Oriëntalisme

Beschrijving

Wie op enige wijze onderzoekt, schrijft en onderwijst over het Oriënt (het Oosten), als theoloog, antropoloog, socioloog, historicus of filoloog, hetzij in specifieke of algemene aspecten, is een oriëntalist en wat diegene doet is oriëntalisme. Het motief waarom iemand zich met dit vakgebied bezig houdt kan verschillend zijn.

Download
Schrijf een commentaar naar de verantwoordelijk van dit pagina

De volledige beschrijving

    Oriëntalisme

    [ Nederlands - Dutch -الهولندية ]

    Saoed Khadje

    revisie: Abo Abdillah

    Kantoor voor da'wa Rabwah (Riyad)

    2012 - 1433

    الاستشراق

    « باللغة الهولندية »

    سعود خديج

    مراجعة: أبو عبد الله

    2012 - 1433

    بسم الله الرحمن الرحيم

    Oriëntalisme: westerse studies over de Islam uit: studieboek "Het Pad van de Profeet"

    Saoed Khadje Dar-al-'Ilm - Instituut voor Islam Studies

    Oriëntalisme

    Wie op enige wijze onderzoekt, schrijft en onderwijst over het Oriënt (het Oosten), als theoloog, antropoloog, socioloog, historicus of filoloog, hetzij in specifieke of algemene aspecten, is een oriëntalist en wat diegene doet is oriëntalisme. Het motief waarom iemand zich met dit vakgebied bezig houdt kan verschillend zijn.

    Oriëntalisme en islamonderzoek

    Voordat er wordt ingegaan op het bespreken van het oriëntalisme en hun onderzoeken in de bronnen van de Islam of de vroeg-islamitische geschiedenis, kan eerst een analogische vraag worden gesteld: “zou volgens joden een anti-judaica of anti-semitische geleerde als onpartijdig worden beschouwd wanneer hij joodse documenten zoals het Oude Testament of de Dode Zeerollen gaat onderzoeken en beoordelen?” of “zou volgens joden of hindoes een moslim als onpartijdig worden beschouwd wanneer hij hun heilige boeken of religieuze geschiedenis gaat onderzoeken en beoordelen?”. Geschiedenis heeft aangetoond dat dit niet het geval is. Maar kan dit hen worden kwalijk genomen? Waarschijnlijk niet. Als een overtuigd moslim moet gaan onderzoeken of Jezus de zoon van God zou zijn, dan zal hij waarschijnlijk ook niet onpartijdig zijn en eerder gaan zoeken naar argumenten die het tegendeel bewijzen. Geschiedschrijvers (en ook onderzoekers) dragen nu eenmaal een bepaalde kleur bril.Er is echter wel één iets dat opvalt. Moslimschrijvers zijn directer en doen zich niet zo snel voor als een ‘neutrale’ onderzoeker. Hij (of zij) zal in zijn werk gewoon duidelijk zeggen waar het op staat en wat de bedoeling is van zijn werk. Of dit bij oriëntalisten het geval is? Hun verleden werken, hun methode, hun brongebruik en hun voorbeelden spreken niet in hun voordeel.

    Het onderwerp van onderzoek

    Werken van oriëntalisten verdienen een kritisch oog en bij het gebruiken van hun werken moet de onderzoeker of lezer in staat zijn om hun informatiebronnen te controleren. Hierbij kan er onderscheid worden gemaakt tussen werken over de vorming en leer van de Islam en de islamitische bronnen enerzijds en algemene landenstudies of biografieën anderzijds. Kritisch moet men altijd blijven, maar bij oriëntalistische werken over de Koran, de profetische overleveringen (ḥadieth en soennah), het leven van de profeet Muḥammad (vrede zij met hem), de vroeg-islamitische geschiedenis, islamitische rechtsgeschiedenis of het islamitisch geloof zelf, dient men extra oplettend te zijn. Algemene geschiedenis, landenstudies of biografieën kunnen zonder al te veel problemen worden geraadpleegd als vergelijkend onderzoeksmateriaal. Maar het gebruik van dit soort werken op zichzelf, zonder ook andere informatiebronnen te raadplegen kan altijd een valkuil blijven.Hier kan gelijk aan worden toegevoegd dat als iemand een boek leest van oriëntalisten, dat niet betekent dat het niet boeiend kan zijn of dat het gemeen geschreven zou zijn. Dat hoeft niet het geval te zijn en is het bovendien ook meestal niet. Oriëntalisten kunnen mooi of weloverwogen schrijven. Hun schrijven kan ook wel een positieve (of beter gezegd: niet-negatieve) lading hebben. Karen Armstrong, en met haar vele anderen, is daar een voorbeeld van. Dit betekent echter niet dat wij daardoor niet meer moeten opletten op haar invalshoek, want zij is geenszins neutraal. Haar eigen visie op de Profeet (vrede zij met hem) is namelijk wel degelijk merkbaar voor degene die haar werken hebben geanalyseerd. En al is de schrijfstijl, en soms ook verdediging van de Islam, wel mooi, maar de ‘smaak’ verandert er toch wel door.

