse gemeenschap. Hij stuurde ook een krachtige boodschap naar andere verlaten volksstammen, die de gewoonte hadden om de nabijgelegen dorpen en stammen te beroven en aan te vallen. Deze bestraffing gebeurde uit veiligheid voor de Moslimse gemeenschap, die in een heel gevaarlijke tijd leefde zonder formeel wettelijk systeem dat de Arabische stammen bestuurde. De situatie is niet te vergelijken met de moderne tijden, waar regeringen een strikte controle hebben over hun territoriums – in Arabië heerste er een anarchie onder de volksstammen. Zoals Sheikh Mohammed ‘Ata Al Sid Sid Ahmad schrijft:

Toen de misdadigers van ‘Urainah de gemeenschap van Medina bedrogen hadden, die hen hadden bejegend met liefde en respect – door het folteren en doden van de herder van hun kamelen en door te ontsnappen met de kamelen als roofbuit – stelde de Profeet snel al zijn machten samen, en arresteerde hen en behandelde hen op de strengste manier die de wet hem toeliet. (Al-Sid, Islamitische Criminele Wet: De Hudud; Malaysia Eagle Trading Sdn. Bhd., 1995, p. 132)

Sommige schrijvers hebben ook beweerd dat de bestraffing die werd voorgeschreven voor de volksstam van de Ukil/Urayna, werd voorgeschreven wegens hun afvalligheid. Dit wordt duidelijk afgewezen door de tekst van de Hadith net als de consensus van alle Moslimse juristen. Sheikh Mohammed S. Al-Awa legt dit ook uit:

Anderzijds was de alom heersende visie van de Moslimse juristen dat het geval van deze groep van ‘Ukal en ‘Urayna een zaak van Hirabah was (gewapende overval) en dat ze voor dit misdrijf werden bestraft (fn. Zie Tabari, Tafsir, vol. VI, pp. 132-146; Ibn al-Qayyim, Zad al-Ma’ad, vol. III, p. 78; Ibn Hajar, Fath Al-Bari, waar hij de visie van Bukhair bekritiseert). De tekst zelf bewijst dit heel duidelijk. (El-Awa, Bestraffing in de Islamitische Wet; US American Trust Publications, 1993, p. 51)

Beoordelingen