    Centrale vraag

    De centrale vraag die opvalt in oriëntalistische werken over het islamitisch geloof of de bronnen van de Islam, is: “Is de Koran het Woord van God geopenbaard aan Muḥammad, of is de Koran de compositie van Muḥammad?”.Waar het simpel gezegd om gaat is het auteurschap van de Koran; wie heeft de Koran geschreven. Automatisch verbonden aan deze is: “Is Muhammad een Profeet van God”. We moeten het niet moeilijker maken dan het is, dit is waar het om draait. Dit vraagstuk heeft oriëntalisten vanaf het begin (tot op heden) bezig gehouden.

    Oriëntalisten en de profeet Muḥammad (vrede zij met hem)

    Het beeld over de Profeet (vrede zij met hem), die tot op heden verdedigd en uitgehold wordt, draait in principe om de volgende vier theorieën:

    1)hij was een dichter,

    2)hij was bezeten,

    3)hij was onderwezen door anderen, in het bijzonder christelijke monnikken

    4)hij verbeeldde zich dat hij een Profeet van Allah was en in deze verbeelding was hij in staat de Koran samen te stellen.

    Deze theorieën zijn verbonden aan de visie dat de Koran geen openbaring van God was, maar dat het zijn eigen schrijven was.

    Oriëntalisten en de profetische overleveringen

    Met betrekking tot de ḥadieth en de soennah valt ook heleboel op in hun manier van schrijven. Het lijkt, en is, vaak ook indrukwekkend wat zij allemaal onderzoeken, maar uit hun werken wordt wel duidelijk dat zij willen aantonen dat de ḥadieth niet met zekerheid toegeschreven kunnen worden aan de Profeet (vrede zij met hem). Zij trachtten aan te tonen dat het uitspraken zijn van juristen die zij vervolgens hebben toegeschreven aan de Profeet (vrede zij met hem), om zo kracht te kunnen geven aan hun eigen woorden en ze acceptabel te maken. Wat ze ook proberen aan te tonen is dat de ḥadieth eigenlijk uitspraken zijn, die van doen hebben met latere ontwikkelingen of vraagstukken in de moslimwereld en dat zij het vervolgens terug hebben geprojecteerd op de Profeet (vrede zij met hem).
    Het bekritiseren of ontkrachten van de soennah, of het aantonen dat het niet belangrijk is, is een opvallend kenmerk van de wijze waarop zij schrijven. Stap voor stap proberen zij aan te tonen dat de soennah in de vroege geschiedenis van de Islam niet belangrijk was en dat er over het algemeen geen ḥadieth werden overgeleverd of aangehaald. Dit zou pas vele jaren na het overlijden van de Profeet (vrede zij met hem) het geval zijn en het waren mensen zelf die het toen belangrijk maakte. De prominente oriëntalist G.H.A. Juynboll doet dit bijvoorbeeld in zijn werk Muslim Tradition. Hij was hierin duidelijk beïnvloed door Joseph Schacht. Moslimgeleerden hebben hun werken uitgebreid onderzocht en hun fouten, verdraaiingen en valsheden eruit gehaald, en zij kunnen niet anders concluderen dan dat dit een manier is om mensen te doen twijfelen aan de soennah en de ḥadieth. En als dat lukt, dan valt een belangrijk onderdeel van het geloof weg, waardoor mensen steeds verder van de Islam af gaan staan. Hun schrijven kan een valkuil zijn voor degenen die niet beter weten, zij raken onder de indruk van hun onderzoeken en zien soms de grove fouten niet eens, of lezen erover heen. Een erg opvallende ‘fout’ (bewust of onbewust gemaakt?) die Juynboll maakt in zijn werk ‘Muslim Tradition’ (publ.1983) op pag, 72, is: “Historical sources can sometimes be called upon to date a certain precept more accurately as in the case of, for example, the fast of Ramadan which was for the first time made obligatory under Umar b. al-Khattab’s caliphate.”

    Vertaling: “Historische bronnen kunnen soms worden geraadpleegd om een bepaald voorschrift accurater te dateren , zoals bij het vasten in de Ramadan, welke voor de eerste keer verplicht werd gesteld tijdens het kalifaat van ‘Umar b. al-Khaṭṭāb.”

    Een uitspraak als deze is uiterst merkwaardig en roept zeker vraagtekens op. Moet zo een prominente oriëntalist die dit schrijft nu werkelijk serieus worden genomen, of is het des te meer een teken dat men erg alert moet zijn met hun werken? Hun werken zijn namelijk onlosmakelijk verbonden met hun visie op de Koran, dat volgens hen gewoon een geschreven werk is. Het gebod tot het vasten staat namelijk in de Koran [2:185] zelf:

    “De maand Ramadan is die waarin de Koran is nedergezonden ter leiding van de mensheid en als een bewijs van leiding (die voorheen werd gestuurd aan de mensheid) en het is de onderscheider (tussen wat juist en verkeerd is). Wie dan deze maand meemaakt, die moet daarin vasten…”

    Deze zelfde Juynboll, die door zoveel andere oriëntalisten wordt gevolgd, probeerde ook in eerder genoemd werk (p.143) te bewijzen dat veel van de vroege overleveraars naar wie wordt verwezen in de isnaad (keten van overleveraars van een ḥadieth), niets meer zijn dan fictieve personen. Anderen na hem, tot op heden, proberen dit ook te bewijzen. Zij halen dan bijvoorbeeld één of meerdere namen aan die in een bepaald specialistisch werk over ḥadiethoverlevaars wordt vermeld en vervolgens worden deze namen gezocht in twee andere werken, waar dan blijkt dat de namen die in de ene staan vermeld niet in de andere voorkomen, volgens hen tenminste.

    Een andere zeer prominente oriëntalist, eigenlijk de goeroe onder de oriëntalisten van de 20e eeuw, de reeds genoemde Joseph Schacht, beweerde dat alle ḥadieth verzinsels zijn van latere generaties, en dat deze door hun aan de Profeet (vrede zij met hem) werden toegeschreven vanwege persoonlijke motieven. Hij beweerde zelfs dat hoe betrouwbaarder de isnaad, hoe later dit verzinsel tot ontstaan kwam.

    Moslimonderzoekers zoals M.M. ‘Azamī, Fuat Sezgin en Jamal al-Dīn Zarabozo hebben hun argumenten onderzocht en weerlegd. Deze onderzoekers stellen dat gezien hun grove misopvattingen en methodes, alleen kan worden gesteld dat zij óf (volledig) onwetend of onkundig zijn over de aard van de verschillende werken die zij onderzoeken (zoals de aard van de verschillende Jarḥ en Ta’diel werken) óf dat zij de lezer proberen te misleiden.

    Bestudering van hun werken maakt duidelijk dat het doel van deze oriëntalisten is om hun eigen waarheid te vinden; namelijk dat de Koran niet het Woord van God is en dat Muḥammad (vrede zij met hem) geen profeet was.

    Zijn oriëntalisten kritisch en moslims niet? En kunnen moslims tegen kritiek?

    Onder het mom van kritisch onderzoek of kritische geleerdheid deponeren zij stellingen of theorieën die doorgaans minder dan de halve waarheid bevat. Hun schrijven is suggestief en vooral twijfelzaaiend. Hun werken staan vol referenties die voor de non-specialist al helemaal niet te controleren zijn, maar het ziet er wel indrukwekkend uit. De werken van oriëntalisten over de bronnen van de Islam – de Koran, ḥadieth en sierah –mogen er dan wel indrukwekkend uitzien, maar ondanks dat ze zulke uitgebreide onderzoeken verrichten, maken ze wel erg grove fouten. Als moslimonderzoekers hun hierop wijzen of corrigeren, dan willen ze dat doorgaans niet aannemen. Zij zijn immers ‘wetenschappelijk’. Ze verwijten klassieke (en moderne) moslimgeleerden of deskundigen dat zij niet kritisch te werk gaan of zijn gegaan, terwijl in werkelijkheid zij degenen zijn die niet kritisch (willen) zijn in hun onderzoeken. Door hun selectieve wijze, verknippingen, verdraaiingen en misopvattingen, is het niet vreemd dat veel moslimonderzoekers hun twijfels krijgen of zij wel werkelijk voldoende gekwalificeerd zijn om te schrijven over de onderwerpen waarover zij schrijven.

    Enkele prominente oriëntalisten

    • Joseph Schacht
    • John Wansbrough
    • John Burton
    • Joseph von Ess
    • G.H.A. Juynboll
    • Gunter Luling
    • Ignaz Goldziher
    • Theodor Noldeke
    • Julius Wellhausen
    • Franz Rosenthal
    • Emile Dermenghem
    • Arthur Jeffery
    • Kenneth Cragg
    • Gustav von Grunebaum
    • Wilferd Cantwell Smith
    • David S. Margoliouth
    • Sir William Muir
    • Alfred Guillaume
    • H.A.R. Gibb
    • Philip K. Hitti
    • Bernard Lewis
    • Charles C. Torrey
    • Richard Bell
    • Andrew Rippin
    • Michael Cook
    • Patricia Crone
    • Toby Lester
    • R. Puin
    • Yehuda D. Nevo
    • Christopher Luxenberg
    • "Ibn Warraq" (pseudoniem)
    • F. E, Peters
    • V.S. Naipaul

    Dit is slechts een greep uit de bekendere orientalisten. Een aantal van deze oriëntalisten en hun werken worden als 'heilig' beschouwt in de westerse academische wereld. Kritiek op hen geven is dan ook niet gewenst. Hun werken zijn verplichte literatuur op universiteiten met afdelingen islam, islamologie of levensbeschouwing.

    Oriëntalisten 'in de boekhandel'

    • Karen Armstrong
    • William Montgomery Watt

    Nederlandstalig

    • Hans Jansen
    • Wim Raven
    • D.S. Attema

    Voltaire en 'Mahomet'

    Voltaire (1694-1778), ‘een voorvechter van de tolerantie’, toonde in Lille in 1741 publiekelijk zijn verachting voor de profeet Muhammad in het tragedische toneelstuk Mahomet waarin hij hem neerzette als de belichaming van een bewuste dictator. In 1742 werd het als druk gepubliceerd. Het is beschikbaar als dun boekwerkje in de Engelse taal.

    Karen Armstrong en de Profeet

    Karen Armstrong wordt over het algemeen gezien als iemand die de Islam niet negatief belicht. Het lijkt er soms zelfs op alsof ze het probeert te ‘verdedigen’. Dit is vooral betreffende bepaalde misconcepties, maar wanneer het komt op de fundamenten van de Islam, zoals het geloof dat de Koran werkelijk een openbaring is van Allah (God) nedergezonden aan Muhammad, dan aanvaard zij dat niet. Dat zet tegelijkertijd ook de toon van haar werken. Zij ziet Muhammad (vrede zij met hem) vooral als een soort sociale hervormer die de Koran zelf heeft samengesteld. Hij zou vooral de Arabieren bij elkaar willen brengen, maar hij was er niet echt op uit om ‘de oude religie’ tot een einde te brengen. Hij zou hebben gekeken wat goed was van de geloven in Arabië en dat hebben samengebracht in een eigen werk: de Koran. Dat Muhammad een profeet zou zijn accepteert zij tot zoverre, omdat Muhammad dat zelf zou hebben geloofd. Ook de periode van de rechtgeleide kaliefen wordt door haar afgeschilderd als een periode om de Arabieren koste wat kost te laten overheersen, zodat hun eenheid behouden zou blijven. Haar benadering van de geschiedenis van de Islam is merkbaar materialistisch en zij gaat veels te vaak voorbij aan de spirituele motivatie van gelovigen.

    Hans Jansen en 'Mohammed'

    Hans Jansen, arabist en hoogleraar in Utrecht, is geen onbekende. Hij stond onlangs aan de zijde van Wilders in het proces tegen hem. In de Nederlandse taal zijn er twee werken van hem uitgebracht die aansluiten bij dit artikel: "De historische Mohammed". Het bestaat uit twee delen; de ene richt zich op de verhalen uit Mekka en de andere op de verhalen uit Medina.Ik heb het werk persoonlijk onderzocht en kan niet anders concluderen dat het boordevol fouten en verdraaiingen zit. Dit zal denk ik ook niet veel mensen verbazen, gezien zijn negatieve houding richting de Islam. Bovendien zijn veel van zijn ideeën 'plagiaat' te noemen, zeker wanneer het wordt vergeleken met werken zoals die van Patricia Crone en Ibn Warraq.

    Een kwaal onder moslims

    Veels te vaak zijn moslims op zoek naar goedkeuring en acceptatie. Soms is men zo ijverig op zoek naar positieve uitspraken van westerse schrijvers, dat men niet meer kritisch kijkt naar de schrijver die men citeert. Het wordt des te meer problematisch als iemand een boek of artikel schrijft en daarin positieve citaten van deze schrijvers of onderzoekers aanhaalt, zonder hun werken feitelijk en volledig gelezen te hebben, laat staan geanalyseerd te hebben.

    • Copyright © 2012 Dar-al-'Ilm - Instituut voor Islam Studies
    • Webdevelopment by Qraft

    Categorieën:

    Beoordelingen